Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZWB:2022:296

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak
25-01-2022
Datum publicatie
18-02-2022
Zaaknummer
20/8404
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Vennootschapsbelasting, loonheffingen en vergrijpboeten.

De bestuurder van belanghebbende heeft zijn privérekening gebruikt als betaalrekening van een Thaise Ltd. De rechtbank acht aannemelijk dat de bestuurder in feite handelde namens belanghebbende en niet namens de Ltd. De ontvangsten en betalingen via de privérekening zijn terecht als verzwegen omzet en zwart loon aan belanghebbende toegerekend.

Voor de overige correcties maakt belanghebbende niet aannemelijk dat een hoger bedrag in aftrek moet worden verleend dan al is toegelaten.

De rechtbank matigt de vergrijpboeten wegens disproportionaliteit.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Viditax (FutD), 21-2-2022
FutD 2022-0660
NLF 2022/0472
V-N Vandaag 2022/553
V-N 2022/24.18.5
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Belastingrecht, meervoudige kamer

Locatie: Breda

Zaaknummers BRE 20/8404, 20/8405, 21/1286 en 21/1287

Uitspraak van 25 januari 2022

Uitspraak als bedoeld in afdeling 8.2.6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in het geding tussen

[belanghebbende] , gevestigd te [vestigingsplaats] ,

belanghebbende,

en

de inspecteur van de Belastingdienst,

de inspecteur.

1 Ontstaan en loop van het geding

Zaaknummer 20/8404

1.1.

De inspecteur heeft aan belanghebbende over het tijdvak 1 januari 2016 tot en met 31 december 2016 een naheffingsaanslag loonheffingen, een beschikking belastingrente en een boetebeschikking met aanslagnummer [aanslagnummer]A01.6500 opgelegd.

1.2.

De inspecteur heeft bij uitspraak op bezwaar van 31 juli 2020 de naheffingsaanslag en de rente- en boetebeschikking gehandhaafd. Het verzoek om kostenvergoeding is afgewezen.

Zaaknummer 20/8405

1.3.

Over het tijdvak 1 januari 2014 tot en met 31 december 2016 heeft de inspecteur aan belanghebbende een naheffingsaanslag loonheffingen en een beschikking belastingrente met aanslagnummer [aanslagnummer]A01.6501 opgelegd.

1.4.

Bij uitspraak op bezwaar van 18 augustus 2020 heeft de inspecteur de naheffingsaanslag en de belastingrente verminderd. Aan belanghebbende is een kostenvergoeding van € 652,50 toegekend.

Zaaknummer 21/1286

1.5.

De inspecteur heeft aan belanghebbende voor het jaar 2015 een navorderingsaanslag vennootschapsbelasting, een beschikking belastingrente en een boetebeschikking met aanslagnummer [aanslagnummer]V57.0112 opgelegd.

1.6.

Bij uitspraak op bezwaar van 13 maart 2021 heeft de inspecteur de navorderingsaanslag, de beschikking belastingrente en de boetebeschikking verminderd. Het verzoek om kostenvergoeding is afgewezen.

Zaaknummer 21/1287

1.7.

De inspecteur heeft aan belanghebbende voor het jaar 2016 een aanslag vennootschapsbelasting, een beschikking belastingrente en een boetebeschikking met aanslagnummer [aanslagnummer]V66.0112 opgelegd.

1.8.

Bij uitspraak op bezwaar van 6 maart 2021 heeft de inspecteur de navorderingsaanslag, de beschikking belastingrente en de boetebeschikking verminderd. Het verzoek om kostenvergoeding is afgewezen.

1.9.

Belanghebbende heeft bij brief van 10 september 2020, ontvangen bij de rechtbank op dezelfde dag, beroep ingesteld tegen de naheffingsaanslagen loonheffingen en de rente- en boetebeschikkingen. Ter zake van deze beroepen heeft de griffier van belanghebbende een griffierecht geheven van € 354 per zaak.

1.10.

Bij brief van 22 maart 2021, ontvangen bij de rechtbank op dezelfde dag, heeft belanghebbende beroep ingesteld tegen de (navorderings)aanslag vennootschapsbelasting en de rente-en boetebeschikkingen. Ter zake van deze beroepen heeft de griffier van belanghebbende een griffierecht geheven van € 360 per zaak.

1.11.

De inspecteur heeft verweerschriften ingediend. Belanghebbende en de inspecteur hebben ieder in de zaaknummers 21/1286 en 21/1287 een nader stuk ingediend. Een afschrift hiervan is door de griffier aan de wederpartij gestuurd.

1.12.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 14 december 2021 te Breda.

Aldaar zijn verschenen en gehoord, belanghebbende in de persoon van haar bestuurder

[A] , vergezeld van de gemachtigde mr. G. Kaya, M.F.P. de Clerq en D.H.L. van Meijgaarden, verbonden aan Actal Advocaten en Fiscalisten te Roosendaal, en namens de inspecteur, [inspecteur 1], [inspecteur 2], [inspecteur 3] en [inspecteur 4]. Van het verder ter zitting verhandelde is een proces-verbaal opgemaakt, waarvan een afschrift gelijktijdig met deze uitspraak aan partijen is verzonden.

2 Feiten

Op grond van de stukken van het geding en het verhandelde ter zitting staat het volgende vast:

2.1.

Belanghebbende is een in Nederland gevestigde vennootschap. Haar activiteiten bestaan uit het uitvoeren van las-, constructie-, piping- en electrowerkzaamheden en het uitvoeren van onderhoudswerkzaamheden op elektrisch- en metaalgebied en het detacheren van technisch geschoold en gecertificeerd personeel.

2.2.

Alle aandelen in belanghebbende worden gehouden door een in Thailand gevestigde en naar Thais recht opgerichte vennootschap (hierna: [X] Ltd.). De bestuurders van belanghebbende zijn [X] Ltd. en [A] (hierna: [A] ). Alle aandelen in [X] Ltd. worden gehouden door (onder meer) [B] (hierna: [B] ), woonachtig in Thailand. [A] is geen aandeelhouder van belanghebbende, noch van [X] Ltd.

2.3.

De Belastingdienst heeft bij belanghebbende een boekenonderzoek ingesteld over de jaren 2014 tot en met 2016 voor de omzetbelasting, vennootschapsbelasting (hierna: Vpb) en loonheffingen (hierna: LH). Met dagtekening 31 oktober 2018 is het definitieve rapport van het boekenonderzoek aangeboden. In het rapport van het boekenonderzoek is voor zover hier van belang het volgende opgenomen:

“4 Fiscale winstberekening

4.1

Volledigheid van de omzet

Ik ga niet met de aangegeven omzet akkoord. Gelet op de opvallende mutaties in de rekeningcourantverhouding met de heer [A] , heb ik zijn privé-bankafschriften opgevraagd. Ik heb deze van hem ontvangen. De meeste af- en bijschrijvingen op de bankafschriften waren zwart gearceerd. Dit gaf mij aanleiding om de bankafschriften zelf op te vragen bij de bank. Uit deze bankafschriften is me gebleken dat er grote bedragen werden ontvangen van de [Y] -groep te [adres] . Tijdens het inleidend gesprek had ik al vragen over deze privérekening gesteld. De heer [A] gaf aan dat het Thaise [X] Limited een grote opdracht had verworven bij de [Y] -groep voor het uitzenden van personeel. Daarbij was afgesproken dat de [Y] -groep de facturen van de Limited betaalde op de privérekening van de heer [A] . Hij zou dan de bedragen doorstorten naar de Limited onder inhouding van de factuurbedragen die de vennootschap aan de Limited stuurde voor het uitzenden van het personeel naar de [Y] -groep. Op 11 oktober 2017 waren er nog geen bedragen doorgestort. De heer [A] heeft hierover verklaard dat hij uit wilde weten hoeveel geld er over bleef om door te kunnen storten. Op de vraag of de Limited tijdens de "periodieke zakelijke besprekingen" in 2016 niet informeerde waar het geld bleef, verklaarde de heer [A] hij door gegeven had dat de [Y] -groep failliet was gegaan en niet had betaald.

Uiteindelijk zijn de betreffende b.v.s. van de [Y] Groep wel failliet gegaan, maar dan op 15 augustus 2017.

In verband met het bovenstaande heb ik derdenonderzoek verricht bij de [Y] -groep.

De directeur gaf aan dat de heer [A] ultimo 2015 voorstelde vanuit zijn Thaise uitzendbureau personeel te leveren op basis van aanneming in plaats van te factureren op gewerkte uren. Er zijn geen contacten vanuit Thailand geweest, noch zijn er vastleggingen vanuit Thailand inzake deze opdracht. Ik heb alle facturen van de Limited aan de [Y] -groep opgevraagd. In 2016 is in totaal € 817.384 gefactureerd. De facturen van de Limited hebben dezelfde lay-out als de facturen van de vennootschap. Op het bedrijfsadres in Thailand is geen uitzendbureau te vinden, maar een hotel. De [Y] -groep heeft in 2016 tot het faillissement van de betreffende B.V.'s € 658.070 betaald via de privérekening van de heer [A] . Geen van deze ontvangsten, die vrij snel na het verzenden van de facturen binnen kwamen, zijn doorbetaald aan de Limited. Ik merk verder op dat de [Y] Groep in 2015 al klant was van [X] B.V. Gelet op de hele onaannemelijke gang van zaken en het feit dat er geen enkel bewijs is dat de Limited zich bemoeid heeft met de opdracht voor de [Y] Groep, stel ik mij op het standpunt dat de betreffende omzet ad € 817.384 is toe te rekenen aan de vennootschap.

In 2016 heeft de vennootschap facturen opgemaakt voor de Limited voor het uitzenden van personeel. Het totale factuurbedrag is € 315.404 en is begrepen in de aangegeven omzet. Er zijn bedragen inzake deze facturen ontvangen tot een bedrag van € 228.350, niet vanuit Thailand, maar vanaf de privérekening van de heer [A] . De debiteurenstand bedraagt eind 2016 € 87.054.

Per saldo corrigeer ik de omzet met € 501.980.

(…) 2016

Correctie 1: € 501.980

Ik merk hierbij op dat de debiteurenstand per 31 december 2016 verhoogd moet worden met € 159.314 ( [Y] Groep).

(…)

6 Loonheffingen

(…)

6.5

Verzwegen lonen

Via de privérekening van de heer [A] zijn lonen uitbetaald die buiten de loonadministratie zijn gehouden. Ik heb deze lonen in kaart gebracht. In totaal is in 2016 € 136.361 zwarte lonen uitbetaald. De betreffende werknemers hebben vrijwel allemaal in deze periode ook wit loon genoten. Gelet op de hoogte van de (witte) tijdvakverloningen door de werkgever (en het wettelijk minimumloon) is het naar mijn mening redelijk om uit te gaan van een collectieve brutering tegen het percentage van de tweede tariefschijf. De loonopbouw voor de gebruteerde naheffingsaanslag is als volgt weer te geven:

Brutoloon 100

Inhouding loonheffing inclusief afbouw algemene heffingskorting (afgerond) 45

Nettoloon 55

Het netto uitbetaalde zwarte loon komt dan overeen met € 136.361 x 100/55 = € 247.929 aan bruto uitbetaald zwart loon. Hierover zijn de navolgende loonheffingen verschuldigd:

Loonheffing 45%

€ 111.568

Werkgeversheffing Zvw 6.75% € 16.735

Basispremie WAO/WIA 6.38% € 15.817

Gedifferentieerde premie WHK 5.81% € 14.404

Premie AWF 2.44% € 6.049

Premie sectorfonds 4.31% € 10.685

Totaal aan na te heffen loonheffingen € 175.258

2.4.

Tot de gedingstukken behoort een “overeenkomst tot het inlenen van tijdelijk personeel” tussen [Y] B.V. (hierna: [Y] ), de opdrachtgever, en [X] Ltd., de opdrachtnemer. De overeenkomst is namens [X] Ltd. getekend door [B] in zijn functie als directeur. De naam en functie van de ondertekenaar namens [Y] zijn niet ingevuld evenals de dagtekening. [X] Ltd. heeft in verband met deze opdracht € 817.384 gefactureerd aan [Y] . De werkzaamheden voor [Y] zijn (onder meer) verricht door werknemers die in dienst van belanghebbende waren.

2.5.

Tot de gedingstukken behoren de bankafschriften van de privérekening van [A] bij de Rabobank (hierna: de privérekening). In 2016 heeft [A] op deze rekening de volgende betalingen verricht en ontvangen:

  1. Betalingen van in totaal € 658.070 ontvangen van [Y] in verband met de opdracht van [Y] met [X] Ltd.

  2. Betalingen verricht aan belanghebbende van in totaal € 315.404 op 10 facturen voor ‘executed works’ uitgereikt door belanghebbende aan [X] Ltd.

  3. Betalingen verricht aan werknemers van belanghebbende van in totaal € 136.361.

  4. Betalingen verricht aan [C] en [D] .

Naheffing LH 1-1-2016 t/m 31-12-2016

2.6.

Van de privérekening is in totaal € 136.361 betaald aan werknemers van belanghebbende (zie 2.5 onder 3). De betalingen zijn niet in de loonadministratie van belanghebbende opgenomen. De inspecteur is uitgegaan van een collectieve brutering tegen het percentage van de tweede tariefschijf. Het netto uitbetaalde loon komt overeen met € 136.361 x 100/55 = € 247.929 aan bruto uitbetaald loon. De LH hierover heeft de inspecteur berekend op € 175.258 en dat bedrag nageheven. Daarbij is € 17.331 belastingrente in rekening gebracht en een vergrijpboete van € 87.629 opgelegd.

Navorderingsaanslag Vpb 2015

2.7.

Belanghebbende heeft aangifte Vpb 2015 gedaan naar een belastbare winst van € 64.663 en een belastbaar bedrag van € 17.935. Ten laste van de winst zijn geboekt:

  1. € 8.350 aan managementvergoeding overgemaakt aan [B] ;

  2. € 5.000 aan reis-en verblijfkosten van [A] naar en in Thailand.

De inspecteur heeft de aanslag conform de ingediende aangifte opgelegd.

2.8.

Naar aanleiding van het boekenonderzoek heeft de inspecteur in de uitspraak op bezwaar de managementvergoeding en de reis- en verblijfkosten gecorrigeerd tot:

  1. € 5.000 aan managementvergoeding op basis van een afspraak gemaakt bij het boekenonderzoek 2012 en 2013;

  2. € 3.790 aan reis-verblijfkosten.

De navorderingsaanslag Vpb over het jaar 2015 is, na bezwaar, opgelegd naar een belastbaar bedrag van € 33.922, waarbij rekening is gehouden met een verrekening van verlies uit andere jaren van € 35.883. Daarbij is € 640 belastingrente in rekening gebracht en een vergrijpboete van € 335 opgelegd.

Aanslag Vpb 2016

2.9.

Belanghebbende heeft een (gewijzigde) aangifte Vpb 2016 gedaan naar een belastbaar bedrag van € 1.162 negatief. Ten laste van de winst zijn geboekt:

  1. € 6.730 aan managementvergoeding overgemaakt aan [B] ;

  2. € 15.635,14 aan reis-en verblijfkosten van [A] naar en in Thailand.

2.10.

Naar aanleiding van het boekenonderzoek heeft de inspecteur de managementvergoeding en de reis-en verblijfkosten gecorrigeerd tot:

1) € 5.000 aan managementvergoeding op basis van een afspraak gemaakt bij het boekenonderzoek 2012 en 2013;

2) € 3.790 aan reis-verblijfkosten;

3) € 254.051 extra omzet:

gefactureerd aan [Y] (zie 2.4) € 817.384

gefactureerd aan [X] Ltd. (zie 2.5.2) - € 315.404

€ 501.980

brutolonen (zie 2.6) - € 247.929

omzetbijtelling € 254.051

De inspecteur heeft de aanslag Vpb 2016, na bezwaar, vastgesteld op een belastbaar bedrag van € 259.527. Daarbij is € 6.902 belastingrente in rekening gebracht en een vergrijpboete van € 26.069 opgelegd.

3 Geschil

3.1.

In geschil is het antwoord op de volgende vragen:

Zaaknummers 20/8404, 21/1286 en 21/1287

Zijn de naheffingsaanslag LH 1-1-2016 tot en met 31-12-2016, de navorderingsaanslag Vpb 2015 en de aanslag Vpb 2016 terecht en tot de juiste bedragen opgelegd?

Zijn de vergrijpboeten terecht opgelegd?

Zaaknummer 20/8405:

Is de naheffingsaanslag LH 1-1-2014 tot en met 31-12-2016 tot het juiste bedrag opgelegd?

Belanghebbende beantwoordt deze vragen ontkennend en de inspecteur bevestigen.

3.2.

Belanghebbende concludeert tot gegrondverklaring van de beroepen, vernietiging van de uitspraken op bezwaar en vernietiging dan wel vermindering van de (navorderings-/naheffings)aanslagen en rente- en boetebeschikkingen.

De inspecteur concludeert tot gegrondverklaring van het beroep tegen de naheffingsaanslag 1-1-2014 tot en met 31-12-2016 (zaaknummer 20/8405) en ongegrondverklaring van de overige beroepen.

4 Beoordeling van het geschil

Naheffingsaanslag 1-1-2014 tot en met 31-12-2016 (zaaknummer 20/8405)

4.1.

Vast staat dat de auto's met de kentekens [kenteken 1] , [kenteken 2] en [kenteken 3] een CO2-uitstoot hebben van 82 gram per km en dat het bijtellingspercentage voor de berekening wegens het privégebruik van deze auto's 14% bedraagt in plaats van de door de inspecteur berekende 21%. Gelet hierop is tussen partijen niet langer in geschil dat de naheffingsaanslag LH over het tijdvak 1 januari 2014 tot en met 31 december 2016 moet worden verminderd met een bedrag van € 3.334 tot € 24.434. Het beroep tegen deze naheffingsaanslag is gegrond.

(Navorderings)aanslagen Vpb 2015 en 2016 (zaaknummers 21/1286 en 21/1287)

Managementvergoeding

4.2.

Belanghebbende heeft in 2015 en 2016 een managementvergoeding van respectievelijk € 8.350 en € 6.730 ten laste van het resultaat gebracht. De managementvergoeding is betaald aan [B] in Thailand. Bij het boekenonderzoek over de jaren 2012 en 2013 is over de aan [B] betaalde managementvergoeding het volgende afgesproken:

“Afgesproken is om voorlopig per jaar € 5.000 als kosten aan te merken. Over de jaren 2011 t/m 2013 wordt per jaar € 7.000 aangemerkt als dividend.”

4.3.

In de (navorderings)aanslagen Vpb 2015 en 2016 heeft de inspecteur de aftrek in verband met de managementvergoeding in 2015 en 2016, gelet op deze afspraak, beperkt tot € 5.000.

4.4.

Belanghebbende stelt dat de managementvergoeding thans op een hoger bedrag moet worden gesteld, omdat het bedrag van € 5.000 een afspraak uit het verleden betreft. De bewijslast hiervan rust op belanghebbende.

4.5.

De rechtbank acht belanghebbende niet in haar bewijslast geslaagd. Desgevraagd heeft belanghebbende geen nadere argumenten kunnen geven voor een hogere managementvergoeding. Evenmin heeft belanghebbende een hoger bedrag kunnen onderbouwen met schriftelijke stukken. De inspecteur heeft het in aftrek toegelaten bedrag van de managementvergoeding terecht beperkt tot € 5.000.

Reis- en verblijfkosten

4.6.

Belanghebbende heeft in 2015 en 2016 reis- en verblijfskosten van respectievelijk € 5.000 en € 15.635,14 ten laste van het resultaat gebracht. De kosten hebben betrekking op reizen van [A] naar Thailand. De inspecteur heeft de kosten, na bezwaar, in aftrek beperkt tot respectievelijk € 3.790 en € 10.727. De inspecteur heeft de uitgaven die zijn gedaan in het weekend niet in aftrek toegelaten en de aftrekbeperking van artikel 3.15 van de Wet IB 2001 toegepast. Met de beperking van de aftrek op grond van artikel 3.15 van de Wet IB 2001 is belanghebbende akkoord.

4.7.

Belanghebbende stelt ter zitting dat de reis- en verblijfkosten op een hoger bedrag moeten worden gesteld, omdat de kosten noodzakelijk en verantwoord zijn.

4.8.

De rechtbank stelt vast dat in de uitspraken op bezwaar uitgebreid is gemotiveerd waarom en tot welke bedragen de reis- en verblijfkosten in aftrek worden toegelaten. Belanghebbende heeft dan met de enkele stelling ter zitting dat de kosten noodzakelijk en verantwoord zijn niet voldoende daartegenover gesteld. De rechtbank ziet derhalve geen aanleiding om te oordelen dat een hoger bedrag aan reis- en verblijfkosten voor aftrek in aanmerking komt dan de reeds verleende aftrek. De inspecteur heeft de aftrek reis- en verblijfskosten in de (navorderings)aanslagen Vpb 2015 en 2016 terecht gecorrigeerd.

Aanslag Vpb 2016 (zaaknummer 21/1287)

4.9.

De inspecteur heeft de omzet behaald met de opdracht van [Y] berekend op € 254.051 en als extra omzet van belanghebbende in de aanslag Vpb 2016 in aanmerking genomen. Belanghebbende heeft zich op standpunt gesteld dat de omzet niet aan haar maar aan [X] Ltd. moet worden toegerekend. Ter onderbouwing van haar standpunt heeft belanghebbende gewezen op de schriftelijke overeenkomst tussen [Y] en [X] Ltd., die door [B] als directeur van [X] Ltd. is ondertekend.

4.10.

De rechtbank overweegt als volgt. De rechtbank ziet in hetgeen belanghebbende heeft gesteld, geen aanleiding om aan te nemen dat het onderzoek dat aan het controlerapport ten grondslag ligt, onvoldoende zorgvuldig is geweest. De rechtbank acht de conclusies uit het controlerapport aangaande de omzetcorrectie voldoende onderbouwd. De overeenkomst waar belanghebbende naar verwijst maakt dit niet anders. De overeenkomst is eenzijdig ondertekend door [B] namens [X] Ltd. Wie de overeenkomst namens [Y] heeft ondertekend is niet verifieerbaar. De naam en functie van de persoon zijn niet ingevuld. Ook is de datum van ondertekening van de overeenkomst niet ingevuld. De facturen zijn weliswaar op naam van [X] Ltd. gesteld maar [Y] heeft deze op verzoek van [A] betaald op de privérekening van [A] . Belanghebbende heeft hiervoor als verklaring gegeven dat het voor [X] Ltd. niet mogelijk was in Nederland een bankrekening te openen. Desgevraagd ter zitting heeft [A] echter geen plausibele verklaring kunnen geven waarom ervoor gekozen is zijn privérekening te gebruiken als betaalrekening van [X] Ltd., terwijl [A] geen (formele) betrokkenheid had bij de Ltd. Verder staat vast dat [A] geen enkel bedrag aan [X] Ltd. heeft doorbetaald. De verklaring hiervoor is volgens [A] dat [X] Ltd. meer investeringen in Nederland wilde doen. Deze verklaring heeft [A] niet kunnen onderbouwen en acht de rechtbank op voorhand ook niet aannemelijk. Ook valt op dat de facturen van belanghebbende en [X] Ltd. dezelfde layout hebben, hetgeen tezamen met het voorgaande aanleiding geeft tot twijfel over de authenticiteit van de facturen. Verder heeft [A] op zitting verklaard dat hij bij de rechtsvoorganger van [Y] als hoofd personeelszaken en planner heeft gewerkt en dat hij het bedrijf en de directeur van [Y] kende en dat [Y] hem daarom de opdracht heeft gegund. Tot slot heeft [A] op de zitting bevestigd dat de aan [Y] uitgeleende werknemers waar de correctie op ziet, in dienst waren van belanghebbende en niet van [X] Ltd. Gelet op dit alles acht de rechtbank aannemelijk dat [A] namens belanghebbende heeft gehandeld en niet namens [X] Ltd., en dat dus belanghebbende de wederpartij was van [Y] . Dit betekent dat de inspecteur de omzet die is behaald met de opdracht van [Y] terecht bij belanghebbende in de aanslag Vpb 2016 in aanmerking heeft genomen.

Naheffingsaanslag LH 1-1-2016 tot en met 31-12-2016 (zaaknummer 20/8404)

4.11.

Vast staat dat van de privérekening van [A] onkostenvergoedingen zijn betaald aan werknemers van belanghebbende en dat de vergoedingen voortvloeien uit de dienstbetrekking van die werknemers bij belanghebbende. Verder staat vast dat de vergoedingen niet in de loonadministratie van belanghebbende zijn verantwoord en dat daarover geen loonheffingen door belanghebbende zijn ingehouden en afgedragen. Ter zitting is komen vast te staan dat in de naheffingsaanslag over het tijdvak 1 januari 2016 tot en 31 december 2016 uitsluitend de over die vergoedingen verschuldigde loonheffingen zijn begrepen. Gelet hierop en op hetgeen in het controlerapport en het verweerschrift staat vermeld, heeft de inspecteur belanghebbende terecht als werkgever en als inhoudingsplichtige aangemerkt en de bedragen als loon in aanmerking genomen.

4.12.

Voor dat geval heeft belanghebbende aangevoerd dat de naheffingsaanslag te hoog is vastgesteld, omdat geen rekening is gehouden met de extraterritoriale kostenregeling voor deze werknemers die voornamelijk in het voormalig Oostblok wonen en tijdelijk in Nederland werken.

4.13.

Naar het oordeel van de rechtbank heeft belanghebbende niet aannemelijk gemaakt dat de werknemers recht hadden op een vergoeding van extra kosten van tijdelijk verblijf buiten het land van herkomst in het kader van de dienstbetrekking. De enkele stelling dat dit mondeling zou zijn toegezegd is daartoe onvoldoende reeds omdat de loonadministratie van belanghebbende geen aanwijzingen bevat die hierop duiden. Voorts is niet aannemelijk dat een verzoek tot toepassing van de 30%-regeling is gedaan, laat staan dat een beschikking is afgegeven.

4.14.

Tot slot heeft belanghebbende ter zitting nog aangevoerd dat de naheffingsaanslag te hoog is vastgesteld omdat de betalingen aan [C] en [D] zijn gedaan in het kader van een lening aan belanghebbende. De inspecteur heeft in de uitspraken op bezwaar gemotiveerd gesteld dat en waarom de betalingen aan [C] en [D] zijn aangemerkt als (zwart) loon. Ook in het verweerschrift zijn op dit punt feiten gesteld, die door belanghebbende niet zijn weersproken. Gelet hierop en op de omstandigheid dat diverse andere betalingen van de privérekening van [A] betalingen aan werknemers van belanghebbende betreft, acht de rechtbank aannemelijk dat ook ten aanzien [C] en [D] sprake is van loon. Belanghebbende heeft met hetgeen zij heeft aangevoerd het tegendeel onvoldoende onderbouwd.

4.15.

Gelet op dit alles is de naheffingsaanslag LH over het tijdvak 1 januari 2016 tot en 31 december 2016 terecht en niet op een te hoog bedrag vastgesteld.

Boeten

4.16.

De inspecteur heeft vergrijpboeten opgelegd. De inspecteur stelt dat sprake is van (voorwaardelijke) opzet van belanghebbende in de persoon van haar bestuurder [A] .

4.17.

Onder opzet wordt verstaan het willens en wetens handelen. De ondergrens van opzet wordt gevormd door voorwaardelijke opzet. Van voorwaardelijke opzet is sprake als belanghebbende bewust de aanmerkelijke kans aanvaard dat het beboetbare feit zich zal voordoen. Het is aan de inspecteur om (voorwaardelijk) opzet aannemelijk te maken.

4.18.

Bij de beoordeling of en in hoeverre het aan opzet van een rechtspersoon, in dit geval belanghebbende, is te wijten dat te weinig belasting is betaald, moeten de gedragingen worden beoordeeld van de natuurlijke persoon die binnen zijn bevoegdheid voor de rechtspersoon werkzaamheden verricht, ter vervulling van de aan hem toebedeelde taken. Daarbij moet tevens worden nagegaan of en in hoeverre opzet van die natuurlijke persoon zijn oorzaak vindt in de interne organisatie van de rechtspersoon en het opzet mitsdien aan de rechtspersoon kan worden toegerekend.

Boete opgelegd bij de naheffingsaanslag LH 1-1-2016 tot en met 31-12-2016 (zaaknummer 20/8404)

4.19.

De inspecteur heeft een vergrijpboete van € 87.629 (50% van de nageheven LH) opgelegd.

4.20.

De rechtbank acht de inspecteur geslaagd in zijn bewijslast. De rechtbank acht aannemelijk – gelet op het onder 4.11 tot en met 4.15 overwogene – dat belanghebbende, in de persoon van haar bestuurder [A] , onkostenvergoedingen aan haar werknemers heeft uitbetaald die ten onrechte niet in de loonadministratie zijn opgenomen. Door de vergoedingen niet in de loonadministratie op te nemen heeft belanghebbende bewust de aanmerkelijke kans aanvaard dat zij te weinig loonheffingen op aangifte heeft afgedragen. De gedragingen van [A] passen in de normale bedrijfsuitoefening van belanghebbende en zijn haar ook dienstig geweest. Deze feitelijke gang van zaken werd ook door belanghebbende aanvaard. Gelet op het voorgaande, acht de rechtbank de vergrijpboete terecht aan belanghebbende opgelegd.

Boete opgelegd bij de (navorderings)aanslagen Vpb 2015 en 2016 (zaaknummers 21/1286 en 21/1287)

4.21.

De inspecteur heeft een vergrijpboete opgelegd over de correctie op de managementvergoeding voor zover die vergoeding boven het bedrag van € 5.000 in stand is gebleven. Voor 2015 is de vergrijpboete in bezwaar vastgesteld op € 335 (€ 3.350 x 20% x 50%) en voor 2016 op € 1.309 (€ 13.092 x 20% x 50%).

4.22.

De rechtbank acht de inspecteur geslaagd in zijn bewijslast. De rechtbank acht aannemelijk – gelet op het onder 4.2 tot en met 4.5 overwogene – dat belanghebbende in de persoon van haar bestuurder [A] in 2015 en 2016 bewust een hoger bedrag aan managementvergoeding ten laste van het resultaat heeft gebracht dan de tijdens het boekenonderzoek over de boekjaren 2012 en 2013 afgesproken vergoeding van € 5.000. Daarmee heeft belanghebbende willens en wetens de reële kans aanvaard dat te weinig belasting zou worden geheven. Het betoog van belanghebbende dat sprake is van een pleitbaar standpunt, slaagt niet. Van een pleitbaar standpunt kan uitsluitend worden gesproken indien het een standpunt over de interpretatie van het (fiscale) recht betreft, en het dus om een – geheel of gedeeltelijk – rechtskundig standpunt gaat. De standpunten van belanghebbende dat een managementvergoeding betaald moet worden waarbij de hoogte ervan onderwerp van discussie kan zijn en dat het bedrag ook niet dusdanig hoog is dat belanghebbende wist dat dit onjuist was, kunnen niet aangemerkt worden als rechtskundige standpunten. Gelet op het voorgaande, acht de rechtbank de vergrijpboete over de correctie op de managementvergoeding terecht aan belanghebbende opgelegd.

Boete opgelegd bij de aanslag Vpb 2016 (zaaknummer 21/1287)

4.23.

De inspecteur heeft over de omzetbijtelling een vergrijpboete van € 24.760 (€ 26.069 -/- € 1.309) opgelegd.

4.24.

De rechtbank acht de inspecteur geslaagd in zijn bewijslast. De rechtbank acht aannemelijk – gelet op het onder 4.10 overwogene – dat de omzet behaald met de opdracht voor [Y] omzet van belanghebbende is en niet van [X] Ltd. en dat belanghebbende in de persoon van [A] deze omzet buiten het zicht van de belastingdienst heeft gehouden door de betalingen via de privérekening van [A] te laten plaatsvinden. Daarmee heeft belanghebbende willens en wetens de reële kans aanvaard dat te weinig belasting zou worden geheven. Gelet op het voorgaande, acht de rechtbank de vergrijpboete over de omzetbijtelling terecht aan belanghebbende opgelegd.

4.25.

Het enkele feit dat het terecht is dat vergrijpboeten aan belanghebbende zijn opgelegd, brengt nog niet zonder meer mee dat de hoogte van die boeten ook passend en geboden is. De belastingrechter heeft tot taak te onderzoeken of de (hoogte van een opgelegde) boeten proportioneel zijn. In dit verband moet beoordeeld worden of de hoogte van de boeten in overeenstemming is met de ernst van de overtreding en de mate waarin deze aan de overtreder kan worden verweten. Alle omstandigheden waaronder de overtreding is begaan, dienen daarbij meegewogen te worden.

4.26.

Tot die omstandigheden behoort in dit geval ook de absolute hoogte van de som van de boeten. De totale som van de vergrijpboeten bedraagt € 114.053 (€ 87.629 + € 355 + € 26.069). Dat is een aanzienlijk bedrag, hetgeen de rechtbank meeweegt. Het doel van de opgelegde boeten is mede gelegen in inscherping van een gebod tot nakoming van fiscale verplichtingen. Naar het oordeel van de rechtbank rechtvaardigen de hoogte van de verschuldigde belastingbedragen en de ernst van de gedragingen een forse boete, maar draagt het totale boetebedrag, gelet op de impact van de nageheven en nagevorderde belastingbedragen en het feit dat de navordering en naheffing op hetzelfde feitencomplex is terug te voeren, in dit geval niet bij aan genoemde fiscale inscherping en is om die reden ook niet noodzakelijk. Wat dat betreft, is een lagere boete meer passend en geboden.

De rechtbank acht de boete opgelegd bij de navorderingsaanslag Vpb 2015 in absolute termen niet te hoog en in verhouding met de ernst van de gedraging (belanghebbende heeft een hoger bedrag aan managementvergoeding in aftrek gebracht dan met de belastingdienst was afgesproken).

Gelet op al het voorgaande acht de rechtbank de volgende boeten passend en geboden:

Aanslagen

Opgelegde boete

Op te leggen boete

Naheffingsaanslag LH 2016

€ 87.629

€ 45.000

Navorderingsaanslag Vpb 2015

€ 355

€ 355

Aanslag Vpb 2016

€ 26.069

€ 13.500

Totaal

€ 58.855

4.27.

Vervolgens moeten de opgelegde boeten worden verminderd als gevolg van de ambtshalve door de rechtbank geconstateerde overschrijding van de redelijke termijn. De boeten zijn aangekondigd op 18 juli 2018 en de rechtbank doet uitspraak op 25 januari 2022. Dit betekent dat de boeten dienen te worden verminderd met 15% tot de volgende bedragen:

Aanslagen

Op te leggen boete

Na vermindering (afgerond)

Naheffingsaanslag LH 2016

€ 45.000

€ 38.250

Navorderingsaanslag Vpb 2015

€ 355

€ 301

Aanslag Vpb 2016

€ 13.500

€ 11.475

Totaal

€ 58.855

€ 50.026

Belastingrente

4.28.

Tegen de belastingrente zijn geen afzonderlijke gronden aangevoerd. Aangezien de naheffingsaanslag LH over 2014 tot en met 2016 wordt verminderd, zal de in rekening gebrachte belastingrente dienovereenkomstig worden verminderd.

Slotsom

4.29.

Het beroep betreffende de naheffingsaanslag LH 1-1-2014 tot en met 31-12-2016 is gegrond evenals de beroepen betreffende de vergrijpboeten opgelegd bij de naheffingsaanslag LH 1-1-2016 tot en met 31-12-2016 en de aanslag Vpb 2015.

De beroepen betreffende de naheffingsaanslag LH 1-1-2016 tot en met 31-12-2016, de navorderingsaanslag Vpb 2015 en de aanslag Vpb 2016 zijn ongegrond.

Het beroep betreffende de boete opgelegd bij de navorderingsaanslag Vpb 2015 is ook ongegrond omdat de ambtshalve matiging van de boete geen aanleiding is voor een gegrondverklaring van het beroep.

5 Proceskosten

Gelet op de drie gegronde beroepen (4.29) vindt de rechtbank aanleiding de inspecteur te veroordelen in de kosten die belanghebbende in verband met de behandeling van het beroep redelijkerwijs heeft moeten maken. De rechtbank merkt de onderhavige zaken aan als samenhangende zaken. De rechtbank stelt de kosten op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.518 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 759 en een wegingsfactor 1). De inspecteur heeft voor de bezwaarfase reeds een kostenvergoeding toegekend van € 652,50 (inzake de naheffingsaanslag LH 1-1-2014 tot en met 31-12-2016) en voor het overige de verzoeken om kostenvergoeding afgewezen. Hiertegen is belanghebbende niet in beroep gekomen.

6 Beslissing

Zaaknummer 20/8404

De rechtbank:

  • -

    verklaart het beroep gegrond met betrekking tot de boetebeschikking opgelegd bij de naheffingsaanslag LH over het tijdvak 1 januari 2016 tot en met 31 december 2016;

  • -

    vernietigt de uitspraak op bezwaar met betrekking tot de boetebeschikking opgelegd bij de naheffingsaanslag LH over het tijdvak 1 januari 2016 tot en met 31 december 2016;

  • -

    vermindert de boete opgelegd bij de naheffingsaanslag LH over het tijdvak 1 januari 2016 tot en met 31 december 2016 tot € 38.250;

  • -

    verklaart het beroep voor het overige ongegrond;

  • -

    gelast dat de inspecteur het door belanghebbende betaalde griffierecht van € 354 aan deze vergoedt.

Zaaknummer 20/8405

De rechtbank:

  • -

    verklaart het beroep gegrond;

  • -

    vernietigt de uitspraak op bezwaar, behoudens de beslissing op het verzoek om kostenvergoeding;

  • -

    vermindert de naheffingsaanslag LH over het tijdvak 1 januari 2014 tot en met 31 december 2016 tot € 24.434;

  • -

    vermindert de beschikking belastingrente dienovereenkomstig;

  • -

    gelast dat de inspecteur het door belanghebbende betaalde griffierecht van € 354 aan deze vergoedt.

Zaaknummer 21/1286

De rechtbank:

  • -

    verklaart het beroep ongegrond;

  • -

    vermindert de boete opgelegd bij de navorderingsaanslag Vpb 2015 tot € 301.

Zaaknummer 21/1287

De rechtbank:

  • -

    verklaart het beroep gegrond met betrekking tot de boetebeschikking opgelegd bij de aanslag Vpb 2016;

  • -

    vernietigt de uitspraak op bezwaar met betrekking tot de boetebeschikking opgelegd bij de aanslag Vpb 2016;

  • -

    vermindert de boete opgelegd bij de aanslag Vpb 2016 tot € 11.475;

  • -

    verklaart het beroep voor het overige ongegrond;

  • -

    gelast dat de inspecteur het door belanghebbende betaalde griffierecht van € 360 aan deze vergoedt.

Zaaknummers 20/8404, 20/8405 en 21/1287

De rechtbank veroordeelt de inspecteur in de proceskosten van belanghebbende ten bedrage van € 1.518.

Deze uitspraak is gedaan door mr.drs. M.H. van Schaik, voorzitter, mr. M.R.T. Pauwels en prof.mr. I.J.F.A. van Vijfeijken, rechters, in aanwezigheid van mr. M.J. van Balkom, griffier, op 25 januari 2022 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.

De griffier, De voorzitter,

Afschrift aangetekend verzonden aan partijen op:

Aan deze uitspraak hoeft eerst uitvoering te worden gegeven als de uitspraak onherroepelijk is geworden. De uitspraak is onherroepelijk als niet binnen zes weken na verzending van de uitspraak een rechtsmiddel is aangewend of onherroepelijk op het aangewende rechtsmiddel is beslist (artikel 27h, derde lid en artikel 28, zevende lid AWR).

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof te ‘s-Hertogenbosch (belastingkamer), Postbus 70583, 5201 CZ ’s-Hertogenbosch.

Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:

1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd;
2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;

d. de gronden van het hoger beroep.

Voor burgers is het mogelijk hoger beroep digitaal in te stellen. Hiervoor kan gebruik worden gemaakt van de formulieren op Rechtspraak.nl / Digitaal loket bestuursrecht.