Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZWB:2022:2785

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak
23-05-2022
Datum publicatie
30-05-2022
Zaaknummer
AWB - 21 _ 5185
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Deze uitspraak is niet voorzien van een samenvatting.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Belastingrecht, enkelvoudige kamer

Locatie: Breda

Zaaknummers BRE 21/5185 tot en met 21/5194

uitspraak van 23 mei 2022

Uitspraak als bedoeld in afdeling 8.2.6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in het geding tussen

[belanghebbende] , gevestigd te Luxemburg,

belanghebbende,

en

de inspecteur van de Belastingdienst,

de inspecteur.

Zitting

Een zitting is met toepassing van artikel 8:57 van de Awb achterwege gebleven. De inspecteur heeft bij brief van 9 februari 2022 expliciet gemeld dat hij geen gebruik maakt van het recht om op zitting te worden gehoord en belanghebbende heeft dit gedaan bij brief van 4 april 2022.

1 Motivering

Belanghebbende heeft een beroepschrift ingediend tegen de uitspraken op de bezwaren van belanghebbende tegen de afwijzing van de verzoeken om teruggaaf van dividendbelasting over de volgende periodes, waaraan de rechtbank de volgende zaaknummers heeft toegekend:

  • -

    het tijdvak 1 mei 2008 tot en met 30 april 2009 (zaaknummer 21/5185);

  • -

    het tijdvak 1 mei 2009 tot en met 30 april 2010 (zaaknummer 21/5186);

  • -

    het tijdvak 1 mei 2010 tot en met 30 april 2011 (zaaknummer 21/5187);

  • -

    het tijdvak 1 mei 2011 tot en met 30 april 2012 (zaaknummers 21/5188 en 21/5189);

  • -

    het tijdvak 1 mei 2012 tot en met 30 april 2013 (zaaknummer 21/5190);

  • -

    het tijdvak 1 mei 2013 tot en met 30 april 2014 (zaaknummer 21/5191);

  • -

    het tijdvak 1 mei 2014 tot en met 30 april 2015 (zaaknummers 21/5192 en 21/5193);

  • -

    het tijdvak 1 mei 2015 tot en met 30 april 2016 (zaaknummer 21/5194).

Belanghebbende stelt – kort gezegd – met een beroep op het Unierecht dat recht op teruggaaf van dividendbelasting bestaat omdat belanghebbende vergelijkbaar is met een fiscale beleggingsinstelling (hierna: fbi).

Gezien het overgangsrecht van artikel XXVI, leden 8 en 9, van de wet Overige fiscale maatregelen 20081, is – kort gezegd – voor teruggaafverzoeken met betrekking tot de boekjaren vanaf het boekjaar dat aanvangt op of na 1 januari 2008 het regime van de afdrachtvermindering2 van belang.

De rechtbank is van oordeel dat de teruggaafverzoeken terecht zijn afgewezen, reeds gelet op het volgende. De Hoge Raad heeft beslist dat het vrije verkeer van kapitaal niet wordt belemmerd door de omstandigheid dat buiten Nederland gevestigde beleggingsinstellingen, in verband met het gegeven dat zij in Nederland niet inhoudingsplichtig zijn voor de dividendbelasting, niet in aanmerking komen voor een tegemoetkoming op grond van de regeling van de afdrachtvermindering.3 In wat belanghebbende heeft aangevoerd tegen de beslissing van de Hoge Raad, ziet de rechtbank geen aanleiding om wel teruggaaf te verlenen of prejudiciële vragen aan het Hof van Justitie te stellen. Daarbij is in aanmerking genomen dat de arresten van het Hof van Justitie waarnaar belanghebbende verwijst, reeds zijn gewezen vóór de beslissing van de Hoge Raad. Voor zover belanghebbende aanvoert dat – mede gelet op het doel – de afdrachtvermindering niet in relevante zin (voor de toepassing van de belemmeringsvraag) afwijkt van de oude teruggaafregeling, kan dat belanghebbende evenmin baten. De rechtbank is in enige eerdere uitspraken, voorafgaand aan de HR-beslissing,4 in de kern uitgegaan van een vergelijkbare opvatting, maar de Hoge Raad heeft anders beslist.5

Ten overvloede merkt de rechtbank op dat zelfs als wel sprake zou zijn van een ongerechtvaardigde belemmering van het vrije verkeer van kapitaal, dit belanghebbende niet zou kunnen baten. In dat geval zou – indien belanghebbende ook overigens vergelijkbaar is met een fbi – het namelijk naar het oordeel van de rechtbank voor de hand liggen dat rechtsherstel plaatsvindt op overeenkomstige wijze zoals de Hoge Raad in zijn beslissing van 23 oktober 2020 heeft uiteengezet voor – kort gezegd – de teruggaafregeling, dus met inachtneming van een zogenoemde vervangende betaling.6 Dit overeenkomstige rechtsherstel zou niet tot een teruggaaf kunnen leiden. Voor een fbi is de tegemoetkoming in de vorm van de afdrachtvermindering immers nimmer hoger dan het door haar af te dragen bedrag aan dividendbelasting dat zij heeft ingehouden op de door haar uitgedeelde winst. Gelet daarop zou voor een buitenlands fonds een vergelijkbare tegemoetkoming maar dan in de vorm van een teruggaaf niet hoger kunnen zijn dan de vervangende betaling die op die teruggaaf in mindering zou komen, ook niet indien de grondslag voor de vervangende betaling zou zijn beperkt tot – kort gezegd – de Nederlandse winst. Opmerking verdient daarbij dat – afgezien van de kwestie van de grondslag van de vervangende betaling – de rechtbank onvoldoende aanknopingspunten aanwezig acht voor het oordeel dat sprake is van redelijke twijfel dat de door de Hoge Raad voorgeschreven wijze van rechtsherstel bij de teruggaafregeling, verenigbaar is met het Unierecht.7

Gelet hierop wordt niet toegekomen aan de behandeling van de overige verweren van de inspecteur.

Aangezien geen recht bestaat op teruggaaf van dividendbelasting, heeft belanghebbende evenmin recht op vergoeding van rente over de ingehouden dividendbelasting.

De beroepen zijn daarom ongegrond. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

Tot slot, het beroepschrift vermeldt dat het beroep ‘voor zover nodig’ mede is ingesteld namens de participant(en) in het fonds. Er is echter op geen enkele wijze beargumenteerd dat en op welke grond de participant(en) wel aanspraak zouden kunnen maken op teruggaaf van de dividendbelasting. Zo is beoogd namens de participant(en) zelfstandig beroep in te stellen, geldt bovendien dat het beroep niet-ontvankelijk zou zijn, aangezien tijdens de beroepstermijn de identiteit van de participant(en) niet kenbaar is gemaakt.8

2 Beslissing

De rechtbank verklaart:

  • -

    de beroepen van belanghebbende ongegrond;

  • -

    de beroepen niet-ontvankelijk zo ze mede zijn ingesteld namens de participant(en).

Deze uitspraak is gedaan door mr. M.R.T. Pauwels, rechter, in aanwezigheid van mr. I. van Wijk, griffier, op 23 mei 2022 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.

De griffier, De rechter,

Afschrift aangetekend verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof te ‘s-Hertogenbosch (belastingkamer), Postbus 70583,

5201 CZ ’s-Hertogenbosch.

Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:

1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.
2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:
a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;

d. de gronden van het hoger beroep.

Voor burgers is het mogelijk hoger beroep digitaal in te stellen. Hiervoor kan gebruik worden gemaakt van de formulieren op Rechtspraak.nl / Digitaal loket bestuursrecht.

1 Stb. 2007, 563.

2 Artikel 11a van de Wet op de dividendbelasting 1965.

3 ECLI:NL:HR:2021:506.

4 Bijv. ECLI:NL:RBZWB:2019:5898, rov. 4.4.4 en 4.4.5.

5 Vgl. in verband met het laatste uitgebreider ECLI:NL:RBZWB:2022:1258.

6 ECLI:NL:HR:2020:1674, onderdeel 5.4.

7 ECLI:NL:RBZWB:2021:264, rov. 4.2.7 tot en met 4.2.14.

8 Vgl. ABRvS 13 april 2016, ECLI:NL:RVS:2016:980 en ABRvS 20 juli 2016, ECLI:NL:RVS:2016:2031.