Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZWB:2022:2617

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak
13-05-2022
Datum publicatie
13-05-2022
Zaaknummer
02-167433-21
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

Veroordeling afpersing en handelen in strijd met de Wet wapens en munitie. Strafmaat

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Strafrecht

Zittingsplaats: Middelburg

parketnummer: 02-167433-21

vonnis van de meervoudige kamer van 13 mei 2022

in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1998,

niet ingeschreven op enig adres in de basisregistratie personen,

raadsvrouw mr. N. Wouters, advocaat te Middelburg.

1 Onderzoek van de zaak

De zaak is inhoudelijk behandeld op de zitting van 29 april 2022, waarbij de officier van justitie, mr. M.C. Fimerius, en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt.

2 De tenlastelegging

De tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht.

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte zich op

24 juni 2021 schuldig heeft gemaakt aan

feit 1: afpersing van € 60,-- van [naam 1] , werkzaam bij Kapsalon [kapsalon] te Middelburg, door haar een op een vuurwapen gelijkend voorwerp te tonen, op haar te richten en daarbij dreigend te zeggen “give me the money, hurry up”;

feit 2: het voorhanden hebben van een op een echt pistool lijkend balletjespistool.

3 De voorvragen

De dagvaarding is geldig.

De rechtbank is bevoegd.

De officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging.

Er is geen reden voor schorsing van de vervolging.

4 De beoordeling van het bewijs

4.1

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan de ten laste gelegde feiten en baseert zich daarbij op de bekennende verklaring van verdachte en de bewijsmiddelen in het dossier.

4.2

Het standpunt van de verdediging

De verdediging is van mening dat de rechtbank tot een bewezenverklaring kan komen van de feiten en heeft geen verweer gevoerd.

4.3

Het oordeel van de rechtbank

4.3.1

De bewijsmiddelen

De bewijsmiddelen zijn in bijlage II aan dit vonnis gehecht.

4.3.2

De bijzondere overwegingen met betrekking tot het bewijs

Gelet op de in de bijlage genoemde bewijsmiddelen acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan de feiten, zoals ten laste gelegd onder 1 en 2.

4.4

De bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte

feit 1

op 24 juni 2021 te Middelburg met het oogmerk om zich wederrechtelijk te bevoordelen

[naam 1] heeft gedwongen tot de afgifte van 60 euro, die aan Kapsalon [kapsalon] , toebehoorde, door voornoemde Kapsalon binnen te gaan en aldaar aan medewerkster/kapster [naam 1] een op een vuurwapen gelijkend voorwerp te tonen en dat op haar te richten en daarbij dreigend te zeggen “give me the money, hurry up”;

feit 2

op 24 juni 2021 te Middelburg een wapen als bedoeld in artikel 2 lid 1 categorie I, onder 7° van de Wet wapens en munitie, gelet op artikel 3, onder a van de Regeling wapens en munitie, te weten een door de Minister van Justitie aangewezen voorwerp dat zodanig op een wapen gelijkt dat het voor bedreiging of afdreiging geschikt is, namelijk een nabootsing van een pistool, te weten een balletjespistool met geluidsdemper (airsoftpistool, merk onbekend) welke door vorm en afmetingen een sprekende gelijkenis vertoont met een vuurwapen (pistool met geluidsdemper), voorhanden heeft gehad.

De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

5 De strafbaarheid

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten. Dit levert de in de beslissing genoemde strafbare feiten op.

Verdachte is strafbaar, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die zijn strafbaarheid uitsluit.

6 De strafoplegging

6.1

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie vordert aan verdachte op te leggen een gevangenisstraf voor de duur van 3 jaar, waarvan 1 jaar voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaar, met de bijzondere voorwaarden zoals door de reclassering geadviseerd en met aftrek van de tijd die verdachte in voorarrest heeft doorgebracht.

6.2

Het standpunt van de verdediging

De verdediging verzoekt om bij het bepalen van de hoogte van de op te leggen straf rekening te houden met de persoonlijke omstandigheden van verdachte. Hij heeft de feiten gepleegd onder invloed van softdrugs. Sinds verdachte is geschorst uit de voorlopige hechtenis is het hem mede dankzij de reclasseringsbegeleiding gelukt om bijna helemaal van de softdrugs weg te blijven. Er is een prille positieve ontwikkeling gaande. Verdachte heeft tijdens de schorsing een misstap begaan, maar dit was eenmalig. Hieruit blijkt dat het reclasseringstoezicht van belang is. Verder heeft verdachte na de vrijlating zijn werk kunnen oppakken en draagt hij de zorg voor zijn moeder, die kampt met gezondheidsklachten. Het prille evenwicht dat in zijn leven is ontstaan zal bij oplegging van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van een langere duur dan het voorarrest teniet worden gedaan. De verdediging verzoekt daarom te volstaan met de oplegging van een straf gelijk aan het voorarrest in combinatie met een voorwaardelijke gevangenisstraf met daaraan gekoppeld de bijzondere voorwaarden zoals die door de reclassering zijn geadviseerd. Aan de voorwaardelijke straf kan eventueel een langere proeftijd worden verbonden.

6.3

Het oordeel van de rechtbank

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan afpersing door onder dreiging van een op een vuurwapen gelijkend voorwerp een geldbedrag afhandig te maken van aangeefster, die op dat moment aan het werk was in een kapsalon. Het spreekt voor zich dat aangeefster door het handelen van verdachte, vooral door het op haar richten van een op een vuurwapen gelijkend voorwerp, zeer angstige momenten heeft doorgemaakt. Dit beschrijft zij ook in de aangifte. De ervaring leert dat slachtoffers van dit soort feiten hier nog lange tijd psychische gevolgen van kunnen ondervinden. Daarnaast brengt dit soort feiten een gevoel van onrust en onveiligheid teweeg in de samenleving. Verdachte heeft zich om deze gevolgen geen zorgen gemaakt. Het heeft hem er in ieder geval niet van weerhouden om, ten koste van een ander, op deze manier snel aan geld te komen.

Verder heeft verdachte een balletjespistool voorhanden gehad dat op een echt vuurwapen lijkt. Ongeoorloofd wapenbezit is volstrekt onaanvaardbaar vanwege de bedreiging die daarvan voor de veiligheid van anderen uitgaat, hetgeen in deze zaak ook is gebleken. De rechtbank rekent verdachte de feiten zwaar aan.

Wat betreft de feiten is sprake van eendaadse samenloop.

Met betrekking tot de persoon van verdachte houdt de rechtbank rekening met het strafblad van verdachte, waaruit blijkt dat hij niet eerder is veroordeeld voor soortgelijke feiten. Verder blijkt uit het strafblad dat artikel 63 van het Wetboek van Strafrecht van toepassing is.

De rechtbank heeft kennis genomen van het Pro Justitia rapport van 15 oktober 2021, opgemaakt door gezondheidspsycholoog [naam 2] . Uit het rapport blijkt dat er bij verdachte sprake is van een stoornis in het cannabisgebruik, die ook aanwezig was ten tijde van het plegen van de feiten. Aannemelijk is dat de stoornis ertoe leidde dat verdachte uit geldgebrek en zucht naar cannabis de feiten heeft gepleegd. Mogelijk hebben narcistische persoonlijkheidstrekken en vermoeidheid daarbij een faciliterende, drempelverlagende rol gespeeld. Wel heeft er bij verdachte een bewust afwegingsproces plaatsgevonden en was hij zich geheel bewust van het wederrechtelijke karakter van zijn handelingen. Er wordt daarom geadviseerd om de feiten volledig aan verdachte toe te rekenen. Het recidivegevaar wordt ingeschat als laag indien verdachte abstinent blijft. Door de psycholoog worden geen gedragsinterventies geadviseerd. Wel is het wenselijk dat het huidige contact met Emergis wordt voortgezet, in combinatie met regelmatige controles op middelengebruik. Indien verdachte onverhoopt terugvalt in middelengebruik, is het van belang dat hij openstaat voor behandeling van zijn verslavingsproblematiek, die dan op geleide van het oordeel van Emergis klinisch of ambulant moet plaatsvinden. Ten slotte is er volgens de psycholoog geen aanleiding om het jeugdstrafrecht toe te passen.

De rechtbank heeft ook kennis genomen van het over verdachte opgestelde rapport van Emergis Verslavingsreclassering van 21 april 2022. Uit het rapport blijkt dat verdachte sinds het plegen van deze feiten meerdere keren in aanraking is gekomen met politie en justitie, waaronder voor het rijden onder invloed van cannabis. Hierdoor wordt het recidiverisico als gemiddeld ingeschat. Verdachte heeft de feiten gepleegd omdat hij bij gebrek aan financiële middelen toch wilde voorzien in zijn middelengebruik. Sinds de schorsing van de voorlopige hechtenis is het middelengebruik in mate en frequentie afgenomen en werkt verdachte mee aan ambulante behandeling. Zijn financiën zijn hierdoor ook gestabiliseerd. Zowel ten aanzien van het middelengebruik als de financiën moet volgens de reclassering nog voor langere tijd controle uitgeoefend worden, om te voorkomen dat er in de toekomst opnieuw problemen ontstaan. Verdachte heeft tijdens de schorsing van de voorlopige hechtenis meegewerkt aan de opgelegde bijzondere voorwaarden, het toezicht verliep echter niet zonder problemen, waarbij verdachte ook de bijzondere voorwaarden heeft overtreden. Desondanks hebben er positieve veranderingen plaatsgevonden in zijn leven. Deze veranderingen zijn echter nog zo pril dat niet uitgesloten wordt dat verdachte zonder bijzondere voorwaarden en toezicht vervalt in oude patronen, waardoor de risico’s kunnen toenemen. Een langere toezichttermijn is nodig om meer zicht te krijgen op de ontwikkelingen op de verschillende leefgebieden, het bereiken van structurele gedragsverandering en het terugdringen van het recidiverisico.

De reclassering adviseert het volwassenstrafrecht toe te passen en om aan verdachte een (deels) voorwaardelijke straf op te leggen met als bijzondere voorwaarden:

- een meldplicht bij de reclassering;

- een gedragsinterventie die gericht is op verslaving en middelengebruik;

- ambulante behandeling;

- het meewerken aan middelencontroles.

De rechtbank zal gelet op de adviezen van de psycholoog en de reclassering het volwassenenstrafrecht toepassen.

Bij het bepalen van de hoogte van de straf heeft de rechtbank als uitgangspunt genomen wat doorgaans wordt opgelegd voor een overval op een winkel. Daarnaast heeft de rechtbank acht geslagen op de oriëntatiepunten van het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht (LOVS). De oriëntatiepunten gaan voor een overval op een winkel uit van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van 2 tot 3 jaar. Een gevangenisstraf gelijk aan het voorarrest met daarbij een groot voorwaardelijk deel als stok achter de deur doet naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende recht aan de ernst van de feiten. De voorlopige hechtenis van verdachte is sinds 6 augustus 2021 geschorst. Tijdens deze periode heeft verdachte laten zien dat hij bereid is om samen met de reclassering aan zijn problemen te werken. Uit het rapport van de reclassering blijkt echter ook dat verdachte de voorwaarden niet altijd is nagekomen en het toezicht niet zonder problemen verliep. Ter zitting heeft de rechtbank de indruk gekregen dat verdachte zelfbepalend is en de noodzaak van hulpverlening niet inziet. Daarnaast heeft de schorsing van de voorlopige hechtenis hem er niet van weerhouden om wederom met politie en justitie in aanraking te komen. Verder blijkt uit de verklaring van verdachte ter zitting dat hij niet helemaal wil stoppen met het gebruiken van drugs, terwijl de kans op recidive hier juist mee samenhangt. Deze omstandigheden neemt de rechtbank ten nadele van verdachte mee bij de bepaling van de aan verdachte op te leggen straf.

De rechtbank is van oordeel dat, alles afwegende, niet kan worden volstaan met het opleggen van een andersoortige of geringere straf dan een gevangenisstraf van aanzienlijke duur. De rechtbank acht wel van groot belang dat de verdachte, die nog jong is en kampt met middelenproblematiek, passende hulpverlening krijgt en in de toekomst gedurende langere tijd wordt begeleid en ondersteund door de reclassering. De rechtbank is van oordeel dat een gevangenisstraf van 24 maanden, waarvan 6 maanden voorwaardelijk, passend en geboden is en zal dit ook aan verdachte opleggen. De rechtbank legt dit voorwaardelijk strafdeel op om verdachte er van te weerhouden opnieuw strafbare feiten te plegen en om daaraan de bijzondere voorwaarden te verbinden zoals die door de reclassering zijn geadviseerd. Aan de voorwaardelijke gevangenisstraf zal de rechtbank een proeftijd van 2 jaar verbinden.

Tenuitvoerlegging van de op te leggen gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat aan de verdachte voorwaardelijke invrijheidstelling wordt verleend als bedoeld in artikel 6:2:10 van het Wetboek van Strafvordering.

7 De voorlopige hechtenis

7.1

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie vordert opheffing van de schorsing van de voorlopige hechtenis.

7.2

Het standpunt van de verdediging

De verdediging verzoekt de rechtbank niet over te gaan tot opheffing van de schorsing van de voorlopige hechtenis.

7.3

Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank zal de vordering tot opheffing van de schorsing van het bevel tot voorlopige hechtenis afwijzen. De persoonlijke belangen van verdachte bij schorsing van de voorlopige hechtenis zijn nog steeds aanwezig. Daar komt bij dat het beter lijkt te gaan met verdachte sinds hij met behulp van de reclassering gewerkt heeft aan zijn problemen, waarbij er volgens de reclassering positieve veranderingen in zijn leven hebben plaatsgevonden. Daarnaast telt ook het belang van verdachte om de uitkomst van een (eventueel) hoger beroep in vrijheid af te wachten. Dit alles maakt dat zijn persoonlijk belang ook nu nog zwaarder weegt dan het strafvorderlijk belang om over te gaan tot opheffing van de schorsing van de voorlopige hechtenis.

8 De wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 14a, 14b, 14c, 55, 63 en 317 van het Wetboek van Strafrecht en 13 en 55 van de Wet wapens en munitie zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezenverklaarde.

9 De beslissing

De rechtbank:

Bewezenverklaring

- verklaart het tenlastegelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 4.4 is omschreven;

- spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;

Strafbaarheid

- verklaart dat het bewezenverklaarde de volgende strafbare feiten oplevert:

de eendaadse samenloop van:

feit 1: afpersing en

feit 2: handelen in strijd met artikel 13, eerste lid, van de Wet wapens en munitie

- verklaart verdachte strafbaar;

Strafoplegging

- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 24 maanden, waarvan 6 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar;

- bepaalt dat het voorwaardelijke deel van de straf niet ten uitvoer wordt gelegd, tenzij de rechter tenuitvoerlegging gelast, omdat verdachte voor het einde van de proeftijd de hierna vermelde voorwaarden niet heeft nageleefd;

- stelt als algemene voorwaarde dat verdachte zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;

- stelt als bijzondere voorwaarden:

* dat verdachte zich binnen vijf werkdagen na het ingaan van de proeftijd zal melden bij Emergis Verslavingsreclassering (adres: 4377 EA Middelburg, Vrijlandstraat 33e, telefoonnummer 0113-267290) en zich daarna gedurende een door de reclassering te bepalen periode (die loopt tot maximaal het einde van de proeftijd) zal blijven melden, zo lang en zo frequent als de reclassering noodzakelijk acht;

* dat verdachte gedurende de proeftijd zal deelnemen aan een gedragsinterventie, bestaande uit een Leefstijltraining 24/7 of een andere gedragsinterventie die gericht is op verslaving en middelengebruik, zulks te bepalen door de reclassering, waarbij verdachte zich dient te houden aan de aanwijzingen zoals die gedurende deze gedragsinterventie door of namens voornoemde instelling en/of trainer/begeleider aan verdachte zullen worden gegeven;

* dat verdachte zich, indien geïndiceerd, gedurende de proeftijd onder behandeling zal stellen van Forensische Zorg Zeeland van Emergis of een soortgelijke zorgverlener, zulks te bepalen door de reclassering, de behandeling duurt de gehele proeftijd of zoveel korter als de reclassering noodzakelijk acht, waarbij verdachte zich dient te houden aan de huisregels en aanwijzingen zoals die door de zorgverlener aan verdachte zullen worden gegeven;

* dat verdachte gedurende de proeftijd meewerkt aan controles van het gebruik van alcohol en drugs om op die manier het middelengebruik te beheersen en in dit kader meewerkt aan een adem- of urineonderzoek, waarbij de reclassering bepaalt hoe vaak deze controles plaatsvinden;

- geeft opdracht aan de reclassering tot het houden van toezicht op de naleving van voormelde bijzondere voorwaarden en verdachte ten behoeve daarvan te begeleiden;

- bepaalt dat de tijd die verdachte voor de tenuitvoerlegging van dit vonnis in voorarrest heeft doorgebracht in mindering wordt gebracht bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf;

Voorlopige hechtenis

- wijst af het verzoek tot opheffing van het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis.

Dit vonnis is gewezen door mr. H. Skalonjic, voorzitter, mr. G.H. Nomes en

mr. B.A.S.E. Maandag, rechters, in tegenwoordigheid van mr. H. Holtgrefe, griffier, en is uitgesproken ter openbare zitting op 13 mei 2022.

Mr. Nomes en mr. Maandag zijn niet in de gelegenheid dit vonnis te ondertekenen.