Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZWB:2022:2245

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak
22-04-2022
Datum publicatie
28-04-2022
Zaaknummer
AWB - 21 _ 4051
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

NOW

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Zittingsplaats Breda

Bestuursrecht

zaaknummer: BRE 21/4051 NOW

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 22 april 2022 in de zaak tussen

[naam eiseres] , te [plaatsnaam] , eiseres

gemachtigde: [naam gemachtigde]

en

de minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, verweerder.

Procesverloop

In het besluit van 6 augustus 2021 (primaire besluit) heeft de minister de aanvraag voor een tegemoetkoming op grond van de vierde tijdelijke Noodmatregel Overbrugging Werkgelegenheid (NOW-4), zesde aanvraagperiode, afgewezen. Tegen dit besluit heeft eiseres bezwaar gemaakt.

In het besluit van 7 september 2021 (bestreden besluit) heeft de minister het bezwaar van eiseres tegen het primaire besluit ongegrond verklaard.

Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

De minister heeft een verweerschrift ingediend.

Het beroep is besproken op de zitting van de rechtbank op 14 april 2022. Namens de minister was aanwezig mr. H.J.J. Verhoeven, werkzaam bij het UWV te Breda. Namens eiseres is niemand verschenen.

Overwegingen

Feiten

1. Eiseres exploiteert een uitzendbureau, onder meer voor personeel in de horeca. Zij heeft op 29 juli 2021 een aanvraag voor een tegemoetkoming op grond van de NOW-4 ingediend vanwege te verwachten omzetverlies van 80% in het derde kwartaal van 2021.

Aan het primaire besluit van 6 augustus 2021 heeft de minister ten grondslag gelegd dat er geen loonaangifte is gedaan over de maand februari 2021. Hierbij is de minister uitgegaan van de gegevens die op 15 april 2021 bekend zijn. Nu er geen loonkosten bekend waren, is de aanvraag afgewezen.

In het bezwaarschrift van 16 augustus 2021 stelt eiseres dat de loonaangifte van februari is ingediend op 17 mei 2021, derhalve vóór het primaire besluit.

Bij het bestreden besluit heeft de minister het bezwaar ongegrond verklaard. Daarbij is aangegeven dat er op de peildatum van 15 april 2021 geen loongegevens bekend waren en er geen toestemming van de Belastingdienst is verkregen om later dan 15 april 2021 aangifte te doen.

Geschil

2. In geschil is of de minister op goede gronden de aanvraag voor een tegemoetkoming op grond van de NOW-4 heeft afgewezen.

Wettelijk kader

3. Het wettelijk kader is opgenomen in de bijlage bij deze uitspraak en maakt hiervan onderdeel uit.

Standpunt eiseres

4. Eiseres stelt dat door het overstappen van boekhouder op een ongelukkig moment een misverstand is ontstaan met de vorige boekhouder. Deze voormalige boekhouder heeft de administratie tot en met februari 2021 gedaan, maar heeft verzuimd aangifte over de periode februari 2021 in te dienen. Het te laat indienen van de aangifte van de loonbelasting is buiten de schuld van eiseres. Het kantoor van de huidige gemachtigde heeft de administratie pas in een laat stadium verkregen (midden/eind april 2021), waardoor het onmogelijk was om de aangifte tijdig te verrichten. Verder is er een corona-uitbraak geweest op het kantoor van de gemachtigde van eiseres en binnen het gezin van eiseres. Hierdoor was het tijdelijk niet mogelijk om fysiek bij elkaar te komen en zaken op orde te maken.

Oordeel van de rechtbank

5. In artikel 8, zesde lid, van de NOW-4 is bepaald dat bij de beoordeling van het recht op tegemoetkoming uitgegaan moet worden van de loonaangifte zoals deze uiterlijk op 15 april 2021 is ingediend.

Uit de Nota van Toelichting bij de NOW-4 blijkt dat de wetgever expliciet voor een specifieke peildatum heeft gekozen. Aangegeven is dat een peildatum nodig is omdat een werkgever de loonaangifte met terugwerkende kracht kan corrigeren door middel van correctieberichten. Voor de vaststelling van de hoogte van het voorschot is noodzakelijk dat kan worden uitgegaan van de loongegevens zoals deze gelden op een bepaald tijdstip. Deze datum is vastgesteld op uiterlijk 15 april 2021, een datum die gelegen is vóór de aankondiging van deze regeling. Sindsdien hebben werkgevers namelijk een financieel belang bij een zo hoog mogelijke loonsom in februari 2021. Ter beperking van fraude- en misbruikrisico’s worden correctieberichten op de loonaangifte van na 15 april 2021 niet meer meegenomen in de bepaling van de loonsom op grond van dit artikel.

6. De rechtbank stelt voorop dat de NOW-regelingen niet als doel hebben om een alomvattende regeling te bieden. De NOW-4 is een grofmazige regeling, die zo eenvoudig mogelijk is opgesteld om in korte tijd zoveel mogelijk ondernemingen te kunnen helpen. Uitzonderingen en maatwerk zouden dit veel moeilijker maken. Hoewel het hanteren van een peildatum voor sommige werkgevers nadelig kan uitpakken doordat zij geen voorschot kunnen ontvangen, is toepassing van artikel 8, zesde lid, van de NOW-4 daarom niet onevenredig.

Vast staat dat eiseres de loonaangifte pas op 17 mei 2021 heeft ingediend. Omdat de aangifte gedaan is na de peildatum van 15 april 2021 kunnen de gegevens niet worden meegenomen bij de berekening van het NOW-voorschot.

De minister heeft in het verweerschrift toegelicht dat er slechts één uitzondering mogelijk is, namelijk indien de werkgever tijdig, dat wil zeggen uiterlijk 15 april 2021, uitstel heeft gevraagd en gekregen van de Belastingdienst. In dat geval mag de minister uitgaan van de gecorrigeerde aangifte. Niet in geschil is dat eiseres die toestemming van de Belastingdienst niet heeft verkregen.

7. Eiseres stelt dat het strikt vasthouden aan de peildatum van 15 april 2021 onredelijk en onevenredig is, omdat er weldegelijk aangifte is gedaan. Door omstandigheden is dit echter pas op 17 mei 2021 gebeurd.

De rechtbank benadrukt dat eiseres zelf verantwoordelijk is voor een juiste invulling van de gegevens op de loonaangifte, ook indien gebruik wordt gemaakt van een accountant. Een gemaakte fout van een accountant en misverstanden bij overdracht van de boekhouding aan een nieuwe accountant komen naar het oordeel van de rechtbank voor rekening en risico van eiseres en vormen geen uitzonderlijke omstandigheden op grond waarvan de minister van een andere peildatum uit diende te gaan. De omstandigheid dat door een corona-uitbraak het voor eiseres en haar gemachtigde tijdelijk niet mogelijk was fysiek contact met elkaar te hebben, maakt dat niet anders. Immers, ook zonder fysiek contact is het doen van loonaangifte mogelijk.

Ook overigens heeft eiseres geen omstandigheden aangevoerd, waaruit de rechtbank af kan leiden dat sprake is van niet in de regeling verdisconteerde, bijzondere, persoonlijke omstandigheden, die strikte toepassing van de peildatum zozeer in strijd doen zijn met algemene rechtsbeginselen of (ander) ongeschreven recht dat die toepassing achterwege moet blijven.

Conclusie

8. Nu er op de peildatum 15 april 2021 geen loongegevens bekend waren, heeft de minister op goede gronden de aanvraag voor een tegemoetkoming op grond van de NOW-4 afgewezen. Het beroep is ongegrond.

Er is geen reden voor een proceskostenveroordeling.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. G.M.J. Kok, rechter, in aanwezigheid van mr. E.A. Vermunt, griffier, op 22 april 2022 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Wat kunt u doen als u het niet eens bent met deze uitspraak?

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep.

Bijlage – wettelijk kader

NOW-4

Artikel 3. Doel van de subsidie

Het doel van deze regeling is om werkgevers tegemoet te komen in de betaling van de loonkosten, indien sprake is van een acute terugval in de omzet met ten minste een per tranche verschillend minimumpercentage, gedurende een periode van drie maanden, vanwege een vermindering in bedrijvigheid door buitengewone omstandigheden die in redelijkheid niet tot het normale ondernemersrisico kunnen worden gerekend, voor zover geen winst of bonussen worden uitgekeerd of eigen aandelen worden aangekocht, zodat werkgevers zoveel mogelijk werknemers in dienst kunnen houden en werkgevers zich samen met de werknemers kunnen voorbereiden op en aanpassen aan de nieuwe economische situatie.

Artikel 8. Hoogte van de subsidie

1. De hoogte van de subsidie is de uitkomst van:

A x B x 3 x 1,4 x 0,85

Hierbij staat:

A voor het percentage van de omzetdaling, met dien verstande dat A ten hoogste 0,8 bedraagt;

B voor de loonsom waarbij wordt uitgegaan van de totale loonsom van werknemers waarvoor de werkgever het loon heeft uitbetaald in het tijdvak, bedoeld in het tweede, derde of vierde lid, met dien verstande dat:

a. de uitbetaling van vakantiebijslag in het gehanteerde aangiftetijdvak niet wordt meegenomen bij de vaststelling van de loonsom, met uitzondering van de uitbetaling van vakantiebijslag door de werkgever die geen vakantiebijslag voor de werknemer reserveert, als bedoeld in artikel 5, derde lid, van het Dagloonbesluit werknemersverzekeringen;

b. de loonsom wordt vermenigvuldigd met 0,926, indien de werkgever geen vakantiebijslag voor de werknemer reserveert, als bedoeld in artikel 5, derde lid, van het Dagloonbesluit werknemersverzekeringen;

c. de loonsom wordt verminderd met een extra periode salaris dat naast het reguliere loon en vakantiebijslag wordt uitbetaald in het tijdvak, bedoeld in het tweede of derde lid; en

d. het in aanmerking te nemen loon per werknemer niet meer bedraagt dan tweemaal het maximale dagloon, bedoeld in artikel 17 van de Wet financiering sociale verzekeringen, maal 21,75, berekend na toepassing van de onderdelen a tot en met c.

2. Voor de loonsom, bedoeld in het eerste lid, wordt uitgegaan van het loon over de maand februari 2021. Indien er sprake is van een aangiftetijdvak van vier weken, wordt uitgegaan van het loon over het tweede aangiftetijdvak van het jaar 2021, waarbij de loonsom in dat aangiftetijdvak wordt verhoogd met 8,33 procent.

3. Indien er geen sprake is van een aangiftetijdvak van een maand of vier weken, wordt het loon per werknemer herleid naar een loon per aangiftetijdvak van een maand.

4. Indien de loonsom als bedoeld onder de letter C meer dan 10%, naar beneden afgerond, lager is dan driemaal de loonsom als bedoeld in het eerste lid, onder de letter B, wordt de subsidie verlaagd met:

((0,9B x 3) – C) x 1,4 x 0,85

Hierbij staat:

B voor de loonsom, zoals berekend op grond van het eerste lid tot en met derde lid;

C voor de loonsom over de periode 1 juli 2021 tot en met 30 september 2021, met dien verstande dat het eerste en het derde lid van overeenkomstige toepassing zijn, waarbij de gehanteerde aangiftetijdvakken het zevende tot en met het negende aangiftetijdvak van het jaar 2021 zijn.

5. Indien er sprake is van een werkgever die per vier weken aangifte doet voor de loonheffingen, wordt de loonsom, bedoeld in het vierde lid, onder de letter C, bepaald door het zevende tot en met het negende aangiftetijdvak van het jaar 2021 te hanteren, waarbij de loonsom in die aangiftetijdvakken worden verhoogd met 8,33 procent.

6. De in aanmerking te nemen gegevens uit de loonaangifte van de werkgever ten behoeve van de bepaling van de letter B, bedoeld in het eerste lid, worden beoordeeld op grond van de loonaangifte zoals die uiterlijk op 15 april 2021 is ingediend, alsmede de aanvullingen daarop die uiterlijk op die datum hebben plaatsgevonden.

7. De in aanmerking te nemen gegevens uit de loonaangifte van de werkgever ten behoeve van de bepaling van de letter C, bedoeld in het vierde lid, worden beoordeeld op grond van de loonaangifte zoals die uiterlijk op 15 november 2021 is ingediend, alsmede de aanvullingen daarop die uiterlijk op die datum hebben plaatsgevonden. Indien de loonaangifte na laatstgenoemde datum naar beneden wordt bijgesteld, kan de Minister besluiten de gewijzigde loonaangifte in aanmerking te nemen voor de vaststelling van de loonsom, bedoeld in het vierde lid, onder de letter C.

8. De subsidie wordt verlaagd met 5% indien de werkgever niet heeft voldaan aan de verplichting, bedoeld in artikel 14, onderdeel e.