Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZWB:2022:17

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak
05-01-2022
Datum publicatie
10-01-2022
Zaaknummer
AWB- 21_1558
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

PW

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Zittingsplaats Middelburg

Bestuursrecht

zaaknummer: BRE 21/1558 PW

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 5 januari 2022 in de zaak tussen

[naam eiser] , te [plaatsnaam] , eiser

gemachtigde: mr. V.M.C. Verhaegen,

en

Het Dagelijks Bestuur van Orionis Walcheren, verweerder.

Procesverloop

In het besluit van 14 januari 2021 (primaire besluit) heeft Orionis geweigerd eiser in aanmerking te brengen voor een Individuele inkomenstoeslag op grond van de Participatiewet (IIT).

In het besluit van 23 februari 2021 (bestreden besluit) heeft Orionis het bezwaar van eiser tegen het primaire besluit ongegrond verklaard.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Orionis heeft een verweerschrift ingediend.

Het beroep is besproken op de zitting van de rechtbank op 24 november 2021.

Hierbij waren aanwezig eiser en zijn gemachtigde en namens Orionis mr. N.M. Feijtel en

[naam vertegenwoordiger] .

Overwegingen

1. Feiten.

Eiser ontving tot 1 augustus 2019 een bijstandsuitkering op grond van de Participatiewet naar de norm voor een alleenstaande. Sinds 29 april 2020 ontvangt eiser een bijstandsuitkering in de vorm van een lening. Op 16 december 2020 heeft eiser gevraagd hem een IIT toe te kennen omdat hij langdurig een laag inkomen heeft. Orionis heeft eisers aanvraag afgewezen op de grond dat hij niet aan de voorwaarden voldoet.

2. Standpunt van eiser.

Eiser bestrijdt dat hij niet zou voldoen aan de voorwaarden voor een IIT. Hij geeft aan dat hij langdurig een laag inkomen, geen in aanmerking te nemen vermogen en geen zicht op inkomensverbetering heeft. Eiser stelt dat tegenover de waarde in de eigen woning een schuld aan Orionis bestaat van € 72.676,57 die direct opeisbaar is en die bij de vermogensvaststelling betrokken moet worden. Eiser wijst erop dat door het instellen van beroep de werking van het besluit waartegen het is gericht, niet schorst. Dat de vordering direct opeisbaar is volgt volgens eiser ook uit het dwangbevel van 30 januari 2020 en de betekening daarvan op 5 februari 2020 met daarin de mededeling dat het conservatoir beslag executoriaal is geworden. Dat de voorzieningenrechter in kort geding de executoriale verkoop van de woning heeft geschorst, maakt dit volgens eiser niet anders omdat het executoriaal beslag blijft gehandhaafd. Eiser doet een beroep op het vertrouwensbeginsel nu hij jaarlijks een IIT heeft aangevraagd en toegekend heeft gekregen. Eiser stelt dat in de Verordening van Orionis niets staat vermeld over aanwezigheid van vermogen. Tenslotte doet eiser een beroep op de hardheidsclausule van artikel 6 van de Verordening omdat hij gedurende ruim 11 maanden geen inkomen of uitkering heeft ontvangen en van de overwaarde in zijn woning niet kan leven. Het afwijzen van een IIT is volgens eiser onredelijk en onbillijk.

3. Wettelijk kader.

In artikel 36, eerste lid, van de Participatiewet is bepaald dat het college op een daartoe strekkend verzoek van een persoon van 21 jaar of ouder doch jonger dan de pensioengerechtigde leeftijd, die langdurig een laag inkomen en geen in aanmerking te nemen vermogen als bedoeld in artikel 34 heeft en geen uitzicht heeft op inkomensverbetering, gelet op de omstandigheden van die persoon, een individuele inkomenstoeslag kan verlenen.

In het tweede lid is bepaald dat tot de omstandigheden, bedoeld in het eerste lid, in ieder geval worden gerekend:

a. de krachten en bekwaamheden van de persoon; en

b. de inspanningen die de persoon heeft verricht om tot inkomensverbetering te komen.

Van toepassing is de Verordening individuele inkomenstoeslag gemeente Middelburg 2017 (Verordening).

In artikel 1 van de Verordening is bepaald dat in deze Verordening wordt verstaan onder:

-inkomen: totaal van het inkomen, bedoeld in artikel 32 van de Participatiewet, en de algemene bijstand;

-peildatum: datum waarop een persoon individuele inkomenstoeslag aanvraagt;

-referteperiode: periode van drie jaar voorafgaand aan de peildatum.

In artikel 4 van de Verordening is bepaald dat een persoon een langdurig laag inkomen als bedoeld in artikel 36, eerste lid, van de Participatiewet heeft indien gedurende de referteperiode het in aanmerking te nemen inkomen niet hoger is dan 110% van de toepasselijke bijstandsnorm.

In artikel 6 van de Verordening is bepaald dat in bijzondere gevallen van de bepalingen in deze verordening kan worden afgeweken, indien onverkorte toepassing zou leiden tot onredelijkheid of onbillijkheid.

4. Beoordeling.

Aan het bestreden besluit heeft Orionis ten grondslag gelegd dat om recht te hebben op een IIT moet worden voldaan aan de voorwaarden zoals gesteld in artikel 36 van de PW. Een van de voorwaarden is dat eiser geen in aanmerking te nemen vermogen als bedoeld in artikel 34 van de PW heeft. Eiser heeft een eigen woning waarvan de WOZ-waarde in 2020 € 92.000,- was. Eisers vermogen uit zijn woning is hoger dan € 52.500,- + € 6225,-= € 58.725,- (vrijgesteld vermogen). Dit betekent dat zijn aanvraag om deze reden moet worden afgewezen.

Eiser en Orionis verschillen van mening over de vraag of de schuld van eiser aan Orionis bij de vermogensvaststelling moet worden betrokken.

Naar het oordeel van de rechtbank heeft Orionis bij de besluitvorming terecht geen rekening gehouden met het bedrag van € 72.656,57. Niet gezegd kan namelijk worden dat ten tijde van het nemen van het bestreden besluit sprake was van een daadwerkelijke verplichting tot terugbetaling door eiser van dit bedrag. Voor zover door eiser een beroep is gedaan op het vertrouwensbeginsel, slaagt dit niet. Eiser heeft onvoldoende onderbouwd waarom er sprake zou zijn van schending van het vertrouwensbeginsel.

In de Verordening is een hardheidsclausule opgenomen. Het toepassen van de hardheids-clausule is een bevoegdheid van Orionis die daarbij veel vrijheid heeft. De rechtbank kan een besluit om de hardheidsclausule niet toe te passen daarom alleen terughoudend beoordelen.

Het karakter van de hardheidsclausule neemt niet weg dat Orionis moet motiveren waarom geen reden wordt gezien om de hardheidsclausule toe te passen. De rechtbank is van oordeel dat Orionis geen inzicht heeft gegeven in de afweging waarom geen afwijking van de regels is gerechtvaardigd.

Het bestreden besluit is dan ook in strijd met het motiveringsbeginsel omdat Orionis onvoldoende heeft gemotiveerd dat niet afgeweken wordt van onverkorte toepassing van de Verordening op grond van de hardheidsclausule.

Het beroep zal dan ook gegrond worden verklaard en het bestreden besluit zal worden vernietigd. Orionis zal met inachtneming van deze uitspraak een nieuw besluit op bezwaar moeten nemen.

5. Omdat de rechtbank het beroep gegrond verklaart, moet Orionis aan eiser het door hem betaalde griffierecht vergoeden.

6. De rechtbank veroordeelt Orionis in de door eiser gemaakte proceskosten. De proceskosten worden berekend volgens het Besluit proceskosten bestuursrecht. Orionis wordt veroordeeld om de kosten van rechtsbijstand te vergoeden. Deze kosten stelt de rechtbank vast op € 1.518 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen op de zitting, met een waarde per punt van € 759,- en een wegingsfactor 1).

Beslissing

De rechtbank:

  • -

    verklaart het beroep gegrond;

  • -

    vernietigt het bestreden besluit;

  • -

    draagt Orionis op een nieuw besluit te nemen op het bezwaar met inachtneming van deze uitspraak;

  • -

    draagt Orionis op het betaalde griffierecht van € 49,- aan eiser te vergoeden;

  • -

    veroordeelt Orionis in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 1.518.

Deze uitspraak is gedaan door mr. I.M. Josten, rechter, in aanwezigheid van mr. T.B. Both-Attema, griffier, op 5 januari 2022 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Wat kunt u doen als u het niet eens bent met deze uitspraak?

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep.