Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZWB:2022:14

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak
05-01-2022
Datum publicatie
10-01-2022
Zaaknummer
AWB- 20_6758
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

PW

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Zittingsplaats Middelburg

Bestuursrecht

zaaknummer: BRE 20/6758 PW

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 5 januari 2022 in de zaak tussen

[naam eiser] , te [plaatsnaam] , eiser

gemachtigde: mr. V.M.C. Verhaegen,

en

Het Dagelijks Bestuur van Orionis Walcheren, verweerder.

Procesverloop

In het besluit van 10 februari 2020 (primair besluit I) heeft Orionis eisers aanvraag voor een bijstandsuitkering op grond van de Participatiewet afgewezen op de grond dat het recht niet is vast te stellen en heeft Orionis het verstrekte voorschot op een bijstandsuitkering (€ 150,-) van eiser teruggevorderd.

Eiser heeft op 13 februari 2020 tegen het primaire besluit bezwaar gemaakt. Hij heeft bij de voorzieningenrechter een verzoek ingediend om een voorlopige voorziening te treffen.

Bij besluit van 3 maart 2020 (primair besluit II) heeft Orionis primair besluit I ingetrokken en eisers aanvraag op een andere grondslag afgewezen, namelijk dat hij zijn hoofdverblijf niet heeft op het door hem opgegeven woonadres. Het aan eiser verstrekte voorschot op een bijstandsuitkering (€ 150,-) wordt teruggevorderd. Eiser heeft tegen dit besluit bezwaar gemaakt.

Bij uitspraak van 27 maart 2020 heeft de voorzieningenrechter het verzoek om een voorlopige voorziening te treffen afgewezen (ECLI:NL:RBZWB:2020:1754).

In het besluit van 22 april 2020 (bestreden besluit) heeft Orionis het bezwaar van eiser tegen primair besluit II ongegrond verklaard.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Orionis heeft een verweerschrift ingediend.

Het beroep is besproken op de zitting van de rechtbank op 24 november 2021.

Hierbij waren aanwezig eiser en zijn gemachtigde en namens Orionis mr. N.M. Feijtel en

[naam vertegenwoordiger] .

Overwegingen

1. Feiten.

Eiser ontving een bijstandsuitkering van Orionis. Orionis heeft deze uitkering bij besluit van 9 oktober 2019 met ingang van 4 augustus 2014 ingetrokken.

Op 1 november 2019 heeft eiser een bijstandsuitkering aangevraagd. Bij besluit van 12 december 2019 heeft Orionis de aanvraag buiten behandeling gesteld omdat eiser niet alle gevraagde gegevens, waaronder afschriften van zijn PayPal rekening, heeft overgelegd.

Eiser heeft op 30 december 2019 opnieuw een bijstandsuitkering aangevraagd.

Orionis heeft vervolgens eiser verschillende hersteltermijnen geboden om de nog ontbrekende gegevens in te leveren. Orionis heeft op grond van het overgelegde PayPal overzicht geconcludeerd dat de verklaringen en eerder aangeleverde bewijzen van eiser niet overeenkomen met het PayPal overzicht, waardoor het recht op bijstand niet kan worden vastgesteld. Daarom heeft Orionis eisers aanvraag bij primair besluit I afgewezen.

Orionis heeft vervolgens, gelet op de eerdere intrekking van de bijstandsuitkering, besloten een nader onderzoek in te stellen naar het hoofdverblijf van eiser. Er zijn in de periode van 13 februari 2020 tot en met 27 februari 2020 waarnemingen verricht vanaf de openbare weg op het adres [adres 1] in [plaatsnaam] waar eiser in de basisregistratie personen (brp) staat ingeschreven, alsmede in de omgeving van de [adres 2] waar mevrouw [naam vrouw] woont. Er is onderzoek verricht naar het verbruik van water, gas en elektriciteit op het uitkeringsadres. Ook heeft Orionis zes keer getracht op het uitkeringsadres een onaangekondigd huisbezoek af te leggen. Op 27 februari 2020 is een aangekondigd huisbezoek afgelegd.

De bevindingen van het onderzoek zijn neergelegd in de rapportage van 28 februari 2020.

Vervolgens heeft Orionis, onder intrekking van primair besluit I, primair besluit II genomen.

2. Het geschil.

In geschil is of Orionis de aanvraag van eiser terecht heeft afgewezen omdat hij niet zijn hoofdverblijf heeft op het adres [adres 1] in [plaatsnaam] .

3. Standpunt van eiser.

Eiser voert aan dat hij een sobere leefstijl heeft; hij gebruikt regenwater in plaats van kraanwater en verwarmt zijn woning met een petroleumkachel. Eiser wijst erop dat tijdens het huisbezoek door de sociaal rechercheurs is waargenomen dat de keuken werd verlicht door een ledlamp van 4 Watt, dat eiser de kachel aanstak en dat een gevuld petroleumvat in de woning aanwezig was. Eiser wijst erop dat hij weinig apparaten heeft die stroom verbruiken en dat hij in de periode van 2 augustus 2019 tot 3 maart 2020 1m3 water heeft verbruikt. Het regenwater vangt hij op in kuipen in zijn tuin. In de onderzoeksperiode van de sociale recherche heeft het veel geregend (67,4 mm) en waren de kuipen steeds gevuld. Eiser wijst er verder op dat in zijn woning administratie aanwezig was, kleding, verzorgingsproducten, verse levensmiddelen en andere zaken die nodig zijn om een woning te bewonen. Ook werd door de sociale recherche gezien dat de vuilcontainer gevuld aan de weg stond. Eiser stelt dat aan het gegeven dat hij niet altijd thuis is niet de conclusie kan worden getrokken dat hij niet woont op het opgegeven adres. Eiser meent dat hij niet hoeft te verantwoorden waar hij exact verblijft op elk moment. Eiser geeft aan dat hij de contacten met de sociale recherche erg onaangenaam vond. Volgens hem heeft Orionis geen oog voor zijn bewust sobere levensstijl. Vanwege zijn heupoperatie werd het onderhoud aan de woning verwaarloosd. Inmiddels is eiser voldoende hersteld om dit alsnog uit te voeren. Eiser stelt dan ook dat het zwaartepunt van zijn persoonlijk leven zich bevindt op het [adres 1] in [plaatsnaam] . Eiser brengt opnieuw de schriftelijke verklaringen van buurtbewoners [naam buurtbewoner 1] , [naam buurtbewoner 2] en [naam buurtbewoner 3] in geding nu Orionis heeft verzuimd daar aandacht aan te besteden. Ook overlegt eiser een handgeschreven verklaring over zijn waterverbruik.

4. Wettelijk kader.

Op grond van artikel 11, eerste lid, van de Participatiewet heeft iedere in Nederland woonachtige Nederlander die hier te lande in zodanige omstandigheden verkeert of dreigt te geraken dat hij niet over de middelen beschikt om in de noodzakelijke kosten van het bestaan te voorzien, recht op bijstand van overheidswege.

Op grond van artikel 17, eerste lid, eerste volzin, van de Participatiewet doet de belanghebbende aan het college op verzoek of onverwijld uit eigen beweging mededeling van alle feiten en omstandigheden waarvan hem redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat zij van invloed kunnen zijn op zijn arbeidsinschakeling of het recht op bijstand.

Op grond van artikel 40, eerste lid, van de Participatiewet bestaat recht op bijstand jegens het college van de gemeente waar de belanghebbende woonplaats heeft als bedoeld in de artikelen 10, eerste lid en 11 van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek (BW).

Op grond van artikel 58, tweede lid, aanhef en onder d, van de Participatiewet kan het college van de gemeente die bijstand heeft verleend de kosten van bijstand terugvorderen, voor zover de bijstand ingevolge artikel 52 bij wijze van voorschot is verleend en nadien is vastgesteld dat geen recht op bijstand bestaat.

5. Beoordeling van de rechtbank.

5.1.

Eiser heeft vanwege betalingsonmacht verzocht om vrijstelling van de betaling van het griffierecht. De rechtbank is van oordeel dat eisers verzoek kan worden toegewezen omdat hij niet beschikt over een inkomen hoger dan 90% van de bijstandsnorm.

5.2.

De rechtbank stelt vast dat de te beoordelen periode loopt van 30 december 2019 (datum aanvraag) tot en met 3 maart 2020 (datum primair besluit II).

5.3.

De rechtbank volgt het oordeel van de voorzieningenrechter in zijn uitspraak van

27 maart 2020 dat de juistheid van eisers stelling dat hij zijn hoofdverblijf heeft op het [adres 1] in [plaatsnaam] heeft, niet voldoende is gebleken. Eiser heeft niet voldaan aan de inlichtingenplicht, waardoor het recht op bijstand niet kan worden vastgesteld. De rechtbank overweegt het volgende.

5.4.

Orionis heeft de bijstandsuitkering van eiser eerder ingetrokken omdat is geconstateerd dat hij niet woont op het door hem opgegeven adres aan het [adres 1] in [plaatsnaam] . Indien periodieke bijstand is beëindigd of ingetrokken en de betrokkene een aanvraag indien gericht op het verkrijgen van bijstand met ingang van een later gelegen datum, ligt het op de weg van de aanvrager dat er sprake is van een wijziging van omstandigheden in die zin dat hij op dat latere tijdstip wel voldoet aan de voorwaarden voor het recht op bijstand (zie onder meer de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 21 mei 2019, ECLI:NL:CRVB:2019:1670). Het is vervolgens aan het bestuursorgaan om in het kader van de onderzoeksplicht de inlichtingen op juistheid en volledigheid te controleren.

5.5.

Eiser heeft bij zijn nieuwe aanvraag opnieuw het [adres 1] in [plaatsnaam] opgegeven als zijn uitkeringsadres.

Voor het antwoord op de vraag waar iemand zijn woonplaats heeft als bedoeld in artikel 40, eerste lid, van de Participatiewet, is bepalend de plaats waar hij daadwerkelijk woont dan wel verblijft en waar het centrum van zijn maatschappelijk leven zich bevindt. De vraag waar iemand woonplaats heeft moet dan ook te worden beantwoord aan de hand van concrete feiten en omstandigheden.

Volgens vaste rechtspraak is bij een verbruik van maximaal 7 m³ water per jaar per huishouden - ongeacht het aantal personen van dit huishouden - sprake van een extreem laag waterverbruik. Een extreem laag verbruik rechtvaardigt de vooronderstelling dat een belanghebbende niet zijn hoofdverblijf heeft op het uitkeringsadres. Het is in deze situatie aan de belanghebbende om het tegendeel aannemelijk te maken.

Uit de beschikbare gegevens blijkt dat eiser over de periode van 1 juli 2019 tot 27 februari 2020 slechts 1 m3 water heeft verbruikt op het uitkeringsadres. Eiser heeft ter verklaring van dit extreem lage waterverbruik gesteld dat hij gebruik maakt van regenwater voor zijn huishouden. Regenwater wordt opgevangen in drie zinken teilen waarmee hij jerrycans vult. Die jerrycans staan in zijn woning en deze gebruikt hij onder andere voor het doorspoelen van het toilet. Uit het rapport van de sociale recherche blijkt dat er is waargenomen dat er drie teilen bij de regenpijp in de achtertuin staan. Ook zijn er drie met water gevulde jerrycans aangetroffen in de woning. Daarvan zitten eveneens foto’s in het dossier. Mede gelet op verzoekers consequente verklaringen hierover, is de rechtbank van oordeel dat het mogelijk is dat hij dit systeem gebruikt voor zijn watervoorziening. Daarmee is echter nog niet aannemelijk gemaakt dat eiser zijn hoofdverblijf op het uitkeringsadres heeft. Uit de overige waarnemingen die door de sociale recherche zijn gedaan, blijkt namelijk niet dat deze alternatieve watervoorziening ook werd gebruikt. Uit het rapport blijkt dat de drie teilen in de waarnemingsperiode continu tot de rand gevuld waren met water. Ook de drie jerrycans in de woning waren vol. Als de jerrycans gevuld worden met het regenwater uit de teilen, dan moet er zeker één teil leeg zijn geweest. Eiser kan daarom niet gevolgd worden in zijn verklaring voor het extreem lage waterverbruik. Bovendien valt niet in te zien waarom eiser water bij zijn broer zou halen als er te weinig regen valt, aangezien hij zelf ook water uit de kraan tot zijn beschikking heeft. Verder blijkt uit de beschikbare gegevens dat ook het gas- en elektriciteitsverbruik extreem laag is.

5.6.

Eiser heeft verder gesteld dat aan het gegeven dat hij niet altijd thuis is niet de conclusie kan worden getrokken dat hij niet woont op het opgegeven adres. Eiser meent dat hij niet hoeft te verantwoorden waar hij exact verblijft op elk moment. Voor het hebben van hoofdverblijf op het uitkeringsadres is weliswaar niet vereist dat eiser elke dag daar is, maar het zwaartepunt van zijn persoonlijk leven dient wel daar te liggen. Uit het rapport van de sociale recherche blijkt echter dat hij in de gehele waarnemingsperiode niet bij het uitkeringsadres is gezien. Dit, terwijl de sociale recherche in deze periode op 25 tijdstippen (tussen 6.55 uur en 22.10 uur) bij het uitkeringsadres waarnemingen heeft gedaan. Bij zes pogingen tot het afleggen van een onaangekondigd huisbezoek werd eiser niet thuis aangetroffen. De sociale recherche heeft in de waarnemingsperiode meerdere keren stokjes/papiertjes tussen de voordeur geplaatst, die niet zouden blijven zitten als eiser zijn voordeur zou openen. Gebleken is echter dat deze soms meerdere dagen bleven zitten. Hoewel hieruit ook blijkt dat eiser soms wel in de woning is geweest, kan naar het oordeel van de rechtbank op grond hiervan niet aannemelijk worden geacht dat eiser zijn hoofdverblijf op dit adres heeft.

5.7.

De vooronderstelling dat eiser niet zijn hoofdverblijf heeft op het door hem opgegeven uitkeringsadres, wordt ondersteund door het algehele beeld van de staat van de woning. Er zitten grote gaten in het dak. Twee kamers worden gebruikt als opslagplaats voor spullen en zijn daardoor niet bruikbaar. Ook zijn er geen verse levensmiddelen aangetroffen in de woning. De enige verse producten die door de sociale recherche zijn aangetroffen bij het huisbezoek, had eiser bij zich in een boodschappentas toen hij arriveerde bij de woning. Orionis heeft gesteld dat niet ontkend wordt dat eiser af en toe in de woning aanwezig is, maar dat het eerder een opslagplaats betreft dan de plek waar hij daadwerkelijk zijn hoofdverblijf heeft. De rechtbank kan dit volgen.

Dat tijdens het huisbezoek in de woning administratie, kleding en verzorgingsproducten aanwezig waren leidt evenmin tot de conclusie dat eiser daar zijn hoofdverblijf had. De tijdens het huisbezoek in de slaapkamer aangetroffen pyjama was bij de waarnemingen ook zichtbaar vanaf de openbare weg en heeft gedurende alle waarnemingen op dezelfde plek gelegen. Verder bevatte de kledingkast in de slaapkamer alleen ondergoed.

Aan de door eiser overgelegde schriftelijke verklaringen van [naam buurtbewoner 1] , [naam buurtbewoner 2] en [naam buurtbewoner 3] kan geen waarde worden gehecht. Deze verklaringen zien niet op de hier te beoordelen periode.

Tegen de terugvordering van het voorschot heeft eiser geen gronden gericht zodat deze geen bespreking behoeft.

6. Conclusie.

Het beroep zal ongegrond worden verklaard. Er is geen reden voor een proceskostenveroordeling.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. I.M. Josten, rechter, in aanwezigheid van mr. T.B. Both-Attema, griffier, op 5 januari 2022 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Wat kunt u doen als u het niet eens bent met deze uitspraak?

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep.