Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZWB:2022:1266

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak
11-03-2022
Datum publicatie
11-03-2022
Zaaknummer
02/224403-20
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

Vrijspraak van ontuchtige handelingen met meisjes tweeling in de leeftijd van 11 jaar. Aangifte op basis van verklaring van een van hen. Die verklaring betrouwbaar geoordeeld. Echter geen ander bewijs dan de verklaring van dat meisje. Verklaring van het andere meisje onvoldoende betrouwbaar.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
EeR 2022, afl. 3, p. 98
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Strafrecht

Zittingsplaats: Breda

parketnummer: 02/224403-20

vonnis van de meervoudige kamer van 11 maart 2022

in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

geboren op [geboortedag] 1947 te [geboorteplaats] ,

wonende te [adres verdachte] ,

raadsvrouw mr. C.D.W. Herrings, advocaat te Rijen.

1 Onderzoek van de zaak

De zaak is inhoudelijk behandeld op de zitting van 25 februari 2022, waarbij de officier van justitie, mr. S. Groen, en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt.

2 De tenlastelegging

De tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht.

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte

ontuchtige handelingen heeft gepleegd met [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] , terwijl zij nog niet de leeftijd van 16 jaar hadden bereikt.

3 De voorvragen

De dagvaarding is geldig.

De rechtbank is bevoegd.

De officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging.

Er is geen reden voor schorsing van de vervolging.

4 De beoordeling van het bewijs

4.1

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht de ten laste gelegde feiten wettig en overtuigend bewezen en baseert zich daarbij op de verklaringen van de ouders, de (gedetailleerde) verklaring van [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] afgelegd in de verhoorstudio en de uitkomsten van het betrouwbaarheidsonderzoek waarbij dr. [deskundige] onder meer gekeken heeft naar de betrouwbaarheid van de verklaringen van [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] . Daarbij is de verklaring van [slachtoffer 1] in hoge mate en die van [slachtoffer 2] in beperkte mate betrouwbaar beoordeeld door voornoemde deskundige.

4.2

Het standpunt van de verdediging

De verdediging is van mening dat de rechtbank niet tot een bewezenverklaring voor de ten laste gelegde feiten kan komen. Wat de verdediging betreft zijn de verklaringen van [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] onvoldoende betrouwbaar, waardoor vrijspraak dient te volgen. Zo stelt de verdediging onder meer dat de verklaringen van [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] gebrekkig gedetailleerd zijn. Daarnaast wijst de verdediging op het feit dat [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] in het bijzijn van elkaar en hun moeder zijn voorbereid door de politie op het verhoor, waardoor beïnvloeding niet kan worden uitgesloten. Verder deelt de verdediging de conclusies uit het betrouwbaarheidsonderzoek niet nu de deskundige onder meer heeft gerapporteerd op een incompleet dossier en gelet op de haast die de deskundige kennelijk had bij het opstellen van het rapport vanwege een door hem te ondergane medische ingreep.

In het geval de rechtbank de verklaringen wel voldoende betrouwbaar oordeelt, stelt de verdediging zich op het standpunt dat niet is voldaan aan het bewijsminimum zoals vermeld in artikel 342, lid 2 Sv vanwege een gebrek aan onvoldoende steunbewijs. Meer subsidiair stelt de verdediging zich op het standpunt dat vrijspraak dient te volgen vanwege het ontbreken van overtuigend bewijs.

4.3

Het oordeel van de rechtbank

Feit 3: ontuchtige handelingen met [slachtoffer 2]

Ter beoordeling van de rechtbank staat de vraag of de belastende verklaring van [slachtoffer 2] betrouwbaar is en of haar verklaring voldoende steun vindt in overig bewijsmateriaal. De rechtbank kijkt daarbij allereerst naar de wijze waarop de verklaring tot stand is gekomen. Daarbij stelt de rechtbank vast dat [slachtoffer 2] op 16 september 2020, de avond waarop [slachtoffer 1] het verhaal van de vermeende ontuchtige handelingen aan haar moeder heeft verteld, van haar ouders afzonderlijk de vraag heeft gekregen of verdachte “het ook bij haar gedaan zou hebben” en zij daar tot tweemaal toe ontkennend op heeft geantwoord. Pas een aantal dagen later, als [slachtoffer 2] van haar vader nogmaals de vraag krijgt of verdachte ook bij haar in haar broekje heeft gezeten, geeft zij aan dat het soms is gebeurd. Later in het studioverhoor geeft [slachtoffer 2] aan dat verdachte soms met zijn hand in de onderbroek van haar en haar zus zat.

Met de deskundige dr. [deskundige] is de rechtbank van oordeel dat de verklaringen van [slachtoffer 2] moeilijk op betrouwbaarheid te beoordelen zijn nu deze te weinig gedetailleerd zijn. Ook valt niet uit te sluiten dat de verklaringen van [slachtoffer 2] zijn gebaseerd op het verhaal van [slachtoffer 1] , dan wel onbewust is afgestemd naar aanleiding van het contact met [slachtoffer 1] .

Nu er twijfels zijn gerezen over de betrouwbaarheid van de verklaring van [slachtoffer 2] moet verdachte worden vrijgesproken van de hem onder feit 3 verweten gedragingen.

Feit 1 en 2: ontuchtige handelingen met [slachtoffer 1]

De verdenkingen tegen verdachte zijn gerezen naar aanleiding van een spontane mededeling van [slachtoffer 1] ten overstaan van haar moeder (en later haar vader) dat verdachte met zijn hand aan haar “piesemuis” zou hebben gezeten. Zij heeft dit verteld op een rustige manier, bij het naar bed gaan, ongeveer anderhalf uur na thuiskomst op maandag16 september 2021. De rechtbank is van oordeel dat [slachtoffer 1] consistent en (bijzonder) gedetailleerd heeft verklaard in een verhoorstudio over de handelingen die verdachte bij haar heeft verricht en de omstandigheden waaronder dit zou zijn gebeurd. De rechtbank heeft geen enkele reden om te twijfelen aan de authenticiteit van deze verklaring en acht deze, met de gedragsdeskundige dr. [deskundige] , dan ook betrouwbaar.

Op grond van artikel 342 lid 2 Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv) kan het bewijs dat iemand een strafbaar feit heeft gepleegd niet uitsluitend worden gebaseerd op één getuigenverklaring. Deze bepaling strekt ertoe de deugdelijkheid van de bewijsbeslissing te waarborgen, in die zin dat zij de rechtbank verbiedt tot een bewezenverklaring te komen indien de feiten en omstandigheden waarover de getuige verklaart, op zichzelf staan en onvoldoende steun vinden in ander bewijsmateriaal. In een zedenzaak als de onderhavige, is niet vereist dat de ontuchtige handelingen waarover een getuige verklaart als zodanig bevestiging vinden in andere bewijsmiddelen, maar is het afdoende indien die verklaring op bepaalde punten bevestigd wordt door andere bewijsmiddelen. Die moeten afkomstig zijn uit een andere bron. Deze bewijsmiddelen dienen voldoende steun te geven aan de verklaring van de getuige. Dat wil zeggen dat het steunbewijs op relevante wijze in verband dient te staan met de inhoud van de verklaring van die getuige, zodat die verklaring niet op zichzelf staat, maar als het ware is ingebed in een concrete context die bevestiging vindt in een andere bron. Bovendien mag er niet een te ver verwijderd verband bestaan tussen de getuigenverklaring en het overige gebruikte bewijsmateriaal (Vgl. Hoge Raad 15 mei 2018, ECLI:NL:HR:2018:717 en Hoge Raad 23 januari 2010, ECLI:NL:HR:2010:BK2094).

Nu de verklaring van [slachtoffer 1] voldoende betrouwbaar wordt geacht, zal vervolgens beoordeeld moeten worden of het dossier voldoende steunbewijs bevat dat op relevante wijze (waaronder niet te ver verwijderd) in verband staat met hetgeen het slachtoffer heeft verklaard.

Verdachte heeft de verweten ontuchtige handelingen steeds ontkend. Hij heeft daarbij ook ontkend dat hij ooit met beide meisjes op een luchtbed heeft geslapen. Zowel [slachtoffer 2] en [slachtoffer 1] hebben daar echter stellig anders over verklaard en gezegd dat verdachte wel degelijk bij hen op het luchtbed heeft gelegen. Ofschoon de rechtbank geen grond ziet om aan dat onderdeel te twijfelen, kan dat naar het oordeel van de rechtbank niet dienen als toereikend steunbewijs voor de verklaring van [slachtoffer 1] waar het de ontuchtige handelingen betreft. Een en ander staat in onvoldoende relevant verband met elkaar. Verder steunbewijs voor de door verdachte verweten handelingen, is naar het oordeel van de rechtbank niet door de officier van justitie gepresenteerd, noch te vinden in het dossier. De door de vader en moeder van [slachtoffer 1] afgelegde verklaringen over wat [slachtoffer 1] heeft verteld dat er gebeurd is, vormen dat steunbewijs niet. Zij vormen immers een weergave van wat [slachtoffer 1] heeft verklaard, maar bevatten niet daarnaast zodanige feiten en/ of omstandigheden die steun geven aan die verklaring van [slachtoffer 1] en daarvoor op andere wijze een bevestiging vormen. De rechtbank is daarom van oordeel dat ten aanzien van feit 1 en 2 niet is voldaan aan de toepasselijke maatstaf van steunbewijs in artikel 342 lid 2 Sv, wat betekent dat verdachte ook van deze feiten zal worden vrijgesproken.

5 De benadeelde partijen

In het onderhavige strafproces hebben [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] zich als benadeelde partijen gevoegd en heeft [vertegenwoordiger] als wettelijk vertegenwoordiger voor hen beiden afzonderlijk een vordering ingediend voor een bedrag van € 5.230,17, bestaande uit € 730,17 aan materiële schade en € 4.500,-- aan immateriële schade.

Nu de verdachte ter zake van de ten laste gelegde feiten wordt vrijgesproken, dienen de benadeelde partijen niet-ontvankelijk te worden verklaard in de vorderingen.

6 De beslissing

De rechtbank:

De rechtbank:

Vrijspraak

- spreekt verdachte vrij van de tenlastegelegde feiten;

Benadeelde partijen

- verklaart de benadeelde partijen [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] niet-ontvankelijk in de vorderingen en bepaalt dat de vorderingen bij de burgerlijke rechter kunnen worden aangebracht;

- veroordeelt de benadeelde partijen in de kosten van verdachte, tot nu toe begroot op nihil;

Dit vonnis is gewezen door mr. P. Kooijman, voorzitter, mr. M. Veldhuizen en mr. B.A.S.E. Maandag, rechters, in tegenwoordigheid van R. Rozendaal, griffier, en is uitgesproken ter openbare zitting op 11 maart 2022.

Mr. Veldhuizen is niet in de gelegenheid dit vonnis mede te ondertekenen.