Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZWB:2022:1056

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak
03-03-2022
Datum publicatie
03-03-2022
Zaaknummer
02-171047-20
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

Vrijspraak witwassen. Stappenplan. Verdachte geeft een concrete, verifieerbare en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijke verklaring. Verklaring onvoldoende onderzocht

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Strafrecht

Zittingsplaats: Middelburg

parketnummer: 02-171047-20

vonnis van de meervoudige kamer van 3 maart 2022

in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

geboren op [geboortedag] 1993 te [geboorteplaats] ,

wonende te [adres] ,

raadsman: mr. H.M. Dunsbergen, advocaat te Breda.

1 Onderzoek van de zaak

De zaak is inhoudelijk behandeld op de zitting van 17 februari 2022, waarbij de officier van justitie, mr. K. Simpelaar, en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt.

2 De tenlastelegging

De tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht.

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte in de periode van 14 juni 2019 tot en met 2 juni 2020 een geldbedrag van in totaal € 32.570,00 heeft witgewassen.

3 De voorvragen

De dagvaarding is geldig.

De rechtbank is bevoegd.

De officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging.

Er is geen reden voor schorsing van de vervolging.

4 De beoordeling van het bewijs

4.1

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan witwassen. Verdachte heeft in de periode van 14 juni 2019 tot en met 2 juni 2020 een geldbedrag van in totaal € 32.570,00 aan onverklaarbaar vermogen gehad. Dit bedrag bestaat enerzijds uit contanten die hij op zak had bij zijn aanhouding, te weten € 2.770,00 en anderzijds uit een bedrag waarmee hij de bouw van een woonwagen heeft bekostigd. Het onderzoek is gestart naar aanleiding van informatie die een witwasverdenking rechtvaardigde. Uiteindelijk is gebleken dat verdachte in totaal € 56.000,00 aan [bedrijf] (hierna: de woonwagenbouwer) heeft aanbetaald. Hiervan is

€ 15.000,00 verklaarbaar door bankbetaling. De overige € 41.000,00 heeft verdachte contant aanbetaald. Daarvan is € 11.200,00 verklaarbaar omdat verdachte dit geld van zijn bankrekening heeft opgenomen. Gebleken is dat het andere deel van de contante aanbetalingen betaald is met andere coupures dan door verdachte zijn opgenomen. Deze betalingen zijn niet te verklaren vanuit zijn legale inkomsten of vermogen en dus onverklaarbaar. Verdachte heeft over de herkomst van het ten laste gelegde geldbedrag geen concrete en verifieerbare verklaring afgelegd, nu verdachte zich tot de zitting steeds op zijn zwijgrecht heeft beroepen. Hierdoor kan de legale herkomst van het geldbedrag niet worden aangetoond. Ook de stukken die namens verdachte voorafgaand aan de zitting zijn verstrekt, te weten de leningsovereenkomsten en een overzicht van een [bank] -rekening, zijn onduidelijk en tonen de legale herkomst van het geldbedrag niet aan. Aan deze stukken moet daarom geen waarde worden gehecht.

4.2

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft primair aan de hand van het zes-stappenarrest van het Gerechtshof Amsterdam van 11 januari 2013 integrale vrijspraak bepleit. Uit het arrest volgt dat indien er geen sprake is van een gronddelict, het Openbaar Ministerie feiten en omstandigheden dient aan te dragen waaruit het vermoeden blijkt dat het goed van misdrijf afkomstig is. De verdediging dient vervolgens aan de hand van concrete verifieerbare omstandigheden de legale herkomst te stellen en zo mogelijk te onderbouwen. In dit geval is er door het Openbaar Ministerie geen bewijsvermoeden gepresenteerd tijdens de politieverhoren, waardoor verdachte zich op advies van zijn raadsman telkens op zijn zwijgrecht heeft beroepen. Mocht de rechtbank van oordeel zijn dat er sprake was van een bewijsvermoeden, dan kan op basis van het dossier niet worden vastgesteld dat het geldbedrag uit enig misdrijf afkomstig was. Daarnaast heeft de verdediging stukken toegestuurd, te weten leningsovereenkomsten, die onderbouwen dat de geldbedragen waarmee de woonwagen is aanbetaald onder meer – naast het bedrag dat verdachte van de gemeente [gemeente] aan schadevergoeding uitbetaald heeft gekregen – is verkregen uit leningen. Uit het verstrekte overzicht van de [bank] -rekening van de moeder van verdachte blijkt ook dat het geld dat tijdens de aanhouding onder verdachte is aangetroffen, geld is dat hij van zijn moeder heeft gekregen. Hiermee geeft verdachte een concrete en verifieerbare verklaring die niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijk is. Dat deze stukken pas kort voor de zitting zijn verstrekt doet hier niet aan af: de stukken waren in het kader van een klaagschriftprocedure in 2019 reeds verstrekt, maar zijn nooit aan het strafdossier toegevoegd. De verdediging stelt zich subsidiair op het standpunt dat indien vastgesteld kan worden dat het geld afkomstig is uit eigen misdrijf, verdachte dient te worden ontslagen van alle rechtsvervolging, aangezien eenvoudig witwassen niet ten laste is gelegd. Het handelen van verdachte kan dan niet als witwassen worden gekwalificeerd.

4.3

Het oordeel van de rechtbank

Juridisch kader

In deze zaak kan geen direct verband worden gelegd tussen een bepaald misdrijf en het in de tenlastelegging genoemde geldbedrag. Dat betekent dat er geen gronddelict bekend is. De rechtbank zal daarom gebruik maken van het toetsingskader dat voor dergelijke gevallen volgt uit het zogenaamde 6-stappen arrest van het Gerechtshof Amsterdam van 11 januari 2013 (ECLI:NL:GHAMS:2013:BY8481). Hieruit volgt dat het in de tenlastelegging opgenomen bestanddeel ‘afkomstig uit enig misdrijf’ pas bewezen kan worden, als het op grond van de vastgestelde feiten en omstandigheden niet anders kan zijn dan dat de voorwerpen uit enig misdrijf afkomstig zijn.

De rechtbank doorloopt bij de toets of sprake is van witwassen de volgende stappen. Als er op basis van de feiten en omstandigheden sprake is van een vermoeden van witwassen, dan mag van verdachte worden verlangd dat hij een verklaring geeft voor de herkomst van de goederen dan wel gelden. Deze verklaring moet concreet, in enige mate verifieerbaar en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijk zijn. Zodra de verklaring van verdachte voldoende tegenwicht biedt, is het aan het Openbaar Ministerie om nader onderzoek te doen naar de door verdachte gestelde alternatieve herkomst van de goederen. Uit de resultaten van dat onderzoek zal moeten blijken of met voldoende mate van zekerheid kan worden uitgesloten dat de gelden en voertuigen waarop de verdenking betrekking heeft, een legale herkomst hebben en dat een criminele herkomst als enige aanvaardbare verklaring overblijft.

De feiten en omstandigheden

Het onderzoek tegen verdachte is gestart nadat er bij het Team Criminele Inlichtingen (hierna: TCI) informatie is binnengekomen dat verdachte een woonwagen liet bouwen die hij zou betalen met opbrengsten uit de hennephandel. Naar aanleiding van deze informatie zijn de politiesystemen geraadpleegd en is gebleken dat er ten aanzien van verdachte verschillende hennep-gerelateerde antecedenten, politieregistraties en criminele contacten stonden geregistreerd. Uit raadpleging van de politiesystemen bleek daarnaast dat door de gemeente [gemeente] in een civiele procedure een schadevergoeding aan verdachte is toegekend voor een bedrag van € 41.000,00. Dat bedrag is op 12 juni 2019 uitbetaald op de rekening van verdachte. Uit de door de woonwagenbouwer verstrekte gegevens is gebleken dat de aanneemsom voor de te bouwen woonwagen € 70.000,00 bedroeg en dat er een meerprijs is afgesproken voor extra materialen, te weten in totaal € 15.000,00. Uit de betalingsgegevens van de woonwagenbouwer blijkt dat er door verdachte in totaal in de periode van juni tot en met augustus 2019 in totaal € 56.000,00 aan de woonwagenbouwer is aanbetaald, waarvan

€ 41.000,00 contant en € 15.000,00 via bankbetaling. Uit de verstrekte gegevens van de bankrekening van verdachte is gebleken dat er op 27 juni 2019 een geldopname heeft plaatsgevonden van € 27.000,00. De biljetten waar verdachte de woonwagenbouwer vervolgens mee heeft betaald komen niet overeen met de biljetten die de woonwagenbouwer heeft afgestort. Verder ontvangt verdachte een uitkering en zorgtoeslag en zijn er geen gegevens bekend van erfenissen en of schenkingen. Er is dus niet gebleken van vermogen waaruit blijkt dat de aanschaf van een woonwagen door verdachte gefinancierd kon worden. Verdachte is uiteindelijk op 2 juni 2020 aangehouden op verdenking van witwassen. Bij de aanhouding van verdachte is nog een contant geldbedrag van € 2.770,00 aangetroffen.

Het vermoeden van witwassen

De rechtbank zal een onderscheid maken tussen de aanbetaling van € 56.000,00 die door verdachte aan de woonwagenbouwer is gedaan en het geldbedrag dat onder verdachte is aangetroffen bij de aanhouding.

Ten aanzien van de aanbetaling van de woonwagen van in totaal € 56.000 overweegt de rechtbank het volgende. De rechtbank is, anders dan de officier van justitie, van oordeel dat € 41.000 van de aanbetaling verklaard kan worden vanuit de schadevergoeding die verdachte in het kader van de civiele procedure tegen de gemeente [gemeente] heeft ontvangen. Een deel van dit bedrag heeft verdachte contant opgenomen. Dat de coupures waarmee verdachte de woonwagenbouwer heeft betaald niet overeenkomen met de coupures die uiteindelijk door de woonwagenbouwer zijn gestort, doet hier niet aan af. Er is geen nader onderzoek naar de inhoud van de kas van de woonwagenbouwer gedaan en op basis van het dossier kan dus niet worden vastgesteld met welke coupures verdachte de woonwagenbouwer heeft betaald en of de woonwagenbouwer ook exact die coupures heeft afgestort of nog over andere coupures beschikte.

Ten aanzien van de resterende € 15.000,00 van de aanbetaling, stelt de rechtbank vast dat op de inkomens- en vermogenspositie van verdachte het bezit van een dergelijk hoog geldbedrag niet kan verklaren. Daar komt bij dat de bedragen kort na elkaar contant aan de woonwagenbouwer zijn betaald. Dit, in combinatie met de TCI-informatie en de informatie uit de politiesystemen, rechtvaardigt naar het oordeel van de rechtbank het vermoeden dat het aangetroffen geldbedrag van enig misdrijf afkomstig is. De rechtbank volgt de raadsman niet in zijn betoog dat er geen of onvoldoende bewijsvermoeden gepresenteerd is tijdens de politieverhoren om een verklaring van verdachte te verlangen.

Tot slot is er nog het bedrag van € 2.770,00 dat tijdens de aanhouding onder verdachte is aangetroffen. Ook hiervoor geldt dat het op zak hebben van een dergelijk geldbedrag, dat niet door de inkomens- en vermogenspositie van verdachte verklaard kan worden, een vermoeden van witwassen oplevert.

Verklaring herkomst geldbedragen

Nu er sprake is van een vermoeden van witwassen ten aanzien van voornoemde geldbedragen is het aan de verdachte om dit vermoeden te ontzenuwen. Van verdachte mag een verklaring worden verlangd die concreet, min of meer verifieerbaar en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijk is.

Ten aanzien van de € 15.000,00 is door de verdachte ter zitting verklaard dat de contante bedragen waar hij over kon beschikken, afkomstig waren uit aan hem verstrekte leningen. Namens verdachte is op 16 februari 2022 een aantal stukken verstrekt dat ziet op deze leningen. Uit deze stukken blijkt dat verdachte in totaal een bedrag van € 9.500,00 geleend heeft. Verder heeft verdachte verklaard dat hij nog een bedrag van ongeveer € 4.000,00 van zijn vader heeft geleend, maar dat dit een mondelinge overeenkomst betrof en dat hiervan geen document is opgemaakt. De verstrekte leningsovereenkomsten lijken de verklaring van verdachte te onderbouwen. Naar het oordeel van de rechtbank kan de verklaring van verdachte daarom niet, zonder nader onderzoek, zonder meer als ongeloofwaardig terzijde worden gesteld. Dit geldt ook voor de verklaring van verdachte over de lening die hij bij zijn vader heeft afgesloten.

Ten aanzien van de € 2.770,00 is door de verdachte ter zitting verklaard dat hij dit geld in bewaring had voor zijn moeder. Dit was op haar verzoek: zij had haar auto verkocht en wilde dat verdachte hiervan voor haar een goudstaaf ging kopen in Antwerpen. Om deze verklaring te onderbouwen is namens de verdachte een screenshot van een [bank] -rekening van de moeder van verdachte overgelegd. De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat uit het screenshot niet blijkt dat dit de rekening van de moeder betreft. Uit het overzicht blijkt echter dat op 12 mei 2020 een bedrag van € 7.800,00 op een rekening is gestort door [naam] en dit geldbedrag die dag ook is opgenomen. De rechtbank is van oordeel dat op basis hiervan weliswaar niet kan worden vastgesteld dat dit de rekening van de moeder van verdachte betreft, maar dat daarvoor wel aanwijzingen bestaan.


De rechtbank is van oordeel dat verdachte, zij het pas ter zitting, voor beide geldbedragen een concrete, verifieerbare en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijke verklaring heeft gegeven dat de geldbedragen niet van misdrijf afkomstig zijn. Het ligt vervolgens op de weg van de officier van justitie om nader onderzoek te doen naar de herkomst van de geldbedragen. In de namens verdachte overgelegde stukken heeft de officier van justitie geen aanleiding gezien om een aanhoudingsverzoek te doen om nader onderzoek te kunnen doen naar deze stukken. Nu nader onderzoek is nagelaten, kan niet worden geoordeeld dat het niet anders kan zijn dan dat de geldbedragen uit enig misdrijf afkomstig zijn. Dit betekent dat niet wettig en overtuigend kan worden bewezen dat verdachte een geldbedrag heeft witgewassen, zodat hij hiervan moet worden vrijgesproken.

5 De overwegingen omtrent het beslag

De woonwagen

Op de beslaglijst staat de woonwagen (in aanbouw) vermeld. Uitgangspunt is dat de rechtbank een beslissing neemt over de op de beslaglijst genoemde goederen. De rechtbank heeft vastgesteld dat de woonwagen op 1 april 2020 in beslag is genomen, waardoor er sprake was van klassiek beslag als bedoeld in artikel 94 van het Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv). Op 24 april 2020 is door de officier van justitie gevorderd om een machtiging conservatoir beslag te handhaven. Deze vordering is op 24 april 2020 door de rechter-commissaris toegewezen. Hiermee is het klassiek beslag ex artikel 94 Sv omgezet naar conservatoir beslag ex artikel 94a Sv. De machtiging die wordt verkregen op een “vordering machtiging tot handhaven van beslag als conservatoir beslag” leidt immers tot een omzetting van het beslag. Ten aanzien van voorwerpen waarop enkel conservatoir beslag rust, wordt door de rechtbank geen beslissing genomen. Dat betekent dat de rechtbank om die reden geen beslissing zal nemen op de woonwagen die op de beslaglijst staat vermeld.

Het telefoontoestel en het geldbedrag

De rechtbank zal de teruggave gelasten van het telefoontoestel en het geldbedrag aan verdachte, aangezien deze voorwerpen niet vatbaar zijn voor verbeurdverklaring of onttrekking aan het verkeer en onder verdachte in beslag zijn genomen.

6 De beslissing

De rechtbank:

Vrijspraak

- spreekt verdachte vrij van het ten laste gelegde feit;

Beslag

- gelast de teruggave aan verdachte van de inbeslaggenomen voorwerpen, te weten een telefoontoestel (G2200657) en een geldbedrag van € 2.772,10 (G220639).

Dit vonnis is gewezen door mr. A.B. Scheltema Beduin, voorzitter, mr. J. Bergen en

mr. J.P.E. Mullers, rechters, in tegenwoordigheid van mr. H. Holtgrefe, griffier, en is uitgesproken ter openbare zitting op 3 maart 2022.

De voorzitter en de jongste rechter zijn niet in de gelegenheid om dit vonnis mede te ondertekenen.