Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZWB:2021:993

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak
03-03-2021
Datum publicatie
08-03-2021
Zaaknummer
C/02/356345 / HA ZA 19-189
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Inhoudsindicatie

Vordering uit onrechtmatige daad of ongerechtvaardigde verrijking wegens gestelde PGB-fraude. Afgewezen omdat niet is voldaan aan de stelplicht.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Locatie Breda

Cluster II Handelszaken

zaaknummer / rolnummer: C/02/356345 / HA ZA 19-189

Vonnis van 3 maart 2021

in de zaak van

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

CZ ZORGKANTOOR BV,

gevestigd te Tilburg,

eiseres,

advocaat: mr. A.A.H. Zegers te Tilburg,

tegen

1 [ gedaagde 1] ,

wonende te gemeente Helmond,

gedaagde,

advocaat: mr. C.A. Gobbens te Breda,

2. [gedaagde 2],

wonende te [woonplaats] ,

gedaagde,

advocaat: mr. A.K. Tosun te Rotterdam.

Partijen zullen hierna enerzijds CZ en anderzijds individueel [gedaagde 1 en gedaagde 2] genoemd worden.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het tussenvonnis van 6 november 2019 met alle daarin vermelde stukken,

- de conclusie van repliek van de zijde van CZ met producties genummerd 15 t/m 22,

- de conclusie van dupliek van de zijde van [gedaagde 2] ,

- de conclusie van dupliek van de zijde van [ gedaagde 1] ,

- de akte eiswijziging/eisvermindering van de zijde van CZ,

  • -

    de van de zijde van [ gedaagde 1] in het geding gebrachte producties, genummerd 3 en 4,

  • -

    de pleitnotitie van de zijde van CZ,

  • -

    de pleitnotitie van de zijde van [ gedaagde 1] ,

  • -

    de pleitnotitie van de zijde van [gedaagde 2] ,

  • -

    het proces-verbaal van de mondelinge behandeling gehouden op 3 december 2020.

  • -

    de reacties op het proces-verbaal van de zijde van CZ en [ gedaagde 1] , toegezonden bij brieven van respectievelijk 17 en 18 december 2020.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

Als enerzijds gesteld en anderzijds niet of onvoldoende gemotiveerd weersproken, alsmede op grond van de onbetwiste inhoud van de producties, staat tussen partijen het volgende vast:

a. CZ is een zorgkantoor zoals aangeduid in de tot 1 januari 2015 geldende Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten (hierna: AWBZ) en de hierop gebaseerde Regeling Subsidies AWBZ (hierna: de Pgb-regeling). Vanaf 1 januari 2015 geldt de Wet langdurige zorg (hierna: Wlz) en de hierop gebaseerde Regeling langdurige zorg en het Besluit langdurige zorg. Zowel onder de AWBZ als de Wlz neemt het Centrum Indicatiestelling Zorg (hierna: CIZ) besluiten over aanspraakgerechtigden en op welke zorg zij aanspraak kunnen maken. Het CIZ verstrekt daarvoor indicaties. CZ heeft - op door het CIZ verstrekte indicaties-, persoonsgebonden budgetten (hierna: pgb) verstrekt aan verzekerden (hierna; budgethouders). Deze konden hiermee zelf AWBZ/Wlz-zorg inkopen ten behoeve van persoonlijke verzorging, verpleging of begeleiding. CZ is, naast de uitvoering, tevens belast met de controle van de Pgb-regeling. Dit houdt in dat CZ het toegekende pgb en de daarover door de budgethouder afgelegde verantwoording controleert. De besteding en verantwoording door de budgethouder dienen te voldoen aan de verplichtingen en criteria van de toepasselijke regelgeving.

b. Een pgb kon/kan niet alleen op basis van voormelde wetten worden aangevraagd maar ook op basis van de Zorgverzekeringswet en de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 (hierna: Wmo).

c. [gedaagde 2] was bestuurder van de op 25 januari 2012 opgerichte en per
4 november 2014 gefailleerde Stichting Quadrant SD & F sociale dienstverlening en facilitaire dienst (hierna: Quadrant). Op 9 april 2014 richtte [gedaagde 2] samen met onder meer haar zoon de vennootschap Cirkel Zorgbegeleiding & Maatschappelijke Omvang B.V. (hierna: Cirkel) op. [ gedaagde 1] was medeaandeelhouder van Cirkel en vanaf 14 juli 2016 interim bestuurder. [ gedaagde 1] en [gedaagde 2] waren direct en indirect gelieerd aan andere vennootschappen die betrokken waren bij het verlenen van pgb-zorg.

d. Voormelde ondernemingen hebben zich (onder meer) toegelegd op het begeleiden van personen die zorgbehoevend waren en die middels een aan hen toegekende pgb zorg konden inkopen. Quadrant en Cirkel hebben hiertoe zorgovereenkomsten gesloten met budgethouders aan wie door CZ pgb’s zijn toegekend.

e. In november 2013 vernam CZ dat het Regionale Informatie en Expertisecentrum een financieel onderzoek deed naar [ gedaagde 1] en Quadrant.

f. Naar aanleiding van een aangifte door een budgethouder van Quadrant inzake onder meer oplichting en fraude met pgb-gelden heeft het Openbaar Ministerie van Zeeland-West-Brabant een opsporingsonderzoek opgestart. Dit onderzoek werd aangevuld naar aanleiding van de aangifte d.d. 19 mei 2015 door de curator ter zake mogelijke faillissementsfraude van Quadrant. Voorts hebben
30 budgethouders aangifte gedaan van fraude door onder meer [ gedaagde 1] en [gedaagde 2] (zie bijlage 3 bij het onderzoeksrapport van CZ).

g. Bij brief van 5 december 2016 heeft het CIZ aan CZ medegedeeld dat zij bij
10 budgethouders een ambtshalve herindicatie heeft uitgevoerd omdat op basis van art. 3.2.4. Wlz de indicatie mogelijk niet passend was bij de zorgbehoefte van de betreffende budgethouder. Op basis van de uitkomsten van voormelde herindicaties heeft dit in 9 gevallen geleid tot beëindiging van de bewuste indicaties. Bij één van de 10 onderzochte gevallen heeft geen herindicatie plaatsgevonden omdat geen zorg vanuit de Wmo werd ontvangen.

h. Naar aanleiding van de bevindingen van voormelde onderzoeken en het vermoeden van onjuist en oneigenlijk gebruik van persoonsgebonden budgetten door Quadrant en/of Cirkel heeft het Bureau Bijzonder onderzoek van CZ een eigen onderzoek gestart. In het door CZ overgelegde rapport staat onder 1.4. het volgende vermeld:

“(….)

1.4

Doel van het onderzoek

De doelstelling van het onderzoek is om vast te stellen of de met het pgb via de budgethouder aan

Quadrant en Cirkel betaalde en bij het zorgkantoor verantwoorde zorg ook daadwerkelijk werd

geleverd door Quadrant en Cirkel, en of de administratie klopt. Ook wil het zorgkantoor beoordelen of de daadwerkelijk geleverde zorg bestaat uit AWBZ geïndiceerde zorg en als zodanig met een pgb

gefinancierd kan worden.

Een ander doel is om erachter te komen wie nu verantwoordelijk is voor fraude zoals die het uit het

onderzoek blijkt. De bedrijven Participatiehuis, Quadrant, Cirkel en ook de opvolgend en/of

aanvullende organisaties, Woon Zorg Regie Bureau, Z&WB, Stichting IVVS en Stichting Hulp en Zorg in Nood hebben allen of directe of indirecte banden met [ gedaagde 1] . Is [ gedaagde 1] degene die fraude heeft

gepleegd, of zijn hier meerdere personen voor aansprakelijk? Mevrouw [bestuurder] , de [bestuurder]

en de heer [bestuurder] (zoon van mw. [bestuurder] ) zijn zowel bestuurders geweest van

Quadrant als van Cirkel. In totaal hadden vier familieleden (moeder, broer, zus en nichtje) van

mevrouw [gedaagde 2] een pgb en namen zorg af van Quadrant en Cirkel. Daarnaast hadden een zus

er een neef van de heer [bestuurder] een pgb en namen ook zorg af bij Quadrant, Cirkel, Stichting

Hulp en Zorg in Nood en / of Z&WB.
(…)”

Voormeld onderzoek is uitgevoerd over de jaren 2013 en 2014 (AWBZ) en 2015 en 2016 (Wlz). De bevindingen van het onderzoek zijn vastgelegd in een rapport met 59 bijlagen (in dit geding gedeponeerd als productie 1). In het rapport wordt - verkort weergegeven -geconcludeerd dat in de periode 2013-2016 sprake is van fraude door Quadrant met pgb-gelden tot een bedrag van € 796.733,61 en door Cirkel van € 1.267.048,--. Op basis van de uitkomsten van het rapport heeft CZ [ gedaagde 1] als vermeend feitelijk beleidsbepaler van Quadrant en Cirkel en [gedaagde 2] als bestuurder van voormelde vennootschappen hiervoor aansprakelijk gesteld. [ gedaagde 1] en [gedaagde 2] hebben aansprakelijkheid van de hand gewezen.

i. Op basis van de uitkomsten van dit onderzoek heeft CZ besluiten genomen op basis waarvan toegekende pgb’s aan budgethouders die zorgovereenkomsten met Quadrant en/of Cirkel hadden gesloten werden beëindigd en reeds toegekende pgb’s werden teruggevorderd.

j. Bij vonnis van deze rechtbank van 9 augustus 2018 is [ gedaagde 1] wegens verduistering van een bedrag van € 114.000,-- van Quadrant, strafrechtelijk veroordeeld tot een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van 9 maanden. Tegen deze uitspraak heeft [ gedaagde 1] hoger beroep aangetekend.

k. In totaal hebben 36 budgethouders die zorg bij Quadrant en/of Cirkel zorg hadden ingekocht hun vordering op onder meer Cirkel, Quadrant, [ gedaagde 1] en [gedaagde 2] aan CZ gecedeerd. De cessie-aktes die als bijlage 17b bij het onderzoeksrapport van CZ zijn gevoegd bevat onder meer de volgende bepalingen:

“(…)
dat de budgethouder van mening is dat hij / zij vanwege (onder andere) de door het zorgkantoor vastgestelde onrechtmatigheden, dan wel de [in de akte] genoemde feiten, vorderingen heeft op de zorgverlener en / of tegen de bij de zorgverlener betrokken personen, bestuurders of feitelijke
(mede-)beleidsbepalers, zulks op grond van (met name) nietigheid of vernietigbaarheid van gesloten overeenkomsten, wanprestatie, onrechtmatige daad, ongerechtvaardigde verrijking, of soortgelijke en / of andere vorderingen (…)

“(…)

De budgethouder draagt bij deze aan het Zorgkantoor over: zijn / haar hierboven in de overwegingen omschreven vorderingen op de zorgverlener en/of de bestuurders/beleidsbepalers van de zorgverlener (…)”

3 Het geschil

3.1.

CZ vordert, verkort weergegeven, na wijziging van eis, bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:

primair: hoofdelijke veroordeling van [ gedaagde 1] en [gedaagde 2] tot betaling aan CZ van
€ 1.978.568,31;

subsidiair: op basis van de cessie-aktes: hoofdelijke veroordeling van [ gedaagde 1] en [gedaagde 2] tot betaling aan CZ van € 1.748.901,93;

meer subsidiair: ook op basis van de cessie-aktes, op basis van ongerechtvaardigde verrijking:

  • -

    veroordeling van [ gedaagde 1] tot betaling van € 205.200,60;

  • -

    veroordeling van [gedaagde 2] betaling van € 99.221,12;

Grondslag vorderingen

3.2.

CZ legt aan de primaire vordering ten grondslag dat [ gedaagde 1] (als feitelijke beleidsbepaler bij Quadrant en Cirkel) én [gedaagde 2] en tevens als bestuurder van voormelde stichting respectievelijk vennootschap) vanwege hun betrokkenheid bij de betreffende pgb-verstrekkingen en zorgovereenkomsten onrechtmatig jegens CZ hebben gehandeld. CZ betoogt dat op grond van de bevindingen van het door haar verrichte onderzoek, het strafrechtelijk onderzoek, de besluiten van het CIZ ter zake de door haar verrichte herindicaties, de bestuursrechtelijke afkeurbesluiten en uitspraken van de Bestuursrechter in een aantal zaken vast is komen te staan dat een groot deel van de bewuste pgb-verstrekkingen aan de budgethouders in kwestie ten onrechte heeft plaatsgevonden. CZ stelt dat gelet op de herindicaties door CIZ is komen vast te staan dat op initiatief en toedoen van onder meer [ gedaagde 1] en [gedaagde 2] voor diverse budgethouders te zware indicatieaanvragen zijn gedaan, waarna door het CIZ op onjuiste gronden een pgb voor AWBZ/Wlz-zorg is verstrekt. CZ stelt verder dat Quadrant en Cirkel en hun bestuurders/beleidsbepalers ( [ gedaagde 1] en [gedaagde 2] ) de in kwestie verstrekte pgb-gelden niet hebben gebruikt om, overeenkomstig de indicatiestelling, AWBZ/Wlz-zorg te verlenen. Ook dit staat vast, gelet op de bestuursrechtelijke afkeurbesluiten. De wel geleverde zorg was zeer beperkt (structureel minder dan de hoeveelheid zorg die paste bij de indicaties en veel minder zorg dan volgens de facturen zou zijn geleverd) en betrof doorgaans geen AWBZ/Wlz-zorg, maar zag slechts op vrijetijdsbesteding en uitjes e.d. Daarnaast voert CZ aan dat [ gedaagde 1] en [gedaagde 2] door manipulaties en het misbruik maken van de kwetsbare positie van de budgethouders hebben bewerkstelligd dat de budgethouders hun volledige pgb, als voorschot en dus vóórdat er enige zorg was verleend, hebben overgemaakt op de bankrekeningen van onder meer [ gedaagde 1] en [gedaagde 2] en/of individuele zorgverleners en Cirkel en Quadrant. Hierbij zijn de pgb-betalingen uit het budget en aan het zicht en controle van de budgethouders onttrokken. In dit verband voert CZ aan dat [ gedaagde 1] en [gedaagde 2] de desbetreffende administratie en verantwoording van de veelal onwetende en afhankelijke budgethouders hebben overgenomen waardoor een deugdelijke administratie en verantwoording hiervan ontbrak, hetgeen in strijd is met de Pgb-regelgeving. [ gedaagde 1] en [gedaagde 2] wisten, dan wel hadden moeten weten, dat door deze handelwijze sprake was van fraude met pgb-gelden. Daardoor hebben zij niet alleen de op voorhand te verwachten wanprestatie gecreëerd van de budgethouders jegens CZ maar tevens hiervan geprofiteerd. Volgens CZ hebben [ gedaagde 1] en [gedaagde 2] aldus, al dan niet als feitelijk beleidsbepaler en/of bestuurder, CZ benadeeld; dit gelet op haar publiek(rechtelijk)e verantwoordelijkheid. Hierdoor hebben zij niet gehandeld overeenkomstig hetgeen volgens ongeschreven recht in het maatschappelijk verkeer betaamt. De door [ gedaagde 1] en [gedaagde 2] overtreden (ongeschreven) norm strekt volgens CZ ter bescherming van alle benadeelden, waaronder begrepen CZ in de hoedanigheid van uiteindelijk benadeelde.

3.3.

De subsidiaire vordering (uit hoofde van de cessie-akten) grondt CZ eveneens op onrechtmatige daad gepleegd door [ gedaagde 1] en [gedaagde 2] jegens de budgethouders. Deze vordering is gebaseerd op hetzelfde feitencomplex als de primaire vordering. Hierbij voert CZ aan dat [ gedaagde 1] en [gedaagde 2] wisten, of geacht worden te hebben geweten, dat zij door het ontberen van deugdelijke zorg en administratie de budgethouders niet alleen schade berokkenden, maar tevens grote financiële schade in de vorm van een - voor de meeste of alle budgethouders - onmogelijke terugbetalingsverplichting aan CZ in haar hoedanigheid van Zorgkantoor.

3.4.

De meer subsidiaire vordering (eveneens uit hoofde van de cessie-akten) is gegrond op ongerechtvaardigde verrijking van [ gedaagde 1] en [gedaagde 2] en is gebaseerd op hetzelfde feitencomplex als de primaire en subsidiaire vordering. CZ betoogt in dit verband tevens dat [ gedaagde 1] en [gedaagde 2] zich door toe-eigening van de bewuste pgb-gelden ten koste van de budgethouders hebben verrijkt, terwijl de zorgovereenkomsten, gezien hun ondeugdelijke karakter, daartoe geen rechtvaardiging bieden.

3.5.

Volgens CZ is op voormelde gronden sprake van schade waarvoor zij [ gedaagde 1] en [gedaagde 2] aansprakelijk houdt. De door CZ respectievelijk budgethouders geleden schade staat in de zin van art. 6:98 BW in zodanig verband met de onrechtmatige daad waarop de aansprakelijkheid van [ gedaagde 1] en [gedaagde 2] berust, dat die schade hun als een gevolg van die onrechtmatige daad kan worden toegerekend. De door CZ begrote schade is gebaseerd op de vaststaande beslissingen van CZ tot definitieve vaststelling van het pgb en daarmee op de eventuele vorderingen tot terugbetaling van het pgb door de budgethouders aan CZ. De schade betreft het totaalbedrag van hetgeen CZ in de bestuursrechtelijke afkeurbesluiten als niet of onvoldoende verantwoord heeft vastgesteld. Het totaal van de cessie-aktes is daar een onderdeel van.

Verweren

3.6.

[ gedaagde 1] betwist op enigerlei wijze te hebben gefraudeerd met of betrokken te zijn geweest bij fraude met pgb-gelden. [ gedaagde 1] bestrijdt dat hij door zijn persoonlijk handelen zou hebben bewerkstelligd dat ten onrechte (althans in veel ruimere mate dan gerechtvaardigd is) pgb-budgetten zijn toegekend aan budgethouders alsmede dat hij er vervolgens voor zou hebben gezorgd dat hij onterecht de beschikking over die gelden heeft gekregen en behouden. Voor zover [ gedaagde 1] wel betrokken is geweest bij de betreffende pgb-aanvragen, betoogt [ gedaagde 1] dat hieruit niet zonder meer geconcludeerd kan worden dat hij zich schuldig heeft gemaakt aan fraude met pgb-gelden. Te minder niet nu CZ haar stellingname niet per budgethouder heeft ingericht en gespecificeerd. [ gedaagde 1] voert verder aan dat zijn betrokken-heid bij pgb-aanvragen voorlichtend en begeleidend van aard is geweest en dat de betreffende budgethouder zelf verantwoordelijk is en blijft voor de gedane aanvragen en/of verantwoording hiervan richting CZ. [ gedaagde 1] betoogt verder dat hij nimmer pgb-gelden voor Quadrant en/of Cirkel heeft vergaard omdat hij zich niet bezig heeft gehouden met het financiële beleid en financiële geldstromen van en naar Quadrant en/of Cirkel. Volgens [ gedaagde 1] was [gedaagde 2] als bestuurder van voormelde vennootschappen verantwoordelijk voor het financiële beleid bij Quadrant en/of Cirkel. [ gedaagde 1] weerspreekt dat hij wist, of geacht moet worden te hebben geweten, dat voor Quadrant en/of Cirkel vergaarde pgb-gelden niet of slechts marginaal zouden worden gebruikt voor zorg(verlening) aan budgethouders, alsmede dat een deugdelijke administratie en verantwoording hiervan ontbrak. [ gedaagde 1] betwist verder dat hij feitelijk beleidsbepaler bij voormelde vennootschappen is geweest; hij is als adviseur betrokken geweest bij voormelde vennootschappen en op basis van de door hem verrichte werkzaamheden is hij hiervoor betaald. Van onrechtmatig handelen en/of

ongerechtvaardigde verrijking aan zijn kant is volgens [ gedaagde 1] dan ook geen sprake.

3.7.

[gedaagde 2] beroept zich op het bepaalde in artikel 3:34 BW stellende dat zij vanwege een geestelijke stoornis niet in staat was om haar wil te bepalen. In dit verband betoogt [gedaagde 2] dat haar betrokkenheid bij Quadrant en Cirkel en de hiermee verband houdende rechtshandelingen op grond van het bepaalde in lid 2 van voormeld artikel nietig zijn. Nu de hiermee verband houdende rechtshandelingen volgens [gedaagde 2] nimmer hebben bestaan, vallen de grondslagen van de vorderingen van CZ jegens [gedaagde 2] weg, zodat CZ niet-ontvankelijk is in haar vorderingen jegens [gedaagde 2] . [gedaagde 2] betwist onrechtmatig jegens CZ en/of de budgethouders te hebben gehandeld, dan wel dat zij zich ongerechtvaardigd zou hebben verrijkt. Aan de criteria van bestuurdersaansprakelijkheid wordt volgens [gedaagde 2] evenmin voldaan. [gedaagde 2] stelt verder dat CZ nagelaten heeft om gespecificeerd per budgethouder de door haar gevorderde bedragen te stellen en deugdelijk te onderbouwen.

4 De beoordeling

4.1.

Kern van het geschil betreft de vraag of [ gedaagde 1] en [gedaagde 2] onrechtmatig jegens CZ dan wel de betreffende budgethouders hebben gehandeld.

4.2.

In het kader van de op haar rustende stelplicht en bewijslast heeft CZ aangevoerd dat in grote fraudezaken het leveren van bewijs moeilijk is, omdat het in pgb-fraudezaken niet over een individueel pgb-dossier gaat, maar om een behoorlijk aantal dossiers per zorgverlener. CZ meent evenwel dat zij in het onderhavige geval bewijs heeft geleverd van de volgende chronologische stappen:

1. de verstrekking van de totaalsom aan pgb-gelden aan de budgethouders;

2. de doorbetaling daarvan door de budgethouders aan Quadrant en Cirkel, in alle of in de meeste gevallen bij vooruitbetaling;

3. het ontbreken van de daadwerkelijk geleverde dan wel deugdelijk verantwoorde pgb-zorg;

4. de bepalende factoren c.q. actoren van dat verwijtbare nalaten, met name [ gedaagde 1] en [gedaagde 2] ;

5. de schade, te weten oneigenlijke weggevloeid doelvermogen. PGB-geld is immers voor PGB-zorg. En anders moet het terug naar het zorgkantoor. Dat is schade voor én de budgethouders én CZ als de bewaker van dit publieke geld.

In dit verband stelt CZ dat zij dit bewijs gebaseerd heeft op een veelvoud van documenten

en bevestigingen van anderen, zoals die van Justitie. CZ stelt dat die bevindingen in de

strafzaak tegen [ gedaagde 1] hebben geleid tot een veroordeling.

4.3.

Ter onderbouwing van haar stellingname verwijst CZ onder meer naar de bevindingen van het door haar ingestelde onderzoek zoals vastgelegd in het als productie1 in het geding gebrachte rapport, inclusief de daarbij behorende 59 bijlagen. CZ stelt dat zij in individuele voorbeelddossiers specifiek fraude met pgb-gelden gepleegd door [ gedaagde 1] en [gedaagde 2] heeft aangetoond. CZ beroept zich verder op de beslissingen van de door CIZ verrichte herindicaties en de bestuursrechtelijke afkeurbesluiten. Daarnaast verwijst CZ naar uitspraken van de Bestuursrechter waarbij het beroep van een aantal budgethouders tegen de door CZ genomen besluiten inhoudende nihil stelling van het pgb en terugvordering van betaalde pgb-voorschotten, ongegrond is verklaard. In de visie van CZ is met het samenstel hiervan de aan [ gedaagde 1] en [gedaagde 2] verweten fraude met pgb-gelden vast komen te staan.

4.4.

[ gedaagde 1] en [gedaagde 2] hebben onder meer aangevoerd dat CZ de beweerde fraude met pgb-gelden niet afdoende heeft onderbouwd omdat CZ niet per individueel pgb-dossier en budgethouder haar stellingname heeft onderbouwd, zodat zij de stellingname van CZ niet dan wel onvoldoende kunnen verifiëren.

4.5.

In reactie hierop heeft CZ tijdens het pleidooi betoogd dat conform het navolgende stappenplan de aan [ gedaagde 1] en [gedaagde 2] verweten fraude als vastgesteld kan worden aangenomen.

“Stap 1 : tegenover al het ontvangen pgb-geld, zelfs van de budgethouders afgedwongen als vooruitbetaling, heeft ook volgens de bestuursrechter geen pgb-zorg plaatsgevonden. Behoudens tegenbewijs, is het ontbreken van pgb-zorg daarmee een gegeven.

Stap 2 : voeg daaraan toe dat een pgb-zorgverlener wéét of behoort te weten dat voor pgb-geld slechts pgb-zorg kan worden verleend.

Stap 3 : stel vast dat door toedoen van deze zorgverleners al het pgb-geld weg is.

Stap 4 : stel vast dat het onrechtmatig inpikken en wegmaken van pgb-geld zonder deugdelijke grondslag daarmee in beginsel bewezen is. Voor alle dossiers.”

In de visie van CZ kan hiermee tevens als vast staand worden aangenomen dat geen pgb-zorg is verleend en/of dat ontvangen pgb-gelden onjuist zijn verantwoord.

4.6.

In deze procedure zien de primaire en subsidiaire vordering van CZ op vergoeding van beweerde schade van CZ als gevolg van onrechtmatig handelen van zowel [ gedaagde 1] als [gedaagde 2] én van beweerde schade van 36 individuele budgethouders als gevolg van vermeend onrechtmatig handelen van [ gedaagde 1] en/of [gedaagde 2] . De vorderingen van voormelde budgethouders zijn aan CZ gecedeerd. De rechtbank stelt voorop dat voor toewijzing van de primaire en subsidiaire vordering van CZ aan de vijf vereisten van de artikelen 6:162 en 6:163 BW moet zijn voldaan; te weten onrechtmatige daad, toerekenbaarheid, relativiteit, schade en causaal verband. Ter zake de primaire vordering geldt dat aan voormelde vereisten in de relatie van CZ en [ gedaagde 1] en/of [gedaagde 2] moet zijn voldaan en ten aanzien van de subsidiaire vordering in de relatie van de 36 budgethouders ten opzichte van [ gedaagde 1] en/of [gedaagde 2] . Ter zake de subsidiaire vordering geldt daarnaast dat de gestelde onrechtmatige daad en de eventueel hierdoor geleden schade per dossier dienen te worden vastgesteld en - indien hieraan zou worden toegekomen - begroot.

4.7.

Voorts geldt dat, gezien de scala aan verwijten aan niet alleen [ gedaagde 1] en [gedaagde 2] maar ook aan de rechtspersonen Quadrant en Cirkel - met wie de budgethouders zorgovereenkomsten hebben gesloten (maar die niet in deze procedure betrokken zijn) - met ieder een eigen rol en hoedanigheid met betrekking tot handelingen over een tijdsbestek van 2013-2016, duidelijk gesteld en onderscheiden dient te worden wie én op welke grondslag wat gedaan heeft. De stelplicht en de bewijslast ligt in beginsel op CZ, die zich op het rechtsgevolg van de door haar gestelde feiten en rechten beroept. Dit betekent dat CZ - mede gelet op de betwisting hiervan door [ gedaagde 1] en [gedaagde 2] - voldoende concrete feiten en/of omstandigheden dient te stellen en zo nodig bewijzen en juridisch uit te werken waaruit specifiek volgt dat aan de zijde van [ gedaagde 1] en/of [gedaagde 2] sprake is van fraude met pgb-gelden alsmede dát en waarom dit als onrechtmatig jegens CZ en/of de budgethouders kwalificeert. Stellingen van CZ waarin het louter gaat over handelingen van Quadrant en/of Cirkel zijn dan ook in beginsel niet specifiek genoeg om te kunnen leiden tot de gestelde aansprakelijkheid van [ gedaagde 1] en/of [gedaagde 2] jegens CZ en/of de budgethouders in kwestie. Net zo min als dat handelingen van [ gedaagde 1] of [gedaagde 2] tot de aansprakelijkheid van de ander jegens CZ en/of de budgethouders in kwestie kunnen leiden.

4.8.

In het licht van het vorenstaande is de rechtbank van oordeel dat CZ nagelaten heeft om de hiervoor onder 4.6 en 4.7 genoemde vereisten concreet te stellen en - mede gelet op de gemotiveerde betwisting van [ gedaagde 1] en/of [gedaagde 2] - degelijk te onderbouwen. CZ heeft niet toereikend onderbouwd dat het handelen van [ gedaagde 1] en/of [gedaagde 2] in de hier aan de orde zijnde jaren voldoende eenvormig is geweest om dit handelen in algemene zin te kunnen beschrijven en daarmee vervolgens als onrechtmatig jegens CZ en/of de bewuste budgethouders te kunnen aanmerken. Dit geldt te meer nu het handelen van [ gedaagde 1] en/of [gedaagde 2] alleen kan worden beoordeeld binnen de context waarbinnen dat handelen heeft plaatsgevonden. Tot die context hoort onder meer de persoon van de budgethouders, de door hen gedane aanvragen in het kader van de pgb-regeling, de hierop gestelde (her)-indicaties, de door CZ genomen beslissingen en/of uitspraken van de Bestuursrechter, alsmede de rol en betrokkenheid van Quadrant en Cirkel als zijnde de vennootschappen waarmee de budgethouders zorgovereenkomsten hebben gesloten. CZ volstaat echter – tegenover de betwisting door [ gedaagde 1] en [gedaagde 2] – met zeer algemeen en ruim geformuleerde verwijten richting [ gedaagde 1] en [gedaagde 2] en het uiten van vermoedens dat laatstgenoemden fraude met pgb-gelden hebben gepleegd zonder de feiten en omstandigheden waarop zij dit baseert te concretiseren. De verwijzing (al dan niet fragmentarisch) door CZ naar bevindingen uit het onderzoeksrapport en/of de inhoud van enkele in het geding gebrachte stukken acht de rechtbank hiertoe niet toereikend. Hoewel de door CZ overgelegde stukken kunnen dienen ter ondersteuning van haar stellingen, geldt dat de rechtbank slechts rekening houdt met hieruit blijkende feiten en omstandigheden indien uit de processtukken van CZ (dagvaarding en/of conclusies en akten) voldoende kenbaar is dat zij de inhoud van die producties mede aan haar stellingen ten grondslag wil leggen én ook voldoende blijkt welke specifieke feiten en of omstandigheden dit betreft, alsmede waarom dit vervolgens leidt tot de conclusie dat [ gedaagde 1] en/of [gedaagde 2] onrechtmatig jegens CZ en/of de betreffende budgethouders hebben gehandeld.

4.9.

Het specifieke beroep van CZ op een aantal in het geding gebrachte stukken, acht de rechtbank evenmin voldoende. In dit verband merkt de rechtbank het volgende op.

4.10.

Op basis van de door CZ overgelegde besluiten van het CIZ ter zake bij negen budgethouders verrichte herindicaties kan in ieder geval niet worden geconcludeerd dat [ gedaagde 1] en [gedaagde 2] zich schuldig hebben gemaakt aan fraude met pgb-gelden. Voormelde besluiten zijn als bijlage 12 bij prod. 1 in het geding gebracht. Uit de inhoud hiervan blijkt dat het CIZ in de voorliggende zaken om uiteenlopende redenen in 2016 tot een ander besluit is gekomen. Uit de overgelegde besluiten volgt dat onder meer sprake is van veranderde wet- en regelgeving en dat op de bewuste indicatiebesluiten de Wlz van toepassing is, terwijl vóór 1 januari 2015 de aanvragen van de budgethouders zijn getoetst aan de toen geldende wet- en regelgeving waaronder begrepen de AWBZ. Op basis van de vereisten uit de Wlz heeft het CIZ onder meer beslist dat zij niet meer bevoegd is om een indicatie te stellen op basis van de grondslag psychiatrie, alsmede dat bij eerdere indicatiestelling onterechte grondslagen zijn gehanteerd. Gelet hierop en bij gebreke van een toereikende toelichting van de zijde van CZ valt niet in te zien dat - zoals CZ naar het oordeel van de rechtbank ongefundeerd stelt - door toedoen en op initiatief van [ gedaagde 1] te zware indicatie-aanvragen zijn ingediend én dat hij vervolgens gefraudeerd heeft met de aan de betreffende budgethouders toegekende pgb-gelden. De omstandigheid dat [ gedaagde 1] bij de indicatie-aanvragen contactpersoon/gemachtigde is geweest voor de betreffende budgethouders is op zichzelf niet doorslaggevend. Op basis van de besluiten van het CIZ volgt zonder toereikende onderbouwing evenmin de conclusie dat [gedaagde 2] persoonlijk dan wel als bestuurder van Quadrant en Cirkel zich schuldig heeft gemaakt aan de door CZ gestelde handelingen.

4.11.

De bestuursrechtelijke besluiten en uitspraken van de Bestuursrechter - waarop CZ ter staving van haar stellingname eveneens een beroep heeft gedaan, leiden evenmin tot de vaststelling dat [ gedaagde 1] en/of [gedaagde 2] onrechtmatig jegens CZ en/of de budgethouders in kwestie hebben gehandeld. Voorop gesteld wordt dat CZ slechts een klein deel van de bestuursrechtelijke besluiten betreffende de 36 budgethouders die hun vorderingen op [ gedaagde 1] en [gedaagde 2] aan CZ hebben gecedeerd in het geding heeft gebracht. Een toetsing hieraan kan derhalve maar deels plaatsvinden. Daarnaast heeft CZ uitspraken van de Bestuursrechter en één van de Centrale Raad van Beroep als bijlage bij het onderzoeksrapport in het geding gebracht. Uit de bewuste uitspraken volgt weliswaar - kort gezegd - dat CZ op basis van de toepasselijke regelgeving bevoegd was het pgb voor de budgethouder in kwestie lager vast te stellen, dan wel op nihil te stellen, alsmede dat CZ in redelijkheid gebruik heeft gemaakt van haar bevoegdheid tot terugvordering van onverschuldigd betaalde pgb-gelden. Vast staat evenwel ook dat [ gedaagde 1] en [gedaagde 2] in de onderwerpelijke besluiten en uitspraken niet als zorgverleners van de budgethouder in kwestie worden genoemd, maar Quadrant en/of andere zorgverleners. Zonder toelichting van CZ valt niet te begrijpen dat CZ op basis hiervan meent te kunnen volstaan met de stelling dat aldus geen pgb-zorg is verleend en hierbij tevens concludeert dat en/of ontvangen pgb-gelden onjuist zijn verantwoord. Hierbij geldt dat CZ niet alleen verzuimt voormelde conclusies van elkaar te onderscheiden en te staven maar tevens heeft nagelaten een onderscheid per budgethouder te maken en te specificeren alsmede hierbij (eveneens per budgethouder/dossier) toe te lichten welke handelingen/ gedragingen aan [ gedaagde 1] en/of [gedaagde 2] vervolgens worden verweten.

4.12.

Naar het oordeel van de rechtbank kan CZ niet middels een verwijzing naar enkele besluiten volstaan met de generieke conclusie dat [ gedaagde 1] en [gedaagde 2] fraude hebben gepleegd met pgb-gelden zonder uit een te zetten waarom én jegens wie dit als onrechtmatig kwalificeert. Gezien het expliciete beroep van CZ op de bestuursrechtelijke afkeurbesluiten in combinatie met het door haar voorgestane stappenplan is de rechtbank van oordeel dat het op de weg van CZ lag om, ter voldoening van de op haar rustende stelplicht (ook ten aanzien van de door haar gestelde schade), per budgethouder te stellen om welke reden bepaalde bestedingen zijn afgekeurd, hoeveel uren dan om die specifieke reden zijn afgekeurd en het bedrag dat dientengevolge door de budgethouder zou moeten worden terugbetaald en waarom dit als schade voor rekening van [ gedaagde 1] en/of [gedaagde 2] moet komen.

4.13.

CZ heeft dergelijke stellingen noch in haar processtukken noch ter zitting voldoende duidelijk en specifiek ingenomen. De omstandigheid dat uit voormelde stukken volgt dat bepaalde budgethouders, Quadrant en/of andere zorgverleners verplichtingen verband houdende met de pgb-regeling niet zijn nagekomen, impliceert op zichzelf aldus niet dat [ gedaagde 1] en/of [gedaagde 2] fraude met pgb-gelden hebben gepleegd. Te minder niet nu [ gedaagde 1] en [gedaagde 2] onder meer onvoldoende bestreden hebben aangevoerd en toegelicht dat wel zorg is verleend aan (bepaalde) budgethouders alsmede dat activiteiten met (bepaalde) budgethouders zijn ondernomen. [ gedaagde 1] heeft daarbij verder onvoldoende weersproken aangevoerd dat hij onder meer als adviseur voor Quadrant en/of Cirkel heeft gewerkt, alsmede dat hij als maatschappelijk werker budgethouders in aanvraagprocedures en de eventuele hierop volgende procedures heeft bijgestaan.

4.14.

De overige verwijzingen van CZ naar de bevindingen uit het onderzoeksrapport inclusief de inhoud van de hierbij behorende bijlagen, de overige overgelegde producties alsmede de jurisprudentie waarop CZ een beroep heeft gedaan, voldoen naar het oordeel van de rechtbank evenmin om tot het verweten onrechtmatig handelen van [ gedaagde 1] en/of [gedaagde 2] te kunnen concluderen. Anders dan CZ als stap 4 van het stappenplan en de hierbij ter zitting gegeven toelichting heeft bepleit, is het voor de voldoening van de op haar rustende stelplicht niet toereikend - hetgeen al volgt uit het bovenstaande - om ten aanzien van enkele budgethouders een gedeeltelijke onderbouwing te geven (dit nog daargelaten dat de verwijzingen maar enkele budgethouders betreffen) en deze als voorbeelddossiers te generaliseren of te extrapoleren naar alle dossiers. Dit geldt te meer nu gesteld noch onderbouwd is dat op voorhand vast staat dat de bevindingen in de onderzochte dossiers van budgethouders gelijk zijn aan en exemplarisch zijn voor alle dossiers, zonder dit vervolgens op de vereiste wijze in juridische zin nader uit te werken. De sprongen die CZ in haar redenering maakt zijn fors.

4.15.

Hieraan doet niet af dat het - zoals CZ heeft betoogd - in zaken waar het gaat om verdenkingen van op grote schaal gepleegde fraude met pgb-gelden, lastig kan zijn om één en ander te concretiseren. De eventuele grote omvang van het onderzoek en complexiteit van de materie ontslaat CZ echter niet van de op haar rustende stelplicht. Het houden van één algemeen feitenrelaas is niet toereikend om aan deze stelplicht te voldoen indien de individuele omstandigheden van het geval bepalend zijn voor de beantwoording van de vraag of [ gedaagde 1] en/of [gedaagde 2] jegens CZ dan wel iedere individuele budgethouder die hun vordering aan CZ hebben gecedeerd aansprakelijk is of niet. Te minder niet nu CZ in het onderhavige geding ruimschoots en geïnstrueerd in de gelegenheid is gesteld om de bij dagvaarding ingenomen stellingen nader in te richten en te onderbouwen. Nu CZ niet aan haar stelplicht heeft voldaan verwerpt de rechtbank het betoog van CZ dat zij bewijs heeft geleverd van de in r.o. 4.2. weergegeven stappen.

4.16.

Uit het vorenstaande volgt dat CZ ontoereikend gesteld, toegelicht en onderbouwd heeft waarom [ gedaagde 1] en/of [gedaagde 2] gehouden zouden zijn om de door CZ aan budgethouders uitbetaalde pgb-gelden - die met Quadrant en Cirkel zorgovereenkomsten hebben gesloten - aan CZ terug te betalen. Gelet hierop worden de primaire en subsidiaire vorderingen gebaseerd op onrechtmatige daad afgewezen.

4.17.

CZ heeft haar meer subsidiaire vordering op dezelfde feiten gebaseerd als die zij aan haar primaire en subsidiaire vordering ten grondslag heeft gelegd. Nu hiervoor is geoordeeld dat niet komt vast te staan dat [ gedaagde 1] en [gedaagde 2] zich schuldig hebben gemaakt aan fraude met pgb-gelden, kunnen de vorderingen op de meer subsidiaire grondslag niet voor toewijzing in aanmerking komen. Gelet op het vorenstaande behoeft hetgeen partijen over en weer hebben aangevoerd over de geschilpunten geen verdere bespreking.

4.18.

CZ zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld.

De kosten aan de zijde van [ gedaagde 1] worden begroot op:

- griffierecht € 81,00

- salaris advocaat € 15.996,00 (4 punten × € 3.999,00)

Totaal € 16.077,00

De proceskostenveroordeling wordt, zoals onweersproken is verzocht, vermeerderd met de wettelijke rente en uitvoerbaar bij voorraad verklaard.

4.19.

De kosten aan de zijde van [gedaagde 2] worden begroot op:

- griffierecht € 1.599,00

- salaris advocaat € 15.996,00 (4 punten × tarief € 3.999,00)

Totaal € 17.595,00

De proceskostenveroordeling wordt als onweersproken verzocht, uitvoerbaar bij voorraad verklaard.

5 De beslissing

De rechtbank:

5.1.

wijst de vorderingen af;

5.2.

veroordeelt CZ in de proceskosten, aan de zijde van [ gedaagde 1] tot op heden begroot op € 16.077,00 te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in art. 6:119 BW over dit bedrag met ingang van 15 dagen na betekening van dit vonnis tot de dag van volledige betaling;

5.3.

veroordeelt CZ in de proceskosten, aan de zijde van [gedaagde 2] tot op heden begroot op € 17.595,00;

5.4.

verklaart dit vonnis wat betreft de kostenveroordelingen uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. Van 't Nedereind, mr. Verhagen-Coopmans en mr. Poerink en in het openbaar uitgesproken op 3 maart 2021.