Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZWB:2021:992

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak
05-03-2021
Datum publicatie
08-03-2021
Zaaknummer
02-045723-20
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

Volledige vrijspraak voor artikel 6 WVW en artikel 5 WVW. De rechtbank kan niet uitsluiten dat er sprake was van een kortstondige verblinding door de zon, waarop anticipatie niet mogelijk was. Aan verdachte kan daarom niet verweten worden dat zijn rijgedrag gevaar op de weg heeft veroorzaakt.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Strafrecht

Zittingsplaats: Breda

parketnummer: 02/045723-20

vonnis van de meervoudige kamer van 5 maart 2021

in de strafzaak tegen

[Verdachte]
geboren op [Geboortedag] 1977 te [Geboorteplaats] ,
wonende te [Adres]

raadsman mr. P.W. Bakkum, advocaat te Zierikzee.

1 Onderzoek van de zaak

De zaak is inhoudelijk behandeld op de zitting van 19 februari 2021, waarbij de officier van justitie, mr. Verhoeven, en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt.

2 De tenlastelegging

De tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht.

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte op 16 oktober 2018 in Etten-Leur een verkeersongeval heeft veroorzaakt waardoor [Slachtoffer] zwaar lichamelijk letsel heeft opgelopen, ten laste gelegd in drie verschillende (juridische) varianten.

3 De voorvragen

De dagvaarding is geldig.

De rechtbank is bevoegd.

De officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging.

Er is geen reden voor schorsing van de vervolging.

4 De beoordeling van het bewijs

4.1

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht wettig en overtuigend bewezen, dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan de primair ten laste gelegde overtreding van artikel 6 van de Wegenverkeerswet (hierna: WVW). Zij voert daartoe aan dat verdachte eerst een waarschuwingsbord voor het naderen van een voetgangersoversteekplaats gepasseerd is en daarna verblind werd door de zon. Beide omstandigheden hadden moeten leiden tot actie aan de zijde van verdachte. Door zijn rijgedrag niet voldoende op deze omstandigheden aan te passen, is er sprake van een aanmerkelijke mate van verwijtbare onvoorzichtigheid.

4.2

Het standpunt van de verdediging

De verdediging is van mening dat de rechtbank niet tot een bewezenverklaring kan komen van het primair ten laste gelegde feit. Er is geen sprake van een aanmerkelijke mate van verwijtbare onvoorzichtigheid. Verdachte heeft zich aan de snelheidslimiet gehouden, had geen alcohol of drugs gebruikt en heeft zich niet door andere zaken af laten leiden. Door een kort moment van verblinding had hij onvoldoende zicht op de weg, waardoor het ongeval kon gebeuren. Naar de mening van de verdediging is dit onvoldoende om te kunnen spreken van schuld in de zin van artikel 6 WVW.

De verdediging heeft zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank ten aanzien van het subsidiair en meer subsidiair ten laste gelegde.

4.3

Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank overweegt het volgende.

Feiten en omstandigheden

Uit de bewijsmiddelen in het dossier volgt dat er op 16 oktober 2018 een ernstig ongeval heeft plaatsgevonden op de Rode Poort in Etten-Leur, waarbij het slachtoffer, mevrouw [Slachtoffer] , zwaar lichamelijk letsel heeft opgelopen. Zij wilde via een zebrapad de Rode Poort oversteken, maar verdachte heeft dat niet tijdig opgemerkt, waardoor zij door zijn auto werd geschept.

Om te kunnen vaststellen hoe dit ongeluk heeft kunnen gebeuren, is er onderzoek verricht naar de verkeers- en weersomstandigheden op dat moment en de gereden snelheid. Hieruit blijkt dat verdachte ongeveer 45 kilometer per uur reed waar de maximum snelheid 50 kilometer per uur is, hij geen drank of drugs had gebruikt en verdachte niet afgeleid was door zijn telefoon. Ook was er geen sprake van mist of regen en waren er geen obstakels op of naast de weg die het zicht op het slachtoffer zouden kunnen belemmeren.

Verdachte heeft verklaard dat hij de voetgangster niet heeft gezien. Kort voor het ongeval werd hij verblind door weerkaatsing van zonlicht in de voorruit van een hem tegemoetkomende auto, waardoor hij zijn zonnescherm naar beneden wilde doen. Op dat moment was het al te laat.

Gelet op de verklaring van verdachte, dat er sprake zou zijn geweest van verblinding door de zon, is er forensisch onderzoek gedaan naar de stand van de zon op het moment van het ongeval. Hieruit is gebleken dat de zon, vanaf de bestuurderspositie van verdachte bezien, aan zijn rechterzijkant heeft gestaan. Er zijn daarbij geen aanwijzingen gevonden voor weerkaatsing van zonlicht via omliggende gebouwen. Verdachte heeft echter niet verklaard dat hij werd verblind door de weerkaatsing van de zon door een gebouw of een ander vast aanwezig punt. Verdachte heeft al direct nadat hij uitstapte na het ongeval aan een getuige gezegd dat hij het slachtoffer niet gezien had omdat hij werd verblind door zonlicht. Verdachte is niet heel uitgebreid gehoord door de politie. Ter zitting heeft verdachte toegelicht dat hij was verblind door zonlicht dat weerkaatste in een ruit van een tegemoetkomende bestelbus. Hij wilde meteen de zonneklep naar beneden doen. Deze verklaring is niet strijdig met alles wat zich in het dossier bevindt. De rechtbank acht het verblindings-scenario niet onaannemelijk, vooral gelet op hetgeen verdachte meteen na het ongeval hierover zei tegen een getuige, en gaat daar in haar verdere beoordeling van uit.

Primair ten laste gelegde feit

Aan verdachte is primair ten laste gelegd, dat hij zich schuldig heeft gemaakt aan overtreding van artikel 6 WVW. Bij de vraag of sprake is van 'schuld' aan een verkeersongeval in de zin van artikel 6 WVW komt het aan op het geheel van de gedragingen van de verdachte, de aard en de ernst daarvan van en de overige omstandigheden van het geval. Daarbij komt dat niet reeds uit de ernst van de gevolgen van verkeersgedrag dat in strijd is met één of meer wettelijke gedragsregels in het verkeer kan worden afgeleid dat sprake is van schuld in vorenbedoelde zin.

Dat het ongeval ernstige gevolgen heeft, wordt door niemand betwist. De geneeskundige verklaring, maar met name ook de slachtofferverklaringen ter zitting van de moeder en de zus van het slachtoffer, maken duidelijk dat de gevolgen zeer ingrijpend zijn geweest en zullen blijven. Niet alleen voor het slachtoffer, die haar leven lang afhankelijk zal zijn van een rolstoel, douchestoel en 24-uurs zorg, maar ook voor de familie, die een aanzienlijk deel van deze zorg op zich neemt. Het verlies van levensvreugde voor het slachtoffer en de familie is zeer groot en zal de rest van hun leven duren. Ook verdachte zal zijn leven lang moeten leven met de rol die hij onbedoeld in dit geheel heeft gespeeld.

Kijkend naar het geheel van gedragingen van verdachte overweegt de rechtbank, dat er geen aanwijsbare oorzaken van buitenaf zijn aan te wijzen die invloed hadden op zijn rijgedrag anders dan de verblinding. Verdachte heeft zich aan alle ter plaatse geldende verkeersregels gehouden. Bovendien werd het zebrapad weliswaar kort voor de zebra aangekondigd door een bord, maar verdachte reed op dat punt al minder hard dan de ter plaatse toegestane maximumsnelheid. De rechtbank gaat er dan ook vanuit dat het een kort moment van verblinding is geweest dat er voor heeft gezorgd dat verdachte het slachtoffer niet heeft opgemerkt. Voordat hij maatregelen kon nemen om (verdere) verblinding tegen te gaan, vond het ongeval al plaats. Gelet op deze omstandigheden komt de rechtbank tot het oordeel dat verdachte geen gevaarzettend rijgedrag heeft vertoond en niets meer of anders heeft gedaan dan van een gemiddeld automobilist mag worden verwacht. Verdachte zal dan ook worden vrijgesproken van het primair ten laste gelegde feit.

Subsidiair en meer subsidiair ten laste gelegde feiten

Aan verdachte wordt subsidiair en meer subsidiair verweten dat hij – respectievelijk – harder heeft gereden dan veilig was en onvoldoende aandacht op de weg heeft gehad, dan wel dat hij geen voorrang heeft verleend. Beide feiten zijn ten laste gelegd als een overtreding van artikel 5 WVW. Voor een veroordeling voor artikel 5 WVW moet worden vastgesteld dat de genoemde gedragingen gezorgd hebben voor gevaar op de weg. De rechtbank volgt ten aanzien van deze feiten dezelfde redenering als bij het primair ten laste gelegde, te weten dat een niet aan verdachte te wijten omstandigheid kortstondig heeft gezorgd voor gevaarzetting. Anticipatie van verdachte hierop was niet mogelijk, waardoor niet bewezen kan worden verklaard dat hij door zijn handelen gevaar op de weg heeft veroorzaakt.

Ook van het subsidiair en meer subsidiair ten laste gelegde zal verdachte daarom worden vrijgesproken.

5 De beslissing

De rechtbank:

Vrijspraak

- spreekt verdachte vrij van het tenlastegelegde.

Dit vonnis is gewezen door mr. Beudeker, voorzitter, mr. De Brouwer en mr. Schuur, rechters, in tegenwoordigheid van Van Rensch, griffier, en is uitgesproken ter openbare zitting op 5 maart 2021.

6 Bijlage I

De tenlastelegging

hij op of omstreeks 16 oktober 2018 te Etten-Leur als verkeersdeelnemer, namelijk

als bestuurder van een motorrijtuig, daarmede rijdende over de weg, de Rode

Poort zich zodanig heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten

verkeersongeval heeft plaatsgevonden door roekeloos, in elk geval zeer, althans

aanmerkelijk, onvoorzichtig en/of onoplettend, te rijden met een hogere snelheid

dan voor een veilig verkeer ter plaatse geboden was en/of niet voldoende

aandacht te hebben voor het verkeer en/of de verkeerssituatie ter plaatse en/of

zijn, verdachtes, motorrijtuig niet tot stilstand te brengen waarover verdachte de

weg kon overzien en deze vrij was, waardoor een ander (genaamd [Slachtoffer] )

zwaar lichamelijk letsel, te weten een hersenbloeding en/of een scheur in de milt,

of zodanig lichamelijk letsel werd toegebracht, dat daaruit tijdelijke ziekte of

verhindering in de uitoefening van de normale bezigheden is ontstaan;

subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou

kunnen leiden:

hij op of omstreeks 16 oktober 2018 te Etten-Leur als bestuurder van een voertuig

(personenauto), daarmee rijdende op de weg, de Rode Poort,

heeft gereden met een hogere snelheid dan voor een veilig verkeer ter plaatse

geboden was en/of niet voldoende aandacht heeft gehad voor het verkeer en/of de

verkeerssituatie ter plaatse en/of zijn, verdachtes, motorrijtuig niet tot stilstand

heeft gebracht waarover verdachte de weg kon overzien en deze vrij was,

door welke gedraging(en) van verdachte gevaar op die weg werd veroorzaakt,

althans kon worden veroorzaakt, en/of het verkeer op die weg werd gehinderd,

althans kon worden gehinderd;

meer subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht

of zou kunnen leiden:

hij op of omstreeks 16 oktober 2018 te Etten-Leur als bestuurder van een voertuig

(personenauto, Citroën), daarmee rijdende op de weg, de Rode Poort,

een voetganger, die op een voetgangersoversteekplaats overstak of die kennelijk op

het punt stond over te steken, niet heeft laten voorgaan, door welke gedraging(en)

van verdachte gevaar op die weg werd veroorzaakt, althans kon worden

veroorzaakt, en/of het verkeer op die weg werd gehinderd, althans kon worden

gehinderd;