Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZWB:2021:987

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak
05-03-2021
Datum publicatie
19-03-2021
Zaaknummer
AWB- 21_104 VV
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Jachtakte

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Bestuursrecht

zaaknummer: BRE 21/104 WET VV

uitspraak van 5 maart 2021 van de voorzieningenrechter in de zaak tussen

[verzoekster] , te [woonplaats] , verzoeker,

gemachtigde: mr. M.J.J.E. Stassen,

en

de korpschef van politie, verweerder.

Procesverloop

Verzoeker heeft administratief beroep ingesteld tegen het besluit van 30 november 2020 (bestreden besluit) van de korpschef over de weigering aan hem een jachtakte te verlenen. Hij heeft de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.

Het verzoek is besproken ter zitting in Breda op 26 februari 2021. Daarbij waren aanwezig verzoeker en zijn gemachtigde, en namens de korpschef [naam vertegenwoordiger] .

Overwegingen

1. Feiten

Op grond van de stukken en de behandeling ter zitting gaat de voorzieningenrechter uit van de volgende feiten en omstandigheden.

Op 3 september 2020 heeft verzoeker een aanvraag om een jachtakte ingediend. De aanvraag ziet op een jachtakte voor het tijdvak 1 april 2020 tot en met 31 maart 2021.

In het kader van deze aanvraag heeft verzoeker op 14 september 2020 meegewerkt aan het e-screener onderzoek zoals bedoeld in artikel 6a, eerste lid, onder b, van de Wet wapens en munitie (Wwm). De e-screener is een risicotaxatie instrument dat toetst op de aanwezigheid van psychische risicofactoren die een rol spelen bij de beoordeling van de vraag of het bezit van wapens aan iemand kan worden toevertrouwd. De uitslag van dit onderzoek heeft de korpschef reden gegeven om te vrezen dat aan verzoeker het onder zich hebben van wapens en munitie niet kan worden toevertrouwd.

De korpschef heeft bij brief van 24 september 2020 aan verzoeker het voornemen medegedeeld om de jachtakte te weigeren. Bij brief van 6 november 2020 heeft verzoeker zijn zienswijze over dit voornemen naar voren gebracht.

Bij het bestreden besluit heeft de korpschef verzoeker medegedeeld dat zijn zienswijze de vrees, dat het onder zich hebben van wapens en munitie verzoeker niet kan worden toevertrouwd, niet heeft weggenomen. Om die reden weigert de korpschef de jachtakte aan verzoeker te verlenen.

2. Spoedeisend belang

Op grond van artikel 8:81, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) kan de voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd is of kan worden in de hoofdzaak, op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.

De voorzieningenrechter stelt vast dat de jachtakte is aangevraagd voor de periode van 1 april 2020 tot en met 31 maart 2021. Deze periode is, ten tijde van het doen van deze uitspraak, bijna verstreken. Voor toekomstige tijdvakken zal verzoeker opnieuw een jachtakte kunnen aanvragen en opnieuw het e-screener onderzoek kunnen invullen.

Ten aanzien van het spoedeisend belang bij dit verzoek om voorlopige voorziening heeft verzoeker aangegeven dat hij ten eerste nog de resterende periode tot 31 maart 2021 in het bezit zou willen zijn van een jachtakte, en ten tweede dat hij er belang aan hecht dat de voorzieningenrechter een voorlopig oordeel geeft over de rechtmatigheid van de wijze waarop het e-screener onderzoek nu door de korpschef wordt gebruikt in het licht van toekomstige procedures. De voorzieningenrechter ziet in deze argumenten voldoende spoedeisend belang en komt daarom toe aan een inhoudelijke beoordeling van het verzoek.

3. Wettelijk kader

De toepasselijke wet- en regelgeving is, ten behoeve van de leesbaarheid, opgenomen in de bijlage bij deze uitspraak.

4. Standpunt korpschef

De korpschef stelt zich op het standpunt dat de einduitslag van de e-screener wijst op mogelijke risicofactoren in de geestelijke gesteldheid van verzoeker die het verantwoord omgaan met wapens of munitie in de weg kunnen staan. De combinatie van risicofactoren die tot deze conclusie hebben geleid zijn stress, psychose en (gewogen) totaalscore, waarbij de betrouwbaarheid een score geeft van 99%.

Volgens de korpschef is verzoeker in lijn met de wet- en regelgeving bij brief van 24 september 2020 geïnformeerd over de uitslag van de e-screener, het risicoprofiel, de gestelde eisen aan een contra-indicatie en een verklaring van gebruikte begrippen en risicofactoren. Verzoeker is gewezen op de mogelijkheid van het aanleveren van een contra-indicatie. Verzoeker heeft afgezien van het aanleveren van een contra-indicatie vanwege de daaraan verbonden kosten. Daarom heeft de korpschef de jachtakte bij het bestreden besluit geweigerd.

5. Standpunt verzoeker

Verzoeker heeft aangevoerd dat de e-screener test een louter digitale test is. Er komen geen deskundigen zoals psychologen aan te pas om de resultaten te beoordelen. De computer geeft aan op welke onderwerpen ‘rood’ wordt gescoord en op welke onderdelen ‘groen’. Vanwege het enkele feit dat verzoeker op twee onderdelen (stress en psychose) ‘rood’ zou hebben gescoord, is de jachtakte geweigerd. Daarbij is enkel gekeken naar de uitslag van de test en niet naar andere factoren.

Verzoeker wijst op de memorie van toelichting (MvT) bij de wetswijziging per 1 oktober 2019 waarbij de e-screener test werd ingevoerd. Uit de MvT blijkt dat de test slechts een indicatie geeft aan de korpschef en dat een negatieve uitslag van de e-screener niet onvermijdelijk leidt tot de afwijzing van de aanvraag. Alle informatie moet door de korpschef worden gewogen.

In dat verband stelt verzoeker dat de minister heeft aangegeven dat ook informatie wordt verkregen uit een antecedentenonderzoek, een door de aanvrager ingevuld inlichtingenformulier, het nagaan van referenten en bezoek aan huis in het kader van de kluiscontrole. De minister benadrukt dat de e-screener en/of het WM-32 formulier slechts een onderdeel is in het proces van vergunningverlening, en dat er ook een antecedentenonderzoek en een referentencontrole worden verricht, evenals een huiscontrole.

De minister geeft aan dat aanvragers die einduitslag ‘rood’ hebben door een combinatie van factoren een gedifferentieerde beoordeling krijgen. Dat onderzoek en die beoordeling heeft verzoeker niet gehad.

Verzoeker concludeert dat op basis van de inmiddels gevormde rechtspraak1 over het gebruik en de waarde van de e-screener het volgende geldt:

  • -

    De korpschef heeft geen kennis om de uitslag van de test te beoordelen, en is meteen overgegaan tot weigering van de akte;

  • -

    Er is geen wettelijke grondslag de akte te weigeren enkel op basis van de uitslag van de e-screener;

  • -

    De minister kan niet aan zijn eigen onderzoeksverplichtingen voldoen, zodat dat ook niet van verzoeker verwacht kan worden;

  • -

    Als verzoeker het gewone WM-32 formulier had ingevuld, dan zou de akte niet geweigerd zijn. Nu bestaande verlofhouders hiermee kunnen volstaan, is er sprake van strijd met het gelijkheidsbeginsel.

6. De weigering op basis van de e-screener

6.1

De voorzieningenrechter stelt vast dat tussen partijen niet in geschil is dat de korpschef de weigering de jachtakte te verlenen heeft gebaseerd op artikel 3.28, derde lid, aanhef en onder a van de Wet natuurbescherming (Wnb). Vast staat ook dat de korpschef die vrees voor misbruik heeft gebaseerd op het feit dat uit de door verzoeker gemaakte test de risicofacturen stress en psychose naar voren zijn gekomen.

6.2

De voorzieningenrechter stelt voorop dat de bevoegdheid van een korpschef om een jachtakte te verlenen – vanwege de aan wapenbezit verbonden risico’s – zeer zorgvuldig moet worden gebruikt. Daarbij geldt dat weigeringsgronden zoals opgenomen in artikel 3.28 van de Wnb ruim moeten worden uitgelegd. Vanwege het grote belang van de veiligheid van de samenleving (ter bescherming waarvan de regels gelden waaraan de bevoegdheid om de jachtakte te verlenen onderworpen is) is reeds geringe twijfel aan het verantwoord zijn van de jachtakte genoeg reden om een akte niet te verlenen, mits deze twijfel objectief vast te stellen is. De voorzieningenrechter verwijst hierbij naar vaste jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State zoals opgenomen in de uitspraak van 17 juli 2019 (ECLI:NL:RVS:2019:2452).

6.3

Ter zitting heeft de gemachtigde van de korpschef toegelicht dat volgens de Werkinstructie bij de score ‘rood’ op de e-screener een voornemen tot weigering van de jachtakte wordt gestuurd. De aanvrager wordt dan in de gelegenheid gesteld om een zienswijze én een contra-expertise in te dienen, en pas daarna gaat de korpschef verder en breder toetsen. De korpschef heeft gezien dat verzoeker geen antecedenten heeft, maar dat is niet opgenomen in het bestreden besluit.

6.4

De voorzieningenrechter concludeert hieruit dat de weigering van de jachtakte in dit geval uitsluitend is gebaseerd op de uitslag van de e-screener, omdat daaruit gebleken zou zijn dat het voorhanden hebben van wapens of munitie aan verzoeker niet kan worden toevertrouwd, nu hij op de risicofactoren stress en psychose ‘rood’ heeft gescoord.

Als verzoeker dit oordeel bij de korpschef wil bestrijden, moet hij kosten maken voor een contra-expertise door een psychiater of een psycholoog. Deze contra-expertise moet voldoen aan een aantal randvoorwaarden.

6.5

Naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter staat, zoals eerder ook de voorzieningenrechter van de rechtbank Noord-Nederland2 oordeelde, niet zonder meer vast dat de e-screener een voldoende geschikt, objectief instrument is ter beoordeling van verzoekers psychische gesteldheid en de samenhangende vraag of het voorhanden hebben van wapens en munitie aan hem kan worden toevertrouwd. Daarbij acht de voorzieningenrechter van belang dat (de gemachtigde van) de korpschef, (de gemachtigde van) verzoeker noch de voorzieningenrechter zich een oordeel kunnen vormen over de wijze waarop de testresultaten zijn verkregen. Onduidelijk is welke vragen zijn gesteld, welke antwoordopties er waren en welke antwoorden verzoeker heeft gegeven. Ook is onduidelijk in hoeverre er onderling verband bestond tussen de verschillende vragen en antwoorden en hoe de begrippen stress en psychose moeten worden begrepen in het licht van de door verzoeker gegeven antwoorden. De korpschef heeft geen inzicht gegeven in het door verzoeker gemaakte onderzoek, ook niet met een beroep op geheimhouding op grond van artikel 8:29 van de Awb. De voorzieningenrechter kan de resultaten van het onderzoek en daaraan door de korpschef verbonden conclusies dan ook niet wegen of toetsen.

6.6

De gemachtigde van de korpschef geeft aan dat na de eerdere kritiek van de rechtbanken op het ontbreken van inzicht in betrouwbaarheid en werking van de e-screener nu aanvullende informatie door de minister is verstrekt (o.a. in kamerbrieven) en er aanpassingen in het werkproces zijn gemaakt. Ook is het TNO-rapport van 13 februari 2020 beschikbaar gekomen, waarin de werking en betrouwbaarheid van de e-screener is geëvalueerd. Verder heeft er een verbetering in de communicatie en informatieverschaffing over de e-screener plaatsgevonden.

6.7

Naar het oordeel van de voorzieningenrechter zijn hiermee, in tegenstelling tot wat de korpschef veronderstelt, de bezwaren tegen het weigeren van een jachtakte uitsluitend op basis van de resultaten van het e-screener onderzoek niet weggenomen.

Daartoe overweegt de voorzieningenrechter dat de minister zich enerzijds op het standpunt lijkt te stellen dat de e-screener slechts een onderdeel is in het proces van vergunningverlening, en dat er ook een antecedentenonderzoek en een referentencontrole worden verricht, evenals een huiscontrole. De voorzieningenrechter verwijst naar de antwoorden op kamervragen van 14 november 2019. Anderzijds stelt de minister dat hij het niet verantwoord vindt aan een negatieve uitslag van de e-screener voorbij te gaan louter op basis van probleemloos wapenbezit in het verleden of op basis van een blanco strafblad (in de brief aan de Tweede Kamer van 14 februari 2020). Een contra-expertise van een psycholoog acht hij noodzakelijk om de uitslag van de e-screener terzijde te kunnen leggen. Hierdoor blijft voor de voorzieningenrechter onduidelijk of de e-screener het enige onderzoeksonderdeel mag en zou moeten zijn.

Uit het TNO-rapport, een tussentijdse evaluatie van de e-screener, volgt dat het onderzoek zich heeft beperkt tot de kwaliteit van de e-screener als meetinstrument. Uit de onderzoeksresultaten blijkt dat de e-screener als instrument meet wat het zou moeten meten, namelijk het signaleren van de mogelijke aanwezigheid van risicofactoren bij een subgroep van de aanvragers. Uit de aanbevelingen volgt verder (onder meer) dat vanwege de beperkingen in de betrouwbaarheid alsmede het gebrek aan evidentie voor de predictieve validiteit van de e-screener de besluitvorming op meer informatie moet worden gebaseerd dan uitsluitend de uitkomsten van de e-screener. Er zijn meer risicofactoren dan die de e-screener meet, zoals bijvoorbeeld radicalisering, extremisme of een crimineel verleden. Dit is ook op deze manier ingeregeld door middel van een antecedentenonderzoek, een inlichtingenformulier, het nagaan van opgegeven referenten, en huisbezoek in de procesaanvraag voor een wapenverlof. Daarnaast kunnen de uitkomsten aan de e-screener zelf mogelijk niet altijd de juiste conclusie geven, want er zullen altijd aanvragers blijven met een onterechte einduitslag. TNO constateert dat het goed is dat de aanvragers contra-indicaties kunnen aanleveren bij een negatieve uitkomst op de e-screener om alsnog een wapenverlof te kunnen krijgen.

De voorzieningenrechter constateert verder dat uit de tussenevaluatie is op te maken dat er nog een uitgebreide evaluatie zou worden gehouden in het najaar van 2020. Namens de korpschef is ter zitting medegedeeld dat deze is uitgesteld.

Naar het oordeel van de voorzieningenrechter volgt uit het voornoemde TNO-rapport dat aan de uitkomsten van de e-screener niet een zodanig gewicht moet worden toegekend dat reeds op die grond de jachtakte, zonder nadere overweging van de overige ter beschikking staande onderdelen van het proces van vergunningverlening, mag worden geweigerd. In de werkinstructie voor de beoordeling van nieuwe aanvragers is opgenomen dat elke individuele stap voldoende grond kan opleveren om tot een voornemen tot weigering te komen, als er sprake is van geringe twijfel over het verantwoord kunnen toevertrouwen van een wapen of munitie. Hieruit volgt echter naar het oordeel van de voorzieningenrechter niet dat de korpschef op basis van de werkinstructie k is tot een (voornemen tot) weigering van de jachtakte.

Bovendien heeft het standpunt van de korpschef tot gevolg dat de aanvrager van een jachtakte bij een voornemen tot weigering genoodzaakt is een contra-expertise te overleggen, waarvan de kosten hoog zijn, en die niet iedere aanvrager zal kunnen bekostigen.

Gelet op het voorgaande is het bestreden besluit niet gebaseerd op een voldoende zorgvuldig onderzoek en is het niet voldoende deugdelijk gemotiveerd. De voorzieningenrechter acht het bestreden besluit daarom in strijd met de artikelen 3:2 en 3:46 van de Awb en ziet hierin aanleiding om het bestreden besluit te schorsen.

7. Belangenafweging

7.1

De voorzieningenrechter weegt verzoekers belangen die pleiten vóór het treffen van een voorlopige voorziening waarbij hem alsnog een jachtakte wordt verleend, en de belangen die pleiten tegen het treffen daarvan, als volgt.

7.2

Verzoeker wijst op de volgende omstandigheden. Hij heeft zijn jachtakte gehaald met 19 van de 20 punten op het gebied van veiligheid. Dat geeft aan dat verzoeker uiterst veilig met wapens omgaat. Aan verzoeker is in Nederland al zeker drie maal een gastjachtakte afgegeven zonder enig probleem. Verzoeker heeft zich altijd aan de regels gehouden en staat bekend als een deskundig, rustig en weidelijk jager. Verzoeker heeft een blanco strafblad en heeft geen psychiatrische geschiedenis. Hij slikt geen medicijnen en heeft geen verslavingen. Verzoeker heeft een verantwoordelijke baan als supervisor bij een kraanbedrijf en gaat zorgvuldig om met zijn bevoegdheden en zwaar materieel. Verzoeker heeft referenten opgegeven bij de aanvraag die zijn persoonlijkheid kunnen bevestigen.

Ten slotte stelt verzoeker dat hij vond dat de test best snel gedaan moest worden en dat hij ook niet alles meteen begreep.

7.3

De voorzieningenrechter stelt vast dat de door verzoeker genoemde omstandigheden door de korpschef niet worden betwist.

7.4

De voorzieningenrechter ziet evenwel onvoldoende aanleiding om de korpschef te gelasten de gevraagde jachtakte voor de resterende periode tot 31 maart 2021 te verlenen. Immers, de voorzieningenrechter heeft ook niet de psychiatrische expertise om te beoordelen of het onder zich hebben van wapens op dit moment aan verzoeker kan worden toevertrouwd. Daarbij acht de voorzieningenrechter van belang dat verzoeker een jaar lang geen jachtakte heeft gehad. In zoverre is zijn situatie dan ook niet te vergelijken met die van een bestaande jachthouder (zoals de gemachtigde van de korpschef ter zitting zei: “Die kennen we”). Anders dan in de procedure bij de rechtbank Noord-Nederland, is in deze voorzieningenprocedure geen tegenrapport ingediend. Gelet op het voorgaande staat naar het oordeel van de voorzieningenrechter onvoldoende vast dat het onder zich hebben van wapens aan verzoeker wél kan worden toevertrouwd.

Dit leidt de voorzieningenrechter tot het oordeel dat het bestreden besluit tot weigering van de jachtakte op basis van de e-screener wordt geschorst, maar dat geen verdergaande voorziening wordt getroffen dan dat.

8. Conclusie

De voorzieningenrechter wijst het verzoek toe en schorst het bestreden besluit. Deze voorziening vervalt zes weken na de bekendmaking van de beslissing op bezwaar.

9. Griffierecht en proceskosten

Omdat de voorzieningenrechter het verzoek toewijst, dient de korpschef aan verzoeker het door hem betaalde griffierecht te vergoeden.

De voorzieningenrechter veroordeelt de korpschef in de door verzoeker gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de voorzieningenrechter op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.068,- (1 punt voor het indienen van het verzoekschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van € 534,‑ en wegingsfactor 1).

Beslissing

De voorzieningenrechter:

  • -

    schorst het bestreden besluit tot zes weken na de bekendmaking van de beslissing op bezwaar;

  • -

    draagt de korpschef op het betaalde griffierecht van € 181,- aan verzoeker te vergoeden;

  • -

    veroordeelt de korpschef in de proceskosten van verzoeker tot een bedrag van € 1.068,-.

Deze uitspraak is gedaan door mr. A.G.J.M. de Weert, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. P.H.M. Verdonschot, griffier, op 5 maart 2021 en openbaar gemaakt door geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.

griffier voorzieningenrechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.

BIJLAGE

Wet natuurbescherming (Wnb)

Artikel 3.28, derde lid, onder a:

3. De jachtakte wordt geweigerd indien:

a. er grond is om aan te nemen dat de aanvrager van de bevoegdheid een geweer en munitie voorhanden te hebben, van de bevoegdheid om de jacht uit te oefenen, of van de hem toekomende bevoegdheden in het kader van beheer en schadebestrijding als bedoeld in paragraaf 3.4 misbruik zal maken, of zodanig gebruik zal maken dat hij een gevaar voor zichzelf, de openbare orde of de veiligheid kan gaan vormen.

Artikel 3.28a, eerste lid, onder b:

1. De jachtakte wordt, onverminderd het bepaalde in de artikel 3.28, slechts verleend indien:

b. de aanvrager heeft meegewerkt aan een door Onze Minister van Veiligheid en Justitie op grond van artikel 6a, eerste lid, onderdeel b, van de Wet wapens en munitie aangewezen onderzoek.

Wet wapens en munitie (Wwm)

Artikel 6a, eerste lid, onder b:

1. Ontheffingen op grond van artikel 4, erkenningen op grond van artikel 9 en verloven op grond van de artikelen 28, 29 en 32 worden, onverminderd het bepaalde in de artikelen 6 en 7, slechts verleend indien:

b. de aanvrager heeft meegewerkt aan een door Onze Minister aangewezen onderzoek op grond waarvan kan worden beoordeeld of er verhoogde kans is op de situatie bedoeld in artikel 7, eerste lid, onderdeel c.

Artikel 7, eerste lid, onder c:

1. De in deze wet genoemde erkenningen, consenten, vergunningen, verloven en ontheffingen worden, onverminderd de bijzondere gronden tot weigering daarvan en onverminderd verordening (EU) nr. 258/2012, geweigerd indien:

c. er reden is om te vrezen dat aan de aanvrager het onder zich hebben van wapens of munitie niet kan worden toevertrouwd.

1 Rechtbank Oost-Brabant, 17 december 2019, ECLI:NL:RBOBR:2019:7277.

2 Rechtbank Noord-Nederland 13 augustus 2020, ECLI:NL:RBNNE:2020:2792.