Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZWB:2021:969

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak
05-03-2021
Datum publicatie
05-03-2021
Zaaknummer
02/221872-20
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

Verlengde uitvoer van ongeveer 34 kilogram cocaïne. Verdachte wist dat hij verdovende middelen vervoerde met als bestemming België. Verdachte dacht wiet te vervoeren, maar heeft dit niet gecontroleerd. Voorwaardelijk opzet op de uitvoer van cocaïne. Verdachte wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf van 48 maanden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Strafrecht

Zittingsplaats: Breda

parketnummer: 02/221872-20

vonnis van de meervoudige kamer van 5 maart 2021

in de strafzaak tegen

[verdachte]

geboren op [geboortedag] 1966 te [geboorteplaats]

wonende te [adres]

gedetineerd in de Penitentiaire Inrichting te Nieuwegein

raadsman mr. M. van Stratum, advocaat te Nootdorp

1 Onderzoek van de zaak

De zaak is inhoudelijk behandeld op de zitting van 19 februari 2021, waarbij de officier van justitie, mr. Smid, en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt.

2 De tenlastelegging

De tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht.

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte op 1 september 2020 te Breda en/of te Hazeldonk ongeveer 34 kilogram cocaïne heeft uitgevoerd. Dit feit is in meerdere juridische varianten ten laste gelegd.

3 De voorvragen

De geldigheid van de dagvaarding

De verdediging heeft aangevoerd dat de dagvaarding partieel nietig dient te worden verklaard voor zover in het primair ten laste gelegde staat vermeld dat ‘cocaïne is uitgevoerd, zijnde amfetamine’. Van amfetamine blijkt niets uit het dossier.

De officier van justitie heeft op dit verweer niet gereageerd.

De rechtbank constateert dat in het primair ten laste gelegde inderdaad ‘amfetamine’ is opgenomen. De rechtbank merkt dit aan als een kennelijke verschrijving. Uit het dossier blijkt dat cocaïne is bedoeld. Op basis van deze verschrijving kan niet worden geconcludeerd dat verdachte en zijn raadsman niet wisten waartegen zij zich moesten verdedigen. De verweten handeling in de tenlastelegging en de inhoud van het dossier laten daar geen onduidelijkheid over bestaan. Het verweer wordt verworpen en de dagvaarding is geldig.

De rechtbank is bevoegd.

De officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging.

Er is geen reden voor schorsing van de vervolging.

4 De beoordeling van het bewijs

4.1

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het primair tenlastegelegde feit heeft gepleegd. Verdachte heeft verklaard dat hij wist dat hij verdovende middelen vervoerde en dat hij wist dat dat verboden was. Hij was dan ook op de hoogte van de strafbaarheid van zijn handelen. Door zelf verder geen onderzoek te verrichten naar de aard van de verdovende middelen nadat hij met onbekenden een afspraak had, heeft verdachte het voorwaardelijk opzet gehad op het vervoer van de cocaïne. Er is ook sprake van uitvoer, nu verdachte vlak voor de Belgische grens is aangehouden, hij heeft verklaard dat hij de verdovende middelen naar België moest vervoeren en in het navigatiesysteem in de auto van verdachte een adres in België was ingevoerd.

4.2

Het standpunt van de verdediging

De verdediging is van mening dat verdachte integraal dient te worden vrijgesproken. Er is geen sprake van (verlengde) uitvoer of een poging daartoe, nu de drugs het Nederlands grondgebied niet hebben verlaten. Verdachte hoefde ook niet te vermoeden dat het om cocaïne ging en heeft dit ook niet vermoed. Ook is er geen sprake van het aanwezig hebben van cocaïne zoals meer subsidiair ten laste is gelegd, nu verdachte niet bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat hij met cocaïne van doen had. Hij dacht immers dat hij wiet vervoerde en er waren geen omstandigheden waardoor hij anders had moeten vermoeden.

4.3

Het oordeel van de rechtbank

4.3.1

De bewijsmiddelen

De bewijsmiddelen zijn in bijlage II aan dit vonnis gehecht.

4.3.2

De bijzondere overwegingen met betrekking tot het bewijs

Op grond van de bewijsmiddelen is naar het oordeel van de rechtbank vast komen te staan dat verdachte op 1 september 2020, net voor het passeren van de grensovergang bij Hazeldonk, richting België, staande is gehouden. Toen de verbalisant vroeg of verdachte verdovende middelen vervoerde, knikte verdachte instemmend en zei hij dat het achterin lag. Bij verdachte in de auto is, zo bleek na onderzoek, in twee tassen in totaal ongeveer 34 kilogram cocaïne aangetroffen. Bij de politie en ter zitting heeft verdachte aangegeven dat hij dacht wiet te vervoeren naar België.

De vraag die de rechtbank moet beantwoorden is of verdachte opzet, als dan niet in voorwaardelijke zin, heeft gehad op het vervoeren c.q. de aanwezigheid van de cocaïne en zo ja, of er sprake is geweest van de uitvoer hiervan.

De rechtbank stelt op grond van de bewijsmiddelen vast dat verdachte wist dat hij verdovende middelen vervoerde. Ter zitting heeft verdachte ook verklaard dat hij bewust het risico heeft genomen om dit te doen terwijl hij wist dat het niet mocht en de kans bestond dat hij werd gepakt. Voorts heeft verdachte op geen enkele wijze onderzoek verricht naar de waar die hij vervoerde, terwijl hij zelf ter zitting desgevraagd heeft verklaard geen henneplucht te hebben geroken en de verdovende middelen ook niet op een voor hennep kenmerkende wijze waren verpakt. Ook kwam het gewicht of de omvang van de tassen niet overeen met het gewicht en de omvang aan wiet die verdachte naar eigen zeggen dacht te vervoeren. De tassen kreeg hij verder van een voor verdachte onbekende man en moest hij brengen naar een adres dat verdachte eerder van een eveneens voor hem onbekende man had gekregen. Wat hij kreeg, zou hij op het opgegeven adres in het midden van de straat weer afgeven aan een persoon die verdachte zou benaderen. Door in deze omstandigheden een drugstransport van onbekenden te aanvaarden, zonder enige controle van de daadwerkelijke inhoud, heeft verdachte dan ook bewust de aanmerkelijke kans aanvaard dat hetgeen hij vervoerde harddrugs en dus cocaïne betrof.

De rechtbank is verder van oordeel dat er sprake is van (verlengde) uitvoer van deze cocaïne. Hiervoor is niet vereist dat de cocaïne daadwerkelijk Nederland heeft verlaten. Verdachte heeft zelf verklaard dat hij de verdovende middelen naar een adres in België vervoerde en het navigatiesysteem in zijn auto stond ingesteld op een adres in België.

Vorenstaande maakt dat de rechtbank van oordeel is dat het onder feit 1 primair ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen kan worden.

4.4

De bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte

primair

op 1 september 2020 te Hazeldonk,
opzettelijk buiten het grondgebied van Nederland heeft gebracht, als
bedoeld in artikel 1 lid 5 van de Opiumwet, ongeveer 34 kilo cocaïne, in elk geval een
hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I;

Voor zover er in de tenlastelegging kennelijke taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn die fouten in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet in zijn verdediging geschaad.

De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

5 De strafbaarheid

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten. Dit levert het in de beslissing genoemde strafbare feit op.

Verdachte is strafbaar, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die zijn strafbaarheid uitsluit.

6 De strafoplegging

6.1

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie vordert aan verdachte op te leggen een gevangenisstraf voor de duur van 48 maanden, met aftrek van voorarrest.

6.2

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft aangevoerd dat indien de rechtbank tot een bewezenverklaring van enig feit zou komen, er een aanzienlijk lagere straf dient te volgen dan de officier van justitie heeft geëist. De rol van verdachte was beperkt, kleiner dan die van zijn medeverdachte die 48 maanden opgelegd heeft gekregen en er is slechts sprake van voorwaardelijk opzet. De raadsman heeft ter onderbouwing enkele uitspraken aangehaald. Daarnaast heeft hij verwezen naar de persoonlijke omstandigheden van verdachte, waaronder de omstandigheden van zijn detentie.

6.3

Het oordeel van de rechtbank

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan de uitvoer van een aanzienlijke hoeveelheid cocaïne. Door de uitvoer van harddrugs naar het buitenland wordt de internationale handel in verdovende middelen in stand gehouden en kunnen de uitvoerders van die verdovende middelen mede verantwoordelijk worden gehouden voor de nadelige effecten die door de handel in en het gebruik van verdovende middelen worden veroorzaakt. Daarbij is voorts van belang dat cocaïne een stof is die verslavend werkt en schadelijk kan zijn voor de gezondheid. Daarnaast gaat er van de georganiseerde drugshandel in toenemende mate een ondermijnend en corrumperend effect uit. Boven- en onderwereld raken steeds meer met elkaar vermengd. Niet alleen worden grote sommen crimineel geld geïnvesteerd in legale activiteiten maar worden ook medewerkers van bijvoorbeeld op zichzelf bonafide bedrijven en zelfs van opsporingsinstanties omgekocht en ingezet voor de handel in drugs. De handel in harddrugs is regelmatig de oorzaak van geweldsexplosies, waarmee ook onschuldige en nietsvermoedende burgers worden geconfronteerd. Verdachte heeft zich om al deze gevolgen niet bekommerd en slechts gehandeld uit winstbejag.

Voorgaande is ook de reden dat er op het vervoeren en buiten het grondgebied van Nederland brengen van harddrugs, zware straffen zijn gesteld.

De rechtbank heeft verder acht geslagen op het strafblad van verdachte en gezien dat verdachte niet recent is veroordeeld voor soortgelijke feiten. Ook heeft de rechtbank rekening gehouden met de persoonlijke omstandigheden van verdachte, zoals die ter zitting zijn gebleken. De rechtbank zal echter niet in al te grote mate rekening houden met de persoonlijke omstandigheden van verdachte. Verdachte heeft immers zelf ter zitting verklaard dat hij zich heeft vergewist van de risico’s van zijn daden en dat hij desondanks zijn handelingen heeft voortgezet.

Wel zal de rechtbank, net als de officier van justitie, bij de strafbepaling rekening houden met de beperkte rol die verdachte bij de uitvoer van de cocaïne heeft gehad. Het is de rechtbank bekend dat binnen een organisatie die op deze schaal cocaïne naar het buitenland exporteert, de koerier in het algemeen niet de persoon is die de grote winst van een dergelijk transport opstrijkt. De organisatie die een dergelijk transport opzet, maakt juist misbruik van mensen die het minder breed hebben. Zij bieden een koerier zoals verdachte een manier om snel geld te verdienen, waarbij de koerier tegelijkertijd ook degene is die de grootste risico’s loopt en de grootste kans heeft om achter de tralies te belanden. De rol van verdachte neemt de rechtbank als strafverlagende omstandigheid mee.

Ook heeft de rechtbank acht geslagen op de landelijke oriëntatiepunten van het LOVS. Op de uitvoer van de in deze zaak aangetroffen hoeveelheid cocaïne staat een gevangenisstraf van meer dan 60 maanden.

Op grond van vorenstaande zal de rechtbank de eis van de officier van justitie volgen en aan verdachte een gevangenisstraf opleggen voor de duur van 48 maanden, met aftrek van voorarrest.

7 Het beslag

7.1

De verbeurdverklaring

Het oordeel van de rechtbank

Het hierna in de beslissing genoemde in beslag genomen voorwerp is vatbaar voor verbeurdverklaring.

Gebleken is dat het voorwerp aan verdachte toebehoort en het feit is begaan of voorbereid met behulp van dit voorwerp.

8 De wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 14a, 14b, 14c, 33 en 33a van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 2 en 10 van de Opiumwet, zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

9 De beslissing

De rechtbank:

Bewezenverklaring

- verklaart het ten laste gelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 4.4. is omschreven;

- spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;

Strafbaarheid

- verklaart dat het bewezen verklaarde het volgende strafbare feit oplevert:

Primair: het opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2, onder A, van de Opiumwet gegeven verbod, strafbaar gesteld bij artikel 10 lid 5 van de Opiumwet;

- verklaart verdachte strafbaar;

Strafoplegging

- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 48 maanden;

- bepaalt dat de tijd die verdachte voor de tenuitvoerlegging van dit vonnis in voorarrest heeft doorgebracht in mindering wordt gebracht bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf;

Beslag

- verklaart verbeurd het inbeslaggenomen voorwerp, te weten;

Een personenauto met kenteken [kenteken] , goednummer G2238134.

Dit vonnis is gewezen door mr. Goedegebuur, voorzitter, mr. Los en mr. Koelewijn, rechters, in tegenwoordigheid van mr. Heitzman, griffier, en is uitgesproken ter openbare zitting op 5 maart 2021.

mr Koelewijn en de griffier zijn niet in de gelegenheid dit vonnis mede te ondertekenen.

10 Bijlage I

De tenlastelegging

hij op of omstreeks 1 september 2020 te Breda en/of te Hazeldonk, althans in Nederland,
opzettelijk buiten het grondgebied van Nederland heeft gebracht, als
bedoeld in artikel 1 lid 5 van de Opiumwet, ongeveer 34 kilo cocaïne, in elk geval een
hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde amfetamine een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;
(Artikel art 2 ahf/ond A Opiumwet, art 10 lid 5 Opiumwet)


subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen
leiden:
hij op of omstreeks 1 september 2020 te Breda en/of te Hazeldonk, althans in Nederland, ter
uitvoering van het door verdachte voorgenomen
misdrijf om opzettelijk buiten het grondgebied van Nederland te brengen, als bedoeld in artikel 1 lid 5 van de Opiumwet, ongeveer 34 kilo cocaïne, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde amfetamine een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid
van artikel 3a van die wet,
-twee althans een of meerdere bigshopper(s) met daarin die hoeveelheid cocaïne op de
achterbank van een personenauto heeft geplaatst en/of
-(vervolgens) die hoeveelheid cocaïne heeft vervoerd met bestemming België,
terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

(Artikel art 10 lid 5 Opiumwet, art 2 ahf/ond A Opiumwet)

meer subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:
hij op of omstreeks 1 september 2020 te Breda en/of te Hazeldonk, althans in Nederland,
opzettelijk aanwezig heeft gehad en/of vervoerd ongeveer 34 kilo cocaïne, in elk geval een
hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;
(Artikel art 10 lid 4 Opiumwet, art 2 ahf/ond B Opiumwet)

11 Bijlage II

De bewijsmiddelen

Wanneer in de bewijsmiddelen hierna wordt verwezen naar een paginanummer, wordt - tenzij anders vermeld - bedoeld een pagina van het eindproces-verbaal met registratienummer PL2000-2020231339 van de Landelijke Eenheid Dienst Infrastructuur, geografische afdeling Zuid-West-Nederland, opgemaakt in de wettelijke vorm door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren en doorgenummerd van 1 tot en met 209.

1. Het ambtsedig proces-verbaal van bevindingen verbalisant [verbalisant 1] , pagina 14 en 15. Dit proces-verbaal houdt, zakelijk weergegeven, in:

‘’ Op 1 september 2020 was ik belast met autosurveillance in de omgeving van Breda. Collega [verbalisant 2] zag dat er een groenkleurige bigshopper vanuit de Renault Clio in de Ford Kuga werd gezet. Ik zag dat het voertuig aan de kant werd gezet bij Hazeldonk West, bij de laatste afrit voordat het voertuig de Belgische grens zou passeren. Ik vroeg de man of er verdovende middelen in het voertuig aanwezig waren. Ik zag dat de man knikte met zijn hoofd waarbij hij mij het idee gaf dat dit een "ja" betrof. Ik hoorde dat verdachte verklaarde: " het staat achterin".’’

2. Het ambtsedig proces-verbaal van bevindingen verbalisant [verbalisant 3] , pagina 16 en 17. Dit proces-verbaal houdt, zakelijk weergegeven, in:

‘’ Ik heb de Ford Kuga doorzocht. Op de achterbank zag ik twee groene bigshoppers staan. Ik heb de bigshoppers geopend en zag hier de mij ambtshalve bekende 'kilo-pakketten' met vermoedelijk cocaïne. Er hing een TomTom navigatiesysteem aan de voorruit van de

Ford Kuga. Ik zag dat hierop een reisroute werd weergegeven. De ingevoerde bestemming betrof [straat] Wijnegem in België. Beide bigshoppers wogen samen ruim 34000 gram’’

3. Het ambtsedig proces-verbaal van bevindingen verbalisant [verbalisant 4] , pagina 112 en 113. Dit proces-verbaal houdt, zakelijk weergegeven, in:

‘’De aangetroffen hoekige pakketten waren gewikkeld in folie en bruine tape. Deze verpakkingswijze wordt voornamelijk gebruikt voor het verpakken van harddrugs. De verpakkingswijze van weed, ook wel cannabis/wiet genoemd gebeurd gewoonlijk op andere wijze, namelijk in verschillende maten doorzichtige, wit of zwart gekleurde sealbags.

Wiet heeft een herkenbare kruidige lucht.

De inhoud van één tas is 40,66 liter. Twee kilogram hennep heeft een geschatte inhoud van 60,75 liter. Het was onmogelijk om een hoeveelheid die vijf keer zo groot is, namelijk tien kilogram, te vervoeren in de in beslag genomen twee tassen met een totale inhoud van 81,32 liter.’’

4. Het ambtsedig proces-verbaal van bevindingen verbalisanten [verbalisant 5] en [verbalisant 6] met kenmerk PL2000-2020231339-46, inclusief bijlagen. Dit proces-verbaal houdt, zakelijk weergegeven, in:

Wij onderzochten 15 monsters met vermoedelijk verdovende middelen. Alle monsters testten indicatief positief op cocaïne. Alle monsters zijn hierna onderzocht door het NFI. Alle monsters testten positief op cocaïne.

5. Het proces-verbaal van verhoor verdachte, pagina 40 tot en met 44. Dit proces-verbaal houdt, zakelijk weergegeven, in:

Ik ben 2 tot 3 weken geleden iemand tegengekomen op de parkeerplaats bij Utrecht Overvecht. Die persoon heeft geen naam. Hij vroeg of ik 10 kg weed naar België wilde brengen naar de [straat] bij Antwerpen, Wijnegem. Ik zou het om 17.00 uur oppikken bij de [winkel] in Breda en dan om 18.00 uur in het midden van de straat op het opgegeven adres staan. Daar zou iemand naar mij toekomen. Het adres heb ik van de onbekende man op een briefje gekregen. Ik heb de tassen zelf niet aangeraakt.

6. De verklaring van verdachte afgelegd op de zitting van 19 februari 2021. Deze verklaring houdt, zakelijk weergegeven, in:

‘’De man van wie ik de tassen in Breda kreeg, kende ik niet. Ik heb geen henneplucht geroken. Het is niet de bedoeling geweest het te doen, het is zo gelopen. Ik heb over de consequenties nagedacht, maar er bewust voor gekozen het te doen. Ik dacht dat ik niet gepakt zou worden en nam het risico maar gewoon.’’