Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZWB:2021:867

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak
01-03-2021
Datum publicatie
05-03-2021
Zaaknummer
AWB- 21_531 VV
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Niet-Ontvankelijk

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Bestuursrecht

zaaknummer: BRE 21/531 VV

uitspraak van 1 maart 2021 van de voorzieningenrechter in de zaak tussen

[naam verzoekster] te [vestigingsplaats verzoekster], verzoekster,

gemachtigde: A.G. Busio,

en

de minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid,

namens deze de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (UWV; kantoor Breda),

Procesverloop

Verzoekster heeft op 28 januari 2021 een verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening ingediend inzake een beslissing van de minister over de tweede tijdelijke noodmaatregel overbrugging voor behoud van werkgelegenheid (Now 2).

Op grond van artikel 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is een zitting achterwege gebleven.

Overwegingen

1. Het UWV heeft meegedeeld dat Your Results als rechtspersoon is opgehouden te bestaan. Een kopie van een uittreksel van het handelsregister is bijgevoegd. Uit dit uittreksel blijkt dat [naam verzoekster] is uitgeschreven uit het handelsregister. De voorzieningenrechter ziet zich eerst voor de vraag gesteld welke betekenis hieraan moet worden gehecht.

Uit artikel 2:19, vierde en vijfde lid, van het Burgerlijk Wetboek (BW) volgt dat de rechtspersoon, indien hij op het tijdstip van ontbinding geen baten meer heeft, alsdan ophoudt te bestaan en, als er wel baten zijn, na ontbinding blijft voortbestaan voor zover dit tot vereffening van zijn vermogen nodig is. Het zesde lid van dit wetsartikel bepaalt voorts dat de rechtspersoon in geval van vereffening ophoudt te bestaan op het tijdstip waarop de vereffening eindigt en dat de vereffenaar aan de registers waar de rechtspersoon is ingeschreven, daarvan opgave doet. Artikel 2:23b van het BW bepaalt nog dat de vereffening eindigt op het tijdstip waarop geen aan de vereffenaar bekende baten meer aanwezig zijn. Ten slotte is van belang dat ingevolge artikel 2:23c van het BW de rechtbank de vereffening op verzoek van een belanghebbende kan heropenen indien na het tijdstip waarop de rechtspersoon is opgehouden te bestaan nog een schuldeiser of gerechtigde tot het saldo opkomt of van het bestaan van een bate blijkt.

Gelet hierop is de voorzieningenrechter van oordeel dat [naam verzoekster] nog als procespartij kan optreden. De uitschrijving van de vennootschap kan dan ook niet tot de conclusie leiden dat het verzoek om voorlopige voorziening niet-ontvankelijk is.

2. Vervolgens zal de voorzieningenrechter beoordelen of aan de overige eisen van de Awb voor het in behandeling nemen van het verzoek is voldaan. In de Awb is de verplichting opgenomen tot betaling van griffierecht. Dit vloeit voort uit artikel 8:82 van de Awb, in samenhang met artikel 8:41 van de Awb.

3. Verzoekster is bij aangetekende brief van 4 februari 2021 gewezen op de verplichting tot het betalen van griffierecht. Aan verzoekster is meegedeeld dat het griffierecht uiterlijk binnen twee weken moet worden betaald. Verzoekster is er in deze brief tevens op gewezen dat bij niet tijdige betaling het verzoek niet-ontvankelijk kan worden verklaard.

3. De voorzieningenrechter heeft de nota retour ontvangen met daarop handgeschreven aangetekend ‘ingetrokken’. Deze intrekking is echter niet voorzien van een handtekening en het is ook niet duidelijk door wie deze aantekening is gemaakt. Er is daarom geen sprake van een rechtsgeldige intrekking.

4. Bij de verdere beoordeling constateert de voorzieningenrechter dat het griffierecht niet binnen de gestelde termijn is ontvangen. Het verzoek is dan ook kennelijk niet-ontvankelijk

Beslissing

De voorzieningenrechter verklaart het verzoek om voorlopige voorziening niet-ontvankelijk.

Deze uitspraak is gedaan door mr. C.E.M. Marsé, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. A.J.M. van Hees griffier op 1 maart 2021 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.

De griffier is niet in de gelegenheid deze uitspraak te ondertekenen.

voorzieningenrechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.