Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZWB:2021:842

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak
01-03-2021
Datum publicatie
01-03-2021
Zaaknummer
02-688086-18
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

Feit van oktober 2010 in Vlissingen. Vervolg op artikel 12 Sv-procedure. Veroordeling voor doodslag.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

ECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Strafrecht

Zittingsplaats: Middelburg

parketnummer: 02-688086-18

vonnis van de meervoudige kamer van 1 maart 2021

in de strafzaak tegen

[Verdachte]

geboren op [Geboortedag verdachte] 1967 te [Geboorteplaats verdachte] ,

wonende te [Adres verdachte]

raadsman mr. J.A.C. van den Brink, advocaat te Almere.

1 Onderzoek van de zaak

De zaak is inhoudelijk behandeld op de zitting van 15 februari 2021. Verdachte is niet verschenen. Wel is verschenen zijn gemachtigde raadsman. De officier van justitie

mr. M.C. Fimerius en de verdediging hebben hun standpunten kenbaar gemaakt.

2 De tenlastelegging

De tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht.

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte alleen of samen met een ander verantwoordelijk is voor de dood van [Slachtoffer] .

3 De voorvragen

De dagvaarding is geldig.

De rechtbank is bevoegd.

De officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging.

Er is geen reden voor schorsing van de vervolging.

4 De beoordeling van het bewijs

4.1

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie is van mening dat het dossier wel wettig bewijs bevat, maar dat dit bewijs niet overtuigend is, gelet op met name de bekentenis van [Naam 1] en de beelden van de verhoren waarin zij heeft bekend.

4.2

Het standpunt van de verdediging

De verdediging is van mening dat de rechtbank niet tot een bewezenverklaring kan komen en wijst daartoe op twee alternatieve scenario’s:

  1. [Slachtoffer] is overleden aan een overdosis drugs, waarbij het geweld en het ontstane letsel niet heeft geleid tot of bijgedragen aan zijn dood;

  2. [Slachtoffer] is gedood door [Naam 1] .

Voor het geval de rechtbank van oordeel zou zijn dat de alternatieve scenario’s niet aannemelijk geworden zijn is aangevoerd dat het politiedossier ontlastende verklaringen bevat van verdachte zelf, van [Naam 1] , en van getuigen [Naam 2] en [Naam 3] . De door getuigen [Naam 4] en [Naam 5] , alsmede de door [Naam 1] in 2019 tegenover de rechter-commissaris afgelegde belastende verklaringen zijn niet betrouwbaar en dienen daarom niet als bewijs te worden gebruikt.

Op basis van de bevindingen van de deskundigen kan niet worden vastgesteld wat er precies is gebeurd. Nu dit niet kan worden vastgesteld kan niet beoordeeld worden of verdachte betrokken is geweest bij de dood van [Slachtoffer] , en daarmee evenmin of sprake is van medeplegen, voorbedachte raad en (voorwaardelijk) opzet op de dood.

Verdachte moet gelet hierop integraal worden vrijgesproken wegens het ontbreken van wettig en overtuigend bewijs.

4.3

Het oordeel van de rechtbank

4.3.1

De bewijsmiddelen

De bewijsmiddelen zijn in bijlage II aan dit vonnis gehecht.

4.3.2

De bijzondere overwegingen met betrekking tot het bewijs

Het volgende kan worden vastgesteld of is voldoende aannemelijk geworden.

Verdachte en [Naam 1] hadden een relatie en waren woonachtig op het adres [Straatnaam] . Zij waren gebruikers van heroïne en cocaïne. Zij kochten deze drugs van onder meer het slachtoffer. In de avond van donderdag 7 oktober 2010 is verschillende malen telefonisch contact geweest tussen het telefoonnummer dat bij verdachte en [Naam 1] in gebruik was en het slachtoffer. [Naam 1] heeft verklaard dat zij contact zochten met het slachtoffer om drugs van hem te kopen. Het slachtoffer zou de drugs die avond komen brengen. Hij is die avond naar de woning van verdachte en [Naam 1] gegaan. Het slachtoffer gebruikte eveneens harddrugs, ook die dag. Gelet op de verklaring van getuige [Naam 6] , de analyse van het telefoonverkeer van het slachtoffer en het verslag betreffende een niet-natuurlijke dood van 15 oktober 2010, gaat de rechtbank ervan uit dat het slachtoffer in de avond van 7 oktober 2010, althans in de nacht van 7 op 8 oktober 2010 is overleden. Op zaterdag 9 oktober 2010 zijn verdachte en [Naam 1] in Delft geweest bij de moeder van verdachte, en op zondag 10 oktober 2010 in Lelystad bij getuige [Naam 4] als ook in Amsterdam waar zij getuige [Naam 5] hebben ontmoet.

Het slachtoffer is op maandag 11 oktober 2010 rond 21:20 uur levenloos in de woning van verdachte en [Naam 1] gevonden. Het pathologisch onderzoek geeft weer dat er op basis van sectiebevindingen en toxicologische onderzoeksresultaten, twee mogelijke doodsoorzaken aanwijsbaar die op zich al dan niet in combinatie het intreden van de dood kunnen verklaren, te weten kortgezegd uitwendig mechanisch, samendrukkend geweld op de hals en een overdosis heroïne en cocaïne.

Verdachte en [Naam 1] zijn op 5 november 2010 samen in Eindhoven aangehouden.

Doodsoorzaak

De rechtbank zal eerst beoordelen of er causaliteit bestaat tussen de aan verdachte verweten gedragingen en de dood van het slachtoffer.

In de voorlopige bevindingen uit de sectie van 13 oktober 2010 van het lichaam van het slachtoffer wordt geconcludeerd dat het letsel dat bij hem is aangetroffen goed kan passen bij bij leven doorgemaakt uitwendig, mechanisch samendrukkend geweld op de hals, al dan niet omsnoerend, zoals bijvoorbeeld kan ontstaan bij verwurging of strangulatie. Benadrukt wordt dat de letsels aan de hals uitgebreid waren en bij leven waren ontstaan.

In het toxicologisch onderzoek van 9 december 2010 wordt onder andere geconcludeerd dat de hoge concentratie van morfine, al dan niet in combinatie met de werkzame concentratie cocaïne, het overlijden van het slachtoffer kan verklaren. Hierbij is opgemerkt dat de gemeten concentraties van de gevonden stoffen in het bloed vanwege de postmortale veranderingen – er was sprake van gevorderde ontbinding ten tijde van de sectie – slechts een indicatie geven van de concentraties ten tijde van het overlijden.

Op 7 februari 2011 concludeert het Nederlands Forensisch Instituut (NFI) dat op basis van de sectiebevinden en het toxicologisch onderzoek twee mogelijke oorzaken voor het intreden van de dood aanwijsbaar zijn, die op zich of in combinatie het intreden van de dood van het slachtoffer kunnen verklaren.

Tijdens de zitting in eerste aanleg van 27 oktober 2011 in de zaak tegen toenmalig medeverdachte [Naam 1] zijn de patholoog en toxicoloog van het NFI als deskundigen gehoord. De patholoog heeft toen toegelicht dat het letsel aan de hals evident was. Zij heeft de ernst van het geweld op de hals benadrukt. De toxicoloog heeft zijn bevindingen genuanceerd in die zin dat een gebruiker die aan hoge doses gewend is, niet perse hoeft te overlijden aan

concentraties morfine en cocaïne zoals aangetroffen bij het slachtoffer.

Vast staat dat het slachtoffer al geruime tijd een frequent gebruiker was van harddrugs, met name heroïne en cocaïne. Het dossier geeft geen aanknopingspunten die aannemelijk maken dat het gebruik van het slachtoffer op 7 oktober 2010 anders dan anders was, in die zin dat hij veel meer gebruikt zou hebben of andere (hard)drugs dan normaal. Zo verklaart getuige [Naam 6] , die het slachtoffer goed kende en hem die avond na 22:00 uur uit zijn huis weg heeft zien gaan om milkshakes te halen, dat hem niets is opgevallen aan het slachtoffer. Vast staat bovendien dat het slachtoffer die avond met zijn scooter naar het huis van verdachte is gereden en dat hij nog meerdere malen zijn telefoon heeft gebruikt. Tot slot staat vast dat het slachtoffer aan op zichzelf dodelijk geweld aan de hals is blootgesteld en kort daarna is overleden.

Ook de hierna te bespreken verklaringen en gedragingen van verdachte en [Naam 1] zijn een contra-indicatie voor een overdosis als doodsoorzaak van het slachtoffer. Hieruit blijkt immers dat ook verdachte en [Naam 1] beiden steeds zijn uitgegaan van een andere doodsoorzaak dan een overdosis.

De rechtbank concludeert dat op basis van deze feiten en omstandigheden de dood van het slachtoffer redelijkerwijs aan het op zijn hals uitgeoefende geweld kan worden toegerekend. De mogelijkheid dat harddrugsgebruik hierbij een rol kan hebben gespeeld, doet hier niet aan af en valt bovendien binnen de risicosfeer van degene die het geweld heeft gebezigd.

Het eerste door de verdediging naar voren gebrachte alternatieve scenario is daarmee naar het oordeel van de rechtbank niet aannemelijk geworden.

Uitlatingen van verdachte over zijn daderschap tegen anderen

Het dossier bevat voor verdachte belastende bewijsmiddelen onder meer in de vorm van verklaringen van getuigen [Naam 5] en [Naam 4] en een tapgesprek van de moeder van verdachte.

- Getuige [Naam 5] (ex-vriendin van verdachte) heeft bij de rechter-commissaris verklaard dat zij verdachte op maandag 11 oktober 2010 heeft gebeld en dat hij in dat gesprek heeft gezegd dat hij iemand had omgelegd. Hij huilde daar een beetje bij. Uit onderzoek is gebleken dat dit telefoongesprek plaatsvond om 19:08 uur. Op dat moment was het lichaam van het slachtoffer dat in de woning van verdachte lag nog niet gevonden.

De verdediging vindt de verklaring van [Naam 5] onbetrouwbaar, omdat die door [Naam 1] wordt tegengesproken en omdat het onwaarschijnlijk is dat verdachte hierover met [Naam 5] zou praten terwijl hij zijn eigen moeder zelfs niets heeft verteld. Daarnaast lijkt [Naam 5] volgens de verdediging een eigen agenda te hebben waar het gaat om de vader van haar kind. De redenen die de verdediging heeft aangevoerd om de betrouwbaarheid van getuige [Naam 5] in twijfel te trekken zijn speculatief. De rechtbank zal deze verklaring dan ook gebruiken voor het bewijs.

- Getuige [Naam 4] (hierna: [Naam 4] ) heeft bij de politie verklaard dat verdachte samen met [Naam 1] voor het eerst bij hem langskwamen in de woning van zijn zoon op zaterdag

9 oktober 2010. Volgens de zoon van [Naam 4] is verdachte twee of drie dagen later – dus op 11 of 12 oktober 2010 – nog een keer langsgekomen. Over die keer heeft [Naam 4] verklaard dat hij toen alleen met verdachte bij de deur heeft gesproken en dat het erop neer kwam dat verdachte hem vertelde dat hij iemand had afgemaakt in zijn huis in Zeeland.

Op 17 november 2010 praat [Naam 4] hierover in een tapgesprek met een onbekende man, waarbij hij dezelfde bewoordingen gebruikt.

De verdediging heeft aangevoerd dat deze verklaring van [Naam 4] niet betrouwbaar is, omdat hij later op 5 juli 2011 tegenover de rechter-commissaris heeft verklaard dat hij deze informatie niet rechtstreeks van verdachte had gehoord, maar via zijn zoon die dat weer tijdens zijn verhoor bij de politie van de verbalisanten had gehoord.

De rechtbank acht de verklaring van [Naam 4] bij de rechter-commissaris op dat punt niet geloofwaardig. In zijn eerdere verklaring bij de politie heeft hij ondubbelzinnig verklaard dat hij van verdachte zelf hoorde dat hij iemand had afgemaakt en in het tapgesprek zegt [Naam 4] hetzelfde. De zoon van [Naam 4] heeft bevestigd dat zijn vader bij het tweede bezoek van verdachte en [Naam 1] alleen met verdachte in de gang is gebleven en dat zij daar hebben gepraat, terwijl de zoon zelf en [Naam 1] in de woonkamer waren. Dit komt overeen met wat [Naam 4] zelf over dit moment heeft verklaard. De rechtbank wijst er voorts op dat [Naam 4] bij de rechter-commissaris heeft verklaard dat hij een week voordat hij zou worden gehoord door de rechter-commissaris op initiatief van verdachte met hem heeft afgesproken. De rechtbank vindt het opvallend dat verdachte zo kort voor het verhoor een afspraak wil maken met [Naam 4] en hem op de dag van het verhoor bij de rechter-commissaris nog opbelt terwijl [Naam 4] niets meer met verdachte te maken wilde hebben, en dat [Naam 4] bij de rechter-commissaris vervolgens een verklaring aflegt waarin hij terugkomt op het meest belastende element van zijn eerdere verklaring.

De rechtbank neemt daarbij in aanmerking dat het dossier aanwijzingen bevat dat verdachte zich dreigend en gewelddadig heeft opgesteld tegenover personen die in het kader van deze zaak belastend of met negatief gevolg voor verdachte hebben verklaard, zoals [Naam 1] en getuige [Naam 2] . De vrees voor represailles heeft ook bij getuige [Naam 5] bestaan. Zij zegt in een tapgesprek van 4 november 2010 met een onbekende vrouw dat hij – de rechtbank begrijpt: verdachte – het ook aan [Naam 4] – de rechtbank begrijpt: [Naam 4] – heeft verteld, zodat ze niet de enige is die het weet. De rechtbank gaat er op basis van de context van het gesprek en de datum vanuit dat zij met ‘het’ bedoelen de verklaring van verdachte dat hij iemand van het leven heeft beroofd. Uit het gesprek valt verder af te leiden dat beide vrouwen de vrees hebben dat verdachte [Naam 5] zal mishandelen als hij erachter zou komen dat getuige [Naam 5] de politie zou (laten) tippen over hetgeen hij tegen haar heeft verteld, maar dat zij zich vrijer voelt om iemand anders te laten tippen, nu ze weet dat hij het ook tegen [Naam 4] heeft verteld en zij dus niet de enige bron is waarvan die tip kan komen.

De rechtbank acht gelet op het voorgaande aannemelijk dat verdachte tijdens de afspraak en telefoongesprekken met [Naam 4] , hem kort voor het verhoor bij de rechter-commissaris op

5 juli 2011 heeft bewogen in afwijking van zijn eerdere belastende verklaring bij de politie, een andere veel minder belastende verklaring af te leggen.

De rechtbank gaat daarom uit van de verklaring van getuige [Naam 4] in 2010 bij de politie.

- Uit het tapgesprek van 25 oktober 2010 tussen de moeder van verdachte en haar kapster blijkt dat de moeder van verdachte, getuige [Naam 7] , verdachte heeft gesproken op

24 oktober 2010. Ze zegt tegen haar kapster dat er daar één koud ligt in de kamer en dat ‘ [Verdachte] ’ dat heeft gedaan, ‘die heb em z’n strot dichtgeknepen’. Ze zegt verder dat verdachte tegen haar heeft gezegd ‘ik ga zeker voor twaalf jaar’. De rechtbank gaat er op grond van dit tapgesprek vanuit dat verdachte zich ook tegenover zijn moeder heeft uitgelaten over zijn daderschap.

De verklaringen van [Naam 1] bij de rechter-commissaris in 2019

[Naam 1] heeft eerder bij de politie en ook in 2019 bij de rechter-commissaris verklaard dat op

7 oktober 2010 in de avond alleen verdachte, zij en het slachtoffer in de woning zijn geweest. Het dossier bevat geen aanwijzingen dat er nog andere personen in de woning zijn geweest, zodat de rechtbank daar vanuit gaat. Na intrekking van haar bekentenis en gelet op haar verklaring bij de rechter-commissaris dat niet zij degene is geweest die het slachtoffer om het leven heeft gebracht, blijft dan alleen verdachte nog over als mogelijke dader

Uit het dossier blijkt dat [Naam 1] in 2019 zo bang is voor verdachte dat zij daardoor eigenlijk niet wilde verklaren. De rechtbank ziet haar opmerkingen over op welke manier zij zal gaan verklaren in dat licht en ziet in die opmerkingen geen aanleiding om uit te gaan van een voornemen om valse verklaringen af te gaan leggen, zoals door de verdediging is betoogd. Zij ziet in die opmerkingen dan ook geen grond om de verklaringen van [Naam 1] bij de rechter-commissaris in 2019 niet voor het bewijs te gebruiken.

Overtuiging

De rechtbank baseert de overtuiging dat verdachte het slachtoffer van het leven heeft beroofd behalve op de eerder genoemde bewijsmiddelen ook op de volgende feiten en omstandigheden.

- Verdachte heeft tegen genoemde getuigen en zijn moeder in de twee weken na het feit verklaard dat hij de dader is. Tegen getuige [Naam 5] heeft hij dit zelfs gezegd op het moment dat nog niet bekend was dat het slachtoffer dood in zijn woning lag.

De rechtbank acht de verklaringen van verdachte kort na het feit betrouwbaarder dan de latere verklaringen van [Naam 1] , omdat deze zijn afgelegd op een moment dat verdachte en [Naam 1] nog niet veel tijd hebben gehad om de consequenties van de gebeurtenissen en hun mededelingen daaromtrent te overdenken.

Pas bij het telefoongesprek van de moeder van verdachte met haar kapster – naar aanleiding van haar gesprek met verdachte op 24 oktober 2010 – kwam voor het eerst het motief van de aanranding van [Naam 1] door het slachtoffer naar buiten. Voor het scenario dat het slachtoffer [Naam 1] aangerand zou hebben bevat het dossier overigens – op de (latere) verklaringen van verdachte en [Naam 1] na – geen aanknopingspunten.

Pas eind oktober 2010 is [Naam 1] tegen getuigen en later ook de politie gaan vertellen dat zij degene is geweest die [Slachtoffer] om het leven heeft gebracht en heeft verdachte zich nauwelijks nog uitgelaten over het feit.

Waar [Naam 1] een duidelijk motief had voor haar (valse) verklaringen en ook voor het intrekken daarvan, heeft verdachte geen inzicht gegeven in de reden van zijn verklaringen tegen [Naam 5] en [Naam 4] kort na het feit en heeft deze (belastende) verklaringen op geen enkele wijze ontzenuwd. De rechtbank acht het daarom aannemelijk dat verdachte op die momenten de waarheid heeft verteld.

- Uit de dagboekaantekeningen en brieven van [Naam 1] aan verdachte, geschreven in de periode dat zij in voorarrest zat, zijn onder meer de volgende passages aangetroffen:

Op 13 december 2010:

“Want ik heb een hele grote opoffering voor hem gemaakt, omdat ik verschrikkelijk

veel van 'm hou, Ik hoop gewoon dat 'ie waardeerd wat ik voor 'm doe, en dat

'ie me niet als 'n baksteen laat vallen als 'ie vrijkomt. Da's toch niet te veel

gevraagd?!...”

Op 14 december 2010:

“... Maak ik nu de grootste fout van m'n leven? Ben ik loyaler geweest dan

goed voor me is? Waardeerd hij wat ik voor hem doe, en handelt 'ie daar ook

naar?”

“Als ik op zwijgrecht was blijven zitten, had hij automatisch de schuld gekregen. Maar dat doe ik niet, zoals beloofd, en ik hoop zó dat hij dat waardeerd.”

Op 3 oktober 2010 (datum volgens het proces-verbaal van bevindingen, maar gelet op de datering en de paginanummering van de stukken gaat de rechtbank ervan uit dat dit

3 december 2010 moet zijn; Rb):

“En ik heb 'n verklaring afgelegd, ik wil niet dat jij hiervoor veroordeelt wordt, (…)

dat zou hoogstwaarschijnlijk wel gebeuren als ik geen verklaring had afgelegd, want zelfs met verklaring vonden ze t moeilijk te geloven, omdat ik zo klein en mager ben.”

Deze aantekeningen sterken de rechtbank in de overtuiging dat niet [Naam 1] de dader is, maar verdachte, en dat [Naam 1] een bekentenis heeft afgelegd uit liefde voor verdachte in de hoop dat hij snel vrij zou komen en dat zij dit scenario tijdens hun vlucht hebben bedacht.

Hieraan heeft de rechtbank ook in het vonnis van 4 november 2011 in de zaak tegen [Naam 1] een overweging gewijd in het kader van het gebrek aan overtuiging dat zij degene was die het slachtoffer om het leven heeft gebracht.

Gelet hierop en op het feit dat [Naam 1] onherroepelijk is vrijgesproken van betrokkenheid bij de dood van het slachtoffer ziet de rechtbank in haar later ingetrokken bekentenis dan ook geen ontlastend bewijs ten aanzien van verdachte. Hetzelfde geldt voor de verklaringen van getuigen [Naam 2] en [Naam 3] , nu hun verklaringen zijn gebaseerd op één bron, te weten de (valse) bekentenis van [Naam 1] tegenover hen.

- De persoon van verdachte is voor de rechtbank eveneens een factor die haar sterkt in de overtuiging dat verdachte de dader is. Uit het strafblad van verdachte blijkt dat hij geweld niet schuwt, getuige de verschillende geweldsdelicten waarvoor hij is veroordeeld. Verder heeft zijn moeder verklaard dat verdachte heel agressief kan zijn en dat hij wel vaker door het lint gaat. Getuige [Naam 5] heeft verklaard dat verdachte agressief kon zijn als hij drugs had gebruikt. Ten slotte heeft getuige [naam 13] soortgelijk verklaard, namelijk dat als verdachte drugs gebruikte hij meedogenloos werd. Ze zou hem er dan voor aanzien een levensdelict te kunnen plegen.

Tussenconclusie

De hiervoor genoemde belastende feiten en omstandigheden, in samenhang met de verdere inhoud van de bewijsmiddelen beschouwd, zijn naar het oordeel van de rechtbank redengevend voor het bewijs van het doden van het slachtoffer door verdachte. Hij heeft zich steeds op zijn zwijgrecht beroepen en heeft aldus voor deze in hoge mate belastende feiten en omstandigheden geen redelijke verklaring gegeven die de redengevendheid van die feiten en omstandigheden voor het bewijs ontzenuwt of waaruit een andere toedracht naar voren komt. Het tweede alternatieve scenario zoals door de verdediging gepresenteerd is naar het oordeel van de rechtbank daarmee evenmin aannemelijk geworden.

De rechtbank acht dan ook wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het slachtoffer van het leven heeft beroofd door geweld uit te oefenen op de hals van het slachtoffer.

Bewezenverklaring

Het dossier bevat geen informatie over het motief en de precieze chronologische gang van zaken vanaf het moment dat het slachtoffer de woning van verdachte en [Naam 1] binnenkwam. Dat sprake was van voorbedachte raad om het slachtoffer te doden kan daarom niet worden bewezen. De rechtbank zal verdachte vrijspreken van het primair tenlastegelegde feit.

De rechtbank acht het subsidiair tenlastegelegde wel wettig en overtuigend bewezen. Nu aanleiding en motief onbekend zijn gebleven kan niet bewezen worden dat sprake was van opzet op de dood van het slachtoffer. De rechtbank is van oordeel dat voorwaardelijk opzet wel bewezen kan worden. Verdachte heeft fors geweld op de hals van het slachtoffer uitgeoefend. Het is een feit van algemene bekendheid dat bij het uitoefenen van zulk geweld op de hals de kans aanmerkelijk is dat dit de dood tot gevolg heeft. Door desondanks zo te handelen heeft verdachte deze kans aanvaard dat het slachtoffer daardoor zou komen te overlijden. Nu het dossier onvoldoende bewijs bevat voor een nauwe en bewuste samenwerking tussen verdachte en [Naam 1] bij het doden van het slachtoffer zal de rechtbank verdachte van dit element vrijspreken.

4.4

De bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte

subsidiair

in de periode van 7 tot en met 8 oktober 2010 te Vlissingen,

opzettelijk [Slachtoffer] van het leven heeft beroofd, immers

heeft verdachte met dat opzet geweld uitgeoefend op de hals van [Slachtoffer] , tengevolge waarvan [Slachtoffer] is overleden.

De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

5 De strafbaarheid

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten. Dit levert het in de beslissing genoemde strafbare feit op.

Verdachte is strafbaar, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die zijn strafbaarheid uitsluit.

6 De strafoplegging

6.1

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft vrijspraak gevorderd.

6.2

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft in verband met de vrijspraakverweren geen strafmaatverweer gevoerd.

6.3

Het oordeel van de rechtbank

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan de doodslag op [Slachtoffer] . Doodslag is één van de ernstigste delicten die de Nederlandse strafwetgeving kent. Het recht op leven behoort tot de fundamenteelste rechten die in onze rechtsorde dienen te worden beschermd. De verdachte heeft het leven van het slachtoffer op gewelddadige wijze beëindigd en hem daarmee dat recht ontnomen. De rechtbank rekent het verdachte aan dat hij het geweld heeft toegepast op het veel kleinere slachtoffer die bovendien zodanig lichamelijk gehandicapt was dat hij zich nauwelijks heeft kunnen verweren tegen verdachte. Nadat hij het feit heeft gepleegd heeft verdachte er alles aan gedaan om uit handen van justitie te blijven en geen verantwoording te hoeven afleggen. Hij heeft daarbij onder meer meegewerkt aan het plan om iemand anders – [Naam 1] – voor dit feit op te laten draaien. Hij heeft niets gedaan om te voorkomen dat [Naam 1] ten onrechte als dader voor dit feit zou worden gestraft. Mede door deze misleiding van politie en justitie heeft het lang geduurd voordat hij eindelijk verantwoording heeft moeten afleggen. Hij heeft echter nooit een verklaring afgelegd over wat er die avond is gebeurd, zodat de nabestaanden nog steeds niet weten wat er precies is gebeurd. Zij hebben nog steeds geen antwoord op de vraag waarom [Slachtoffer] dood moest, hetgeen hen zwaar moet vallen. De rechtbank rekent verdachte dit alles zeer zwaar aan.

Uit het strafblad van verdachte komt naar voren dat verdachte in 2006 en 2008 drie maal is veroordeeld wegens verschillende geweldsdelicten, te weten diefstal met geweld, vernieling en poging tot zware mishandeling. In het kader van de deze zaak is verdachte op

26 september 2011 veroordeeld voor kortgezegd het wegmaken van sporen en het helpen vluchten van [Naam 1] . Ook na dit feit is hij nog veroordeeld wegens een diefstal met geweld. Op deze feiten is gereageerd met een gevangenisstraf, al dan niet (deels) voorwaardelijk. Van de vóór 2010 opgelegde gevangenisstraffen is kennelijk onvoldoende preventieve werking uitgegaan om verdachte ervan te weerhouden opnieuw (gewelds)delicten te plegen. De rechtbank houdt hiermee bij de bepaling van de strafmaat in negatieve zin rekening.

Gelet op de veroordelingen na 7 oktober 2010 zal de rechtbank rekening houden met artikel 63 van het Wetboek van Strafrecht.

De rechtbank overweegt dat sprake is van een tien jaar oude zaak. Deze enkele omstandigheid vormt naar het oordeel van de rechtbank op zichzelf geen straf verlagende factor nu verdachte eraan heeft meegewerkt dat politie en justitie op het verkeerde been werden gezet door de bekentenis van [Naam 1] , waardoor het zo lang heeft geduurd voordat verdachte zich voor dit feit heeft moeten verantwoorden. De strafdoelen vergelding en generale preventie zijn hier nog onverkort aan de orde.

Nadat het gerechtshof te ’s-Hertogenbosch bij beslissing van 27 november 2017 de vervolging van verdachte vanwege betrokkenheid bij de dood van het slachtoffer had bevolen is echter ook de nodige tijd verstreken.

De rechtbank stelt voorop dat in art. 6, eerste lid, EVRM het recht van iedere verdachte is gewaarborgd om binnen een redelijke termijn te worden berecht. Die termijn vangt aan op het moment dat vanwege de Nederlandse Staat jegens de betrokkene een handeling is verricht waaraan deze in redelijkheid de verwachting kan ontlenen dat tegen hem ter zake van een bepaald strafbaar feit door het openbaar ministerie een strafvervolging zal worden ingesteld. In dit geval is dat de dag van de uitspraak van de genoemde beslissing van het gerechtshof, 27 november 2017.

Als uitgangspunt heeft in deze zaak te gelden dat de behandeling ter terechtzitting dient te zijn afgerond met een eindvonnis binnen twee jaar nadat de redelijke termijn is aangevangen, tenzij sprake is van bijzondere omstandigheden, zoals de ingewikkeldheid van een zaak, de invloed van de verdachte en/of zijn raadsman op het procesverloop en de wijze waarop de zaak door de bevoegde autoriteiten is behandeld. Van deze omstandigheden is na 27 november 2017 niet gebleken, zodat een eindvonnis gereed had moeten zijn op uiterlijk

27 november 2019. Het eindvonnis is gereed op 1 maart 2021, zodat de redelijke termijn met één jaar en ongeveer drie maanden is overschreden. De rechtbank is van oordeel dat deze overschrijding matiging van de hierna te vermelden op te leggen straf tot gevolg moet hebben.

De rechtbank acht, alles afwegende en gelet op wat in vergelijkbare gevallen doorgaans wordt opgelegd, in beginsel een gevangenisstraf voor de duur van negen jaar en zes maanden passend en geboden. De door verdachte door de jaren heen ingenomen proceshouding en actieve misleiding van politie en justitie is daarin een zwaarwegende strafverzwarende factor. Gelet op de geconstateerde overschrijding van de redelijke termijn zal de rechtbank deze straf matigen tot een gevangenisstraf voor de duur van negen jaren.

De rechtbank ziet in de huidige gezondheidssituatie van verdachte geen grond om een lagere of andersoortige straf op te leggen.

7 De wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 63 en 287 van het Wetboek van Strafrecht zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

8 De beslissing

De rechtbank:

Vrijspraak

- spreekt verdachte vrij van het primair tenlastegelegde feit;

Bewezenverklaring

- verklaart het ten laste gelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 4.4. is omschreven;

- spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;

Strafbaarheid

- verklaart dat het bewezen verklaarde het volgende strafbare feit oplevert:

Subsidiair: Doodslag

- verklaart verdachte strafbaar;

Strafoplegging

- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 9 (negen) jaren;

- bepaalt dat de tijd die verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest heeft doorgebracht in mindering wordt gebracht bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf.

Dit vonnis is gewezen door mr. G.H. Nomes, voorzitter, mr. J.C. Gillesse en

mr. A.B. Scheltema Beduin, rechters, in tegenwoordigheid van mr. A.J. Moggré-Hengst, griffier, en is uitgesproken ter openbare zitting op 1 maart 2021.

De griffier is buiten staat dit vonnis te ondertekenen.

9 Bijlage I

De tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

hij in of omstreeks de periode van 7 tot en met 8 oktober 2010 te Vlissingen,

in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander, althans

alleen, opzettelijk en met voorbedachten rade [Slachtoffer] van het

leven heeft beroofd, immers heeft/hebben verdachte en/of zijn medeverdachte

met dat opzet en na kalm beraad en rustig overleg, geweld uitgeoefend op de

hals van [Slachtoffer] , tengevolge waarvan [Slachtoffer] is

overleden;

art 289 Wetboek van Strafrecht

art 47 lid 1 ahf/sub 1 Wetboek van Strafrecht

subsidiair, althans, indien het vorenstaande onder 1 niet tot een veroordeling

mocht of zou kunnen leiden:

hij in of omstreeks de periode van 7 tot en met 8 oktober 2010 te Vlissingen,

in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander, althans

alleen, opzettelijk [Slachtoffer] van het leven heeft beroofd, immers

heeft/hebben verdachte en/of zijn medeverdachte met dat opzet geweld

uitgeoefend op de hals van [Slachtoffer] , tengevolge waarvan [Slachtoffer]

is overleden;

art 287 Wetboek van Strafrecht

tweede subsidiair, althans, indien het vorenstaande onder 1 niet tot een

veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

hij in of omstreeks de periode van 7 tot en met 8 oktober 2010 te Vlissingen,

in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander, althans

alleen, opzettelijk mishandelend geweld heeft uitgeoefend op de hals van [Slachtoffer]

, tengevolge waarvan die [Slachtoffer] is overleden;

art 300 lid 1 Wetboek van Strafrecht

art 300 lid 3 Wetboek van Strafrecht

10 Bijlage II

De bewijsmiddelen

Wanneer in de bewijsmiddelen hierna wordt verwezen naar een paginanummer, wordt - tenzij anders vermeld - bedoeld een pagina van het eindproces-verbaal met dossiernummer 101011.2119.0311.REL (onderzoek TGO Hulsberg) van de Politie Zeeland, opgemaakt in de wettelijke vorm door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren en doorgenummerd van

1 tot en met 2767 en aanvullende dossierdelen zonder paginanummering.

Het proces-verbaal van bevindingen, pagina 45-47 van voornoemd eind-proces-verbaal, inhoudende, zakelijk weergegeven:

Op maandag 11 oktober 2010, omstreeks 21.19 uur, waren wij, verbalisanten met surveillancedienst belast in de gemeente Vlissingen. Wij kregen van de Gezamelijke Meldkamer Zeeland opdracht te gaan naar een woning aan [Straatnaam] . In de woonkamer werd het levenloze lichaam van een manspersoon aangetroffen. Wij zagen dat de man gedeeltelijk onder een deken lag. Verder zag ik dat het

gelaat van de man donker grijs/groen was. Ook zag ik dat er op de vloer naast de man een bloedspoor zichtbaar was en dat er ook bloed in en bij het oor van de man zichtbaar was.

Het proces-verbaal van aangifte van lijkvinding, pagina 58 van voornoemd eind-proces-verbaal, inhoudende, zakelijk weergegeven:

Op het adres [Straatnaam]

Op maandagavond 11 oktober 2010 is gevonden het lijk van:

[Slachtoffer]

Het proces-verbaal van verhoor verdachte, pagina 1991 van voornoemd eind-proces-verbaal, inhoudende, zakelijk weergegeven:

O: Er wordt gevraagd naar zijn woonadres.

A: [Straatnaam]

Het proces-verbaal van verhoor getuige [Naam 6] van 13 oktober 2010, pagina 1473-1475 van voornoemd eind-proces-verbaal, inhoudende, zakelijk weergegeven:

[Slachtoffer] is al een paar dagen spoorloos verdwenen voor mij. [Slachtoffer] zou ongeveer een week geleden milkshakes gaan halen voor hem en mij. [Slachtoffer] is dus die avond naar [Naam 8] gereden maar niet meer terug gekomen. Die donderdag- of vrijdagavond was de laatste keer dat ik [Slachtoffer] heb gezien.

Het proces-verbaal van bevindingen, pagina 156-157 van voornoemd eind-proces-verbaal, inhoudende, zakelijk weergegeven:

Uit onderzoek is gebleken dat slachtoffer [Slachtoffer] in het bezit

was van het mobiele nummer [Telefoonnummer 1] . Op 7 oktober 2010 zijn tussen 18.08 en 22.34 uur diverse telefonische contacten (zowel inkomend als uitgaand) tussen het nummer [Telefoonnummer 1] van [Slachtoffer] en het nummer [Telefoonnummer 2] . Dit nummer is in gebruik bij [Naam 1] / [Verdachte] .

Om 23.40 uur wordt het nummer [Telefoonnummer 1] van [Slachtoffer] gebeld door het nummer [Telefoonnummer 3] van [Naam 9] . Op 8 oktober 2010 is er slechts 1 telefonisch contact. Om 01.56 uur wordt het nummer [Telefoonnummer 1] van [Slachtoffer] gebeld door het nummer [Telefoonnummer 4] van [Naam 6] . Uit de verklaringen van [Naam 9] en [Naam 6] blijkt dat beiden geen contact meer krijgen met [Slachtoffer] .

Opvallend is dat het nummer [Telefoonnummer 2] van [Naam 1] en [Verdachte] na 7 oktober 2010 te 21.53 uur in het geheel niet meer belt naar het nummer [Telefoonnummer 1] van [Slachtoffer] . Ook met het andere nummer [Telefoonnummer 5] van [Naam 1] en [Verdachte] wordt

na 7 oktober 2010 te 21.53 uur niet meer gebeld naar het nummer [Telefoonnummer 1] van [Slachtoffer] .

Het geschrift, te weten ‘Verslag betreffende een niet natuurlijke dood’, pagina 55-56 van voornoemd eindproces-verbaal, inhoudende, zakelijk weergegeven:

Lijkschouw op 11-12 oktober 2010.

Dit alles pas bij een overlijden van 3-5 dagen geleden.

Het deskundigenrapport van het Nederlands Forensisch Instituut ‘Pathologie onderzoek naar aanleiding van ene mogelijk niet natuurlijke dood’ van 7 februari 2011, zaaknummer 2010.10.12.041, ongenummerd dossierdeel 11 van voornoemd eindproces-verbaal. Dit rapport houdt onder meer in:

Sectie op het lichaam van [Slachtoffer] , oud [Leeftijd slachtoffer] . De bij sectie vastgestelde bloeduitstortingen sub BI waren bij leven ontstaan door inwerking van uitwendig, mechanisch, samendrukkend geweld op de hals, al dan niet in combinatie met omsnoerend geweld op de hals, zoals bijvoorbeeld kan ontstaan bij verwurging, strangulatie (door middel van een strak omwikkelde object). Het intreden van de dood kan hierdoor goed worden verklaard door algehele weefselschade als verwikkeling van doorgemaakt geweld op de hals.

Het proces-verbaal van de terechtzitting van 27 oktober 2011 van de meervoudige kamer voor strafzaken in deze rechtbank, ongenummerd dossierdeel 14 vervolg van voornoemd eindproces-verbaal. Dit proces-verbaal houdt onder meer in:

De voorzitter doet de deskundige [Naam 10] voor zich verschijnen. De deskundige geeft op de vragen van de voorzitter op te zijn genaamd:

[Naam 10]

geboren op [Geboortedag naam 10] 1969,

domicilie kiezende te Den Haag, op het adres van het NFI

beroep: forensisch patholoog.

De deskundige verklaart, zakelijk weergegeven:

Het letsel aan de hals is evident, dat wil zeggen de uitkomsten van de toxicoloog maken dat niet anders en zorgen dus niet voor een mindere waarde van de bevindingen aan de hals.

Ik wilde de ernst van het geweld op de hals benadrukken.

Het proces-verbaal van verhoor van de getuige [Naam 5] door de rechter-commissaris d.d. 29 november 2010, inhoudende, zakelijk weergegeven:

U zegt mij dat u heeft begrepen dat ik met [Verdachte] heb gesproken over wat er is gebeurd in Vlissingen. U vraagt mij of ik kan aangeven wat hij verteld heeft, wanneer hij dit verteld heeft en hoe hij er onder was. Ik heb [Verdachte] de dag nadat ik hem in het park had gezien met [Naam 1] , gebeld. Toen vertelde [Verdachte] dat hij wat ergs had gedaan. Hij begon een beetje te huilen. Hij zei letterlijk dat hij iemand had omgelegd.

U vraagt mij op welk tijdstip ik telefonisch met [Verdachte] heb

gesproken. Ik denk dat dit een paar uur of anderhalf uur voordat het op het

nieuws was, heeft plaatsgevonden.

Het proces-verbaal telefoongesprek 11 oktober 2010, pagina 231 van voornoemd eind-proces-verbaal, inhoudende, zakelijk weergegeven:

Op maandag 29 november 2010 werd [Naam 5] bij de rechter-commissaris als getuige gehoord. Ze verklaarde dat ze op 11 oktober 2010 naar [Verdachte] belde. Vervolgens vertelde [Verdachte] huilend wat er gebeurd was. Dit telefoongesprek is voor het moment dat ze via MSN contact had met

[Verdachte] .

De MSN gesprekken tussen [Naam 5] en [Verdachte] zijn op maandag 11 oktober 2010 om 19.37 uur. Uit de historische printgegevens blijkt het volgende.

Op 11 oktober 2010 om 19.08 uur belt [Naam 5] ( [Telefoonnummer 6] ) naar [Verdachte] ( [Telefoonnummer 5] ). Dit gesprek duurt 508 seconden. Dit is het eerste gesprek tussen [Naam 5] en [Verdachte] op 11 oktober 2010.

Het proces-verbaal van verhoor getuige [Naam 4] , pagina 1186-1193 van voornoemd eind-proces-verbaal, inhoudende, zakelijk weergegeven:

V: Hoe ging dat toen [Verdachte] bij je zoon langs kwam?

A: De eerste keer belde hij mij op en toen is hij gekomen. Hij was toen met een blond vrouwtje. Hij is toen heel de avond gebleven en hij is blijven slapen. De volgende ochtend was hij weer weg. De tweede keer kwam hij weer aan de deur en had toen een vaag verhaal over een dooie in zeeland of zo.

A: Het komt erop neer dat [Verdachte] mij heeft verteld dat hij iemand heeft afgemaakt.

V: Waar was dat dat hij iemand zou hebben afgemaakt.

A: In zijn huis in Zeeland.

Het geschrift, te weten de weergave van een tapgesprek tussen getuige [Naam 4] en een onbekende man ( [Naam 11] ) op 17 november 2010, pagina 1202 van voornoemd eindproces-verbaal, inhoudende, zakelijk weergegeven:

[Naam 4] vertelt dat hij vanmiddag naar het politiebureau Almere Buiten moet voor die achterlijke [Verdachte]

[Naam 11] heeft het gehoord.

R: Hij kwam een tijdje geleden aan de deur weet je. Hij zegt ja iemand af gemaakt dit en dat.

Het proces-verbaal van verhoor getuige [Naam 4] , pagina 1195-1200 van voornoemd eind-proces-verbaal, inhoudende, zakelijk weergegeven:

Een vriend van mijn vader is laatst langs geweest. Ik ken die gozer als ‘ [Verdachte] ’. Mijn vader was er toen toevallig ook. Het was een vrijdag of een zaterdag. [Verdachte] is twee of drie dagen daarna nogmaals bij mij aan de deur geweest. Mijn vader bleef met [Verdachte] in het halletje.

Het geschrift, te weten de weergave van een tapgesprek tussen getuige [Naam 7] en getuige [Naam 12] op 25 oktober 2010, pagina 2018 van voornoemd eindproces-verbaal, inhoudende, zakelijk weergegeven:

d: Ja, d'r ligt, d'r lag 't er daar een (1) in de kamer koud.

B: Okee.

D: Had [Verdachte] (fon) gedaan, die heb em z’n strot dichtgeknepen.

D: Hij is helemaal door het lint gegaan he.

D: Ik heb hem gisteren gesproken en eh hij zegt ik ga zeker zeker voor twaalf jaar.

Het proces-verbaal van verhoor van de getuige [Naam 1] door de rechter-commissaris d.d. 18 maart 2019, inhoudende, zakelijk weergegeven:

Wat kunt u vertellen over de dood van [Slachtoffer] ?

[Verdachte] was in de woning toen [Slachtoffer] daar was. Hij lag daar dood.

De rechter-commissaris vraagt mij of ik het dan niet gedaan heb. Dat klopt.

Heeft u de schuld van de dood van [Slachtoffer] op u genomen zonder dat u

verantwoordelijk was voor zijn dood?

Ik heb verantwoordelijkheid genomen voor de dood van [Slachtoffer] , terwijl ik dat niet heb

gedaan.

Wie paste geweld toe op zijn nek/hals/lichaam?

Ik niet.

Het proces-verbaal van bevindingen, pagina 624-627 van voornoemd eind-proces-verbaal, inhoudende, zakelijk weergegeven:

Op woensdag 15 december 2010, vond er in de Penitentiaire Inrichting voor Vrouwen aan de Kloosterweg 174 te Breda, gemeente Breda, onder leiding van de Rechter Commissaris Mevr. Mr. T. van de Poll, een doorzoeking van de cel van [Naam 1] plaats.

Hierbij werden een aantal brieven, schriften en beschreven vellen papier in

beslag genomen. De voor dit onderzoek mogelijk relevante gegevens worden hieronder

weergegeven.

Maandag 13 december 2010

“Want ik heb een hele grote opoffering voor hem gemaakt, omdat ik verschrikkelijk

veel van 'm hou, Ik hoop gewoon dat 'ie waardeerd wat ik voor 'm doe, en dat

'ie me niet als 'n baksteen laat vallen als 'ie vrijkomt. Da's toch niet te veel

gevraagd?!...”

Dinsdag 14 december 2010

[Naam 1] vraagt zich af of [Verdachte] bij haar zal blijven:

“... Maak ik nu de grootste fout van m'n leven? Ben ik loyaler geweest dan

goed voor me is? Waardeerd hij wat ik voor hem doe, en handelt 'ie daar ook

naar?”

“Als ik op zwijgrecht was blijven zitten, had hij automatisch de schuld gekregen. Maar dat doe ik niet, zoals beloofd, en ik hoop zó dat hij dat waardeerd.”

Het proces-verbaal van bevindingen, pagina 628-630 van voornoemd eind-proces-verbaal, inhoudende, zakelijk weergegeven:

Op woensdag 15 december 2010, vond er in de Penitentiaire Inrichting voor Vrouwen aan de Kloosterweg 174 te Breda, gemeente Breda, onder leiding van de Rechter Commissaris Mevr. Mr. T. van de Poll, een doorzoeking van de cel van [Naam 1] plaats.

Hierbij werden een aantal brieven, schriften en beschreven vellen papier in

beslag genomen. De voor dit onderzoek mogelijk relevante gegevens worden hieronder

weergegeven. De eerste brief is gedagtekend op dinsdag 9 november 2010, omstreeks

09.26

uur te Breda. De laatste brief is gedagtekend op maandag 12 december

2010, omstreeks 16.58 uur. De brieven omvatten in totaal 70 genummerde

bladen.

Op paginanummer 51, gedagtekend op vrijdag 3 oktober 2010, omstreeks 21.39 uur, schrijft verdachte [Naam 1] het volgende:

“En ik heb 'n verklaring afgelegd, ik wil niet dat jij hiervoor veroordeelt wordt, (…)

dat zou hoogstwaarschijnlijk wel gebeuren als ik geen verklaring had afgelegd, want zelfs met verklaring vonden ze t moeilijk te geloven, omdat ik zo klein en mager ben.”