Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZWB:2021:653

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak
18-01-2021
Datum publicatie
18-02-2021
Zaaknummer
C/02/381035 JE RK 21-22
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Beschikking
Inhoudsindicatie

Ondertoezichtstelling van de minderjarige en de ongeboren vrucht, thans aangemerkt als geborene op grond van artikel 1:2 van het Burgerlijk Wetboek. De minderjarige en de ongeboren vrucht bevinden zich in een onveilige en onrustige opvoedingsomgeving. Er dient een opname te volgen in een ouder-kind traject. Tijdens deze opname dient er zich te komen op de opvoedingscapaciteiten van de moeder en dienen de basisvoorzieningen voor de minderjarige en de ongeboren vrucht geregeld te worden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

beschikking

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Team Familie- en Jeugdrecht

Zittingsplaats: Breda

zaakgegevens : C/02/381035 / JE RK 21-22

datum uitspraak: 18 januari 2021

beschikking ondertoezichtstelling

in de zaken van

RAAD VOOR DE KINDERBESCHERMING, REGIO ZUIDWEST NEDERLAND, hierna te noemen de Raad, gevestigd te Breda,

betreffende

[minderjarige] , geboren op [geboortedatum] te Tilburg, hierna te noemen [kind] ,

en

DE ONGEBOREN VRUCHT, hierna te noemen de ongeboren vrucht.

De kinderrechter merkt als belanghebbende aan:

[de vrouw] , hierna te noemen de moeder,

zonder vaste woon- of verblijfplaats, thans verblijvende in het City hotel in Tilburg.

De kinderrechter merkt als informanten aan:

[de man] , hierna te noemen de vader,

vertrokken, onbekend waarheen.

STICHTING JEUGDBESCHERMING BRABANT,

hierna te noemen de Gecertificeerde Instelling (GI),

gevestigd te Tilburg.

Het procesverloop


Het procesverloop blijkt uit de volgende stukken:

- het verzoekschrift met bijlagen van de Raad van 18 december 2020;

- het aangepast verzoekschrift van de Raad van 18 januari 2021.

Op 18 januari 2021 heeft de kinderrechter de zaak ter zitting met gesloten deuren behandeld.

Gehoord zijn:

- de moeder, bijgestaan door een tolk Pools, mevrouw Hitchcock,

- een vertegenwoordigster van de Raad,

- een vertegenwoordiger van de GI.

De feiten

Het ouderlijk gezag over [kind] en de ongeboren vrucht wordt uitgeoefend door de moeder.

[kind] woont bij de moeder.

De moeder is uitgerekend op 17 maart 2021 en is thans 33 weken zwanger.

Het verzoek


De Raad heeft de ondertoezichtstelling van [kind] en de ongeboren vrucht verzocht voor de duur van twaalf maanden.

De standpunten

Namens de Raad is ter nadere onderbouwing van het verzoek ter zitting naar voren gebracht dat er grote zorgen bestaan over de opvoedingssituatie van [kind] en de ongeboren vrucht. De zorgen raken basale zaken, zoals het gebrek aan onderdak en een inkomen. Hulpverlening in het vrijwillige kader is ontoereikend gebleken. Een gedwongen kader is momenteel dan ook noodzakelijk om de ontwikkelingsbedreiging van de minderjarigen af te wenden. Een opname in een ouder-kind traject is nodig, zodat er voor de ongeboren vrucht zaken geregeld kunnen worden en er meer zicht komt op de opvoedingsvaardigheden van de moeder. Het is onduidelijk waar de moeder haar hotelkosten van betaalt. De Raad handhaaft het verzoek.

De moeder heeft ter zitting verklaard dat zij akkoord gaat met een ondertoezichtstelling. Zij begrijpt de zorgen en staat achter een opname in een ouder-kind traject. Zij verblijft voorlopig in een hotel in Tilburg. Zij hoopt vanaf 1 februari 2021 een woning te kunnen huren in Waalwijk. Om die reden moet voorlopig alle post nog verzonden worden naar haar postadres in Tilburg ( [postadres] ). Zij leeft thans van haar ziekengeld.

Namens de GI is ter zitting naar voren gebracht dat zij de moeder graag wil helpen. De GI is bereid om de ondertoezichtstelling uit te voeren. Er is per direct een jeugdzorgwerker beschikbaar. Vanwege het juridische “woonplaatsbeginsel” zal het postadres van de moeder tijdelijk aangemerkt moeten worden als woonplaats van de moeder, anders kan de GI geen hulpverlening opstarten.

De beoordeling

Ingevolge het bepaalde in artikel 1:255 lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (BW) kan de rechter een minderjarige onder toezicht stellen van een gecertificeerde instelling wanneer die minderjarige zodanig opgroeit, dat hij in zijn ontwikkeling ernstig wordt bedreigd, en:

a. de zorg die in verband met het wegnemen van de bedreiging noodzakelijk is voor de minderjarige of voor zijn ouders of de ouder die het gezag uitoefenen, door dezen niet of onvoldoende wordt geaccepteerd, en;

b. de verwachting gerechtvaardigd is dat de ouders of de ouder die het gezag uitoefenen binnen een gelet op de persoon en de ontwikkeling van de minderjarige aanvaardbaar te achten termijn, de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding, bedoeld in artikel 1:247 lid 2 BW, in staat zijn te dragen.

De kinderrechter zal, met toepassing van artikel 1:2 van het Burgerlijk Wetboek, de ongeboren vrucht van de moeder als reeds geboren aanmerken, nu zijn belang dit vordert.

Uit de overgelegde stukken en de behandeling ter zitting blijkt dat [kind] en de ongeboren vrucht ernstig in hun ontwikkeling worden bedreigd. [kind] en de ongeboren vrucht bevindingen zich in een onveilige en onrustige opvoedingsomgeving. [kind] is opgegroeid met huiselijk geweld, agressie, schulden, alcohol en drugs. De moeder heeft nu al enige tijd geen vaste woon- of verblijfplaats. [kind] heeft daardoor verschillende woonwisselingen meegemaakt. De moeder verblijft thans met [kind] in een hotel in Tilburg. De vader is momenteel niet meer in beeld en lijkt zich afzijdig te houden van de verzorging en opvoeding van [kind] en de ongeboren vrucht. De Raad heeft meerdere keren getracht contact op te nemen met de vader, maar hij heeft aangegeven dat hij geen problemen heeft en wil niet in gesprek met de Raad. De moeder kan zelfstandig geen veiligheid en continuïteit bieden aan [kind] en de ongeboren vrucht. Zij heeft haar leven onvoldoende op orde. Basale zaken zoals haar financiën, een vaste woon- of verblijfplaats, officiële papieren, verzekeringen en een huisarts zijn niet geregeld. Daar komt bij dat de moeder in Nederland een beperkt sociaal netwerk heeft en de Nederlandse taal niet beheerst. Daarnaast is zij ambivalent en onbetrouwbaar in haar relaties met de hulpverlening. Zij heeft gedurende het raadsonderzoek geen inzicht willen verschaffen in de thuissituatie en haar opvoedingscapaciteiten. Gelet op het voorgaande is de kinderrechter van oordeel dat een ondertoezichtstelling noodzakelijk is. De kinderrechter neemt daarbij nog in aanmerking dat de moeder ter zitting heeft ingestemd met het verzoek. Zij is bereid om opgenomen te worden in een ouder-kind traject. Tijdens deze opname dient er zicht te komen op de opvoedingscapaciteiten van de moeder en dienen de basisvoorzieningen voor [kind] en de ongeboren vrucht geregeld te worden. Daarnaast is het belangrijk dat een jeugdzorgwerker de moeder gaat ondersteunen bij de opvoeding en de verzorging van [kind] en ervoor zorgt dat de ongeboren vrucht een goede start in het leven zal maken.

Gedurende de ondertoezichtstelling dient er gewerkt te worden aan de volgende doelen:

- Er is zicht op de opvoedingsvaardigheden, leerbaarheid, gehechtheid en interactie tussen de moeder en [kind] en de ongeboren vrucht;

- [kind] , de moeder en de ongeboren vrucht hebben een vaste woon- of verblijfplaats waar moeder begeleid wordt;

- Er is duidelijkheid en zicht op de rol van de vader.

Dit leidt tot de volgende beslissing.

De beslissing


De kinderrechter:

stelt [kind] en de ongeboren vrucht, thans aangemerkt als geborene, onder toezicht van Stichting Jeugdbescherming Brabant, locatie Tilburg, met ingang van 18 januari 2021 tot

18 januari 2022 en verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.

Deze beschikking is mondeling gegeven en in het openbaar uitgesproken op 18 januari 2021

door mr. Toekoen, kinderrechter, in tegenwoordigheid van mr. Janssen, als griffier.

De schriftelijke uitwerking van deze beschikking is vastgesteld op 29 januari 2021.

Hoger beroep tegen deze beschikking kan worden ingesteld:

- door de verzoekers en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak,

- door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden.

Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend ter griffie van het gerechtshof
’s-Hertogenbosch.