Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZWB:2021:6309

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak
10-12-2021
Datum publicatie
17-12-2021
Zaaknummer
AWB- 21_1555
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

ACTMIL

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Zittingsplaats Breda

Bestuursrecht

zaaknummer: BRE 21/1555 ACTMIL

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 10 december 2021 in de zaak tussen

[naam eiser] , te [naam woonplaats] , eiser,

gemachtigde: mr. A.P.E. de Brouwer,

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Woensdrecht, verweerder.

Procesverloop

In het besluit van 11 september 2020 (primair besluit I) heeft het college eiser een last onder dwangsom opgelegd in verband met een overschrijding van de voor het eetcafé geldende geluidsnormen.

In het besluit van 24 februari 2021 (bestreden besluit I) heeft het college het bezwaar van eiser tegen het primaire besluit I ongegrond verklaard.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Bij besluit van 9 april 2021 (bestreden besluit II) heeft het college bij eiser een verbeurde dwangsom ingevorderd.

Eiser heeft bezwaar gemaakt tegen het bestreden besluit II.

Op grond van artikel 5:39 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) heeft het beroep tegen de last onder dwangsom mede betrekking op een beschikking die strekt tot invordering van de dwangsom, voor zover de belanghebbende deze beschikking betwist. Het college heeft het bezwaar van eiser tegen het bestreden besluit II daarom aan de rechtbank gestuurd, om het te behandelen als aanvullend beroepschrift.

Het beroep is besproken op de zitting van de rechtbank op 29 oktober 2021.

Hierbij waren aanwezig eiser, zijn gemachtigde, en namens het college

mr. D. van Broekhoven, [naam vertegenwoordiger college] en [naam vertegenwoordiger college] , allen werkzaam bij de Omgevingsdienst Midden- en West-Brabant (OMWB).

Overwegingen

1 Feiten

[naam eiser] exploiteert aan de [adres 1] horeca-inrichting “ [naam eetcafé] ”. Het eetcafé is een inrichting type B uit het Activiteitenbesluit milieubeheer (Activiteitenbesluit). Dat betekent dat voor het eetcafé de geluidsnormen uit afdeling 2.8 van het Activiteitenbesluit gelden.

Bij brief van 10 augustus 2020 heeft het college eiser bij wijze van waarschuwing geïnformeerd over het feit dat op 4 augustus 2020 meldingen zijn ontvangen over geluidsoverlast, veroorzaakt door het eetcafé. Daarbij is medegedeeld dat wanneer binnen zes maanden opnieuw een klacht over geluidsoverlast wordt ontvangen, er geluidsmetingen zullen plaatsvinden. Wanneer wordt geconstateerd dat sprake is van een overschrijding, zal een handhavingstraject worden gestart.

Op 30 augustus 2020 heeft een toezichthouder van de OMWB ter plaatse geluidsmetingen uitgevoerd. Uit het daarvan opgemaakte meetverslag van 2 september 2020 blijkt dat de norm van 50 dB(A) voor het langtijdgemiddelde beoordelingsniveau op de gevel gedurende de dagperiode ten tijde van de meting met 30 dB(A) is overschreden. De norm van 70dB(A) voor het maximale geluidsniveau op de gevel gedurende de dagperiode werd ten tijde van de meting met 13 dB(A) overschreden.

Bij brief van 4 september 2020 heeft het college eiser geïnformeerd over het voornemen handhavend op te treden. Eiser heeft geen gebruik gemaakt van de gelegenheid om zijn zienswijze op dit voornemen naar voren te brengen.

Op 6 september 2020 heeft ter plaatse opnieuw een meting plaatsgevonden. Uit het verslag van de meting blijkt dat de norm van 50 dB(A) voor het langtijdgemiddelde beoordelingsniveau op de gevel gedurende de dagperiode ten tijde van de meting met 6 dB(A) is overschreden.

Bij het primaire besluit I heeft het college eiser wegens deze overschrijding een last onder dwangsom opgelegd, inhoudende dat eiser per geconstateerde overtreding van de geluidsnormen van artikel 2.17, eerste lid, aanhef en onder a van het Activiteitenbesluit door muziekgeluid, een dwangsom van € 1.500,- verbeurt, met een maximum van € 4.500,-.

Bij metingen op 13 september 2020 is blijkens het daarvan opgemaakte rapport geconstateerd dat de norm van 50 dB(A) voor het langtijdgemiddelde beoordelingsniveau op de gevel gedurende de dagperiode met 8 dB(A) is overschreden.

Het college heeft eiser bij brief van 17 september 2020 medegedeeld voornemens te zijn om de in verband met de overschrijding op 13 september 2020 verbeurde dwangsom in te vorderen. Eiser heeft daarop zijn zienswijze naar voren gebracht.

Eiser heeft daarnaast bezwaar gemaakt tegen het primaire besluit I. Hij heeft zijn bezwaar toegelicht tijdens de hoorzitting van de commissie bezwaarschriften van 7 december 2020.

Bij het bestreden besluit I heeft het college het bezwaar van eiser onder verwijzing naar en met overneming van het advies van de commissie bezwaarschriften ongegrond verklaard.

Bij het bestreden besluit II heeft het college de verbeurde dwangsom van € 1.500,- ingevorderd.

2 Wet- en regelgeving

De voor de beoordeling relevante wet- en regelgeving is opgenomen in een bijlage bij deze uitspraak.

3 Beoordeling

3.1

Last onder dwangsom: overtreding?

Het college heeft ter zitting verklaard dat aan het opleggen van de last onder dwangsom uitsluitend de overschrijding van de geluidsnormen op 6 september 2020 ten grondslag ligt. Blijkens het rapport van de metingen op 6 september 2020 bedroeg de overschrijding van het langtijdgemiddelde beoordelingsniveau 6 dB(A).

Eiser heeft aangevoerd dat het meetrapport niet kan worden gebruikt, omdat de metingen hebben plaatsgevonden op een dove gevel als bedoeld in artikel 1b, vierde lid, van de Wet geluidhinder. Er is op 6 september 2020 gemeten ter hoogte van de woning aan de [adres 2] . De ramen op de begane grond van die woning zijn voorzien van voorzetramen, zodat de voorgevel als doof moet worden aangemerkt, aldus eiser.

Ter zitting heeft het college gesteld dat de aanwezigheid van voorzetramen de gevel niet doof maken, omdat de voorzetramen eenvoudig te verwijderen zijn. Bovendien zijn de ramen op de eerste verdieping niet voorzien van voorzetramen en zijn deze ramen gewoon te openen. Ter onderbouwing daarvan heeft het college foto’s van de voorgevel van de woning aan de [adres 2] overgelegd.

Omdat is gemeten op de benedenverdieping, ligt ter beoordeling voor of dat gedeelte van de gevel als doof kan worden aangemerkt. Naar het oordeel van de rechtbank is dat niet het geval. De rechtbank neemt daarbij in aanmerking dat, los van de discussie over de voorzetramen, vast staat dat ook de voordeur zich in de voorgevel bevindt. Voor zover eiser heeft gesteld dat de aanwezigheid van een voordeur niet betekent dat de gevel niet doof is, omdat de ruimte daarachter niet als geluidsgevoelige ruimte kan worden aangemerkt, volgt de rechtbank eiser daarin niet. De vraag of een te openen deel direct grenst aan een geluidsgevoelige ruimte is enkel relevant bij een dove gevel als bedoeld in artikel 1b, vierde lid, aanhef en onder b van de Wet geluidhinder. Daarin is bepaald dat een gevel doof is als er sprake is van een bouwkundige constructie waarin alleen bij uitzondering te openen delen aanwezig zijn, mits de delen niet direct grenzen aan een geluidsgevoelige ruimte. Blijkens de memorie van de toelichting (Kamerstukken II 2004/05, 29 879, nr. 3, p. 22) valt daarbij te denken aan een nooduitgang. Een voordeur kan naar het oordeel van de rechtbank niet worden aangemerkt als een “bij uitzondering te openen deel”.

Eiser heeft daarnaast betwist dat er op 6 september 2020 sprake was van een overschrijding van de geluidsnormen. Ter onderbouwing daarvan heeft eiser gesteld dat - anders dan blijkt uit het meetrapport - er ten tijde van de meting geen 40, maar 70 à 80 gasten aanwezig waren. Eiser is er niet van overtuigd dat het stemgeluid van deze gasten bij de meting buiten beschouwing is gelaten. Het gemeten geluid is volgens eiser juist het stemgeluid van deze gasten. Dit strookt ook met het feit dat eiser zelf klachten van gasten ontving, dat zij de muziek niet konden horen. Daarnaast is het stoorgeluid niet op de juiste manier gemeten. In paragraaf 6.3.2 van de Handleiding meten en rekenen industrielawaai (Handleiding) is bepaald dat het niveau van het stoorgeluid moet worden vastgesteld door de te onderzoeken bron afwisselend aan en uit te zetten. Eiser heeft aangevoerd dat op 6 september 2020 ten onrechte is verzuimd om het stoorgeluid op die manier te meten. Dat had volgens eiser eenvoudig gekund door ook metingen uit te voeren tijdens de pauzes van de muzikanten.

De rechtbank stelt voorop dat op grond van artikel 2.18, eerste lid, aanhef en onder a, van het Activiteitenbesluit naast stemgeluid en ander geluid dat afkomstig is van buiten de inrichting, ook stemgeluid van personen op het onverwarmde en onoverdekte terras van het eetcafé buiten beschouwing dient te blijven bij het bepalen van het geluidsniveau. Stemgeluid van overige gasten in de inrichting wordt bij het bepalen van het langtijdgemiddelde beoordelingsniveau wel in aanmerking genomen.

De rechtbank begrijpt eisers stellingen aldus dat de overschrijding veroorzaakt zou zijn door het stemgeluid van de gasten op het onverwarmde en onoverdekte terras van het eetcafé.

De rechtbank ziet geen aanleiding om aan te nemen dat het geluid van de gasten op het terras het muziekgeluiden overstemde. Daarbij overweegt de rechtbank allereerst dat blijkens het meetrapport ten tijde van de metingen ongeveer 40 bezoekers op het terras aanwezig waren. De rechtbank ziet in eisers (niet onderbouwde) stelling dat er in werkelijkheid 70 tot 80 gasten op het terras aanwezig waren geen aanleiding om niet uit te gaan van de juistheid van hetgeen daarover in het meetrapport is vermeld. Daarnaast is in het meetrapport opgemerkt dat ten tijde van de meting het muziekgeluid uit het eetcafé in de ruime omgeving en op het meetpunt duidelijk hoorbaar was. De rechtbank ziet evenmin aanleiding om aan de juistheid van die informatie te twijfelen.

Daarnaast ziet de rechtbank geen aanleiding om aan te nemen dat de overschrijding veroorzaakt zou zijn doordat naast de muziek en het stemgeluid van gasten in het eetcafé, ten onrechte ook het stemgeluid van gasten op het onverwarmde en onoverdekte terras in aanmerking zou zijn genomen. Uit de toelichting door de OMWB in het meetrapport blijkt dat voor de toetsing aan de grenswaarde van het langtijdgemiddelde beoordelingsniveau bij de metingen waarbij stoorgeluid in de vorm van stemgeluid optrad alleen de gemeten geluidniveaus in de tertsband middenfrequenties 25 Hz tot en met 250 Hz zijn meegenomen. Deze tertsbanden zijn volgens de OMWB bepalend voor de vanwege het muziekgeluid optredende geluidsbelasting. Stemgeluid van gasten kan weliswaar ook in deze frequentiebanden aanwezig zijn, maar is dan ondergeschikt aan het muziekgeluid volgens de OMWB. In de stelling van eiser dat hij er niet van overtuigd is dat op deze manier het stemgeluid van de gasten op het terras bij de metingen buiten beschouwing is gelaten, ziet de rechtbank geen aanleiding om aan te nemen dat met deze methode stoorgeluid, bestaande uit het stemgeluid van gasten op het onverwarmde en onoverdekte terras, onvoldoende zou zijn weggefilterd uit de meetresultaten. De rechtbank neemt daarbij in aanmerking dat niet in geschil is dat de OMWB terzake deskundig is. Eiser heeft geen rapport van een eigen geluidsdeskundige overgelegd, waarin de door de OMWB gehanteerde uitgangspunten en conclusies zijn genuanceerd of weerlegd.

De rechtbank ziet tot slot geen aanleiding om aan te nemen dat het stoorgeluid enkel had kunnen en daarom had moeten worden vastgesteld door middel van geluidsmetingen tijdens de pauzes van de band. Zoals het college ter zitting heeft opgemerkt staat geenszins vast dat stemgeluid van de gasten op het terras tijdens pauzes hetzelfde geluidsniveau heeft als tijdens de optredens, zodat een dergelijke meting niet representatief is. Daar komt bij dat niet kan worden uitgesloten dat tijdens de pauzes ook sprake is van ander geluid dat niet als stoorgeluid kan worden aangemerkt, zoals achtergrondmuziek en (stem)geluid van gasten en personeel elders in het eetcafé.

Naar het oordeel van de rechtbank heeft het college zich onder verwijzing naar de metingen op 6 september 2020 en het daarvan opgemaakte rapport terecht op het standpunt gesteld dat de voor het eetcafé geldende geluidsnormen op die datum zijn overschreden. Er was dan ook sprake van een overtreding.

3.2

Last onder dwangsom: (afzien van gebruik) bevoegdheid tot handhaving?

Omdat sprake was van een overtreding, was het college bevoegd tot handhavend optreden.

Gelet op het algemeen belang dat gediend is met handhaving, zal in geval van overtreding van een wettelijk voorschrift het bestuursorgaan dat bevoegd is om met bestuursdwang of een last onder dwangsom op te treden, in de regel van deze bevoegdheid gebruik moeten maken. Slechts onder bijzondere omstandigheden mag van het bestuursorgaan worden gevergd, dit niet te doen. Dit kan zich voordoen indien concreet zicht op legalisatie bestaat. Voorts kan handhavend optreden zo onevenredig zijn in verhouding tot de daarmee te dienen belangen dat van optreden in die concrete situatie behoort te worden afgezien.

Eiser heeft aangevoerd dat er sprake is van concreet zicht op legalisatie. De opgelegde last onder dwangsom ziet op het voorkomen van overtredingen in de toekomst. Voor toekomstige optredens is het echter mogelijk een evenementenvergunning aan te vragen, als bedoeld in artikel 2.24 van de Algemene plaatselijke verordening Gemeente Woensdrecht (APV).

De mogelijkheid van het aanvragen van een evenementenvergunning leidt naar het oordeel van de rechtbank niet tot een concreet zicht op legalisatie van overschrijding van de geluidsnormen uit afdeling 2.8 van het Activiteitenbesluit. Het college heeft ter zitting weersproken dat livemuziek op het terras kan worden gezien als een evenement. Bovendien impliceert het hebben van een evenementenvergunning niet dat eiser niet langer gebonden zou zijn aan de voor de inrichting geldende geluidsnormen.

Eiser heeft daarnaast aangevoerd dat het college had moeten afzien van handhavend optreden, omdat eiser na de eerdere overschrijding op 30 augustus 2020 maatregelen getroffen heeft, waardoor voor zover er op 6 september 2020 een overschrijding was, die veel kleiner was. De klager woont bovendien op zodanige afstand van het eetcafé dat er ter plaatse van de woning van klager geen overschrijdingen kunnen zijn geweest. Buiten deze klager zijn er geen andere klagers.

De door eiser naar voren gebrachte omstandigheden kunnen naar het oordeel van de rechtbank niet worden aangemerkt als bijzondere omstandigheden op grond waarvan het college van handhavend optreden had moeten afzien. Dat de overschrijding kleiner was dan op 30 augustus 2020 laat onverlet dat er nog altijd sprake was van een overschrijding. Het college heeft het algemeen belang bij handhaving zwaarder kunnen laten wegen dan het (economische) belang van eiser, te meer nu door derden daadwerkelijk over de geluidsoverlast geklaagd is.

3.3

Last onder dwangsom: hoogte van dwangsom

Het college heeft de dwangsom bepaald op € 1.500,- per geconstateerde overtreding met een maximum van € 4.500,-. Volgens eiser is een dergelijke dwangsom voor een horecabedrijf in de coronatijd te hoog. De rechtbank acht een dergelijk bedrag niet onredelijk, gelet op het geschonden belang, de beoogde werking van de dwangsom en het feit dat het organiseren van muziekmiddagen een commerciële activiteit is, waarmee eiser inkomsten genereert.

3.4

Last onder dwangsom: conclusie

Het voorgaande leidt tot de conclusie dat het bestreden besluit I, waarbij eisers bezwaar tegen de last onder dwangsom ongegrond is verklaard, in stand kan blijven.

3.5

Invordering: last onder dwangsom bekend gemaakt?

Aan het besluit tot invordering heeft het college het rapport van de metingen op

13 september 2020 ten grondslag gelegd. Daaruit blijkt volgens het college dat de voor het eetcafé geldende geluidsnormen op die datum zijn overschreden. Eiser heeft aldus van rechtswege een dwangsom van € 1.500,- verbeurd.

Eiser heeft in beroep aangevoerd dat hij op 13 september 2020 niet bekend was met het besluit van 11 september 2020 (primair besluit I) waarmee aan hem de last onder dwangsom is opgelegd. Van verbeurte kan dan ook geen sprake zijn.

De rechtbank overweegt dat het primaire besluit I aangetekend is verstuurd. Indien een besluit aangetekend is verzonden en de belanghebbende de ontvangst ervan ontkent, dient te worden onderzocht of het stuk door PostNL op regelmatige wijze aan het adres van de belanghebbende is aangeboden.

In reactie op eisers stelling dat hij het primaire besluit pas op 15 september 2020 heeft ontvangen, heeft het college een overzicht met zendingsgegevens overgelegd, waaruit volgt dat een zending, afkomstig van de OMWB en gericht aan het adres van het eetcafé op

12 september 2020, om 12.02 is afgeleverd. Het bericht is voorzien van een handtekening. Het college heeft hiermee naar het oordeel van de rechtbank aannemelijk gemaakt dat het stuk door PostNL op regelmatige wijze aan het adres van het eetcafé. Dat de handtekening volgens eiser niet van hemzelf, noch van één van de personeelsleden van het café is, betekent niet dat het poststuk op 12 september 2020 niet op regelmatige wijze op het adres van het eetcafé is aangeboden. Daarmee is het primaire besluit I overeenkomstig artikel 3:41 van de Awb bekendgemaakt aan eiser. Gelet op artikel 3:40 van de Awb was het primaire besluit I op 13 september 2020 in werking getreden. Dat eiser naar eigen zeggen eerst op 15 september 2020 kennis heeft genomen van primaire besluit I, maakt dat niet anders.

3.6

Invordering: overtreding?

Aan het besluit tot invordering heeft het college de overschrijding van de geluidsnormen op 13 september 2020 ten grondslag gelegd. Blijkens het rapport van de metingen op

13 september 2020 bedroeg de overschrijding van het langtijdgemiddelde beoordelingsniveau 8 dB(A).

Voor zover eiser heeft aangevoerd dat de invordering niet op het meetrapport van

13 september 2020 kan worden gebaseerd, omdat de metingen hebben plaatsgevonden op een dove gevel als bedoeld in artikel 1b, vierde lid, van de Wet geluidhinder, slaagt deze beroepsgrond niet. Ook op 13 september 2020 hebben de metingen plaatsgevonden ter hoogte van de begane grond van de woning aan de [adres 2] . Zoals hiervoor onder 3.1 is overwogen kan dat deel van de gevel niet als dove gevel worden aangemerkt.

Ook ten aanzien van dit meetrapport heeft eiser aangevoerd dat het stemgeluid het muziekgeluid overstemde en dat het gemeten geluid dus het stemgeluid van zijn gasten betrof. De rechtbank volgt eiser daarin niet. Blijkens het meetrapport waren ten tijde van de metingen ongeveer 30 bezoekers op het terras aanwezig. De rechtbank ziet in eisers (niet onderbouwde) stelling dat er in werkelijkheid 70 tot 80 gasten op het terras aanwezig waren geen aanleiding om niet uit te gaan van de juistheid van hetgeen daarover in het meetrapport is vermeld. Daarnaast is in het meetrapport opgemerkt dat ten tijde van de meting het muziekgeluid uit het eetcafé in de ruime omgeving en op het meetpunt duidelijk hoorbaar was. De rechtbank ziet evenmin aanleiding om aan de juistheid van die informatie te twijfelen.

Eiser heeft erop gewezen dat uit het rapport van de metingen van 13 september 2020 niet volgt dat het stemgeluid van gasten is weggefilterd uit de meetresultaten. Het college heeft daarover opgemerkt dat als deze correctie niet is toegepast, daar op 13 september 2020 kennelijk geen noodzaak toe was. Zonder nadere motivering valt naar het oordeel van de rechtbank echter niet in te zien waarom bij de meting op 13 september 2020 geen correctie is toegepast, terwijl dit bij de meting op 6 september 2020 wel is gedaan. De overschrijding en het aantal aanwezige gasten was op 13 september 2020 min of meer van dezelfde orde van grootte als op 6 september 2020. Naar het oordeel van de rechtbank kan daarom niet worden uitgesloten dat de overschrijding op 13 september 2020 is veroorzaakt doordat naast de muziek en stemgeluid van gasten in het eetcafé, ook het stemgeluid van gasten op het terras in aanmerking is genomen in de geluidsmeting. Eisers beroepsgrond slaagt dan ook.

3.7

Invordering: conclusie

Omdat niet is komen vast te staan dat op 13 september 2020 sprake was van een overtreding, is er op dat moment geen dwangsom verbeurd en was het college niet bevoegd om tot invordering daarvan over te gaan.

Het beroep tegen bestreden besluit II wordt gegrond verklaard. Het bestreden besluit II zal worden vernietigd.

3.8

Griffierecht en proceskosten

Omdat het beroep gegrond wordt verklaard, moet het college aan eiser het door hem betaalde griffierecht vergoeden.

De rechtbank veroordeelt het college in de door eiser gemaakte proceskosten. De proceskosten worden berekend volgens het Besluit proceskosten bestuursrecht. Het college wordt veroordeeld om de kosten van rechtsbijstand te vergoeden. Deze kosten stelt de rechtbank vast op € 1.496,00 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen op de zitting, met een waarde per punt van € 748,00 en een wegingsfactor 1).

Beslissing

De rechtbank:

  • -

    verklaart het beroep tegen bestreden besluit I ongegrond;

  • -

    verklaart het beroep tegen het bestreden besluit II gegrond;

  • -

    vernietigt het bestreden besluit II;

  • -

    draagt het college op het betaalde griffierecht van € 360,00 aan eiser te vergoeden;

  • -

    veroordeelt het college in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 1.496,00.

Deze uitspraak is gedaan door mr. J.E.C. Vriends, rechter, in aanwezigheid van

mr. W.J.C. Goorden, griffier, op 10 december 2021 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.

De griffier is niet in de gelegenheid deze uitspraak mede te ondertekenen.

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Wat kunt u doen als u het niet eens bent met deze uitspraak?

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

BIJLAGE

Activiteitenbesluit milieubeheer

Artikel 2.17, eerste lid, aanhef en onder a van het Activiteitenbesluit bepaalt voor zover thans van belang dat het langtijdgemiddelde beoordelingsniveau veroorzaakt door de in de inrichting aanwezige installaties en toestellen, alsmede door de in de inrichting verrichte werkzaamheden en activiteiten en laad- en losactiviteiten ten behoeve van en in de onmiddellijke nabijheid van de inrichting, op de gevel van gevoelige gebouwen niet meer mag bedragen dan 50dB(A) voor de dagperiode (7.00 – 19.00 uur). Het maximale geluidsniveau mag niet meer bedragen dan 70 dB(A) voor de dagperiode (7.00 – 19.00 uur).

Artikel 2.18, eerste lid, aanhef en onder a van het Activiteitenbesluit bepaalt dat bij het bepalen van de geluidsniveaus, bedoeld in de artikelen 2.17, (…) , buiten beschouwing blijft het stemgeluid van personen op een onverwarmd en onoverdekt terrein, dat onderdeel is van de inrichting, tenzij dit terrein kan worden aangemerkt als een binnenterrein.

Artikel 1.1, eerste lid, van het Activiteitenbesluit bepaalt dat in dit besluit en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:

gevel: gevel als bedoeld in artikel 1 juncto artikel 1b, vierde lid, van de Wet geluidhinder;

gevoelige gebouwen: woningen en gebouwen die op grond van artikel 1 van de Wet geluidhinder worden aangemerkt als andere geluidsgevoelige gebouwen, met uitzondering van die gebouwen behorende bij de betreffende inrichting.

Wet geluidhinder

Artikel 1b, vierde lid, van de Wet geluidhinder bepaalt dat in afwijking van artikel 1 onder een gevel in de zin van deze wet en de daarop berustende bepalingen niet wordt verstaan:

a. een bouwkundige constructie waarin geen te openen delen aanwezig zijn en met een in NEN 5077 bedoelde karakteristieke geluidwering die ten minste gelijk is aan het verschil tussen de geluidsbelasting van die constructie en 33 dB onderscheidenlijk 35 dB(A), alsmede

b. een bouwkundige constructie waarin alleen bij uitzondering te openen delen aanwezig zijn, mits de delen niet direct grenzen aan een geluidsgevoelige ruimte.

Algemene wet bestuursrecht (Awb)

Artikel 5:4, tweede lid, van de Awb bepaalt dat een bestuurlijke sanctie slechts wordt opgelegd indien de overtreding en de sanctie bij of krachtens een aan de gedraging voorafgaand wettelijk voorschrift zijn omschreven.

Artikel 5:32, eerste lid, van de Awb bepaalt dat een bestuursorgaan dat bevoegd is een last onder bestuursdwang op te leggen, in plaats daarvan aan de overtreder een last onder dwangsom kan opleggen.

Artikel 5:31d van de Awb bepaalt dat onder een last onder dwangsom wordt verstaan de herstelsanctie inhoudende:

a. de last tot geheel of gedeeltelijk herstel van de overtreding, en

b. de verplichting tot betaling van een geldsom indien de last niet of niet tijdig wordt uitgevoerd.

Artikel 5:32b, derde lid, van de Awb bepaalt dat de bedragen in redelijke verhouding staan tot de zwaarte van het geschonden belang en tot de beoogde werking van de dwangsom.

Artikel 5:39, eerste lid, van de Awb bepaalt dat het bezwaar, beroep of hoger beroep tegen de last onder dwangsom mede betrekking heeft op een beschikking die strekt tot invordering van de dwangsom, voor zover de belanghebbende deze beschikking betwist.