Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZWB:2021:6088

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak
01-12-2021
Datum publicatie
06-12-2021
Zaaknummer
AWB- 20_5521
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

AVG

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JBP 2022/28
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Zittingsplaats Breda

Bestuursrecht

zaaknummer: BRE 20/5521 AVG

uitspraak van de meervoudige kamer van 1 december 2021 in de zaak tussen

[naam eiser] , te [plaatsnaam] ( [landnaam] ), eiser,

gemachtigde: mr. J.S. Pols,

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Zundert, verweerder,

gemachtigde mr. S.M. Schipper.

Procesverloop

In het besluit van 29 juli 2019 (primair besluit) heeft het college eiser - naar aanleiding van zijn verzoek om inzage in zijn persoonsgegevens op grond van de Algemene Verordening Gegevensbescherming (AVG) - een overzicht verstrekt van eiser betreffende, verwerkte persoonsgegevens. Het college heeft geweigerd kopieën en afschriften van documenten te verstrekken.

In het besluit van 3 maart 2020 (bestreden besluit) heeft het college het bezwaar van eiser tegen het primaire besluit ongegrond verklaard.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Het beroep is besproken op de zitting van de rechtbank op 8 september 2021.

Namens het college waren de gemachtigde en mr. T.N. Sanders, kantoorgenoot van gemachtigde, aanwezig, samen met mr. C.J.C. den Ouden en mr. M. Braspenning.

Eiser en zijn gemachtigde zijn zonder bericht van verhindering niet verschenen.

De rechtbank heeft de termijn voor het doen van uitspraak verlengd.

Overwegingen

1 Feiten

Op 14 juni 2018 heeft eiser het college verzocht hem op grond van artikel 15 van de AVG opgave te doen van elke verwerking van hem betreffende persoonsgegevens door hem een lijst te verstrekken van alle informatiedragers, ongeacht of deze in papieren of andere vorm beschikbaar zijn, en door hem daarnaast kopieën, afschriften of uittreksels van die informatiedragers te verstrekken.

Bij het primaire besluit heeft het college eiser een overzicht verstrekt van eiser betreffende verwerkte persoonsgegevens over de periode vanaf 3 oktober 2017. Het college heeft geweigerd kopieën en afschriften van documenten te verstrekken.

Eiser heeft bezwaar gemaakt tegen het primaire besluit.

Bij het bestreden besluit heeft het college het bezwaar van eiser, onder verwijzing naar en met overneming van het advies van de adviescommissie, ongegrond verklaard, onder aanvulling van de motivering.

2 Wettelijk kader

Artikel 15, eerste lid, aanhef, van de AVG bepaalt dat de betrokkene het recht heeft om van de verwerkingsverantwoordelijke uitsluitsel te verkrijgen over het al dan niet verwerken van hem betreffende persoonsgegevens en, wanneer dat het geval is, om inzage te verkrijgen van die persoonsgegevens en van de volgende informatie (…)

Het derde lid, eerste volzin, bepaalt dat de verwerkingsverantwoordelijke de betrokkene een kopie verstrekt van de persoonsgegevens die worden verwerkt.

Het vierde lid bepaalt dat het in lid 3 bedoelde recht om een kopie te verkrijgen, geen afbreuk doet aan de rechten en vrijheden van anderen.

3 Beoordeling

3.1

In het bestreden besluit heeft het college overwogen dat blijkens het verzoek en eisers toelichting tijdens de hoorzitting, zijn doel niet zo zeer is om inzage te verkrijgen in de wijze waarop zijn persoonsgegevens zijn verwerkt, maar om alsnog inzage te verkrijgen in documenten, waarvan het college openbaarmaking op grond van de Wet openbaarheid van bestuur heeft geweigerd. Het college heeft in algemene zin overwogen dat het recht op inzage op grond van de AVG daarvoor niet bedoeld is.

Eiser voert aan dat het college dit ten onrechte in de besluitvorming heeft betrokken. Het oogmerk van een inzageverzoek is per definitie het kennisnemen van de verwerking van persoonsgegevens en het beoordelen van de rechtmatigheid daarvan en er is geen ruimte voor speculatie over bedoelingen.

Deze grond faalt. De rechtbank neemt daarbij in aanmerking dat het college ter zitting desgevraagd heeft verklaard dat deze overweging in het bestreden besluit een overweging ten overvloede vormt. Deze verklaring strookt naar het oordeel van de rechtbank met het bestreden besluit. Hoewel daarin in algemene zin is opgemerkt dat het recht op inzage op grond van de AVG niet bedoeld in om inzage te krijgen in document waarvan openbaarmaking eerder is geweigerd, blijkt uit het bestreden besluit niet dat het college eisers oogmerk in de besluitvorming heeft betrokken.

3.2

Eiser heeft aangevoerd dat het college ten onrechte geen afschrift heeft verstrekt van de onderliggende gegevensdragers. Het verstrekken van een overzicht, zoals het college heeft gedaan, kan niet worden beschouwd als inzage in de zin van artikel 15 van de AVG.

Deze grond faalt. De rechtbank overweegt daarbij dat de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State in de uitspraak van 3 maart 2021 (ECLI:NL:RVS:2021:452) heeft geoordeeld dat artikel 15, derde lid, van de AVG niet tot doel heeft de toegang tot bestuurlijke documenten te verzekeren. De verplichting een 'kopie van de persoonsgegevens’ te verstrekken op grond van artikel 15, derde lid, van de AVG, betekent dus niet dat een bestuursorgaan verplicht is een kopie te verstrekken van de documenten waarin die persoonsgegevens voorkomen. Een bestuursorgaan mag dat doen, maar het mag ook voor een andere vorm kiezen waarin de kopie van de persoonsgegevens wordt verstrekt, mits met de gekozen wijze van verstrekking maar aan het doel van artikel 15, derde lid, van de AVG wordt voldaan, aldus de Afdeling.

Nu eiser niet heeft gesteld dat met de verstrekking in de vorm van een overzicht niet aan het doel van artikel 15, derde lid, van de AVG zou zijn voldaan, is er geen aanleiding voor het oordeel dat het college verplicht was een kopie te verstrekken van de documenten waarin die persoonsgegevens voorkomen. Het college heeft kunnen volstaan met het verstrekken van een overzicht.

Omdat het college daarmee heeft kunnen volstaan, komt de rechtbank niet toe aan een inhoudelijke bespreking van eisers gronden inhoudende dat het verstrekken van een kopie van de documenten niet kon worden geweigerd en dat het niet verstrekken van een kopie een beperking van het inzagerecht vormt die niet noodzakelijk en onevenredig is.

3.3

Het college heeft bij de beoordeling van het verzoek uitsluitend de periode vanaf 3 oktober 2017 in aanmerking genomen.

Vast staat dat het college op 3 oktober 2017 een beslissing op bezwaar heeft genomen naar aanleiding van een eerder verzoek van eiser om inzage in zijn persoonsgegevens, destijds op grond van artikel 35 van de Wet bescherming persoonsgegevens. Daarbij heeft het college een overzicht verstrekt van de verwerking van eiser betreffende persoonsgegevens.

Eiser heeft aangevoerd dat het college ten onrechte uitsluitend de periode vanaf 3 oktober 2017 in aanmerking heeft genomen. Een inzageverzoek mag met redelijke tussenpozen herhaald worden. Daaruit volgt dat een inzageverzoek in behandeling genomen dient te worden, zonder acht te slaan op eerdere inzageverzoeken. Een andere uitleg zou ertoe leiden dat eiser na een eerste afwijzing nooit meer de mogelijkheid zou hebben om inzage te verkrijgen, aldus eiser.

De rechtbank is van oordeel dat eiseres verzoek voor zover dat ziet op de periode vóór 3 oktober 2017 een herhaling is van zijn eerdere verzoek. Hoewel eiser terecht heeft gesteld dat hij zich met redelijke tussenpozen tot het college mag wenden om een verzoek op grond van artikel 15 van de AVG in te dienen, is het college niet gehouden te onderzoeken of er aanleiding bestaat om terug te komen op een eerder besluit over dezelfde periode, als er geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden zijn vermeld door eiser. Een verzoek mag dan worden afgewezen, tenzij dat evident onredelijk zou zijn.

De rechtbank stelt vast dat het college niet expliciet heeft beslist op het verzoek zover dat ziet op de periode vóór 3 oktober 2017. Dat betekent dat het beroep gegrond is en dat het bestreden besluit op dit onderdeel zal worden vernietigd.

Uit de motivering van het bestreden besluit maakt de rechtbank op dat het college wel heeft beoogd het verzoek af te wijzen voor zover dat op de periode vóór 3 oktober 2017 ziet. Niet kan worden geoordeeld dat dat in dit geval evident onredelijk is. Doende wat het college (meer expliciet) had moeten doen, zal de rechtbank zelf in de zaak voorzien door het verzoek voor zover dat betrekking heeft op de periode vóór 3 oktober 2017 af te wijzen.

3.4

Omdat de rechtbank het beroep gegrond verklaart, moet het college aan eiser het door hem betaalde griffierecht vergoeden.

3.5

De rechtbank veroordeelt het college in de door eiser gemaakte proceskosten.

De proceskosten worden berekend volgens het Besluit proceskosten bestuursrecht. Het college wordt veroordeeld om de kosten van rechtsbijstand te vergoeden. Deze kosten stelt de rechtbank vast op € 748,00 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, met een waarde per punt van € 748,00 en een wegingsfactor 1).

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het bestreden besluit, zover daarbij niet is beslist op het verzoek voor zover dat betrekking heeft op de periode vóór 3 oktober 2017;

- wijst af het verzoek voor zover dat betrekking heeft op de periode vóór 3 oktober 2017;

- bepaalt dat deze uitspraak in zoverre in de plaats treedt van het vernietigde gedeelte van het bestreden besluit;

- draagt het college op het betaalde griffierecht van € 178,00 aan eiser te vergoeden;

- veroordeelt het college in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 748,00.

Deze uitspraak is gedaan door mr. mr. G.M.J. Kok, voorzitter, en T. Peters en

mr. drs. E.J. Govaers, leden, in aanwezigheid van mr. W.J.C. Goorden, griffier, op 1 december 2021 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.

griffier voorzitter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Wat kunt u doen als u het niet eens bent met deze uitspraak?

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.