Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZWB:2021:5404

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak
26-10-2021
Datum publicatie
24-11-2021
Zaaknummer
382209
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Art. 1:401 BW en 1:159, lid 3 BW. Partijen zijn in het ouderschapsplan dat zij in 2017 opstelden terzake van de kinderalimentatie bewust afgeweken van de wettelijke maatstaven. De man verzoekt thans wijziging van de tussen partijen in het ouderschapsplan overeengekomen kinderalimentatie. Toepassing van artikel 1:401 en de zware drempel voor wijziging naar analogie van artikel 1:159, lid 3 BW leidt niet tot wijziging van de bijdrage.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Team Familie- en Jeugdrecht

Middelburg

Zaaknummer: C/02/382209/ FA RK 21-626

beschikking d.d. 26 oktober 2021

in de zaak van

[de man] ,

wonende te [woonplaats 1] ,

hierna te noemen de man,

advocaat mr. F.L.I. de Vleesschauwer, gevestigd te Terneuzen,

en

[de vrouw] ,

wonende te [woonplaats 2] ,

hierna te noemen de vrouw,

advocaat mr. C.L. de Koeijer, gevestigd te Terneuzen.

1. Het procesverloop

1.1. Dit blijkt uit de volgende stukken:

- het op 10 februari 2021 ontvangen verzoekschrift, met bijlagen;

- het op 16 maart 2021 ontvangen verweerschrift tevens houdende zelfstandig verzoek, met bijlagen;

- het op 12 mei 2021 ingekomen verweerschrift top het zelfstandig verzoek;

- de brief van mr. De Koeijer d.d. 5 augustus 2021, met bijlagen;

- het op 18 augustus 2021 ontvangen F9-formulier van mr. De Vleesschauwer, met bijlagen;

- de brief houdende wijziging van het verzoek van de man, ingediend door mr. De Vleesschauwer op 30 augustus 2021.

1.2. De zaak is behandeld op de mondelinge behandeling van 31 augustus 2021. Bij die gelegenheid zijn verschenen partijen, bijgestaan door hun advocaat.

1.3. Namens de vrouw heeft mr. De Koeijer tijdens de mondelinge behandeling het zelfstandig verzoek van de vrouw schriftelijk gewijzigd.

1.4 Na te noemen minderjarige [minderjarige 1] is gelet op zijn leeftijd in staat gesteld zijn mening kenbaar te maken. Van deze gelegenheid heeft hij geen gebruik gemaakt. Hoewel [minderjarige 1] na de mondelinge behandeling en kort voor deze beschikking meerderjarig is geworden, maar partijen hieraan in hun stellingen geen procesrechtelijke gevolgen hebben verbonden, zal de rechtbank [minderjarige 1] heden in procesrechtelijke zin nog aanmerken als minderjarige.

2 De feiten

2.1

Partijen zijn op 22 maart 2002 te Hulst met elkaar gehuwd.

2.2

Uit het huwelijk van partijen zijn de navolgende minderjarige kinderen geboren:

- [minderjarige 1] , geboren te [geboorteplaats] op 17 oktober 2003;

- [minderjarige 2] , geboren te [geboorteplaats] op 20 juni 2008.

2.3

Bij beschikking van 5 december 2017 heeft deze rechtbank in het huwelijk van partijen de echtscheiding uitgesproken en is tevens bepaald dat de onderlinge regelingen uit het aangehechte en door de griffier gewaarmerkte echtscheidingsconvenant en ouderschapsplan deel uitmaken van die beschikking. Deze beschikking is op 19 december 2017 ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand.

2.4

In artikel 7 van het aan voornoemde beschikking gehechte ouderschapsplan – opgemaakt en door partijen ondertekend op 25 september 2017 – is onder meer en voor zover voor deze procedure van belang het volgende vermeld:

7.1

Kosten van de kinderen

Ouders verschillen van mening over de hoogte van het netto besteedbaar inkomen tijdens het huwelijk. Ter beëindiging van hun discussie hierover stellen zij de kosten van de kinderen vast op € 350- per kind per maand, aldus € 700,- in totaal.

7.2

Kinderalimentatie

Met ingang van 1 oktober 2017 en zolang de kinderen minderjarig zijn en bij de moeder wonen, betaalt de vader aan de moeder, bij vooruitbetaling, een alimentatie voor de kinderen van € 350,- per kind per maand. Deze alimentatie zal zijn onderworpen aan de wettelijke indexering als bedoeld in artikel 1:402a BW, voor het eerst per 1 januari 2018. Ouders wijken bewust af van de wettelijke maatstaven waar het betreft de kinderalimentatie. Er bestaat discussie tussen ouders over het netto besteedbaar inkomen van de vader, en dus over zijn draagkracht. Ter beëindiging van hun geschil hebben ouders de door de vader te betalen alimentatie vastgesteld op het hiervoor genoemde bedrag.

7.3

Partijen dragen ieder de eigen kosten van inwoning van de kinderen wanneer zij bij hen zijn..

7.4

Alimentatie jongmeerderjarige

Vanaf het tijdstip waarop een kind meerderjarig wordt betaalt de vader de in artikel 7.2 genoemde alimentatie aan het kind zelf ex artikel 1:395a BW op een door het kind aan te wijzen bankrekening, tenzij het kind op dat moment nog bij de moeder woont. In dat geval wordt door de ouders en het kind in onderling overleg bepaald op welke wijze wordt betaald, zolang die situatie voortduurt.

De wettelijke indexeringsregeling blijft van toepassing totdat het kind de 21-jarige leeftijd heeft bereikt.

2.5

In het echtscheidingsconvenant van 25 oktober 2017 is – voor zover hier van belang – het navolgende opgenomen:

Artikel 2 Ouderschapsplan

2.1

Partijen verwijzen voor de afspraken die zij hebben gemaakt t.a.v gezag, inschrijving in de gemeentelijke basisadministratie, zorgverdeling, kinderalimentatie en overige aangelegenheden naar het door hen opgestelde ouderschapsplan.

2.2

In aanvulling op de regeling betreffende de kinderalimentatie komen partijen overeen dat de man naast het in het ouderschapsplan opgenomen bedrag aan kinderalimentatie van € 350,- per kind per maand, € 50,- per kind per maand zal bijdragen in de kosten van verzorging en opvoeding van de kinderen, bij vooruitbetaling aan de vrouw te voldoen met ingang 1 oktober 2017. Zodra de vrouw gaat samenwonen met een ander, komt de bijdrage van € 50,- per kind per maand definitief en dus ook voor de toekomst te vervallen. Achterliggende gedachte van partijen daarbij is dat in geval van samenwoning de vrouw over meer draagkrachtruimte zal komen te beschikken, daar zij in dat geval haar woonlast kan delen.

(..)

Artikel 3 Partneralimentatie

3.1

Partijen komen overeen dat zij over en weer niet gehouden zijn tot het voldoen van enig bedrag aan partneralimentatie.

Artikel 5 Ten aanzien van de VOF [VOF partijen] en overige vergoedingen vrouw

5.1

Partijen hebben samen een vennootschap onder firma, de VOF [VOF partijen] . Partijen zijn overeengekomen dat alle verplichtingen vanuit de VOF uitsluitend op de man zullen rusten.

Aangezien de man de restschuld van de woning alsmede de bovenstaande belastingaanslagen voor zijn rekening neemt dan wel heeft genomen, komt de VOF de man toe, althans de daarin vertegenwoordigde waarde, met dien verstande dat de VOF per 31/12/2017 zal worden ontbonden en bij de KvK zal worden uitgeschreven. Partijen verplichten zich er beiden toe daaraan alle medewerking te verlenen.

2.6

De man is hertrouwd met [partner van de man] (hierna: [partner van de man] ). Uit dit huwelijk is geboren de minderjarige [minderjarige 3] , geboren op 12 augustus 2019.

3 Het verzoek

3.1

De man heeft de rechtbank na wijziging van zijn verzoek op 30 augustus 2021 verzocht, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, de beschikking van 5 december 2017 te wijzigen en te bepalen dat de door de man aan de vrouw te betalen bijdrage met ingang van januari 2021 zal worden vastgesteld op € 239,= ten behoeve van [minderjarige 1] en op een bedrag van € 109,= ten behoeve van [minderjarige 2] , althans op een door de rechtbank nader vast te stellen bijdrage.

3.2

De vrouw heeft verweer gevoerd en, eveneens na wijziging, verzocht:

I. de verzoeken van de man af te wijzen als zijnde ongegrond en/of onbewezen dan wel de man niet-ontvankelijk te verklaren in zijn verzoeken, althans de door hem te betalen bijdrage vast te stellen op € 408,- per kind per maand, bij vooruitbetaling aan de vrouw te voldoen;

II. de te betalen bijdrage voor de minderjarige [minderjarige 1] te wijzigen met ingang van 1 september 2021 naar een bedrag van € 545,-, bij vooruitbetaling aan de vrouw te voldoen.

4 De beoordeling

4.1

De man heeft ter onderbouwing van zijn verzoek een beroep gedaan op artikel 1:401, lid 1 Burgerlijk Wetboek (BW). Hij stelt dat sedert het ouderschapsplan van september 2017 waarin partijen een bedrag aan kinderalimentatie overeenkwamen, de omstandigheden zijn gewijzigd. Als omstandigheden die nu tot een wijziging van de kinderalimentatie dienen te leiden, heeft de man genoemd dat zijn inkomen is gewijzigd doordat zijn onderneming is gestaakt en hij in loondienst is gaan werken, dat hij is hertrouwd met [partner van de man] uit welke relatie op 12 augustus 2019 zijn zoon [minderjarige 3] is geboren en dat de vrouw sedert de echtscheiding gemiddeld meer uren is gaan werken en haar salaris omhoog is gegaan.

4.2

De rechtbank stelt vast dat partijen bij de vaststelling van de kinderalimentatie in het ouderschapsplan in 2017 bewust zijn afgeweken van de wettelijke maatstaven. Dit is met zoveel woorden opgenomen in artikel 7.2 van het ouderschapsplan. Partijen zijn geen niet-wijzigingsbeding overeengekomen. Verder is de behoefte van de minderjarigen in het ouderschapsplan op € 350,- per kind per maand gesteld en neemt de man het volledige bedrag aan behoefte voor zijn rekening. Er is geen zorgkorting toegepast.

4.3

Artikel 1:401, lid 1 BW bepaalt dat een overeenkomst betreffende levensonderhoud bij rechterlijke uitspraak kan worden gewijzigd of ingetrokken wanneer zij nadien door wijziging van omstandigheden ophoudt aan de wettelijke maatstaven te voldoen. Indien echter komt vast te staan dat partijen bij het maken van het echtscheidingsconvenant bewust zijn afgeweken van de wettelijke maatstaven is – naar analogie van artikel 1:159, lid 3 BW – wijziging van de overeenkomst betreffende kinderalimentatie slechts mogelijk, indien (voor zover voor deze zaak van belang) de man stelt, en de rechtbank aannemelijk oordeelt, dat na het tot stand komen van de overeenkomst een wijziging van omstandigheden is ingetreden die meebrengt dat de vrouw, in het licht van alle dan bestaande omstandigheden, naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid ongewijzigde instandhouding van de overeenkomst niet mag verwachten. De rechtbank dient zowel bij haar oordeel of aan deze voorwaarde is voldaan als, zo dit het geval is, bij de uitoefening van haar bevoegdheid tot wijziging van de omtrent het levensonderhoud getroffen regeling, terughoudendheid te betrachten. Dit brengt mee dat de rechtbank bij een wijziging van de bijdrage zoveel mogelijk aansluiting moet zoeken bij wat partijen bij hun overeenkomst voor ogen stond, waarbij zij mede zal dienen te letten op het verband dat kan zijn beoogd tussen de regeling betreffende het levensonderhoud en door partijen getroffen regelingen van andere aard.

Aan de hiervoor genoemde zware drempel voor wijziging ligt de gedachte ten grondslag dat partijen de vrijheid hebben de financiële gevolgen van de echtscheiding zelf te regelen, waarbij ervan wordt uitgegaan dat er verband zal zijn tussen de uitkeringen tot levensonderhoud en regelingen van andere aard: een allesomvattende regeling. Bij de vraag of de hiervoor genoemde drempel wordt gehaald, dient de rechtbank oog te hebben voor de vraag of er een wanverhouding is ontstaan tussen wat partijen bij het sluiten van de overeenkomst voor ogen stond en wat zich daarna in werkelijkheid heeft voorgedaan en of dit een gevolg is van een voor de toepassing van genoemd artikel voldoende ingrijpende wijziging van omstandigheden ten opzichte van de omstandigheden die ten tijde van het sluiten van de overeenkomst bestonden. Daarbij zal voorts in aanmerking moeten worden genomen wat partijen toen aan mogelijke toekomstige omstandigheden voor ogen hebben gehad. Daarbij dient niet alleen onderzoek gedaan te worden naar de feitelijke financiële omstandigheden van het moment, maar ook naar alle andere relevante omstandigheden. Wijziging wordt slechts in uitzonderingsgevallen toegelaten en daarom worden aan de stelplicht van degene die zich op artikel 1:159 lid 3 BW beroept zware eisen gesteld.

Omstandigheden ten tijde van de overeenkomst

4.4.1

Om te beoordelen of aan voornoemde criteria is voldaan, zal de rechtbank eerst ingaan op de totstandkoming van de overeenkomst van partijen. Als enerzijds gesteld en anderzijds niet, althans onvoldoende, weersproken is het volgende komen vast te staan.

4.4.2

Na het uiteengaan hebben partijen aanvankelijk getracht via mediation tot overeenstemming te komen. Daarbij ontstond discussie over de inkomsten van de man, welk inkomen vanwege het zelfstandig ondernemerschap fluctueerde en waarbij de mediator in zijn berekening één – financieel goed – jaar had betrokken. Nadat de situatie tussen partijen was geëscaleerd en het mediationtraject was stopgezet, is de echtscheidingsprocedure voortgezet waarbij partijen over en weer berekeningen in het geding hebben gebracht. Partijen zijn vervolgens – zij verschillen hierbij van standpunt over de exacte aanleiding daarvoor – opnieuw in overleg getreden.

Volgens de man heeft de vrouw een kinderalimentatie van € 350,- per maand voorgesteld.

De man heeft gesteld dat hij met dit bedrag heeft ingestemd omdat hij na ¾ jaar strijd tussen partijen en forse rekeningen van zijn advocaat, de discussies wilde beëindigen zodat hij verder kon met zijn leven. Bovendien hoefde hij dan [minderjarige 1] , die zou worden opgeroepen voor een kindgesprek bij de rechtbank, hier verder niet meer mee te belasten.

4.4.3

Het extra aan de vrouw te betalen bedrag van € 50,- per maand, opgenomen in het echtscheidingsconvenant, zijn partijen overeengekomen als compensatie voor de partneralimentatie waar de vrouw dan geen aanspraak (meer) op zou maken. Een eventuele partneralimentatie zou bovendien niet van invloed zijn op toekomstige keuzes van de man, bijvoorbeeld het afsluiten van een nieuwe hypotheek. Het totaal door de man aan de vrouw te betalen bedrag werd daarom vastgesteld op € 400,- per kind per maand wegens kinderalimentatie.

De rechtbank stelt op grond van het vorenstaande vast dat partijen bij het bepalen van de kinderalimentatie dus een verband hebben gelegd met de partneralimentatie, maar partijen hebben de verdere afwikkeling van de huwelijksgemeenschap zoals ten aanzien van de (inboedel)goederen, de woning of de schulden van partijen, niet betrokken bij de vaststelling van de kinderalimentatie.

4.4.4

Verder is vast komen te staan dat de man ten tijde van de ondertekening van het ouderschapsplan en echtscheidingsconvenant al een relatie had met [partner van de man] .

gewijzigde omstandigheden

4.5.1

Vervolgens zal de rechtbank beoordelen of de door de man aangevoerde omstandigheden zijn aan te merken als – ten opzichte van de totstandkoming van de overeenkomst van partijen in september 2017 – gewijzigde omstandigheden.

inkomen van de man

4.5.2

De man heeft aangevoerd dat zijn inkomen sedert 2017 is gewijzigd omdat hij zijn onderneming heeft gestaakt en hij in loondienst is gaan werken. Hij heeft hierover tijdens de mondelinge behandeling – onweersproken – aangevoerd dat hij voor en in 2017 een onderneming “ [onderneming man] ” dreef in de vorm van een vennootschap onder firma (Vof), waarbij zijn compagnon voornamelijk acquisitiewerkzaamheden verrichtte en de man het inhoudelijke werk deed. Deze compagnon was ernstig ziek en verrichtte al sinds juni 2016 geen werkzaamheden meer voor de onderneming. In juni 2017, enige maanden voor het sluiten van de overeenkomst met de vrouw, is deze compagnon overleden. Omdat de man niet ook het acquisitiewerk erbij kon nemen, heeft de zoon van zijn compagnon deze werkzaamheden op zich genomen. Daartoe is de Vof omgezet in een BV en is de zoon van zijn compagnon bij de onderneming in dienst getreden. Volgens de man is het merendeel van de klanten niet van de Vof mee overgegaan naar de BV. Er diende een nieuwe start te worden gemaakt en een nieuwe klantenkring te worden opgebouwd. De zoon van zijn compagnon moest nog worden opgeleid en begeleid. Zijn acquisitiewerk leverde echter onvoldoende resultaat op omdat er geen afspraken uit voortvloeiden. Omdat het de man ook niet lukte om met andere bedrijven samen te werken of nieuwe producten op de markt te brengen, heeft de man na circa driekwart jaar de onderneming beëindigd. Hierbij heeft ook meegespeeld de invloed van gewijzigde wetgeving op de producten en diensten die de onderneming leverde.

4.5.3

De rechtbank stelt vast dat deze omstandigheden speelden en dus reeds bekend waren ten tijde van de ondertekening van het ouderschapsplan en het echtscheidingsconvenant. Voorts geldt dat het lopen van financieel risico en schommelingen in het inkomen inherent zijn aan het ondernemerschap. Duidelijk was reeds in 2017 dat de onderneming van de man jaarlijks wisselende resultaten te zien gaf en dat het inkomen van de man fluctueerde. Dit vindt zijn bevestiging in de bezwaren die de man uitte jegens de mediator toen deze slechts één jaar voor de alimentatieberekeningen hanteerde welk jaar ook nog eens een uitzonderlijk goed jaar was. Vanwege de aanmerkelijk lagere omzet in de onderneming en het daarmee gepaard gaande inkomensverlies, hield de man er reeds in 2017 serieus rekening mee dat hij de onderneming zou staken en terug in loondienst zou gaan werken, zo blijkt uit het verweerschrift van 11 september 2017 dat door de man in de echtscheidingsprocedure is ingediend (productie 3 bij de brief van mr. De Koeijer d.d. 5 augustus 2021).

Verder was in 2017 reeds bekend dat zijn compagnon ernstig ziek was en diens uitval een gat in de onderneming zou achterlaten in het acquisitiewerk, waardoor ook onzeker was hoe de financiële situatie van de onderneming zich verder zou gaan ontwikkelen.

De man heeft alle hiervoor genoemde omstandigheden en onzekerheden kunnen betrekken bij zijn beslissing om akkoord te gaan met de afspraken die zijn neergelegd in het echtscheidingsconvenant en het ouderschapsplan.

4.5.4

Daarnaast constateert de rechtbank, zoals de vrouw terecht heeft aangevoerd, dat

de man niet, althans onvoldoende, gegevens in het geding heeft gebracht omtrent zijn inkomsten en vermogen, hoewel de vrouw daar nadrukkelijk om heeft verzocht en de man daartoe in de gelegenheid was, ook in deze procedure. De rechtbank overweegt dat in de jaarstukken over 2018 een voordeel uit aanmerkelijk belang van ruim € 150.000,- is opgenomen. Tijdens de mondelinge behandeling heeft de man toegelicht, althans zo begrijpt de rechtbank zijn uitleg, dat de stand van het saldo van de rekening-courant van [VOF partijen] (hierna: [VOF partijen] ), de Vof die door partijen in 2008 was opgericht, € 150.000,- negatief was. Dit negatief saldo is ontstaan doordat partijen vanaf 2008 opnamen deden voor privé-uitgaven; zij hebben daarvan geleefd. Destijds was immers het advies van de accountant om een zo laag mogelijk loon in de boeken op te nemen. De belastingdienst ziet deze opnamen bij het staken van een onderneming echter als verkapt loon, zodat de man de rekening-courant-schuld moest aanvullen. Hij heeft dat gedaan door zichzelf een dividenduitkering uit zijn eigen onderneming toe te kennen, waarover hij nog wel inkomstenbelasting moest betalen. Het ging hier niet om een bedrag dat daadwerkelijk door de man is ontvangen, maar om slechts een boekhoudkundige constructie, aldus de man.

4.5.5

Vanwege het ontbreken van nadere stukken hierover, kan de rechtbank uit de wel voorhanden zijnde stukken slechts vaststellen dat een bedrag van € 150.123,- als regulier voordeel uit aanmerkelijk belang in [BV man 2] resp. [onderneming man] en dus als inkomsten van de man wordt genoemd, welk inkomen ook als zodanig is betrokken bij de inkomstenbelasting (box 2) over 2018. In de IB-aangifte 2018 is voorts een bedrag van € 155.702,- als privé-onttrekkingen uit [VOF partijen] vermeld, leidend tot een negatief eigen vermogen ultimo 2018 van [VOF partijen] van € -37.089,-. De man heeft geen stukken overgelegd waaruit blijkt dat de winstuitkering van € 150.123,- is gebruikt om vanwege fiscale redenen een negatief rekening-courant-saldo van [VOF partijen] op papier op nihil te stellen bij liquidatie.

Voor zover de man heeft bedoeld te stellen dat de winstuitkering is gebruikt om een negatieve rekening-courant schuld aan [onderneming man] bij liquidatie aan te vullen, geldt ook hier dat hiervan bij gebrek aan stukken (bijvoorbeeld de jaarstukken van [onderneming man] ) niets is gebleken.

Zoals hiervoor al is aangegeven, had het op de weg van de man gelegen om nadere stukken te verschaffen ter onderbouwing van zijn stellingen. Met de stukken die nu in het geding zijn gebracht, kan de rechtbank niet anders dan constateren dat de man in 2018 € 150.123,- aan belaste inkomsten bij wijze van winstuitkering heeft ontvangen en voorts € 155.702,- als onttrekkingen aan [VOF partijen] .

De rechtbank merkt tenslotte nog op dat de door de man gestelde jarenlange opnames uit de rekening-courant verhouding met [VOF partijen] dan wel [onderneming man] niet blijken uit de berekening van het NBGI van partijen en de behoefteberekening over de jaren 2014-2016 die door de man in het verweerschrift in de echtscheidingsprocedure zijn aangevoerd. Indien immers genoemde rekening-courantopnames ten goede zouden zijn gekomen aan het gezin van partijen tijdens huwelijk zoals de man stelt, dan zou het gezinsinkomen met gemiddeld ca.
€1.200,- tot € 1.300,- netto per maand (€ 150.000 : 10 jaar : 12 maanden) hoger zijn uitgekomen dan de bedragen die in dat verweerschrift zijn genoemd, welke bedragen immers volgens het verweerschrift zijn berekend aan de hand van de fiscale rapporten en belastingaanslagen.

4.5.6

Verder constateert de rechtbank het volgende. Partijen waren tijdens hun huwelijk partner in de onderneming [VOF partijen] . In het echtscheidingsconvenant kwamen partijen hierover overeen dat alle verplichtingen vanuit [VOF partijen] uitsluitend op de man zouden rusten en dat [VOF partijen] aan de man werd toegedeeld, althans de daarin vertegenwoordigde waarde (in het convenant niet nader begroot), waarbij tevens werd afgesproken dat [VOF partijen] per 31 december 2017 zou worden ontbonden en bij de KvK zou worden uitgeschreven. Uit de jaarstukken blijkt dat het eigen vermogen van deze onderneming op 1 januari 2018 € 69.238,- bedroeg. Gelet op de afspraken van partijen over [VOF partijen] is dit vermogen aan de man toegekomen. Ook hierover heeft de man - in het licht van zijn stelling dat hij tegenover de in het convenant aan hem toebedeelde activa in de gemeenschap een onevenredig deel van de huwelijkse schulden voor zijn rekening heeft moeten nemen (volgens het convenant bedroegen de schulden na afwikkeling woning afgerond € 50.000,-) waartoe hij zijn “eventuele inkomsten” diende aan te wenden - geen nadere informatie kunnen verschaffen.

4.5.7

De rechtbank is dan ook van oordeel dat onvoldoende is komen vast te staan dat de door de man gestelde wijziging van inkomen moet worden aangemerkt als een in aanmerking te nemen wijziging van omstandigheden.

nieuwe relatie van de man, geboorte van [minderjarige 3]

4.5.8

Tijdens de mondelinge behandeling is komen vast te staan dat de man ten tijde van het sluiten van de overeenkomst reeds een relatie had met [partner van de man] . Deze relatie is van invloed, of kan dat zijn, op de draagkracht van de man en zijn onderhoudsverplichting jegens de minderjarigen. Echter, nu deze relatie van de man reeds bestond ten tijde van het sluiten van het echtscheidingsconvenant en het ouderschapsplan kon de man daarmee rekening houden en is van een gewijzigde omstandigheid geen sprake.

Anders is dat met de geboorte van [minderjarige 3] . Door zijn geboorte is voor de man een onderhoudsverplichting jegens [minderjarige 3] ontstaan. Of deze gewijzigde omstandigheid zodanig is dat deze ertoe moet leiden dat de tussen partijen geldende afspraken moeten worden opengebroken, zal de rechtbank hierna vanaf r.o. 4.6.1 e.v. bespreken.

wijziging inkomen van de vrouw

4.5.9

Voor wat de wijziging van het inkomen van de vrouw betreft, overweegt de rechtbank dat uit de stukken blijkt, hetgeen partijen tijdens de mondelinge behandeling hebben bevestigd, dat de behoefte van de minderjarigen in het ouderschapsplan op € 350,- per kind per maand is gesteld en dat de man het volledige bedrag daarvan voor zijn rekening neemt. Het inkomen van de vrouw is dus niet betrokken (geweest) bij de vaststelling van de alimentatieverplichting van de man. Dat het inkomen van de vrouw nu is gewijzigd, is dan ook geen dusdanig ingrijpende wijziging dat de vrouw de man niet langer kan houden aan de tussen partijen gemaakte afspraken.

wanverhouding

4.6.1

Voor wat betreft de beoordeling of er door de geboorte van [minderjarige 3] een volkomen wanverhouding is ontstaan tussen hetgeen partijen bij het sluiten van de overeenkomst voor ogen stond en wat zich in werkelijkheid heeft voorgedaan, zal de rechtbank allereerst de hoogte berekenen van de door de man te betalen bedragen wegens kinderalimentatie, uitgaande van het huidige inkomen van partijen.

4.6.2

Bij het bepalen van de behoefte aan een onderhoudsbijdrage en de financiële draagkracht om die te voldoen hanteert de rechtbank de uitgangspunten, zoals deze zijn neergelegd in de aanbevelingen van de Expertgroep Alimentatie.

Behoefte [minderjarige 1] en [minderjarige 2]

4.6.3

In 2017 is de behoefte van [minderjarige 2] en [minderjarige 2] vastgesteld op € 350,- per kind per maand. Geïndexeerd naar 2021 bedraagt hun behoefte € 383,- per kind per maand.

Behoefte [minderjarige 3]

4.6.4

In verband met de verdeling van de draagkracht van de man over zijn minderjarige kinderen, is ook de behoefte van [minderjarige 3] van belang. Daarbij houdt de rechtbank er rekening mee dat tot het gezin van de man en [partner van de man] naast [minderjarige 3] nog drie andere kinderen behoren in de leeftijd van 17, 15 en 12 jaar.

4.6.5

Voor de vaststelling van de behoefte van [minderjarige 3] is maatgevend het netto besteedbaar gezinsinkomen (NBGI) van de man en [partner van de man] .

4.6.6

Anders dan de vrouw betoogt, gaat de rechtbank voor de berekening van het netto besteedbaar inkomen van de man uit van de alimentatienormen en dus het fiscaal inkomen van de man. De vrouw heeft niet onderbouwd waarom hiervan afgeweken dient te worden en in dit geval uitgegaan zou moeten worden van het pensioengevend inkomen. Niet in geschil is dat het fiscaal inkomen van de man € 59.246,- bedraagt en het NBI € 3.205,-.

4.6.7

Voor de inkomensgegevens van [partner van de man] zal de rechtbank uitgaan van de berekening zoals overgelegd door de man als productie 24, nu deze berekening niet, althans onvoldoende, is weersproken door de vrouw. In die berekening is rekening gehouden met de situatie van arbeidsongeschiktheid van [partner van de man] die, zoals de man heeft gesteld, naar verwachting nog langere tijd zal voortduren. Volgens die berekening bedraagt het NBI van Van Vooren € 2.428,- per maand.

4.6.8

Het NBGI van de man en [partner van de man] bedraagt dan € 5.633,-.

Op het NBGI strekt in mindering de kinderbijdrage die de man ten behoeve van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] betaalt, nu de man en [partner van de man] in hun gezin niet over dit bedrag kunnen beschikken en dit bedrag dus niet ten goede komt aan de minderjarige [minderjarige 3] . Tussen partijen staat vast dat de man, evenals in 2017, € 800,- per maand aan de vrouw betaalt.

Het dan berekend inkomen (€ 4.833,-) gevoegd bij het ten aanzien van het gezin van de man en [partner van de man] toepasselijke aantal kinderbijslagpunten, levert een behoefte van [minderjarige 3] op van € 359,- per maand.

Draagkracht van de onderhoudsplichtigen

4.6.9

Beoordeeld dient te worden in welke verhouding de behoefte van de minderjarigen [minderjarige 1] en [minderjarige 2] tussen partijen zal worden verdeeld. De rechtbank volgt ook in dit opzicht de aanbevelingen van de Expertgroep Alimentatie, inhoudende dat de behoefte van kinderen tussen de onderhoudsplichtigen wordt verdeeld naar rato van hun draagkracht. Daartoe dient eerst het netto besteedbaar inkomen (NBI) van partijen te worden bepaald. Het bedrag aan draagkracht wordt bij inkomens vanaf € 1.700,- per maand vastgesteld aan de hand van de formule 70% x [NBI – (0,3 NBI + € 1.000,-)].

draagkracht vrouw

4.6.10

Voor wat de draagkracht van de vrouw betreft, zal de rechtbank uitgaan van de salarisgegevens zoals overgelegd als productie 2 bij de brief van mr. De Koeijer van 5 augustus 2021. Uitgaande van een bruto-maandloon van € 3.447,- te vermeerderen met 8% vakantietoeslag en een eindejaarsuitkering van € 3.208,- en rekening houdende met de algemene heffingskorting, de arbeidskorting en de op aanslag verschuldigde inkomensafhankelijke bijdrage zorgverzekeringswet en de verschuldigde inkomstenbelasting en premies volksverzekeringen, komt de rechtbank op een NBI van de vrouw van € 3.268,- en een daarbij behorende draagkracht van € 902,-.

draagkracht man

4.6.11

Voor de vaststelling van de draagkracht van de man zal de rechtbank uitgaan van de hiervoor in 4.6.6 weergegeven inkomensgegevens. Het NBI van de man van € 3.205,- leidt tot een totale draagkracht van de man van € 870,- per maand.

draagkracht [partner van de man]

4.6.12

De rechtbank zal voor de draagkracht van [partner van de man] uitgaan van de hiervoor in 4.6.7 vermelde gegevens. Het NBI van € 2.428,- correspondeert met een draagkracht van [partner van de man] van € 490,- per maand.

verdeling

4.6.13

De man is onderhoudsplichtig voor zowel [minderjarige 1] en [minderjarige 2] als voor [minderjarige 3] . De draagkracht van de man dient naar rato van de behoefte over alle minderjarigen te worden verdeeld volgens de formule: de behoefte van ieder kind gedeeld door de totale behoefte vermenigvuldigd met de draagkracht van de man. Dat betekent in dit geval:

het (draagkracht)aandeel van de man voor [minderjarige 1] en [minderjarige 2] bedraagt

€ 766,- /€ 1.125,- x € 870,- = € 592,- per maand (€ 296,= per kind per maand);

het (draagkracht)aandeel van de man voor [minderjarige 3] bedraagt

€ 359,-/€ 1.125,- x € 870,- = € 278,- per maand.

Draagkrachtvergelijking

4.6.14

De gezamenlijke (beschikbare) draagkracht van de partijen voor [minderjarige 1] en [minderjarige 2] is

€ 592,- + € 902,- = € 1.494,-.

Het deel van de man bedraagt: € 592,- /€ 1.494,- x € 766,- = € 304,-; dat wil zeggen € 152,= per kind per maand.

Het deel van de vrouw bedraagt; € 902,-/€ 1.494,- x € 766,- = € 462,- per maand; € 231,- per kind per maand.

4.6.15

Met de hiervoor genoemde bedragen wordt volledig in de behoefte van zowel [minderjarige 2] en [minderjarige 1] als [minderjarige 3] voorzien.

4.6.16

Uit de voorgaande berekening volgt dat de man volgens de aanbevelingen van de Expertgroep Alimentatie met zijn huidige inkomen € 152,- per kind per maand kan bijdragen in de behoefte van [minderjarige 2] en [minderjarige 1] . Weliswaar is dit een aanzienlijk verschil met de huidige bijdrage van € 400,- per kind per maand, maar de rechtbank acht dit bedrag niet in een zodanige wanverhouding staan dat de vrouw in het licht van alle omstandigheden naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid ongewijzigde instandhouding van de overeenkomst niet mag verwachten. Daarbij neemt de rechtbank de volgende omstandigheden in aanmerking:

- in het bedrag van € 400,- is € 50,- begrepen als compensatie voor het niet betalen van partneralimentatie aan de vrouw, zodat het bedrag aan kinderalimentatie feitelijk € 350,- bedraagt; indien de berekeningen worden gevolgd uit het verweerschrift van de man in de echtscheidingsprocedure, had hij een substantieel bedrag aan partneralimentatie dienen te betalen aan de vrouw, aanzienlijk meer dan het bedrag van € 50,= dat hij nu extra per maand betaalt en in de afgelopen jaren steeds heeft betaald;

- het verschil in bijdrage wordt voornamelijk veroorzaakt doordat het inkomen van de vrouw in deze berekening is meegenomen, terwijl dat bij de vaststelling in 2017 niet is betrokken en partijen hier bewust voor hebben gekozen. Zou met dit inkomen geen rekening worden gehouden, dan zou de huidige draagkracht van de man een bijdrage van € 296,- per kind per maand toelaten (zie 4.6.13);

- zoals hiervoor in 4.5.4 tot en met 4.5.6 reeds is overwogen, heeft de man onvoldoende inzicht gegeven in zijn vermogen, het inkomen daaruit en in hoeverre van hem kan worden verlangd dit vermogen aan te spreken om de afgesproken bijdrage te blijven voldoen;

- in de draagkrachtberekeningen van de man en van [partner van de man] zijn forfaitaire woonlasten opgenomen van € 962,- respectievelijk € 728,- per maand, dat wil zeggen voor beiden gezamenlijk € 1.690,- per maand. Uit de stukken blijkt dat hun lasten feitelijk slechts circa € 1.200,- bedragen. De werkelijke woonlasten zijn dus aanmerkelijk lager dan waarmee is gerekend waardoor de man, mede in het licht van de uitspraak van de Hoge Raad van 16 april 2021 (ECLI:NL:HR:2021:586), ruimte heeft om de huidige alimentatiebedragen te voldoen.

- het was de man bij ondertekening van het ouderschapsplan en convenant genoegzaam bekend dat de overeengekomen alimentatiebijdragen boven de wettelijke norm lagen nu deze bedragen afweken van de door zijn adviseur gemaakte alimentatieberekeningen. Ter zitting heeft de man bovendien nog gesteld vanuit sociaal oogpunt te hebben ingestemd met de relatief hoge bijdragen.

4.6.17

De rechtbank komt dan ook tot de conclusie dat hetgeen partijen in het ouderschapsplan en echtscheidingsconvenant zijn overeengekomen onverminderd van kracht blijft.

Bij gelegenheid van de mondelinge behandeling heeft de man – gehoord de zwaardere criteria om tot wijziging van de kinderalimentatie over te gaan – verklaard dat hij de consequenties van de inhoud van het ouderschapsplan en het convenant niet heeft (kunnen) voorzien en dat hij hieromtrent niet voldoende is voorgelicht. Dit leidt de rechtbank echter niet tot de conclusie dat de man thans ten nadele van de vrouw niet langer gebonden zou zijn aan de tussen partijen gemaakte afspraken. Partijen hadden beiden een advocaat. Tijdens het opstellen van beide stukken is tussen de advocaten diverse malen overleg geweest. Partijen zijn mede ter beëindiging van hun strijd overeengekomen dat afgeweken wordt van de wettelijke maatstaven, waarbij partijen afwegingen maken en over en weer argumenten laten varen. Zeker een ondernemer die keuzes maakt en beslissingen neemt, mag ermee bekend zijn dat toekomstige (nadelige) gevolgen niet altijd zijn te overzien en noodgedwongen dienen te worden geaccepteerd. Voor de man was, zo blijkt uit hetgeen hij heeft aangevoerd, vooral van belang dat hij geen partneralimentatie zou betalen, hetgeen tussen partijen ook is overeengekomen. Na de afspraak over de extra bijdrage van € 50,- per maand, heeft de vrouw hier ook geen aanspraak meer op gemaakt. Voorzover de man heeft bedoeld te stellen dat hij door zijn advocaat onvoldoende is voorgelicht, dient dit – wat daar ook van zij – voor zijn rekening en risico te blijven.

4.6.18

Het verzoek van de man zal gelet op het voorgaande worden afgewezen.

Periode vanaf 1 september 2021 inzake [minderjarige 1]

4.7.1

Voor wat betreft [minderjarige 1] heeft de vrouw verzocht de bijdrage van de man te wijzigen per 1 september 2021 naar € 545,- per maand.

4.7.2

De rechtbank stelt vast dat partijen in het ouderschapsplan of echtscheidingsconvenant geen nadere afspraken over de alimentatie hebben gemaakt voor het geval de minderjarigen voor hun 22e jaar gaan studeren. Partijen hebben wel afspraken gemaakt over studiekosten na 21 jaar (artikel 7.5 van het ouderschapsplan), dus de mogelijkheid van studie is wel onder ogen gezien. Tussen partijen staat vast dat ten behoeve van [minderjarige 1] een spaarrekening door partijen is geopend waarop vanaf zijn geboorte per maand € 50,- wordt gestort, met als doel te voorzien in zijn kosten als hij zou gaan studeren. Deze spaarrekening staat op naam van [minderjarige 1] en het beheer daarvan wordt aan hem overgedragen wanneer hij 18 jaar wordt (hetgeen zeer recent is gebeurd). Op deze rekening stond ca € 12.500,-; € 3.000,- daarvan is nu reeds aangewend voor (studie)kosten.

Daarnaast heeft de man ook nog € 2.200,- gereserveerd voor collegegeld van [minderjarige 1] vanuit de nalatenschap van de zus van [partner van de man] . Omdat de hoogte van het collegegeld dit jaar is gehalveerd, is daarvan nog een deel beschikbaar voor andere jaren.

4.7.3

Conform de aanbevelingen van de Expertgroep dient de behoefte van een studerende in beginsel te worden vastgesteld op de WSF-norm; voor 2021 € 1.102,- per maand.

Rekening houdende met het voor [minderjarige 1] beschikbare gespaarde bedrag, totaal ca € 12.500,- en afgezet tegen de studieduur van in beginsel 4 jaar, wordt in die behoefte met een bedrag van € 260,- per maand voorzien. De resterende behoefte van [minderjarige 1] bedraagt dan € 842,- per maand. De rechtbank gaat er daarbij wel vanuit dat het bedrag van € 2.200,- daadwerkelijk wordt besteed aan het collegegeld van [minderjarige 1] .


Met de wijziging van de behoefte van [minderjarige 1] per 1 september 2021, wijzigt ook de verdeling van de draagkracht van de man voor ieder van de minderjarigen.

draagkracht van partijen

4.7.4

Zoals hiervoor reeds genoemd hebben partijen geen afspraken gemaakt over de bijdrage indien één van de kinderen gaat studeren. Mede gelet op de aanzienlijke stijging in de behoefte van [minderjarige 1] , is het naar het oordeel van de rechtbank dan ook redelijk om bij het vaststellen van de bijdrage ten behoeve van [minderjarige 1] ook rekening te houden met het inkomen van de vrouw. Beoordeeld zal hierna worden in welke verhouding de behoefte van [minderjarige 1] tussen de onderhoudsplichtigen zal worden verdeeld.

4.7.5

Ook nu dient de draagkracht van de man verdeeld te worden.

Het draagkrachtaandeel van de man voor [minderjarige 1] bedraagt:

€ 842,- /€ 1.584,- x € 870,- = € 462- per maand.

Het draagkrachtaandeel van de man voor [minderjarige 2] bedraagt:

€ 383,-/€ 1.584,- x € 870,- = € 210,- per maand.

Het draagkrachtaandeel van de man voor [minderjarige 3] bedraagt:

€ 359,-/€ 1.584,- x € 870,- = € 197,- per maand.

4.7.6

Voor wat betreft de draagkracht van de vrouw gaat de rechtbank uit van de hiervoor in 4.6.10 vermelde gegevens en een draagkracht van € 902,- per maand.

draagkrachtvergelijking

4.7.7

De gezamenlijke (beschikbare) draagkracht van de partijen voor [minderjarige 1] is

€ 462,- + (€ 902,-: 2 =) = € 913,-.

Het deel van de man ten behoeve van [minderjarige 1] bedraagt:

€ 462,- /€ 913,- x € 842,- = € 426,- per maand.

Het deel van de vrouw ten behoeve van [minderjarige 1] bedraagt:

€ 451,-/€ 913,- x € 842,- = € 416,- per maand.

4.7.8

Het voorgaande leidt tot de conclusie dat de man per 1 september 2021 € 426,- per maand dient bij te dragen ten behoeve van [minderjarige 1] . Dit is een gering verschil met hetgeen de man op grond van de tussen partijen gemaakte afspraken tot op heden steeds heeft betaald. De rechtbank zal het ouderschapsplan in deze zin wijzigen.

Voor alle duidelijkheid merkt de rechtbank nog op dat het maandbedrag voor [minderjarige 2] dus niet wijzigt.

4.7.9

De rechtbank heeft een berekening gemaakt van de draagkracht van de vrouw (zie hiervoor r.o. 4.6.10). Een gewaarmerkt exemplaar van deze berekening is aan deze beschikking gehecht en maakt daarvan deel uit.

5 De beslissing

De rechtbank

wijzigt het aan de beschikking van 5 december 2017 gehechte ouderschapsplan aldus dat de bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [minderjarige 1] , geboren te [geboorteplaats] op 17 oktober 2003, met ingang van 1 september 2021 wordt vastgesteld op € 426,= per maand;

verklaart de beschikking uitvoerbaar bij voorraad;

wijzigt af hetgeen meer of anders is verzocht.

Deze beschikking is gegeven door mr. M.J.L. Holierhoek, rechter, tevens kinderrechter, en, in tegenwoordigheid van mr. H.M.J. van ‘t Westeinde, griffier, in het openbaar uitgesproken op 26 oktober 2021.

Mededeling van de griffier:

Indien hoger beroep tegen deze beschikking mogelijk is, kan dat worden ingesteld:

- door de verzoekers en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak,

- door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden.

Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend ter griffie van het

gerechtshof ’s-Hertogenbosch.