Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZWB:2021:5301

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak
21-10-2021
Datum publicatie
26-10-2021
Zaaknummer
AWB- 21_3503 VV + 21/4207
Rechtsgebieden
Bestuursprocesrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening+bodemzaak
Inhoudsindicatie

Verlenen van een omgevingsvergunning voor een pluimveehouderij

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Bestuursrecht

zaaknummers: BRE 21/3503 WABOM VV en BRE 21/4207 WABOM

uitspraak van 21 oktober 2021 van de voorzieningenrechter in de zaak tussen

[naam verzoeker] , te [woonplaats verzoeker] , verzoeker,

gemachtigde: mr. A.A.M. van Hoorn,

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Goirle, verweerder.

Als derde partij heeft aan het geding deelgenomen:

[naam derde partij] , te [plaatsnaam] , vergunninghoudster.

Procesverloop

Verzoeker heeft bezwaar gemaakt tegen het besluit van 5 januari 2021 (primair besluit) van het college over het verlenen van een omgevingsvergunning aan vergunninghoudster voor de pluimveehouderij aan [adres] . Hij heeft de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.

Voordat een zitting heeft plaatsgevonden, heeft het college bij besluit van 23 september 2021 (bestreden besluit) het bezwaar van verzoeker ongegrond verklaard. Verzoeker heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld, zodat het verzoek om voorlopige voorziening geldt als een verzoek gedaan tijdens het beroep bij de rechtbank.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden in Breda op 7 oktober 2021. Verzoeker is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door [naam vertegenwoordiger 1] en [naam vertegenwoordiger 2] (beiden van de Omgevingsdienst Midden- en West-Brabant). Namens vergunninghoudster waren aanwezig [naam directeur/eigenaar] (directeur/ eigenaar) en [naam adviseur] ( [naam kantoor] ).

Overwegingen

1. Feiten

Op 2 december 2014 heeft het college op aanvraag van vergunninghoudster aan haar een omgevingsvergunning verleend voor het verlengen van drie bestaande vleeskuikenstallen van de pluimveehouderij aan [adres] (het perceel).

Op 7 juli 2020 heeft vergunninghoudster een aanvraag om omgevingsvergunning ingediend bij het college. De projectomschrijving in de aanvraag luidt: wijzigen ventilatiesysteem bestaande stallen en realiseren ionisatielampen ten behoeve van verlagen fijn stofemissie.

Bij het primair besluit heeft het college de gevraagde omgevingsvergunning verleend op grond van artikel 2.1, eerste lid, onder e, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) voor de activiteit: 1°. het oprichten, 2°. het veranderen of veranderen van de werking of 3°. het in werking hebben van een inrichting. Ook heeft het college op basis van artikel 6, tweede lid, van het Besluit emissiearme huisvesting (Beh) in afwijking van het gestelde in artikel 5 van het Beh, besloten dat voor de uitbreidingen van de bestaande, reeds emissiearm uitgevoerde vleeskuikenstallen, in plaats van de maximale emissiewaarde uit kolom C de maximale emissiewaarde uit kolom B van bijlage 1 van het Beh van toepassing is.

Verzoeker woont op het adres [adres verzoeker] nabij de inrichting. Hij heeft bezwaar gemaakt tegen het primaire besluit en de voorzieningenrechter gevraagd een voorlopige voorziening te treffen.

Bij het bestreden besluit heeft het college de bezwaren van verzoeker, conform het advies van de commissie voor bezwaarschriften en onder aanvulling van de motivering, ongegrond verklaard.

Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Op grond van artikel 8:81, vijfde lid, van de Algemene wet bestuursrecht geldt het verzoek om voorlopige voorziening als een verzoek gedaan tijdens het beroep bij de rechtbank.

2. Gronden verzoeker

De gronden van verzoeker richten zich uitsluitend tegen de toepassing van artikel 6, tweede lid, van het Beh. Ter zitting heeft de gemachtigde van verzoeker desgevraagd aangegeven dat de bevoegdheid van het college om artikel 6, tweede lid, van het Beh toe te passen niet (meer) wordt betwist.

Verzoeker wijst erop dat artikel 6, tweede lid, van het Beh een bevoegdheid is en geen verplichting. Hij is het niet eens met de door het college gemaakte belangenafweging. Naar zijn mening kent het college teveel gewicht toe aan het belang van vergunninghoudster en te weinig gewicht aan de bescherming die het Beh beoogt te bieden. Vergunninghoudster heeft er zelf voor gekozen om zes jaar te wachten met het uitbreiden van de stallen en was er van op de hoogte dat er strengere eisen zouden gaan gelden. Er is niet gebleken dat het onmogelijk is voor vergunninghoudster om te voldoen aan de hogere emissiewaarde van kolom C. Verzoeker stelt dat het college eerder aan omwonenden heeft aangegeven dat er strengere vergunningseisen zouden worden gesteld.

Hij heeft de voorzieningenrechter verzocht het bestreden besluit te schorsen.

3. Wettelijk kader

Het relevante wettelijk kader is opgenomen in de bijlage van deze uitspraak.

4. Spoedeisend belang

Vergunninghoudster is op dit moment bezig met de verbouwing van de stallen. Gelet op de onomkeerbaarheid van deze werkzaamheden heeft verzoeker een spoedeisend belang bij de behandeling van dit verzoek om voorlopige voorziening.

5. Kortsluiting

De voorzieningenrechter is van oordeel dat nader onderzoek niet kan bijdragen aan de

beoordeling van de hoofdzaak en doet daarom op grond van artikel 8:86 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) niet alleen uitspraak op het verzoek om voorlopige voorziening, maar ook op het beroep.

6. Besluit emissiearme huisvesting

6.1

Het Beh geeft maximale emissiewaarden voor ammoniak en fijnstof. Het geldt sinds 1 augustus 2015 en vervangt het eerdere Besluit huisvesting.

Het Beh bepaalt dat dierenverblijven emissiearm moeten zijn, als er emissiearme huisvestingssystemen beschikbaar zijn. Het besluit bevat maximale emissiewaarden: alleen huisvestingssystemen met een emissiefactor die lager is dan of gelijk is aan de maximale emissiewaarde, zijn toegestaan. Het Beh is direct werkend: de regels gelden voor de veehouderijen van rechtswege naast de voorschriften van het Activiteitenbesluit of de omgevingsvergunning milieu. Veehouders moeten zich dus aan het Beh houden zonder dat het bevoegd gezag dit nog apart hoeft te bepalen.

Een belangrijke wijziging in het Beh is de uitbreiding en aanscherping van de maximale emissiewaarden voor ammoniak. Dit is onder meer nodig om te kunnen blijven voldoen aan de NEC-richtlijn (2016/2284/EU). Ook zijn er ontwikkelingen in de stand der techniek (toepassen van best beschikbare technieken). Er zijn sinds inwerkingtreding van het Besluit huisvesting diverse nieuwe emissiearme systemen beschikbaar gekomen. Deze systemen maken aanscherpen van de maximale emissiewaarden mogelijk.

In de nota van toelichting bij het Beh staat dat uitbreidingen gelijkgesteld zijn aan het oprichten van een dierenverblijf. Er kunnen zich echter situaties voordoen waarin het redelijkerwijs niet mogelijk is om aan de maximale emissiewaarde te voldoen. Dit speelt met name als de bestaande stal één geheel gaat vormen met de uitbreiding en het wenselijk is om hetzelfde huisvestingssysteem toe te passen. Daarom is in het Beh in artikel 6, tweede lid, een mogelijkheid opgenomen voor het bevoegd gezag om bij uitbreidingen het afwijken van de maximale emissiewaarde toe te staan. In het geval van ammoniak is dit uitsluitend mogelijk bij de uitbreiding van een dierenverblijf waar al een emissiearme techniek wordt toegepast.

6.2

Op grond van artikel 6, tweede lid, van het Beh kan het college bepalen dat bij het uitbreiden van een emissiearm dierenverblijf voor - in dit geval - vleeskuikens niet hoeft te worden voldaan aan de maximale emissiewaarde uit kolom C (0,024 kg NH3 per dierplaats per jaar), maar aan de maximale emissiewaarde uit kolom B (0,035 kg NH3 per dierplaats per jaar) van bijlage 1 van het Beh. Dit kan uitsluitend, indien bij die uitbreiding hetzelfde huisvestingssysteem wordt toegepast en de uitbreiding niet meer dan 50% van het bebouwde oppervlak bedraagt.

Tussen partijen is niet in geschil dat het hier gaat om het uitbreiden van een emissiearm dierenverblijf en dat de uitbreiding niet meer dan 50% van het bebouwde oppervlak bedraagt.

Ten aanzien van de vraag of bij de uitbreiding hetzelfde huisvestingssysteem wordt toegepast, heeft het college de volgende toelichting gegeven. In 2014 is het volgende stalsysteem vergund: stal met mixluchtventilatie met typeaanduiding BWL 2005.10.V6. Dit is een huisvestingsysteem met een emissiearme techniek. Dat huisvestingssysteem functioneert nog naar behoren en is nog niet afgeschreven. Het huisvestingssysteem BWL 2005.10.V6 zal ook in de uitbreiding van de stallen worden toegepast. Daarnaast wordt nu het stalsysteem BWL 2020.03.V2 vergund. Het extra systeem is bedoeld om de fijnstofemissie te verlagen. Dit systeem is niet van invloed op de ammoniakemissie en functioneert geheel los van het huisvestingssysteem BWL 2005.10.V6.

7. Belangenafweging

7.1

De vraag die aan de voorzieningenrechter voorligt is of het college in redelijkheid van de bevoegdheid op grond van artikel 6, tweede lid, van het Beh gebruik heeft mogen maken. De bevoegdheid van het college is een discretionaire bevoegdheid, die de bestuursrechter terughoudend moet toetsen.

7.2

In het bestreden besluit heeft het college de betrokken belangen als volgt gewogen en het gebruik van de bevoegdheid als volgt gemotiveerd:

Kosten vergunninghoudster:

Om te kunnen voldoen aan de maximale emissiewaarde uit kolom C van bijlage 1 van het Beh kan alleen gekozen worden voor huisvestingssystemen met een emissie van maximaal 0,024 kg NH3/dier/jr. Dit zijn systemen die een forse aanpassing van de bestaande stallen vragen of ten minste een forse wijziging in het verwarmings- en/of ventilatiesysteem.

Als een dergelijk systeem moet worden toegepast in de gehele stal betekent dit dat de bestaande stallen ingrijpend moeten worden gewijzigd. Dit betekent een flinke kostenpost voor het bedrijf, niet alleen vanwege de aanschaf van een volledig nieuw systeem, maar ook door versnelde afschrijving van het bestaande stalsysteem.

Afname fijn stof- en geuremissie:

Vergunninghoudster investeert met deze aanvraag in een systeem dat de fijnstofemissie vanuit de stal vermindert, wat rechtstreeks ten goede komt aan de gezondheid van de omwonenden. Ook de geuremissie neemt af ten opzichte van de vergunde situatie.

Geen toename ammoniakemissie, en deze is al relatief gunstig:

Er is geen sprake van een toename van ammoniak ten opzichte van de vergunde situatie.

Met het aanwezige emissiearme huisvestingssysteem reduceert vergunninghoudster in de bestaande stallen al meer ammoniak dan verplicht is op grond van het Beh. De maximale emissiewaarde van kolom A bedraagt 0,045 kg NH3 per dierplaats per jaar. Het aanwezige systeem heeft een emissiefactor van 0,031 kg NH3 per dierplaats per jaar.

Gezondheid

Het college heeft de aangevraagde wijziging ter beoordeling voorgelegd aan de GGD. Op 14 september 2021 is de gezondheidskundige beoordeling ontvangen. Deze is bij het bestreden besluit gevoegd. De beoordeling door de GGD leidt volgens het college niet tot de conclusie dat het gebruik van de bevoegdheid zoals opgenomen in artikel 6, tweede lid, van het Beh leidt tot nadelige gevolgen voor de volksgezondheid.

Een verdere reductie van ammoniakemissie komt vooral ten goede aan voor stikstof gevoelige natuur en niet direct aan omwonenden. Zoals ook blijkt uit het advies van de GGD slaat ammoniak pas op grotere afstand van de inrichting neer, dat geldt ook voor de ammoniak die wordt omgezet in secundair fijn stof.

Vanwege voorgaande redenen acht het college het belang van eiser en de omwonenden bij een verdergaand ammoniakemissie reducerend systeem minder zwaarwegend dan het belang van vergunninghoudster bij het mogen toepassen van het bestaande emissiearme stalsysteem in de uitbreiding van de stallen.

7.3

De voorzieningenrechter is van oordeel dat het college met deze argumenten in het bestreden besluit, en met de toelichting daarbij ter zitting, voldoende deugdelijk heeft gemotiveerd waarom in de onderhavige situatie is besloten gebruik te maken van de bevoegdheid op grond van artikel 6, tweede lid, van het Beh. De voorzieningenrechter kan het college in die motivering volgen en overweegt daartoe als volgt.

Vergunninghoudster heeft met deze aanvraag gekozen voor een pakket aan maatregelen als gevolg waarvan de geuremissie van de inrichting afneemt (door nokventilatie in plaats van nok- en gevelventilatie). Door het additionele stalsysteem BWL 2020.03.V2 te vergunnen wordt daarnaast ook de fijnstofemissie met 31% gereduceerd. Dit zijn positieve effecten van de maatregelen voor de omwonenden.

Het aantal dieren blijft gelijk ten opzichte van de in 2014 vergunde situatie, alleen krijgen de dieren meer ruimte. Ook dat ziet de voorzieningenrechter als een positieve ontwikkeling.

De ammoniakemissie blijft gelijk ten opzichte van de vergunde situatie, maar het college wijst er terecht op dat de dieren in de bestaande dierenverblijven een ammoniakemissie mogen hebben van 0,045 kg NH3 per dierplaats per jaar (te weten kolom A), maar door het bestaande huisvestingssysteem BWL 2005.10.V6 slechts een emissie hebben van 0,031 NH3 per dierplaats per jaar (dus onder de norm van kolom B: 0,035 NH3 per dierplaats per jaar).

Alleen de nieuwe dierenverblijven moeten voldoen aan kolom C, maar vergunninghoudster heeft ter zitting toegelicht dat het bouwen van een losse stal bestemmingsplan technisch niet mogelijk is vanwege het bouwvlak. Een uitbreiding van het bouwvlak is volgens haar geen optie, omdat de inrichting dan dichter bij de omwonenden komt. Een compartimentering van de nieuwe dierenverblijven in de bestaande stallen is evenmin mogelijk vanwege het feit dat de vleeskuikens in dezelfde levensfase zitten en de stallen tussendoor schoongemaakt en ontsmet worden om infecties en ziekten te voorkomen.

Ten slotte heeft het college ook het financiële aspect bij de belangenafweging mogen betrekken. Het toepassen van een volledig nieuw huisvestingssysteem voor alle stallen waarmee voldaan kan worden aan de maximale emissiewaarde uit kolom C van bijlage 1 van het Beh, terwijl het huidige stalsysteem nog voldoet, kost vergunninghoudster, zo is ter zitting onweersproken gesteld, een extra investering van circa € 200.000,-.

Gelet op al deze betrokken belangen is de voorzieningenrechter van oordeel dat het college in redelijkheid deze afweging heeft mogen maken en toepassing heeft mogen geven aan zijn bevoegdheid op grond van artikel 6, tweede lid, van het Beh.

8. Conclusie

Het beroep zal ongegrond worden verklaard. Nu het beroep ongegrond wordt verklaard, is er geen aanleiding om een voorlopige voorziening te treffen.

Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De voorzieningenrechter:

  • -

    verklaart het beroep ongegrond;

  • -

    wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. L.P. Hertsig, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. M.A. de Rooij, griffier, op 21 oktober 2021 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.

De griffier is niet in de gelegenheid om de uitspraak te tekenen.

griffier voorzieningenrechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan voor zover daarbij is beslist op het beroep binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening.

BIJLAGE

Besluit emissiearme huisvesting

Artikel 5. (ammoniak hoofdcategorie varkens, kippen en kalkoenen), eerste lid:

1. Degene die een inrichting drijft waarin landbouwhuisdieren worden gehouden, past in een dierenverblijf voor de hoofdcategorie varkens, de hoofdcategorie kippen en de hoofdcategorie kalkoenen geen huisvestingssystemen toe met een emissiefactor voor ammoniak die hoger is dan de maximale emissiewaarde voor ammoniak die voor een tot die hoofdcategorieën behorende diercategorie is vermeld in bijlage 1, waarbij de maximale emissiewaarde in:

a. kolom A geldt voor een dierenverblijf dat is opgericht op uiterlijk 30 juni 2015;

b. kolom B geldt voor een dierenverblijf dat is opgericht op of na 1 juli 2015, met uitzondering van een dierenverblijf als bedoeld in onderdeel c;

c. kolom C geldt voor een dierenverblijf dat is opgericht op of na 1 januari 2020 indien het dierenverblijf op het tijdstip van oprichting onderdeel is van een IPPC-installatie als bedoeld in artikel 1.1 van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht, waarin varkens onderscheidenlijk pluimvee worden gehouden.

Artikel 6. (ammoniak algemeen)

1. Bij de toepassing van de artikelen 3, 4 en 5 worden de emissiefactoren voor ammoniak gehanteerd, zoals bedoeld in artikel 2, eerste lid, van de Regeling ammoniak en veehouderij.

2. Indien naar het oordeel van het bevoegd gezag in redelijkheid niet aan de maximale emissiewaarde kan worden voldaan, kan dat gezag in afwijking van de artikelen 3 en 5 bepalen dat bij het uitbreiden van een emissiearm dierenverblijf in plaats van de maximale emissiewaarde uit kolom B of kolom C de maximale emissiewaarde uit kolom A respectievelijk kolom B van toepassing is. Dit kan uitsluitend indien bij die uitbreiding hetzelfde huisvestingssysteem wordt toegepast en de uitbreiding niet meer dan 50% van het bebouwde oppervlak bedraagt.

Bijlage 1:

Diercategorie Maximale emissiewaarde voor ammoniak als bedoeld in artikel 3, eerste lid, artikel 4 en artikel 5, eerste lid in kg NH3 per dierplaats per jaar

Vleeskuikens A B C

0,045 0,035 0,024