Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZWB:2021:5286

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak
21-10-2021
Datum publicatie
26-10-2021
Zaaknummer
AWB- 20_6329
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

WSFBSF

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Zittingsplaats Breda

Bestuursrecht

zaaknummer: BRE 20/6329 WSFBSF

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 21 oktober 2021 in de zaak tussen

[naam eiser] , te [naam woonplaats] , eiser,

en

de minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, Dienst Uitvoering Onderwijs (DUO), verweerder.

Procesverloop

In een besluit van 11 december 2019, referentie 0059745919, (primair besluit 1) heeft DUO

de uitwonendenbeurs van eiser over de periode vanaf juli 2019 tot en met december 2019 herzien naar een thuiswonendenbeurs.

In een besluit van 11 december 2019, referentie 0059745931, (primair besluit 2) heeft DUO

de uitwonendenbeurs van eiser over de periode vanaf januari 2020 tot en met december 2020 herzien naar een thuiswonendenbeurs.

In een besluit van 11 december 2019, referentie ZP9/4379130, (primair besluit 3) heeft DUO de te veel betaalde studiefinanciering over de periode van juli 2019 tot en met november 2019 tot een bedrag van € 947,35 teruggevorderd van eiser en bepaald dat dit bedrag zal worden verrekend met de door eiser maandelijks te ontvangen bedrag aan studiefinanciering.

In een besluit van 8 januari 2020, referentie ZP5/4382518, (primair besluit 4) heeft DUO aan eiser een boete opgelegd van € 473,67, omdat eiser niet voldeed aan de voorwaarde van feitelijke bewoning op het adres waaronder hij in de BRP stond ingeschreven.

In een besluit van 8 april 2020 (bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser tegen de primaire besluiten ongegrond verklaard.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het beroep is besproken op de zitting van de rechtbank in Breda op 17 september 2021.

Hierbij waren aanwezig eiser en namens verweerder drs. P.M.S. Slagter.

Overwegingen

1. Feiten

Eiser heeft in juni 2019 doorgegeven vanaf 3 juni 2019 uitwonend te zijn. Bij besluit van
19 juni 2019 is aan eiser per 1 juli 2019 studiefinanciering op grond van de Wet studiefinanciering 2000 (Wsf 2000) toegekend, berekend naar de norm die geldt voor een uitwonende student. Eiser staat vanaf 3 juni 2019 ingeschreven in de Basisregistratie Personen (BRP) op het adres [adres] (BRP-adres).

DUO is een onderzoek gestart naar de feitelijke woonsituatie van eiser. In dit kader hebben toezichthouders van DUO op 29 november 2019 een huisbezoek afgelegd aan het BRP-adres. De bevindingen van het onderzoek zijn neergelegd in de rapportage huisbezoek van
4 december 2019. De conclusie van dit rapport luidt dat eiser niet zijn hoofdverblijf heeft op het BRP-adres en dat hij dit ook niet heeft gehad.

Hierop heeft DUO op 11 december 2019 de primaire besluiten 1, 2 en 3 genomen.

Bij brief van eveneens 11 december 2019 heeft DUO aan eiser laten weten het voornemen te hebben aan hem een bestuurlijke boete op te leggen van € 473,67.

Vervolgens heeft DUO op 8 januari 2020 primair besluit 4 genomen.

Eiser heeft bezwaar gemaakt tegen de primaire besluiten.

Bij het bestreden besluit is eisers bezwaar ongegrond verklaard.

2. Beroepsgronden

Eiser stelt in beroep dat hij op het BRP-adres woonde ten tijde van het huisbezoek. Verder stelt eiser dat zijn oom niet heeft verklaard dat hij niet op het BRP-adres woonde en dat het slechts een postadres was voor eiser. Er was sprake van miscommunicatie tussen de oom en de controleurs óf de oom wilde van de controleurs af omdat hij moe was na zijn nachtdienst. Dit blijkt uit diens verklaring van 18 januari 2020. Tevens stelt eiser dat hij door de besluitvorming van DUO schulden heeft gekregen.

3. Wettelijk kader

De relevante wetgeving is opgenomen in de bijlage bij deze uitspraak.

4. Beoordeling

4.1.

In geschil is of DUO zich op grond van de bevindingen in de rapportage huisbezoek van 4 december 2019 op het standpunt heeft mogen stellen dat is aangetoond dat eiser niet woonachtig was op het BRP-adres.

4.2.

De rechtbank stelt voorop dat herziening en terugvordering van toegekende studiefinanciering een belastend besluit betreft. De bewijslast met betrekking tot de stelling dat de studerende niet zijn hoofdverblijf heeft op het BRP-adres rust dan ook op DUO. Indien op grond van de door DUO gepresenteerde feiten aannemelijk is dat de studerende niet woont op het BRP-adres, dan ligt het op de weg van de studerende de juistheid daarvan gemotiveerd te betwisten aan de hand van concrete en verifieerbare gegevens.

Herzieningen

4.3.1.

Bij primaire besluiten 1 en 2 heeft DUO de uitwonendenbeurs van eiser over de periode vanaf juli 2019 tot en met december 2019 en over de periode vanaf januari 2020 tot en met december 2020 herzien naar een thuiswonendenbeurs. Deze besluiten heeft DUO gebaseerd op de rapportage huisbezoek van 4 december 2019 over het aan het BRP-adres afgelegde huisbezoek van 29 november 2019. Aan deze rapportage ligt enkel de verklaring van de hoofdbewoner van eisers BRP-adres, [naam eisers oom] (eisers oom), van 29 november 2019 ten grondslag. In het bestreden besluit heeft DUO primaire besluiten 1 en 2 gehandhaafd.

In beroep stelt DUO zich op het standpunt dat uit de verklaring van eisers oom volgt dat eiser ten tijde van het huisbezoek niet woonde op het BRP-adres en dat hij daar ook niet heeft gewoond, maar dat het enkel zijn postadres was. Tevens stelt DUO zich op het standpunt dat de verklaring van eisers oom van 18 januari 2020 niet kan worden geverifieerd en dat van de eerste afgelegde verklaring mag worden uitgegaan, gelet op vaste rechtspraak van de Centrale Raad van Beroep (CRvB; de hoogste bestuursrechter in geschillen op het gebied van studiefinanciering) van 18 mei 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:2475.

4.3.2.

De rechtbank overweegt dat uit het dossier volgt dat de controleurs van DUO bij het huisbezoek van 29 november 2019 de woning op het BRP-adres niet hebben betreden en dat zij ook geen nader onderzoek hebben gedaan naar eisers hoofdverblijf. Zoals ter zitting al door de rechtbank aan partijen is voorgehouden, volgt uit rechtspraak van de CRvB (zie de uitspraak van 24 juni 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:2030), dat zeer bijzondere omstandigheden kunnen nopen tot het verrichten van nader onderzoek voordat wordt beslist op een bezwaar van betrokkene, wanneer sprake is van een door de hoofdbewoner aan de controleur van DUO afgelegde verklaring dat de student niet op het BRP-adres woont.

Naar het oordeel van de rechtbank had DUO hier aanleiding moeten zien om nader onderzoek te verrichten voordat het bestreden besluit werd genomen. Hiertoe overweegt de rechtbank als volgt. Eiser heeft van aanvang af op een consequente, consistente en overtuigende wijze naar voren gebracht dat de door zijn oom ondertekende verklaring van
29 november 2019 berust op miscommunicatie tussen zijn oom en de controleurs van DUO over eisers aanwezigheid in de woning op het BRP-adres. Wat eiser hierover naar voren heeft gebracht, wordt ondersteund door een verklaring van eisers oom van 18 januari 2020, waarin hij onder andere verklaart dat hij niet heeft aangegeven dat eiser niet op het BRP-adres woont en dat wellicht sprake was van miscommunicatie. Gezien het zeer summiere onderzoek van DUO enerzijds en de gelijkluidende verklaringen van eiser en zijn oom over eisers hoofdverblijf anderzijds, is naar het oordeel van de rechtbank in dit geschil sprake van zeer bijzondere omstandigheden waarin DUO aanleiding had moeten zien nader onderzoek te verrichten voordat het bestreden besluit werd genomen, bijvoorbeeld door het afleggen van een tweede huisbezoek aan het BRP-adres.

Terugvordering en boete

4.4.1.

Bij primair besluit 3 heeft DUO de te veel betaalde studiefinanciering over de periode van juli 2019 tot en met november 2019 van eiser teruggevorderd en bij primair besluit 4 heeft DUO aan eiser een boete opgelegd. In het bestreden besluit heeft DUO primaire besluiten 3 en 4 gehandhaafd.

Ter zitting heeft DUO zich op het standpunt gesteld dat de hoogte van de terugvordering en de boete redelijk en proportioneel zijn, gelet op vaste rechtspraak van de CRvB, en dat deze door DUO worden gehandhaafd.

4.4.2.

Nu in overweging 4.3.2 is geconcludeerd dat de herzieningen van eisers uitwonendenbeurs niet in stand kunnen blijven, komen tevens de grondslagen aan de terugvordering en de boete te ontvallen en kunnen deze terugvordering en boete niet in stand blijven.

5. Conclusie

Het beroep is gegrond. De rechtbank vernietigt het bestreden besluit en herroept de primaire besluiten. Er zijn geen voor vergoeding in aanmerking komende proceskosten of betaalde griffierechten.

Beslissing

De rechtbank:

  • -

    verklaart het beroep gegrond;

  • -

    vernietigt het bestreden besluit;

  • -

    herroept de primaire besluiten.

Deze uitspraak is gedaan door mr. R.A. Karsten-Badal, rechter, in aanwezigheid van
mr. A.M. Pasmans, griffier, op 21 oktober 2021 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.

De rechter is niet in de gelegenheid de uitspraak te ondertekenen.

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Wat kunt u doen als u het niet eens bent met deze uitspraak?

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep.

Bijlage

Artikel 1.1, eerste lid, van de Wsf 2000 bepaalt dat in deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:

thuiswonende deelnemer: mbo-student die niet een uitwonende mbo-student is,

uitwonende deelnemer: mbo-student die voldoet aan de verplichtingen bedoeld in artikel 1.5.

Artikel 1.5, eerste lid, onder a, van de Wsf 2000 bepaalt dat voor het normbedrag voor een uitwonende deelnemer in aanmerking komt de deelnemer die voldoet aan de verplichting dat de mbo-student woont op het adres waaronder hij in de basisregistratie personen staat ingeschreven.

Artikel 7.1, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wsf 2000 bepaalt dat Onze Minister een beschikking kan herzien waarbij studiefinanciering is toegekend.

Het tweede lid, aanhef en onder c, bepaalt dat herziening plaatsvindt op grond van het feit dat te veel of te weinig studiefinanciering is toegekend.

Artikel 7.4, eerste lid, van de Wsf 2000 bepaalt dat, indien een herzieningsbeschikking als bedoeld in artikel 7.1, eerste en tweede lid, of een beslissing op bezwaar daartoe aanleiding geeft, het bedrag van de basisbeurs of aanvullende beurs dat teveel is uitbetaald door de betrokkene wordt terugbetaald of met hem verrekend.

Artikel 9.9, eerste lid, van de Wsf 200 bepaalt dat, indien een mbo-student het normbedrag voor een uitwonende mbo-student toegekend heeft gekregen maar niet heeft voldaan aan de verplichtingen, bedoeld in artikel 1.5, Onze Minister hem een bestuurlijke boete kan opleggen van ten hoogste 50 procent van het bedrag dat van de mbo-student in verband daarmee wordt teruggevorderd bij een herziening.

Het tweede lid bepaalt dat de herziening plaatsvindt met ingang van de datum van de laatste adreswijziging van de mbo-student in de basisregistratie personen. Indien de ouders van de mbo-student of een van hen na de laatste adreswijziging, bedoeld in de vorige volzin, zijn of is ingeschreven op hetzelfde woonadres als de mbo-student, dan vindt de herziening plaats met ingang van de dag van deze adreswijziging.