Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZWB:2021:5270

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak
18-10-2021
Datum publicatie
08-11-2021
Zaaknummer
BRE 19/3430
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Voor deze uitspraak is geen samenvatting gemaakt.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Belastingrecht

locatie: Breda

zaaknummer BRE 19/3430

Hersteluitspraak van 18 oktober 2021 ter verbetering van de uitspraak van de rechtbank van 6 september 2021 in het geding tussen

[belanghebbende] , wonende te [woonplaats] (België), belanghebbende,

gemachtigde [gemachtigde] .

en

de invorderingsambtenaar van de gemeente Breda, de invorderingsambtenaar.

1 Overwegingen

1.1.

De gemachtigde van belanghebbende heeft naar aanleiding van de uitspraak van 6 september 2021 (hierna: de uitspraak) bij geschrift van 19 september 2021, door de rechtbank ontvangen op 15 oktober 2021, aangegeven dat het bedrag van de proceskostenvergoeding van € 1.068 in deze uitspraak niet correct is.

1.2.

De rechtbank heeft in rechtsoverweging 2.13 van de uitspraak onder meer overwogen:

‘Deze kosten zijn op de voet van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vastgesteld op € 1.068 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van € 534 en een wegingsfactor 1).’

1.3.

De rechtbank stelt vast dat de uitspraak inderdaad een misslag bevat. Deze misslag houdt in dat het bedrag van € 534 in rechtsoverweging 2.13 van de uitspraak niet in overeenstemming is met de daarvoor in het Besluit Proceskosten Bestuursrecht (het besluit) benoemde bedrag voor de onderhavige zaaksoort1. Volgens het besluit bedraagt de kostenvergoeding per punt voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand in dit geval € 748 in plaats van € 534. De proceskostenveroordeling had daarom in totaal € 1.496 moeten bedragen (zijnde 2 procespunten met een waarde per punt van € 748 en een wegingsfactor 1). In de beslissing had daarom als bedrag van de proceskostenveroordeling eveneens € 1.496 vermeld moeten worden. De rechtbank is van oordeel dat voor partijen, gelet op het bepaalde in het Besluit, duidelijk moet zijn geweest dat het totaalbedrag van de tegemoetkoming in de kosten van beroep € 1.496 moet zijn en dat onder het kopje “3. beslissing” had moeten worden vermeld:

“veroordeelt de heffingsambtenaar in de proceskosten van belanghebbende ten bedrage van € 1.496”

2 Beslissing

De rechtbank verbetert de misslag in de beslissing van de uitspraak op de wijze als onder 1.3 omschreven, en verstaat dat de uitspraak aldus verbeterd moet worden gelezen.

Deze uitspraak is gedaan door mr. L.P. Hertsig, rechter, in aanwezigheid van

drs. L. Mattijssen, griffier, op 18 oktober 2021 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.

De griffier is niet in de gelegenheid om de uitspraak te tekenen.

rechter

Afschrift aangetekend verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open. Voorts brengt deze uitspraak geen wijziging in de termijn voor hoger beroep tegen de oorspronkelijke uitspraak.

1 Onderdeel B1, ten tweede, van de Bijlage bij Besluit proceskosten bestuursrecht