Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZWB:2021:5182

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak
14-10-2021
Datum publicatie
19-10-2021
Zaaknummer
AWB- 20_6253
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

PW

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Zittingsplaats Breda

Bestuursrecht

zaaknummer: BRE 20/6253 PW

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 14 oktober 2021 in de zaak tussen

[naam eiser 1] en [naam eiser 2] , wonende te [plaatsnaam] ( [naam land] ), eisers,

gemachtigde: mr. M.M. de Jong, advocaat te Goirle,

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Goirle (college), verweerder.

Procesverloop

In het besluit van 18 februari 2016 (primair besluit) heeft het college het recht op bijstand van eisers ingetrokken per 26 september 2013 en de te veel betaalde bijstand over de periode van 26 september 2013 tot en met 27 juli 2014 tot een bedrag van € 17.109,72 van eisers teruggevorderd.

In het besluit van 18 maart 2020 (bestreden besluit) heeft het college het bezwaar van eisers tegen het primaire besluit, onder wijziging van de grondslag, ongegrond verklaard.

Eisers hebben tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Bij brief van 21 juli 2021 heeft de gemachtigde van eisers stukken overgelegd, vertaald vanuit de Turkse taal naar de Nederlandse taal.

Bij brief van 4 augustus 2021 heeft het college op de brief van 21 juli 2021 gereageerd.

Het beroep is besproken op de zitting van de rechtbank in Breda op 8 september 2021.

Eisers hebben zich laten vertegenwoordigen door hun gemachtigde. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. W. Rombouts.

Overwegingen

1. Feiten

Eisers ontvingen van het college een bijstandsuitkering op grond van de Wet werk en bijstand naar de gehuwdennorm over de periode van 1 januari 2009 tot 10 februari 2012 en over de periode van 29 mei 2012 tot 1 juli 2015. Over de periode van 10 februari 2012 tot
29 mei 2012 ontving eiseres een bijstandsuitkering naar de norm voor een alleenstaande ouder vanwege detentie van eiser.

Eisers hebben op 30 december 2013 een remigratie-uitkering aangevraagd bij de Sociale Verzekeringsbank (Svb) wegens terugkeer naar [naam land] . Sinds 1 september 2014 ontvangen eisers deze uitkering.

In 2014 ontving het college een anonieme melding over eisers, inhoudende dat eiser al zes maanden in [naam land] verbleef in verband met een eigen zaak in [plaatsnaam] , dat eiser in [plaatsnaam] een hectare grond heeft waarop hij appels teelt (boomgaard), dat de winst van de oogst € 50.000,- bedraagt en dat eiser de grond in 2012 of 2013 heeft aangekocht voor
€ 100.000,- met geld dat afkomstig is van hennepteelt in Nederland waarvoor hij drie maanden gedetineerd heeft gezeten. Hierop heeft een handhavingsmedewerker van het college een onderzoek bij het Internationaal Bureau Fraude-informatie (IBF) aangevraagd naar het vermogen van eiser.

Bij brief van 13 februari 2015 heeft het college eisers gevraagd ontbrekende gegevens over hun vermogen te verstrekken, waaronder het aankoopbewijs van de boomgaard, bankafschriften en gegevens over de waarde van de boomgaard. Hierop heeft de toenmalig gemachtigde van eisers een aantal gegevens overgelegd bij e-mailbericht van 14 juli 2015.

Het college heeft in de onderzoeksresultaten aanleiding gezien om het primaire besluit te nemen. Eisers hebben bezwaar gemaakt tegen het primaire besluit. Bij het bestreden besluit is het primaire besluit gehandhaafd, onder wijziging van de grondslag. Daarbij is overwogen dat de verwerving van de boomgaard, in strijd met de inlichtingenverplichting van artikel 17 van de Participatiewet niet is gemeld en dat de waarde van de boomgaard de grens van het vrij te laten vermogen ruimschoots overschrijdt. Hierdoor bestond er geen recht op bijstand.

2. Geschil

In geschil is of het college terecht de intrekking van het recht op bijstand van eisers per
26 september 2013 heeft gehandhaafd in het bestreden besluit.

3. Beroepsgronden

Eisers stellen in beroep dat geen sprake is van meer vermogen dan het vrij te laten vermogen. De waarde van de grond moet naar beneden worden bijgesteld en door beslag op de grond kan er niet vrijelijk over de eigendommen worden beschikt. Eisers stellen tevens dat de informatie, voorzien van een toelichting door hun toenmalig gemachtigde, tijdig en toereikend moet worden geacht. Onbegrijpelijk is dat een beëdigde vertaling van de door eisers overgelegde stukken nodig is naast de toelichting van hun toenmalige gemachtigde hierover. Het bestreden besluit is onzorgvuldig en onvoldoende gemotiveerd.

4. Wettelijk kader

De relevante wettelijke bepalingen zijn opgenomen in de bijlage.

5. Beoordeling

5.1.

Intrekking van bijstand is een voor de betrokkene belastend besluit. Daarom rust de bewijslast om aannemelijk te maken dat aan de voorwaarden voor intrekking is voldaan in beginsel op de bijstandverlenende instantie. Dit betekent dat de bijstandverlenende instantie de nodige kennis over de relevante feiten moet verzamelen (zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep (CRvB) van 30 maart 2021, ECLI:NL:CRVB:2021:844).

5.2.

Niet in geschil is dat de boomgaard in de in geding zijnde periode op naam van eiser stond geregistreerd. Indien een onroerende zaak in een officieel eigendomsregister op naam van een betrokkene staat geregistreerd, is de vooronderstelling gerechtvaardigd dat deze zaak een bestanddeel vormt van het vermogen waarover hij daadwerkelijk beschikt of redelijkerwijs kan beschikken. In een dergelijk geval is het aan betrokkene om aannemelijk te maken dat het tegendeel het geval is (zie de uitspraak van de CRvB van 3 februari 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:258). Tevens is niet in geschil dat eisers het verwerven van de boomgaard niet hebben gemeld bij het college.

5.3.1.

De rechtbank overweegt dat, in tegenstelling tot wat eisers stellen, aan de taxatie uit de IBF-rapportage van september 2014 meer waarde toekomt dan aan de taxatie die eisers hebben overgelegd. De taxatie die bij e-mailbericht van 14 juli 2015 door de toenmalige gemachtigde van eisers is ingediend, is opgesteld in de Turkse taal en bevat geen vertaling naar de Nederlandse taal. Verder is niet duidelijk of de makelaar die eisers hebben ingeschakeld voor deze taxatie een beëdigd taxateur is en of het taxatierapport op de in geding zijnde periode ziet. In beroep hebben eisers een recent vertaalde taxatie overgelegd. Deze taxatie noemt als datum 17 maart 2021. Onduidelijk is of de taxatie op de in geding zijnde periode ziet. Van belang acht de rechtbank ook dat de taxatie uit de IBF-rapportage van september 2014 meer gegevens bevat, zoals bijvoorbeeld dat de boomgaard op een plek ligt waar geen gebrek aan water is.

5.3.2.

De rechtbank gaat voorbij aan de stelling van eisers dat de waarde van de boomgaard naar beneden moet worden bijgesteld en dat door beslagen die erop rusten niet vrijelijk over het eigendom kan worden beschikt. Aan de enkele mededeling op een vanuit de Turkse taal vertaald stuk dat er beslagen zijn gelegd op een onroerend goed kan niet de waarde worden toegekend die eisers daaraan toegekend wensen te zien. Het stuk betreft geen rechterlijk vonnis en niet aannemelijk is gemaakt wat de betekenis van Turkse beslagen op onroerend goed in het Nederlandse recht is.

5.4.

De rechtbank overweegt dat eisers geen zelfstandige gronden hebben aangevoerd tegen de terugvordering zodat deze geen bespreking behoeft.

5.5.

Gelet op het vorenstaande zal het beroep ongegrond worden verklaard.

6. Conclusie

Het beroep is ongegrond. Er is geen reden voor een proceskostenveroordeling.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. I.M. Josten, rechter, in aanwezigheid van
mr. A.M. Pasmans, griffier, op 14 oktober 2021 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.

rechter

De griffier is niet in de gelegenheid om deze uitspraak mede te ondertekenen.

Afschrift verzonden aan partijen op:

Wat kunt u doen als u het niet eens bent met deze uitspraak?

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep.

Bijlage

Artikel 11, eerste lid, van de Participatiewet bepaalt dat iedere in Nederland woonachtige Nederlander die hier te lande in zodanige omstandigheden verkeert of dreigt te geraken dat hij niet over de middelen beschikt om in de noodzakelijke kosten van bestaan te voorzien, recht heeft op bijstand van overheidswege.

Artikel 17, eerste lid, van de Participatiewet bepaalt dat de belanghebbende aan het college op verzoek of onverwijld uit eigen beweging mededeling doet van alle feiten en omstandigheden waarvan hem redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat zij van invloed kunnen zijn op zijn arbeidsinschakeling of het recht op bijstand.

Artikel 54 van de Participatiewet bepaalt het volgende:

1. Indien de belanghebbende de voor de verlening van bijstand van belang zijnde gegevens of de gevorderde bewijsstukken niet, niet tijdig of onvolledig heeft verstrekt en hem dit te verwijten valt, dan wel indien de belanghebbende anderszins onvoldoende medewerking verleent, kan het college het recht op bijstand voor de duur van ten hoogste acht weken opschorten:

a. vanaf de eerste dag van de periode waarop het verzuim betrekking heeft, of

b. vanaf de dag van het verzuim indien niet kan worden bepaald op welke periode dit verzuim betrekking heeft.

2. Het college doet mededeling van de opschorting aan de belanghebbende en nodigt hem uit binnen een door hen te stellen termijn het verzuim te herstellen.

3. Het college herziet een besluit tot toekenning van bijstand, dan wel trekt een besluit tot toekenning van bijstand in, indien het niet of niet behoorlijk nakomen van de verplichting, bedoeld in artikel 17, eerste lid, heeft geleid tot het ten onrechte of tot een te hoog bedrag verlenen van bijstand.

4. Als de belanghebbende in het geval bedoeld in het eerste lid het verzuim niet herstelt binnen de daarvoor gestelde termijn, kan het college na het verstrijken van deze termijn het besluit tot toekenning van bijstand intrekken met ingang van de eerste dag waarover het recht op bijstand is opgeschort.