Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZWB:2021:5179

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak
13-10-2021
Datum publicatie
20-10-2021
Zaaknummer
AWB- 19_6572
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

ZW

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Bestuursrecht

zaaknummer: BRE 19/6572 ZW

uitspraak van 13 oktober 2021 van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[naam eiser] wonende te [plaatsnaam 1] , eiser,

gemachtigde: mr. G. Grijs, advocaat te Rotterdam,

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (UWV; kantoor Breda), verweerder.

Procesverloop

In het besluit van 29 januari 2019 (primair besluit) heeft het UWV de uitkering van eiser ingevolge de Ziektewet (ZW) per 1 maart 2019 beëindigd.

Eiser heeft tegen het primaire besluit een bezwaarschrift ingediend bij het UWV.

In het besluit van 25 november 2019 (bestreden besluit) heeft UWV de bezwaren van eiser tegen het primaire besluit ongegrond verklaard.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Het UWV heeft op 4 februari 2020 een verweerschrift ingediend.

Het beroep is besproken op de zitting van de rechtbank op 24 juni 2020. Hierbij waren aanwezig eiser, zijn gemachtigde met [naam kantoorgenote] als kantoorgenote en [naam vertegenwoordiger] namens het UWV.

Bij beslissing van 10 september 2020 heeft de rechtbank het onderzoek heropend omdat de rechtbank in raadkamer tot de conclusie was gekomen dat het onderzoek niet volledig was geweest. De rechtbank achtte het noodzakelijk dat een verzekeringsarts van het UWV aan de hand van het ‘intake medisch advies’ van 8 juni 2020 van medisch adviseur [naam medisch adviseur] van [naam bedrijf 1] onderzoek zou verrichten om te bezien in hoeverre daarin aanleiding is gelegen te komen tot wijziging van het in het bestreden besluit ingenomen standpunt.

Nadat het UWV bij brief van 5 oktober 2020 een reactie van de verzekeringsarts b&b van 25 september 2020 heeft ingestuurd heeft eiser daarop bij brief van 15 december 2020 gereageerd.

Vervolgens heeft de rechtbank van beide partijen desgevraagd toestemming verkregen zonder nadere zitting te komen tot een uitspraak.

Bij brief van 10 juni 2021 heeft de rechtbank partijen bericht dat de rechter die de behandeling van de zaak ter zitting op zich had genomen verhinderd is de behandeling van de zaak voort te zetten en wordt vervangen door mr. A.G.J.M. de Weert.

Overwegingen

1. Feiten

Op grond van de stukken en de behandeling ter zitting gaat de rechtbank uit van de volgende feiten en omstandigheden.

Eiser is via [naam uitzendbureau] te [plaatsnaam 2] werkzaam geweest als chauffeur/schoonmaker bij [naam bedrijf 2] te [plaatsnaam 3] . Voor dat werk is hij op 29 december 2017 uitgevallen vanwege nek- en rugklachten.

Bij besluit van 5 januari 2018 heeft het UWV eiser met ingang van 1 januari 2018 een ZW-uitkering toegekend. Bij het primaire besluit heeft het UWV na een zogeheten eerstejaarsbeoordeling de ZW-uitkering beëindigd met ingang van 1 maart 2019.

Bij het bestreden besluit is het bezwaar van eiser ongegrond verklaard.

2. Omvang geschil

In geschil is of het UWV terecht de ZW-uitkering van eiser heeft beëindigd per 1 maart 2019.

3. Wettelijk kader

De verzekerde die ongeschikt is tot het verrichten van zijn arbeid als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte of gebrek heeft recht op ziekengeld (artikel 19, eerste en vierde lid, van de ZW).

Naar vaste rechtspraak wordt onder het begrip ‘zijn arbeid’ verstaan de arbeid die de verzekerde het laatst voor het intreden van de arbeidsongeschiktheid heeft verricht.

Als een verzekerde geen werkgever (meer) heeft en 52 weken arbeidsongeschikt is geweest heeft deze recht op ziekengeld als hij:

- ongeschikt is tot het verrichten van zijn arbeid, als bedoeld in artikel 19 én

- slechts in staat is ten hoogste 65% te verdienen van het maatmaninkomen per uur met algemeen geaccepteerde arbeid waartoe hij met zijn krachten en bekwaamheden in staat is (artikel 19aa, eerste lid, en artikel 19ab, derde lid, van de ZW).

De mate van arbeidsongeschiktheid wordt vastgesteld op basis van een verzekeringsgeneeskundig en een arbeidskundig onderzoek (artikel 19ab, eerste lid, van de ZW).

4. Toetsingskader

Niet in geschil is dat eiser 52 weken arbeidsongeschikt is geweest. Dit betekent dat het UWV terecht heeft beoordeeld of eiser in staat is met algemeen geaccepteerde arbeid meer dan 65% van zijn maatmaninkomen te verdienen. Bij een arbeidsongeschiktheid van minder dan 35% bestaat er geen recht meer op een ZW-uitkering.

5. Medische beoordeling

Het bestreden besluit, voor zover dit ziet op de medische beoordeling, is gebaseerd op rapportages van een verzekeringsarts en een verzekeringsarts bezwaar en beroep (verzekeringsarts b&b) van het UWV.

5.1

De verzekeringsarts heeft eiser gezien op het spreekuur van 21 november 2018 en het dossier bestudeerd inclusief de door eiser aangeleverde informatie van diens huisarts [naam huisarts] van 28 maart 2018. Deze verzekeringsarts heeft gerapporteerd dat eiser beperkt is in het maken van hoofdbewegingen: rotatie en lateroflexie beiderzijds is beperkt tot 25°; verder acht hij eiser licht beperkt in lopen en traplopen, beperkt in het boven schouderhoogte werken en ten slotte beperkt in autorijden.

Binnen een jaar ziet hij een redelijke kans op relevante een verbetering door het natuurlijk herstel van de aandoening en/of adequate behandeling.

De verzekeringsarts noemt de klachten en beperkingen plausibel, deels objectiveerbaar en ze worden zijns inziens veroorzaakt door een aandoening. De verzekeringsarts stelt dat eiser onder behandeling is, maar dat het herstel niet vordert. Het herstelgedrag ziet hij als adequaat. De verzekeringsarts vindt dat er sprake is van verminderde benutbare mogelijkheden als gevolg van een aandoening en heeft de beperkingen en de belastbaarheid neergelegd in de Functionele Mogelijkheden Lijst (FML) van 21 november 2018.

De verzekeringsarts b&b heeft het dossier bestudeerd en eiser geobserveerd tijdens de hoorzitting van 9 september 2019. De verzekeringsarts b&b heeft daarna nog de medische informatie van 18 september 2019 van eisers huisarts in zijn overwegingen meegenomen. Vervolgens heeft zij geconcludeerd dat de belastbaarheid door de primaire arts van het UWV goed is vastgesteld en dat in het bezwaarschrift en tijdens de hoorzitting geen nieuwe gezichtspunten naar voren zijn gekomen met betrekking tot de medische situatie op de datum in geding.

Volgens de verzekeringsarts is er in het geval van eiser geen sprake van geen benutbare mogelijkheden. Getoetst aan de Standaard Duurbelasting in Arbeid ziet de verzekeringsarts b&b, naast de al aangenomen beperkingen en voorwaarden, geen medische reden een urenbeperking toe te kennen. Eiser stelt volgens de verzekeringsarts b&b dat er progressieve nekklachten zijn. De verzekeringsarts b&b ziet weliswaar een beeld van al langer bestaande afwijkingen bij beeldvormend onderzoek en eiser beschrijft nekklachten, maar de verzekeringsarts b&b ziet geen medisch onderliggend organisch substraat dat een objectiveerbare verslechtering van de nekklachten kan onderbouwen.

Uit de opgevraagde informatie en de gegevens uit het huisartsjournaal blijken geen objectiveerbare gegevens die beperkingen voor de geclaimde buik- of andere klachten kunnen onderbouwen. Evenmin ziet de verzekeringsarts b&b een medisch objectiveerbare grond voor een beperking op toiletnabijheid, noch noodzaak voor een aanvullende beperking op basis van de voorgeschreven medicatie. Niet is gebleken uit het huisartsjournaal dat eiser op de datum in geding Oxycodon kreeg voorgeschreven. De in het rapport van de primaire verzekeringsarts vermelde dosis van dagelijks één maal 5 mg is geen reden voor een aanvullende beperking. Het huisartsjournaal vermeldt als medicatie (onder andere) Amitryptiline en morfinesulfaat. Gegeven in deze dosering en sinds deze duur van gebruik geeft dit geen beperking volgens de verzekeringsarts b&b en daarmee ziet zij geen grond voor een aanvullende beperking. Zij onderschrijft dan ook de door de primaire verzekeringsarts opgestelde FML van 21 november 2018.

5.2

Eiser heeft tegen het medisch oordeel van het UWV aangevoerd dat er onvoldoende aandacht is voor de progressieve pijnklachten, waarvoor zowel Mensendieck als Caesartherapie geen verlichting konden brengen. Als gevolg daarvan is eiser doorverwezen naar pijnbestrijding.

Volgens eiser miskent de verzekeringsarts ten onrechte een onderliggend organisch substraat dat tot een objectiveerbare verslechtering van de nekklachten heeft geleid. De al langer bestaande klachten verklaren op zich al voldoende de pijn van eiser, terwijl ook de huisarts de progressief verlopende nekklachten noemt met de functiebeperkende pijn en de vermindering van de nekfunctie.

Verder wijst eiser erop dat de huisarts twee maal daags 5mg Oxycodon heeft voorgeschreven en dat pijnspecialist [naam pijnspecialist] in april 2018 heeft gesteld dat dit gebruik gecontinueerd moet worden. Waar het UWV de reductie naar eenmaal daags 5mg vandaan haalt is eiser onduidelijk.

Ook gaat de verzekeringsarts voorbij aan de ontsteking in de buik op de datum in geding. Door die ontsteking had eiser voortdurend last van diarree en dus moet hij voortdurend een toilet vlakbij hebben.

De pijn zorgt ook voor slaapgebrek en daarmee voor een slecht geheugen en mindere concentratie. Verder had eiser op 31 augustus 2018 een longaandoening waarvoor hij behandeld moest worden. Hiervoor ontbreken ten onrechte beperkingen.

Er zijn onvoldoende beperkingen aangenomen op het gebied van persoonlijk en sociaal functioneren. Verder geldt dit ook ter zake aanpassingen aan fysieke omgevingseisen dynamische handelingen en statische handelingen. Gelet op eisers klachten had de arbeidsdeskundige met de verzekeringsarts moeten overleggen over het gebogen actief zijn in de functie productiemedewerker, ook al is eiser daarvoor niet beperkt.

Met de beoordeling door de arbeidsdeskundige in de functie medewerker tuinbouw met betrekking tot 60 minuten 30 graden naar beneden kijken en boven schouderhoogte actief zijn in de functie wikkelaar, begeeft de arbeidsdeskundige zich volgens eiser op het terrein voor de verzekeringsarts. Dat vindt hij onzorgvuldig nu overleg tussen die twee functionarissen ontbreekt. De geduide functies zijn ongeschikt.

In het door eiser ingestuurde medisch advies van 8 juni 2020 concludeert verzekeringsarts en medisch adviseur [naam medisch adviseur] dat er argumenten zijn die kunnen wijzen op een verstoorde energiebalans, namelijk chronische longklachten met kortademigheid bij inspanning, een wat verstoorde slaap als gevolg van pijn van de nek en sederende medicatie in combinatie met een verminderde leverfunctie. Ankersmit ziet in het dagverhaal bij eigen onderzoek bevindingen die dit ondersteunen. Bij het UWV komen deze aspecten bij anamnese en weging onvoldoende naar voren waardoor afwijzing van een urenbeperking onvoldoende navolgbaar of inzichtelijk is.

Deze verzekeringsarts meldt verder dat de medicatie kan leiden tot een verminderd reactievermogen en verminderde concentratie en dat in literatuur geen duidelijke vermelding van dosering wordt gemaakt waarbij dit pas plaats zou vinden zoals aangegeven door verzekeringsartsen van het UWV. Bovendien kunnen leverfunctiestoornissen van eiser hier ook negatief op van invloed zijn.

Bij nekklachten kan volgens [naam medisch adviseur] ook een beperking worden gegeven voor het hoofd in een bepaalde stand houden tijdens het werk. Er zijn enige aanwijzingen voor dat dit wellicht ook een beperking is, maar omdat er geen eigen lichamelijk onderzoek verricht kon worden, kan de medisch adviseur dit niet met volledige zekerheid zeggen.

Samenvattend stelt [naam medisch adviseur] “Er zijn een aantal argumenten voor een verstoorde energiebalans zoals omschreven in bespreking en conclusie. Daarnaast zijn er ook argumenten die pleiten voor beperkingen als gevolg van medicatie gebruik zoals hierboven omschreven.

Een beperking met betrekking tot het houden van het hoofd in een bepaalde stand kan overwogen worden bij dergelijke nekklachten.”.

In de rapportage van 29 september 2020 heeft verzekeringsarts b&b [naam verzekeringsarts] na bestudering van de rapportage van verzekeringsarts [naam medisch adviseur] gesteld dat het primair dagverhaal geen evidente verschraling van het activiteitenniveau laat zien, zoals de medisch adviseur stelt. Het dagverhaal waar de medisch adviseur zich op baseert laat [naam verzekeringsarts] buiten beschouwing omdat het niet ziet op de datum hier in geding.

Verder laat het huisarts journaal rond de datum in geding geen belemmerende energetische klachten door slaapproblemen, longproblemen of medicatie zien. Daarbij wijst de verzekeringsarts b&b er op dat de switch (verhoging) naar 10mg morfine, zo nodig 2 maal daags, volgens dat journaal pas na de datum in geding plaats vindt.

De longarts heeft het na onderzoek over ‘luchtwegklachten met wat beperkte longfunctie’, waarbij geen verandering van beleid volgt.

Eiser viel uit met nekklachten na een auto-ongeval en niet met energetische klachten door longproblematiek. Niets wijst er volgens de verzekeringsarts b&b op dat dit is veranderd. Gelet op de in de FML al opgenomen fysieke beperkingen acht de verzekeringsarts b&b aanvullende beperking in duurbelastbaarheid niet aan de orde. Mede gelet op de al bestaande beperking voor eiser voor beroepsmatig autorijden is ook de mogelijke invloed van medicatie ondervangen. Het huisarts journaal rond de datum in geding geeft geen blijk van bijwerkingen van medicatie.

Bij het in het voor eiser voorgeschreven gebruik van Amitryptiline en Oxycodon wordt het autorijden alleen in de eerste week, respectievelijk de eerste twee weken ontraden.

Voor de voorgestelde beperking van het houden van het hoofd in een bepaalde stand ziet de verzekeringsarts b&b geen gemotiveerde onderbouwing en wijst er op dat eiser al is beperkt in hoofdbewegingen.

Ook overigens ziet de verzekeringsarts b&b geen aanleiding tot komen tot wijziging van het medisch standpunt naar aanleiding van de rapportage van medische adviseur [naam medisch adviseur] .

5.3

Oordeel rechtbank over beroepsgronden

De rechtbank is van oordeel dat het medisch onderzoek op een voldoende zorgvuldige wijze heeft plaatsgevonden. Uit de rapportages van de verzekeringsartsen blijkt dat zij op de hoogte waren van de door eiser gestelde klachten, waaronder niet alleen de rug- en nekklachten, maar ook de buik- en de energetische klachten van eiser. Bij de opstelling van de FML is met het geobjectiveerde deel van alle klachten rekening gehouden. Het UWV heeft in reactie op de beroepsgronden aangegeven dat de bijwerkingen die zich kunnen voordoen bij het gebruik van Oxycodon zich in het geval van eiser niet hebben gemanifesteerd en ook de rechtbank is daar niet van gebleken. Verder is gebleken dat de verzekeringsarts weet had van het gebruik van de ‘puffer’ maar dat de verzekeringsartsen geen beperkingen hebben aangenomen. Eiser heeft die noodzaak ook niet medisch onderbouwd.

De informatie van 8 juni 2020 die eiser nog heeft overgelegd geeft de rechtbank geen aanleiding te twijfelen aan de belastbaarheid die de verzekeringsartsen hebben aangenomen. De verzekeringsarts b&b is in de rapportage van 29 september 2020 op alle aspecten die de door eiser ingeschakelde verzekeringsarts heeft benoemd, gemotiveerd ingegaan. De rechtbank kan de verzekeringsarts b&b volgen in het standpunt dat er geen urenbeperking nodig is, omdat er daarvoor geen argumenten zijn en verder al voldoende beperkingen zijn aangenomen. Het medicijngebruik is meegewogen in de beoordeling van eisers beperkingen. Eiser is verder beperkt voor hoofdbewegingen, en er is gemotiveerd aangegeven waarom er niet meer beperkingen nodig zijn. Terecht heeft de verzekeringsarts b&b daarbij gewezen op de datum in geding (1 maart 2019). Een toename van de klachten op een later moment kan de rechtbank niet bij de beoordeling van het hier bestreden besluit betrekken.

Gelet op het vorenstaande is de rechtbank niet gebleken dat in de FML van 21 november 2018 de beperkingen van eiser zijn onderschat. Voor de verdere beoordeling gaat de rechtbank dan ook uit van de belastbaarheid die is neergelegd in die FML.

6. Geschiktheid voor de functies

6.1

Een arbeidsdeskundige bezwaar en beroep (arbeidsdeskundige b&b) van het UWV heeft, rekening houdend met de vastgestelde FML de volgende functies ten grondslag gelegd aan de berekening van de mate van arbeidsongeschiktheid: productiemedewerker industrie (samenstellen van producten) (Sbc-code 111180), medewerker tuinbouw (planten, bloemen vruchten) (Sbc-code 111010) en wikkelaar (nieuw en revisie) (Sbc-code 267053).

6.2

De rechtbank ziet geen reden te oordelen dat de voor eiser geselecteerde functies in medisch opzicht niet passend zijn. De rechtbank verwijst naar het rapport van de arbeidsdeskundige van 25 januari 2019 en het rapport van de arbeidsdeskundige b&b van 22 november 2019. Daarin is inzichtelijk gemotiveerd dat, uitgaande van de vastgestelde beperkingen, eiser de werkzaamheden kan verrichten die verbonden zijn aan deze functies. Eisers standpunt dat hij niet in staat is de geduide functies te verrichten, vloeit voort uit zijn opvatting dat zijn medische beperkingen zijn onderschat. Zoals de rechtbank in overweging 5.4 heeft geconcludeerd is die opvatting niet juist. Eiser heeft aangevoerd dat de arbeidsdeskundige had moeten overleggen over bepaalde functies met de verzekeringsarts. De rechtbank constateert dat eiser niet beperkt is op het aspect gebogen actief zijn, zodat hierover geen overleg hoefde te worden gevoerd. Eiser is wel beperkt voor het boven schouderhoogte actief zijn, maar het is de taak van de arbeidsdeskundige om gemotiveerd aan te geven waarom een functie desondanks geschikt is voor eiser. Dit is in dit geval ook gebeurd.

De hiervoor genoemde functies mochten worden gebruikt voor de berekening van de mate van arbeidsongeschiktheid.

7. Mate van arbeidsongeschiktheid

Op basis van de inkomsten die eiser met de geduide functies zou kunnen verdienen, heeft het UWV een berekening gemaakt die leidt tot de conclusie dat eiser minder dan 35% arbeidsongeschikt is. Omdat eiser tegen deze berekening geen gronden naar voren heeft gebracht, gaat de rechtbank uit van deze mate van arbeidsongeschiktheid.

Omdat pas recht bestaat op een ZW-uitkering bij een mate van arbeidsongeschiktheid van 35% of meer, heeft het UWV de ZW-uitkering terecht beëindigd per 1 maart 2019.

Het beroep zal dan ook ongegrond worden verklaard.

8. Proceskosten en griffierecht

Omdat het beroep ongegrond wordt verklaard ziet de rechtbank geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. A.G.J.M. de Weert, rechter, in aanwezigheid van R.V. van Vliet, griffier, op 13 oktober 2021, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Wat kunt u doen als u het niet eens bent met deze uitspraak?

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep.