Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZWB:2021:5175

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak
14-10-2021
Datum publicatie
14-10-2021
Zaaknummer
02-083386-21
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

Verdachte wordt veroordeeld voor het dealen van cocaïne gedurende een periode van zeven maanden en voor het opzettelijk aanwezig hebben van 4,52 gram cocaïne. Oplegging van een gevangenisstraf van 12 maanden waarvan 4 maanden voorwaardelijk met daaraan gekoppeld bijzondere voorwaarden om zodoende de nodige hulp te kunnen bieden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Strafrecht

Zittingsplaats: Breda

parketnummer: 02-083386-21

vonnis van de meervoudige kamer van 14 oktober 2021

in de strafzaak tegen

[verdachte]

geboren op [geboortedag] 1989 te [geboorteplaats]

wonende te [adres 1]

raadsman mr. Keller, advocaat te Tilburg

Onderzoek van de zaak

De zaak is inhoudelijk behandeld op de zitting van 30 september 2021, waarbij de officier van justitie, mr. R.S. Jacobs, en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt.

De tenlastelegging

De tenlastelegging is gewijzigd overeenkomstig artikel 314a van het Wetboek van Strafvordering. De tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht.

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat

  1. Verdachte in de periode van 1 september 2020 tot en met 8 april 2021 opzettelijk cocaïne heeft verkocht;

  2. Verdachte op 8 april 2021 opzettelijk ongeveer 4 gram cocaïne voorhanden heeft gehad.

De voorvragen

De dagvaarding is geldig.

De rechtbank is bevoegd.

De officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging.

Er is geen reden voor schorsing van de vervolging.

De beoordeling van het bewijs

Het standpunt van de officier van justitie

Feit 1

De officier van justitie acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte in de tenlastegelegde periode cocaïne heeft gedeald. Hij baseert zich daarbij op de getuigenverklaringen van [getuige 1] , [getuige 2] , [getuige 3] en [getuige 4] en op de observatie van de woning van verdachte op 8 april 2021, zijnde de actiedag. Daarnaast wijst de officier van justitie op het feit dat het gripzakje dat bij [getuige 2] is aangetroffen met daarin 13 kleinere gripzakjes met cocaïne, identiek is aan het gripzakje met daarin 13 zakjes, zoals in het geldkistje onder [getuige 1] is aangetroffen. Het geldkistje dat toebehoort aan verdachte, aldus de officier van justitie.

Feit 2

De officier van justitie acht tevens wettig en overtuigend bewezen dat verdachte 4,52 gram cocaïne voorhanden heeft gehad. De officier van justitie baseert zich daarbij op het aantreffen van een geldkistje met daarin gripzakjes cocaïne in de tas van [getuige 1] , de getuigenverklaring van [getuige 1] die heeft verklaard dat het geldkistje van verdachte was en het aantreffen van de sleutel van het geldkistje bij verdachte. De officier van justitie verwijst hierbij tevens naar een proces-verbaal van bevindingen waaruit blijkt dat het gripzakje en het aantal gripzakjes dat in het geldkistje is aangetroffen identiek is aan hetgeen onder [getuige 2] is aangetroffen.

Het standpunt van de verdediging

De verdediging is van mening dat de rechtbank niet tot een bewezenverklaring kan komen van beide feiten en verzoekt verdachte hiervan vrij te spreken.

Feit 1

Uit de getuigenverklaringen van [getuige 2] en [getuige 3] , met name zoals afgelegd bij de rechter-commissaris, kan niet worden geconcludeerd dat de drugs van verdachte afkomstig waren. Getuigen [getuige 1] en [getuige 4] hadden mogelijk een motief om verdachte te belasten. [getuige 4] bevestigt dit bij zijn verhoor bij de rechter-commissaris door letterlijk te verklaren dat hij een verklaring in zijn eigen belang heeft afgelegd en [getuige 1] was in het bezit van het kistje. De getuigenverklaringen kunnen dus niet voor het bewijs worden gebruikt. Ook de telefoons met daarin dealberichten zijn niet aan verdachte te linken. Daarbij zijn zowel in de woning als in de auto van verdachte geen verdovende middelen aangetroffen. Het dossier bevat dus onvoldoende wettig en overtuigend bewijs.

Feit 2

De verklaring van [getuige 1] heeft naar de mening van de verdediging geen bewijswaarde. [getuige 1] had een motief om verdachte te belasten, mede gelet op het feit dat het geldkistje bij hem is aangetroffen. Kijkend naar de manier waarop [getuige 1] de plastic tas vast had, heeft het er alle schijn naar dat het geldkistje al in de tas zat op het moment dat [getuige 1] de woning van verdachte betrad. Dat de sleutel van het geldkistje aan de sleutelbos van verdachte zat, heeft geen bewijswaarde, omdat de verklaring die verdachte hiervoor geeft niet kan worden uitgesloten.

Het oordeel van de rechtbank

De bewijsmiddelen

De bewijsmiddelen zijn in bijlage II aan dit vonnis gehecht.

De bijzondere overwegingen met betrekking tot het bewijs

Feit 1

Uit de bewijsmiddelen leidt de rechtbank af dat verdachte in de periode van

1 september 2020 tot en met 8 april 2021 opzettelijk cocaïne heeft gedeald.

Nadat [getuige 2] , [getuige 1] en [getuige 3] op 8 april 2021 tijdens een observatie door de politie telkens kortdurend bij/in de woning van verdachte aan de [adres 2] worden gezien, worden zij, net na het verlaten van de woning van verdachte aangehouden en wordt er bij hen alle drie cocaïne aangetroffen.

[getuige 2] en [getuige 1] en [getuige 3] worden vervolgens bij de politie gehoord. [getuige 2] heeft verklaard dat hij die middag bij zijn aanhouding cocaïne heeft gekocht. De rechtbank kan deze verklaring niet anders uitleggen dan dat hij daarmee bedoelt dat hij de cocaïne vlak voor zijn aanhouding, en dus van verdachte, heeft gekocht.

[getuige 1] heeft verklaard dat hij twee keer per maand een kwart gram cocaïne koopt en dat al ongeveer een jaar doet. Die dag heeft hij ook een kwart gram gekocht van die gast die op [adres 2] woont. De eerste keer dat hij drugs van hem kocht was ongeveer een jaar geleden. Hij heeft die dag op verzoek van die jongen een geldkistje (waarin cocaïne is aangetroffen) bij hem opgehaald.

[getuige 3] heeft verklaard dat de drugs die hij nu had gekocht, van een oude bekende afkomstig waren. Hij wil geen naam noemen. Hij zegt wel dat de politie weet bij wie hij aan de deur stond en dat hij de enige was bij wie hij aan de deur heeft gestaan. Hij is bij de rechter-commissaris teruggekomen op zijn belastende verklaring. De rechtbank zal zijn verklaring bij de politie toch voor het bewijs gebruiken. Die verklaring vindt immers bevestiging in hetgeen die dag is geobserveerd en komt overeen met de verklaringen van [getuige 2] en [getuige 1] . Daar komt bij dat [getuige 4] heeft verklaard [getuige 3] te kennen als klant van verdachte.

Verdachte is die dag ‘s avonds in zijn auto aangehouden. In zijn auto lag een mobiele telefoon met het telefoonnummer + [telefoonnummer] .

Uit de telefoongegevens blijkt dat er met dit telefoonnummer contact is geweest met het telefoonnummer van [getuige 1] op 8 april 2021 tussen 14.36 uur en 17.58 uur, waarbij ook gesprekken tot stand zijn gekomen. [getuige 1] heeft verklaard dat hij die dag meermalen telefonisch contact met verdachte had over het geldkistje. Verdachte heeft ter zitting verklaard dat de telefoon met het nummer eindigend op [telefoonnummer] niet van hem was, maar van ene [naam 1] en dat deze al een paar dagen in de auto lag. De rechtbank acht dit echter niet geloofwaardig. Deze telefoon is immers, net na het contact op 8 april 2021 met [getuige 1] , in de auto van verdachte aangetroffen waarbij is waargenomen dat verdachte op 8 april 2021 om 19.01 uur de auto instapte. Om 16.43 uur en 16:44 uur is er met deze telefoon naar het telefoonnummer van [getuige 2] gebeld. Bovendien is er ook in de dagen voorafgaand aan 8 april 2021 gebruik gemaakt van deze telefoon. Dat kan niet als de telefoon al een paar dagen ongebruikt in de auto van verdachte zou liggen. De rechtbank concludeert dat verdachte deze telefoon in gebruik had.

In deze telefoon zijn notities aangetroffen die duiden op het dealen van drugs. De politie beschrijft deze notities als een soort van boekhouding, waarin de hoeveelheid werd aangegeven, de locatie waar het moest worden afgegeven of waar een afnemer woonde, en het bedrag. Soms staat erachter het woord “pof” waaruit kan worden afgeleid dat er niet was betaald. De rechtbank onderschrijft deze beschrijving. In de telefoon staan verder foto’s van WhatsAppgesprekken die zien op drugshandel. De opmerking in een van deze gesprekken dat het gewoon versnijdingsmiddel was wat hij heeft gegeven en dat de afzender daar geen 50 euro voor betaald, is in dat opzicht veelzeggend.

In deze telefoon is verder een Whatsappgesprek met het telefoonnummer van [getuige 2] aangetroffen. Het zijn berichten over de periode van 5 tot en met 8 april 2021 waarbij [getuige 2] door verdachte naar klanten wordt gestuurd en [getuige 2] op zijn beurt verdachte appt waar hij naartoe gaat.

De conclusie van de rechtbank is dat deze telefoon een dealertelefoon is. Een dealertelefoon van verdachte.

Bovenstaande strookt voorts met hetgeen [getuige 4] op 17 en 19 september 2020 heeft verklaard. Hij heeft aangegeven dat hij sinds twee of drie maanden coke wegbrengt voor verdachte en daar geld en coke voor krijgt. Hij heeft 10 tot 15 klanten per dag. Verdachte stuurt hem aan en zegt waar hij heen moet. Verdachte heeft contact met de klanten, [getuige 4] soms ook. Hij gaat bij verdachte de drugs halen en rijdt dan naar de klant. Het telefoonnummer van verdachte staat in zijn telefoon onder de naam “ [naam 2] ”.

Ook deze verklaring wordt bevestigd, en wel door hetgeen uit de telefoongegevens van [getuige 4] is gebleken. Zo blijkt dat hij in de periode van 22 juni 2020 tot en met 15 september 2020 bijna dagelijks contact had met “ [naam 2] ”. “ [naam 2] ” geeft [getuige 4] opdrachten waar hij naartoe moet gaan, waarna [getuige 4] laat weten waar hij naar toe gaat. De rechtbank stelt vast dat deze werkwijze overeen komt met de werkwijze van verdachte en [getuige 2] , zoals uit de telefoon van verdachte die in zijn auto is aangetroffen is gebleken. Daarbij geeft [getuige 4] aan [getuige 3] te kennen als klant van verdachte.

De rechtbank plaatst de verklaring van [getuige 4] bij de rechter-commissaris in een andere context dan de raadsman heeft geplaatst. Dat [getuige 4] deze verklaring heeft afgelegd om de schuld in de schoenen van verdachte te kunnen schuiven, leest de rechtbank daar niet in. Veel meer lijkt zijn opmerking erop te zien dat hij verklaart om zichzelf te beschermen, om zijn verslaving te kunnen beëindigen.

De rechtbank ziet op basis van bovenstaande overwegingen geen aanleiding te twijfelen aan hetgeen de getuigen hebben verklaard. Het gegeven dat bij [getuige 2] en bij [getuige 1] , direct na het verlaten van de woning van verdachte, eenzelfde aantal identiek gelijkende gripzakjes zijn aangetroffen die op dezelfde manier in dezelfde aantallen waren verpakt, steunt de rechtbank in haar overtuiging dat verdachte degene is geweest die cocaïne heeft gedeald.

Alle bevindingen in onderling samenhang bezien waarbij de verklaringen van de getuigen passen in het beeld van de bevindingen zoals neergelegd in de verschillende processen-verbaal van bevindingen, acht de rechtbank voldoende om tot een bewezenverklaring te kunnen komen van het feit dat verdachte gedurende een ruime periode cocaïne heeft gedeald.

Feit 2

Uit de bewijsmiddelen leidt de rechtbank af dat verdachte op 8 april 2021 4,52 gram cocaïne voorhanden heeft gehad.

De verklaring van [getuige 1] dat hij het kistje van verdachte heeft gehad en daarover op

8 april 2021 meerdere malen contact te hebben gehad met verdachte, wordt ondersteund door de telefoongegevens van die dag. De rechtbank verwijst hierbij naar hetgeen hierover onder feit 1 is overwogen. Daar komt bij dat de inhoud van het kistje overeen komt met hetgeen diezelfde dag bij [getuige 2] is aangetroffen, te weten gripzakjes die niet alleen qua aantal (13) maar ook qua uiterlijk identiek waren. Deze bevindingen in samenhang bezien met het feit dat de sleutel van het kistje aan de sleutelhanger van verdachte is aangetroffen, acht de rechtbank voldoende om tot een bewezenverklaring te kunnen komen. De verklaring van verdachte dat iemand deze sleutel aan zijn sleutelbos heeft gedaan, acht de rechtbank ongeloofwaardig. Dat is niet zoals het normaal gesproken gaat.

De bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte

1.

in de periode van 1 september 2020 tot en met 8 april 2021 in Nederland opzettelijk heeft verkocht en verstrekt een hoeveelheid cocaïne, zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;
2.
op 8 april 2021 te Waalwijk opzettelijk aanwezig heeft gehad ongeveer 4,52 gram cocaïne, zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;

Voor zover er in de tenlastelegging kennelijke taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn die fouten in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet in zijn verdediging geschaad.

De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

De strafbaarheid

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten. Dit levert de in de beslissing genoemde strafbare feiten op.

Verdachte is strafbaar, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die zijn strafbaarheid uitsluit.

De strafoplegging

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie vordert aan verdachte op te leggen een gevangenisstraf voor de duur van 15 maanden met aftrek van de periode dat verdachte in voorarrest heeft gezeten, waarvan 3 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren met oplegging van de bijzondere voorwaarden zoals door de reclassering zijn geadviseerd.

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft vrijspraak bepleit. Zo de rechtbank een andersluidend oordeel is toegedaan, verzoekt de verdediging een voorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen waar de bijzondere voorwaarden aan worden verbonden zoals door de reclassering zijn geadviseerd. Op deze wijze wordt het traject bij Exodus niet doorkruist en wordt het recidiverisico ingeperkt. Bij oplegging van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf, verzoekt de verdediging deze gelijk te houden met de periode dat verdachte in voorarrest heeft gezeten.

Het oordeel van de rechtbank

Verdachte heeft zich gedurende een periode van 7 maanden schuldig gemaakt aan het dealen van harddrugs en heeft op 8 april 2021 ook cocaïne voorhanden gehad. Uit observatie is gebleken dat gebruikers aan de deur kwamen om cocaïne af te nemen. Daarnaast stuurde verdachte mensen aan om drugs bij klanten af te leveren. Uit het dossier is gebleken dat er in deze periode een groot aantal deals heeft plaatsgevonden. Zo spreekt getuige [getuige 4] over 10 tot 15 klanten per dag. Naast de overlast die dit alles veroorzaakt, is verdachte medeverantwoordelijk voor de nadelige effecten die het gebruik van verdovende middelen veroorzaakt. Daarbij is van belang dat cocaïne een stof is die sterk verslavend werkt en schadelijk is voor de gezondheid. Voorts is het een feit van algemene bekendheid dat verslaafden in de regel vermogensdelicten plegen om in hun gebruik te kunnen voorzien. Verdachte heeft zich om al deze gevolgen niet bekommerd en slechts gehandeld uit winstbejag. Daarbij heeft verdachte, ook ter zitting, geen blijk van enig inzicht gegeven.

Ook een forse waarschuwing van de politierechter in maart 2021, waarbij aan verdachte een flinke voorwaardelijke taakstraf is opgelegd, heeft hem er niet van weerhouden door te gaan met het dealen van cocaïne. Dit alles rekent de rechtbank verdachte aan.

De reclassering heeft op 14 september 2021 een rapportage over verdachte uitgebracht. Geadviseerd wordt aan verdachte een voorwaardelijke straf op te leggen met oplegging van enkele bijzondere voorwaarden. De reclassering heeft hierbij aangegeven dat verdachte al geruime periode bekend is met middelenproblematiek, waaronder het gebruik van harddrugs. Verdachte is altijd zorgmijdend geweest en heeft nooit hulp gehad voor zijn verslaving. De reclassering acht het noodzakelijk dat verdachte behandeling ontvangt van een verslavingszorginstelling, bij zijn huidige voornemen abstinent te blijven van middelen. Bij terugval in middelengebruik, overmatig middelengebruik of ernstige zorgen over het psychiatrische toestandsbeeld ontstaat een grote kans op risicovolle situaties en kan de reclassering middels oplegging van een voorwaarde tot behandeling een indicatiestelling aanvragen voor een kortdurende klinische opname voor crisisbehandeling, detoxificatie, stabilisatie, observatie of diagnostiek. Vaardigheden waaronder terugvalpreventie moeten nog worden opgebouwd, al ziet verdachte de noodzaak hiertoe zelf niet in. Het lijkt de reclassering raadzaam diagnostiek uit te voeren, zodat hem passende behandeling aangeboden kan worden ten aanzien van zijn psychosociaal functioneren. Als gevolg van zijn handelen en deze strafzaak is verdachte zijn woning kwijtgeraakt.

Inmiddels kan verdachte terecht bij Stichting Exodus in Den Bosch waar hij begeleid zal gaan wonen. Van daaruit kan hij als mantelzorger voor zijn moeder fungeren en dagbesteding hebben op het terrein van Stichting Exodus.

Een onvoorwaardelijke gevangenisstraf zou het aankomende traject bij Stichting Exodus en verslavingszorg Novadic-Kentron negatief beïnvloeden, om welke reden de reclassering het niet wenselijk acht deze modaliteit op te leggen.

De rechtbank is van oordeel dat, gelet op de ernst van de feiten waarbij er door verdachte gedurende een langere periode drugs is gedeald, met ook verdachte als degene die onder meer personen aanstuurde, geen ruimte is voor een andere of lichtere sanctie dan een onvoorwaardelijke gevangenisstraf, ondanks het advies van de reclassering. Daarbij is mede rekening gehouden met de LOVS-oriëntatiepunten. Dit maakt dat de rechtbank van oordeel is dat een gevangenisstraf voor de duur van 12 maanden passend en noodzakelijk is. De rechtbank realiseert zich dat het behandeltraject van verdachte hiermee wordt doorkruist en verdachte ook geen mantelzorg aan zijn moeder kan bieden. De ernst van het feit weegt in dit geval echter zwaarder dan het persoonlijk belang van verdachte. De rechtbank ziet in de persoon van verdachte en het uitgezette hulpverleningstraject wel aanleiding om een deel van de gevangenisstraf, te weten vier maanden voorwaardelijk op te leggen met daaraan verbonden de bijzondere voorwaarden zoals door de reclassering zijn geadviseerd, met een proeftijd voor de duur van 2 jaren. Zo wordt verdachte wel de hulp geboden die de reclassering noodzakelijk acht.

De tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat verdachte in aanmerking komt voor deelname aan een penitentiair programma, als bedoeld in artikel 4 van de Penitentiaire beginselenwet of tot het moment dat de regeling van voorwaardelijke invrijheidstelling aan de orde is, als bedoeld in artikel 6:2:10 van het Wetboek van Strafvordering.

Gelet op de inhoud van het reclasseringsrapport, de te maken start bij Stichting Exodus en het uitgangspunt dat verdachte zijn proces, en dus ook een eventuele hoger beroep procedure, in vrijheid mag afwachten, zal de rechtbank niet overgaan tot opheffing van de schorsing van de voorlopige hechtenis.

Het beslag

De verbeurdverklaring

De hierna in de beslissing genoemde in beslag genomen voorwerpen zijn vatbaar voor verbeurdverklaring.

Onder verdachte is een bedrag van € 5.440,00 in beslag genomen. € 140,00 lag in een bovenkastje in de keuken. € 5.300,00 was verpakt in een boterhamzakje en was verborgen in het matras van het bed. Verdachte heeft bij de politie verklaard dat enkele honderden euro’s van hem zijn en dat hij het overige bewaart voor ZZP-ers. Ter zitting heeft hij verklaard dat een deel van hem is en een deel van een ander persoon. Verdachte heeft geen naam of namen van die personen willen noemen en heeft daarmee zijn verklaring voor het geld onvoldoende onderbouwd. De rechtbank gaat ervan uit dat het geld van hem is.

De rechtbank acht bewezen dat verdachte in cocaïne heeft gehandeld. Verdachte heeft verklaard dat hij per maand € 950,00 euro verdient als mantelzorger. Gelet daarop is een bedrag van € 5.440,00 aan contanten een groot bedrag. De rechtbank ziet dit bedrag dan ook als handelsgeld, verdiend met de drugshandel. Zij zal het geld verbeurd verklaren.

De onttrekking aan het verkeer

De hierna in de beslissing genoemde in beslag genomen voorwerpen

zijn vatbaar voor onttrekking aan het verkeer, omdat het ongecontroleerd bezit ervan

in strijd is met de wet en/of het algemeen belang.

De bewaring ten behoeve van de rechthebbende

De rechtbank zal de bewaring ten behoeve van de rechthebbende gelasten van de hierna in de beslissing genoemde in beslag genomen voorwerpen, aangezien thans niemand als rechthebbende kan worden aangemerkt.

De teruggave aan verdachte

De rechtbank zal de teruggave gelasten van het hierna in de beslissing genoemde in beslag genomen voorwerp aan verdachte, aangezien dit voorwerp niet vatbaar is voor verbeurdverklaring of onttrekking aan het verkeer en onder verdachte in beslag is genomen.

De wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 14a, 14b, 14c, 33, 33a, 36b, 36c, 57 en 63 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 2 en 10 van de Opiumwet zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezenverklaarde.

De beslissing

De rechtbank:

Bewezenverklaring

- verklaart het tenlastegelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 4.4 is omschreven;

- spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;

Strafbaarheid

- verklaart dat het bewezenverklaarde de volgende strafbare feiten oplevert:

Feit1: Opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2, onder B, van de Opiumwet gegeven verbod;

Feit 2: Opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2, onder C, van de Opiumwet gegeven verbod;

- verklaart verdachte strafbaar;

Strafoplegging

- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 12 maanden waarvan vier maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar;

- bepaalt dat het voorwaardelijke deel van deze straf niet ten uitvoer wordt gelegd, tenzij de rechter tenuitvoerlegging gelast, omdat verdachte voor het einde van de proeftijd de hierna vermelde voorwaarden niet heeft nageleefd;

- stelt als algemene voorwaarde dat verdachte zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;

- stelt als bijzondere voorwaarden:

* dat verdachte zich uiterlijk binnen drie werkdagen na het eindigen van zijn detentie zal melden bij verslavingsreclassering Novadic-Kentron op het adres Jan Wierhof 14 te Tilburg en zich daarna gedurende een door de reclassering te bepalen periode (die loopt tot maximaal het einde van de proeftijd) zal blijven melden, zo lang en zo frequent als de reclassering noodzakelijk acht;

* dat verdachte zich laat behandelen, en indien nodig, diagnostisch onderzoeken, door verslavingszorg Novadic-Kentron of een soortgelijke zorgverlener, te bepalen door de reclassering. De behandeling start zo spoedig mogelijk. De behandeling duurt de gehele proeftijd of zoveel korter als de reclassering nodig vindt. Verdachte houdt zich aan de huisregels en de aanwijzingen die de zorgverlener geeft voor de behandeling. Het innemen van medicijnen kan onderdeel zijn van de behandeling. Wanneer er een grote kans op risicovolle situaties ontstaat, kan de reclassering een indicatiestelling aanvragen voor een kortdurende klinische opname voor crisisbehandeling, detoxificatie, stabilisatie, observatie of diagnostiek. Als de voor indicatie verantwoordelijke instantie een kortdurende klinische opname indiceert, laat verdachte zich opnemen in een zorginstelling, te bepalen door de justitiële instantie die verantwoordelijk is voor plaatsing. De kortdurende klinische

opname duurt maximaal zeven weken of zoveel korter als de reclassering nodig vindt;

* dat verdachte meewerkt aan controle van het gebruik van alcohol en drugs om het middelengebruik te beheersen. De reclassering kan urineonderzoek en ademonderzoek (blaastest) gebruiken voor de controle. De reclassering bepaalt hoe vaak betrokkene wordt gecontroleerd.

* dat verdachte ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit, medewerking verleent aan het nemen van vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage biedt;

* dat verdachte verblijft bij Stichting Exodus te Den Bosch of een andere instelling voor beschermd wonen of maatschappelijke opvang, te bepalen door de reclassering.

Het verblijf start, zo mogelijk, na afloop van zijn detentie. Het verblijf duurt de gehele proeftijd of zoveel korter als de reclassering nodig vindt. Betrokkene houdt zich aan de huisregels en het dagprogramma dat de instelling in overleg met de reclassering voor hem heeft opgesteld.

* dat verdachte medewerking verleent aan het reclasseringstoezicht, de medewerking aan huisbezoeken en het zich melden bij de reclassering zo vaak en zolang als de reclassering dit noodzakelijk acht, daaronder begrepen;

- geeft opdracht aan de reclassering tot het houden van toezicht op de naleving van voormelde bijzondere voorwaarde(n) en verdachte ten behoeve daarvan te begeleiden;

- bepaalt dat de tijd die verdachte voor de tenuitvoerlegging van dit vonnis in voorarrest heeft doorgebracht in mindering wordt gebracht bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf;

Beslag

- verklaart verbeurd het inbeslaggenomen geldbedrag, te weten € 5.440,-;

- verklaart onttrokken aan het verkeer de inbeslaggenomen voorwerpen, te weten:

* Telefoontoestel: Omschrijving: G2322040, scherm kapot, grijs, merk: Apple;

* Telefoontoestel: Omschrijving: G2322007, roze, merk: Apple;

- gelast de bewaring ten behoeve van de rechthebbende van de inbeslaggenomen voorwerpen, te weten:

* Telefoontoestel: Omschrijving: G2322042, grijs, merk: Apple;

* Telefoontoestel: Omschrijving: G2322044, grijs, merk: Apple;

-gelast de teruggave aan verdachte van het inbeslaggenomen voorwerp, te weten:

* Telefoontoestel: Omschrijving: G2322041, grijs, merk: Apple.

Dit vonnis is gewezen door voorzitter mr. M.A.E. Dekker, mr. R.J.H. van der Linden en mr. R.J.H. Goossens, rechters, in tegenwoordigheid van mr. A.C. Bles, griffier, en is uitgesproken ter openbare zitting op 14 oktober 2021.

Mr. Goossens is niet in de gelegenheid dit vonnis mede te ondertekenen.