Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZWB:2021:5149

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak
11-10-2021
Datum publicatie
19-10-2021
Zaaknummer
BRE - 19 _ 878
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Inkomstenbelasting- box 3 heffing / individuele en buitensporige last

De rechtbank vermindert de box 3 heffing in 2017, 2018 en 2019 van belanghebbenden omdat sprake is van een individuele en buitensporige last. Voor 2017 oordeelt de rechtbank dat de vraag of deze belanghebbenden hebben moeten interen op hun vermogen om de belasting te moeten voldoen, niet enkel beantwoord moet worden aan de hand van het afzetten van het daadwerkelijke rente-inkomen tegen het op de aanslag verschuldigde bedrag aan belasting. De rechtbank biedt rechtsherstel, wat schattenderwijs is vastgesteld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Viditax (FutD), 20-10-2021
V-N Vandaag 2021/2472
FutD 2021-3265 met annotatie van Fiscaal up to Date
NTFR 2021/3769 met annotatie van mr. M.A.A. Ramaekers
V-N 2021/55.2.2
NLF 2021/2072 met annotatie van Sonja Dusarduijn
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Belastingrecht, enkelvoudige kamer

Locatie: Breda

Zaaknummers BRE 19/878, 19/879, 20/1066, 20/1069, 20/9330 en 20/9331

uitspraak van 11 oktober 2021

Uitspraak als bedoeld in afdeling 8.2.6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in het geding tussen

[belanghebbende 1] , wonende te [plaats] ,

belanghebbende 1,

[belanghebbende 2] , wonende te [plaats] ,

belanghebbende 2,

(samen: belanghebbenden)

en

de inspecteur van de Belastingdienst,

de inspecteur.

De bestreden uitspraken op bezwaar

De uitspraken van de inspecteur op de bezwaren van:

- belanghebbende 1 (hierna: de man) tegen de volgende aan hem opgelegde aanslagen inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (hierna: IB/PVV):

Dagtekening

uitspraak op bezwaar

Jaar

Aanslag-nummer

[X] .

Belastbaar inkomen uit werk en woning

Belastbaar inkomen uit sparen en beleggen

Zaak-

nummer

10 januari 2019

2017

H.76.01

-----

27.299

19/878

7 januari 2020

2018

H.86.01

-----

24.645

20/1069

2 oktober 2020

2019

H.96.01

41

24.370

20/9331

- belanghebbende 2 (hierna: de vrouw) tegen de volgende aan haar opgelegde aanslagen IB/PVV:

Dagtekening

uitspraak op bezwaar

Jaar

Aanslag-nummer

[X]

Belastbaar inkomen uit werk en woning

Belastbaar inkomen uit sparen en beleggen

Zaak-

nummer

10 januari 2019

2017

H.76.01

-----

27.299

19/879

7 januari 2020

2018

H.86.01

-----

24.645

20/1066

15 oktober 2020

2019

H.96.01

41

24.370

20/9330

Zitting

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 24 september 2021 te Breda. Aldaar zijn verschenen en gehoord, namens [de inspecteur] .

Belanghebbenden zijn, met kennisgeving aan de rechtbank, niet verschenen.

Van de zitting is een proces-verbaal gemaakt, waarvan een afschrift tegelijk met een afschrift van deze uitspraak aan partijen is verzonden.

1 Beslissing

Ter zake van de man (zaaknummers 19/878, 20/1069 en 20/9331)

De rechtbank:

  • -

    verklaart de beroepen gegrond;

  • -

    vernietigt de uitspraken op bezwaar;

  • -

    vermindert de aanslag IB/PVV 2017 tot een berekend naar een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 6.280;

  • -

    vermindert de aanslag IB/PVV 2018 tot een berekend naar een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 2.770;

  • -

    vermindert de aanslag IB/PVV 2019 tot een berekend naar een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 2.590 en handhaaft de overige elementen van deze aanslag;

  • -

    gelast dat de inspecteur de door hem betaalde griffierechten van in totaal € 143 aan hem vergoedt.

Ter zake van de vrouw (zaaknummers 19/879, 20/1066 en 20/9330)

De rechtbank:

  • -

    verklaart de beroepen gegrond;

  • -

    vernietigt de uitspraken op bezwaar;

  • -

    vermindert de aanslag IB/PVV 2017 tot een berekend naar een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 6.280;

  • -

    vermindert de aanslag IB/PVV 2018 tot een berekend naar een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 2.770;

  • -

    vermindert de aanslag IB/PVV 2019 tot een berekend naar een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 2.590 en handhaaft de overige elementen van deze aanslag;

  • -

    gelast dat de inspecteur de door hem betaalde griffierechten van in totaal € 143 aan haar vergoedt.

2 Gronden

2.1.

De man en de vrouw zijn gehuwd en hebben voor de jaren 2017, 2018 en 2019 aangifte IB/PVV gedaan. In die jaren hebben zij geen inkomsten uit tegenwoordige dan wel vroegere arbeid genoten. Het in 2019 aanwezige belastbaar inkomen uit werk en woning bij belanghebbenden houdt verband met het feit dat zij beschikken over een eigen woning zonder hypotheekschuld.

2.2.

De man en de vrouw hebben in de aangiften IB/PVV de volgende (gezamenlijke) bestanddelen aangegeven:

Gegevens/jaar

Jaar 2017

Jaar 2018

Jaar 2019

Box 1:

WOZ-waarde eigen woning

382.000

388.000

387.000

Box 2:

[Vennootschap]

0

0

0

Box 3:

Bank- en spaartegoeden

1.293.236

1.275.183

1.238.722

2.3.

De aanslagen IB/PVV voor de jaren 2017, 2018 en 2019 ten behoeve van de man en de vrouw zijn overeenkomstig de ingediende aangiften vastgesteld. Belanghebbende hebben daartegen bezwaar gemaakt. De bezwaren van belanghebbenden richten zich op de heffing van inkomstenbelasting over de bank- en spaartegoeden (hierna: de box 3 heffing).

2.4.

Het belastbare inkomen uit sparen en beleggen voor de jaren 2017, 2018 en 2019 ten behoeve van de man is vastgesteld op respectievelijk € 27.299, € 24.645 en € 24.370.

De door man verschuldigde IB/PVV bedraagt, na toepassing van de algemene heffingskorting, respectievelijk € 5.935, € 5.128 en € 4.848.

2.5.

Het belastbare inkomen uit sparen en beleggen voor de jaren 2017, 2018 en 2019 ten behoeve van de vrouw is vastgesteld op respectievelijk € 27.299, € 24.645 en € 24.370.

De door de vrouw verschuldigde IB/PVV bedraagt, na toepassing van de algemene heffingskorting, respectievelijk € 5.935, € 5.128 en € 4.848.

2.6.

De door belanghebbenden daadwerkelijk ontvangen rente over de bank- en spaartegoeden bedraagt in de jaren 2017, 2018 en 2019 respectievelijk € 12.577, € 5.541 en € 5.182.

2.7.

In geschil is het antwoord op de vraag of de box 3 heffing voor ieder van de onderhavige jaren in strijd met artikel 1 van het Eerste Protocol bij het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna: artikel 1 EP).

Stelselniveau?

2.8.

De Hoge Raad heeft in zijn arrest van 2 juli 20211 onder meer overwogen dat in gevallen waarin het bezwaar van de belastingplichtige onder meer een rechtsvraag betreft waarvoor op de voet van artikel 25c, tweede lid, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen een aanwijzing massaal bezwaar is gegeven, de rechter in belastingzaken betreffende de individuele uitspraak op bezwaar wel oordeelt over die uitspraak maar zonder over die rechtsvraag te beslissen. Niet in geschil is dat ter zake de vraag of de box 3 heffing op stelselniveau in strijd met artikel 1 EP een aanwijzing massaal bezwaar is gegeven waarbij het door belanghebbende gemaakte bezwaar binnen de betreffende voorwaarden voor de aanwijzing valt. De rechtbank zal daarom, gelet op dit arrest van de Hoge Raad, niet over vragen die in de massaalbezwaarprocedure aan de orde komen beslissen en zal dus alleen toetsen of de box 3 heffing in ieder van de onderhavige jaren leidt tot een individuele en buitensporige last voor belanghebbenden.

Individuele en buitensporige last?

2.9.

De vraag die in deze procedure dus beantwoord moet worden is of in het geval van belanghebbenden ten aanzien van de box 3 heffing sprake is van een individuele en buitensporige last als gevolg waarvan de heffing strijdig is met artikel 1 EP. Voor de beantwoording van die vraag is beslissend of de last zich voor belanghebbenden sterker laat voelen dan in het algemeen en voorts dat de last voor hen buitensporig is. Bij de beoordeling van de vraag of een zodanige individuele en buitensporige last zich voordoet, moeten de gevolgen van elke aanslag als geheel beschouwd worden bezien in samenhang met de gehele financiële situatie van de betrokkene.2 Daarbij moet ook in aanmerking worden genomen of en in hoeverre een belastingplichtige een zodanig laag inkomen heeft dat hij op zijn vermogen moet interen om de belasting te voldoen. In het algemeen kan immers worden aangenomen dat de wetgever met een belasting naar inkomen geen heffing beoogt waardoor de belastingplichtige op zijn vermogen moet interen om de verschuldigde belasting te kunnen voldoen. 3

2.10.

De rechtbank overweegt als volgt.

2.10.1.

Vast staat dat belanghebbenden in de onderhavige jaren geen inkomsten uit (vroegere) arbeid hebben genoten. De BV beschikt volgens de inspecteur over een negatief eigen vermogen en een stamrechtvoorziening, waarbij in ieder geval vast staat dat geen uitkeringen zijn ontvangen van de BV in de onderhavige jaren. Tevens staat vast dat de bestanddelen van de grondslag sparen en beleggen slechts uit betaal- en spaartegoeden bestaat. De inspecteur heeft de door belanghebbenden gestelde bedragen aan door belanghebbenden gezamenlijk ontvangen rentes (zie 2.6) niet bestreden.4 Wel heeft de inspecteur de door belanghebbenden gestelde totale rendementen (2017: € 5.692, 2018: € 4.676 en 2019: € 3.464) bestreden. De gestelde rendementen zijn – gelet op de betwisting door de inspecteur – naar het oordeel van de rechtbank niet aannemelijk gemaakt aangezien daar geen verdere onderbouwing voor is gegeven door belanghebbenden. De door belanghebbenden gezamenlijk ontvangen rentes zullen dan ook als uitgangspunt worden genomen bij de beoordeling of sprake is van een individuele en buitensporige last.

2.10.2.

Gelet hierop kan worden vastgesteld dat de totale omvang van de gezamenlijk door beide belanghebbenden verschuldigde box 3 heffing over het vermogen (2017: € 16.378, 2018: € 14.786 en 2019: € 14.786) hoger is dan de daadwerkelijk door hen in de betreffende jaren ontvangen rente. Deze rente is ook de enige inkomenspost voor belanghebbenden. Voor de jaren 2018 en 2019 is de belasting die op grond van de aanslagen IB/PVV is verschuldigd (jaar 2018: € 10.256, jaar 2019: € 9.696) ook hoger dan de ontvangen rentes. Voor die jaren is dan ook aannemelijk dat belanghebbenden hebben moeten interen op hun vermogen om de belasting te kunnen voldoen.

Met betrekking tot het jaar 2017 is het zo dat het bedrag dat uiteindelijk op de aanslagen IB/PVV verschuldigd is (een totaal van € 11.870) lager is dan de in 2017 ontvangen rente (een totaal van € 12.577). Daarin speelt de toepassing van de algemene heffingskorting een belangrijke rol. De rechtbank acht het in dit verband – gelet op het karakter van de algemene heffingskorting als een tegemoetkoming om een minimuminkomen onbelast te houden – niet aangewezen om op grond van toepassing van die faciliteit te concluderen dat geen sprake is van een individuele en buitensporige last. Het karakter van de algemene heffingskorting geeft juist aanleiding om bij de beoordeling van de omstandigheid of sprake is van interen op vermogen de algemene heffingskorting als een maatstaf te hanteren voor een minimuminkomen dat in ieder geval niet aangewend dient te worden voor het betalen van belasting. Anders gezegd: de vraag of deze belanghebbenden moeten interen op hun vermogen om de belasting te moeten voldoen, moet niet enkel beantwoord worden aan de hand van het afzetten van het daadwerkelijke rente-inkomen tegen het op de aanslag verschuldigde bedrag aan belasting. Daarbij dient naar het oordeel van de rechtbank ook rekening gehouden te worden met de tegenwaarde aan minimuminkomen die de algemene heffingskorting vertegenwoordigd. De rechtbank ziet aanleiding om rekening te houden met een tegenwaarde aan minimuminkomen op basis van het tarief van de eerste inkomstenbelastingschijf (inclusief premies volksverzekeringen) van 36,55% en de maximale algemene heffingskorting van € 2.254. De keuze voor deze tariefstelling maakt tevens enige vergelijking mogelijk tussen belastingplichtigen zonder (box 1) inkomen en belastingplichtigen met een (gering box 1) inkomen. Dat komt neer op een minimuminkomen van € 6.167 per persoon dat niet aangewend dient te worden voor het betalen van belasting.

Indien het reële inkomen van belanghebbenden, bestaande uit de rente-inkomsten van € 6.288 per persoon, wordt verminderd met het bedrag aan minimuminkomen, resteert niet voldoende beschikbaar inkomen om de in 2017 op aanslag verschuldigde belasting te betalen. Daarmee is dan ook aannemelijk dat belanghebbenden ook in 2017 hebben moeten interen op hun vermogen om de op aanslag verschuldigde belasting te moeten betalen.

Het voorgaande brengt naar het oordeel van de rechtbank mee dat de box 3 heffing, zoals die voor ieder van de onderhavige jaren is vastgesteld conform de bepalingen in de Wet inkomstenbelasting 2001, in het concrete geval van belanghebbenden een individuele en buitensporige last is. De betreffende heffing is daarmee in strijd met artikel 1 EP.

2.10.3.

De rechtbank gaat voorbij aan het standpunt van de inspecteur dat ook met potentiële (stamrecht)uitkeringen van de B.V. rekening moet worden gehouden voor de beoordeling of sprake is van een individuele en buitensporige last. Iedere aanslag is gebaseerd op de feiten en omstandigheden van het desbetreffende jaar en per als geheel beschouwde aanslag dient te worden beoordeeld of sprake is van een individuele en buitensporige last. Daarbij kan geen rekening gehouden worden met iets wat zich niet heeft voorgedaan.

2.10.4.

De rechtbank zal, gelet op wat in 2.10.2 is overwogen, ter afwending van individuele en buitensporige last rechtsherstel moeten bieden5. De rechtbank bepaalt de omvang van het rechtsherstel door het belastbare inkomen uit sparen en beleggen voor ieder van de onderhavige jaren schattenderwijs als volgt vast te stellen:

Belastingplichtige / jaar

Jaar 2017

Jaar 2018

Jaar 2019

de man (belanghebbende 1)

6.280

2.770

2.590

de vrouw (belanghebbende 2)

6.280

2.770

2.590

De rechtbank heeft daarbij in aanmerking genomen dat de box 3 heffing in het concrete geval van belanghebbenden dan beter aansluit op de werkelijk ontvangen rentes.

2.11.

Gelet op het vorenstaande zijn de beroepen gegrond verklaard.

2.12.

Het standpunt van belanghebbenden – voor zover daarmee is bedoeld dat een verdere mindering van de aanslagen moet plaatsvinden – dat sprake is van ongelijke behandeling van spaargeld dat wordt gehouden in een B.V. ten opzichte van spaargeld dat wordt gehouden door een natuurlijk persoon faalt. De rechtbank overweegt als volgt. Weliswaar wordt het belastingobject (de ontvangen rente) anders behandeld, maar ten aanzien van het belastingsubject (de belastingplichtige) is geen sprake van rechtens gelijke gevallen. Een B.V. of open fonds voor gemene rekening wordt namelijk op een andere wijze in de heffing betrokken dan een natuurlijk persoon.

2.13.

De overige stellingen van belanghebbenden dat sprake is van schending van het vertrouwens-, evenredigheids- en het zorgvuldigheidsbeginsel leiden verder niet tot een ander oordeel.

Proceskosten en griffierechten

2.14.

De rechtbank ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling, omdat belanghebbenden hebben aangegeven dat zij geen proceskosten hebben gemaakt. Wel krijgen belanghebbenden de betaalde griffierechten vergoed.

Deze uitspraak is gedaan door mr. S.A.J. Bastiaansen, rechter, in aanwezigheid van
mr. B.W. van Eeken-Liu, griffier, op 11 oktober 2021 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.

De griffier, De rechter,

Afschrift aangetekend verzonden aan partijen op:

Aan deze uitspraak hoeft eerst uitvoering te worden gegeven als de uitspraak onherroepelijk is geworden. De uitspraak is onherroepelijk als niet binnen zes weken na verzending van de uitspraak een rechtsmiddel is aangewend of onherroepelijk op het aangewende rechtsmiddel is beslist (artikel 27h, derde lid en artikel 28, zevende lid AWR).

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof te ‘s-Hertogenbosch (belastingkamer), Postbus 70583,

5201 CZ ’s-Hertogenbosch.

Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:

1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.
2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:
a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;

d. de gronden van het hoger beroep.

Voor burgers is het mogelijk hoger beroep digitaal in te stellen. Hiervoor kan gebruik worden gemaakt van de formulieren op Rechtspraak.nl / Digitaal loket bestuursrecht.

1 ECLI:NL:HR:2021:963.

2 Vgl. Hoge Raad 29 mei 2020, ECLI:NL:HR:2020:831, r.o. 2.5.2

3 Vgl. Hoge Raad 2 juli 2021, ECLI:NL:HR:2021:1047, r.o. 4.3.3

4 De rechtbank merkt op dat de aanslagen individueel worden beoordeeld maar dat alles in totalen wordt besproken omdat belanghebbenden alles precies bij helfte hebben verdeeld en dat alle overige gegevens ook steeds tot identieke bedragen leiden.

5 Vgl. HR 6 april 2018, ECLI:NL:HR:2018:511.