Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZWB:2021:4799

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak
23-09-2021
Datum publicatie
30-09-2021
Zaaknummer
AWB- 21_27
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

WSFBSF

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Zittingsplaats Breda

Bestuursrecht

zaaknummer: BRE 21/27 WSFBSF

uitspraak van de meervoudige kamer van 23 september 2021 in de zaak tussen

[naam eiser] , te [plaatsnaam] , eiser,

gemachtigde: mr. G. Gabrelian,

en

de minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap,

Dienst Uitvoering Onderwijs (DUO), verweerder.

Procesverloop

In het besluit van 17 maart 2020 (primaire besluit) heeft DUO de aanvraag van eiser voor studiefinanciering (aanvullende beurs en lening) afgewezen, omdat eiser niet voldoet aan de nationaliteitseis.

In het besluit van 2 oktober 2020 (bestreden besluit) heeft DUO het bezwaar van eiser tegen het primaire besluit ongegrond verklaard.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

DUO heeft een verweerschrift ingediend.

Het beroep is besproken op de zitting van de rechtbank op 1 juli 2021. Hierbij waren aanwezig eiser en mr. P.S. Folsche, kantoorgenoot van de gemachtigde. Namens DUO heeft mr. G.J.M. Naber via een videoverbinding aan de zitting deelgenomen.

De rechtbank heeft de uitspraaktermijn met zes weken verlengd.

Overwegingen

Feiten

1. Eiser is burger van één van de lidstaten van de Europese Unie, te weten [naam land] .

Hij volgde in Nederland de studie [naam studie] aan de [plaatsnaam] University en heeft op 28 februari 2020 een aanvraag ingediend om in aanmerking te komen voor Nederlandse studiefinanciering (aanvullende beurs en lening).

DUO heeft aangegeven dat, om in aanmerking te komen voor studiefinanciering, eiser, zijn niet Nederlandse partner of zijn niet Nederlandse ouder(s) minimaal 56 uur per maand in Nederland moeten werken. Er is om aanvullende informatie gevraagd om de aanvraag te kunnen behandelen.

Eiser heeft een ‘internship agreement’ met [naam bedrijf] van 21 februari 2020 overgelegd. Hierin staat dat hij in de periode van 27 februari 2020 tot en met 28 augustus 2020 voor 40 uur per week bij [naam bedrijf] een internship zal volgen. Hiervoor zal hij € 500,- per maand ontvangen.

Bij het primaire besluit heeft DUO de aanvraag van eiser afgewezen, omdat eiser niet voldoet aan de nationaliteitseis. Tegen dit besluit heeft eiser bezwaar gemaakt.

In het bestreden besluit zijn de bezwaren van eiser ongegrond verklaard. Daarbij is aangegeven dat eiser niet kan worden aangemerkt als migrerend werknemer, omdat hij niet ten minste 56 uren per maand betaalde arbeid verricht op grond van een arbeidscontract. Het internship bij [naam bedrijf] kan niet als een arbeidscontract worden aangemerkt.

Standpunt eiser

2. Eiser stelt dat hij een migrerend werknemer is en voert aan dat het begrip ‘werknemer’ in het Unierecht een communautair begrip is. De invulling is niet afhankelijk van het nationaal recht. Een werknemer is volgens vaste rechtspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie (HvJ) een persoon die reële en daadwerkelijke arbeid verricht. Daarvan is sprake wanneer iemand tegen vergoeding werkzaamheden verricht onder toezicht en instructie van een ander. Het beoordelen van de status van een persoon als werknemer vereist een op de persoon toegesneden beoordeling van de door hem verrichte arbeid. DUO heeft daartoe een beleidsregel opgesteld, waarin het criterium ‘reële en daadwerkelijke arbeid’ getoetst wordt aan de arbeidsomvang: wanneer de arbeidsomvang ten minste 56 uur per maand bedraagt, laat DUO een op de persoon toegesneden beoordeling achterwege.

Eiser was van 27 februari tot en met 28 augustus 2020 werkzaam als stagiair bij [naam bedrijf] , waar hij 40 uur per week werkte. Daarmee voldoet hij ruimschoots aan het 56-uurs criterium. Dat een ‘internship agreement’ naar Nederlands recht als stage-overeenkomst wordt gekwalificeerd, is niet relevant. Eiser wijst op het arrest Balkaya van het HvJ (C-229/14, ECLI:EU:C:2015:455).

Ter zitting heeft eiser verklaard dat hij tijdens zijn stage in juni vanwege financiële problemen naar [naam land] is teruggekeerd. Het was de bedoeling om terug te komen naar Nederland, maar vanwege de lockdown is dit in 2020 niet meer gebeurd. Eiser stelt dat hij toen de status van migrerend werknemer heeft behouden en doet een beroep op de hardheidsclausule en analoge toepassing van artikel 7, derde lid, van Richtlijn 2004/38 EG.

Ook indien eiser aangemerkt moet worden als economisch niet-actieve burger van de Europese Unie en dus niet als migrerend werknemer, maakt hij naast het collegegeldkrediet aanspraak op het studentenreisproduct en een deel van de basisbeurs. Hij geniet namelijk bescherming van artikel 18 van het Verdrag betreffende de Werking van de Europese Unie (VWEU). Eiser wijst in dit kader op het arrest Raulin van het HvJ (C-357/89, ECLI:EU:C:1992:87).

Wettelijk kader

3.1

Op grond van artikel 18 van het VWEU is binnen de werkingssfeer van de Verdragen en onverminderd bijzondere bepalingen, daarin gelijkgesteld, elke discriminatie op grond van nationaliteit verboden.

Op grond van artikel 45, eerste lid, van het VWEU is het verkeer van werknemers binnen de Unie vrij. Op grond van het tweede lid van dit artikel houdt dit de afschaffing in van elke discriminatie op grond van de nationaliteit tussen de werknemers van de lidstaten, wat betreft werkgelegenheid, de beloning en de overige arbeidsvoorwaarden.

3.2

Op grond van artikel 7, eerste lid, aanhef en onder a, van de Richtlijn 2004/38/EG betreffende het recht van vrij verkeer en verblijf op het grondgebied van de lidstaten voor burgers van de Unie en hun familieleden (hierna: de Richtlijn) heeft - voor zover hier relevant - iedere burger van de Unie het recht gedurende meer dan drie maanden op het grondgebied van een andere lidstaat te verblijven indien hij in het gastland werknemer of zelfstandige is.

Op grond van het derde lid, aanhef en sub c van dit artikel geldt dat voor de toepassing van lid 1, onder a, een burger van de Unie zijn status van werknemer of zelfstandige behoudt in het geval dat hij zich bevindt in een toestand van naar behoren vastgestelde werkloosheid na afloop van een tijdelijke arbeidsovereenkomst voor minder dan één jaar of hij in de eerste twaalf maanden onvrijwillig werkloos is geworden en zich als werkzoekende bij de bevoegde dienst voor arbeidsvoorziening heeft ingeschreven.

Op grond van artikel 24, eerste lid, van de Richtlijn geniet iedere burger van de Unie die op basis van deze richtlijn op het grondgebied van een gastland verblijft, binnen het toepassingsgebied van het Verdrag dezelfde behandeling als de onderdanen van dat gastland.

Op grond van het tweede lid van dit artikel is het gastland, in afwijking van het eerste lid, niet verplicht steun voor levensonderhoud toe te kennen voor studies, inclusief beroepsopleiding, in de vorm van een studiebeurs of lening, aan andere personen dan werknemers of zelfstandige of personen die deze status hebben behouden, en hun familieleden.

3.3

Op grond van artikel 2.2, aanhef en onder b, van de Wet studiefinanciering 2000 (Wsf 2000) kan voor studiefinanciering in aanmerking komen een studerende die niet de Nederlandse nationaliteit bezit, maar wel ingevolge een verdrag of een besluit van een volkenrechtelijke organisatie op het terrein van de studiefinanciering met een Nederlander wordt gelijkgesteld.

Ter uitvoering van deze bepaling heeft DUO de Beleidsregel controlebeleid migrerend werknemerschap van 13 december 2012, nr. HO&S/463528, Stcrt. 2013, 6218 (hierna: de Beleidsregel) vastgesteld.

In de Beleidsregel wordt uiteengezet dat studerenden afkomstig uit één van de lidstaten van de Europese Unie in aanmerking kunnen komen voor volledige studiefinanciering indien zij aangemerkt worden als migrerend werknemer. Op grond van de Beleidsregel laat de minister na de toekenning van de studiefinanciering controleren of de studerende blijft voldoen aan de voorwaarden om als migrerend werknemer te worden aangemerkt. Hiertoe controleert DUO per studiefinancieringstijdvak en schrijft DUO de studerenden aan met het verzoek door te geven hoeveel uren zij over het te controleren studiefinancieringstijdvak hebben gewerkt. Op grond van de Beleidsregel heeft iedere studerende die over de controleperiode 56 uur of meer gemiddeld per maand heeft gewerkt, zonder meer de status van migrerend werknemer en daarmee terecht studiefinanciering ontvangen over het gecontroleerde studiefinancierings- tijdvak.

Op grond van artikel 11.5, eerste lid, van de Wsf 2000 kan onze Minister voor bepaalde gevallen de wet buiten toepassing laten of daarvan afwijken voor zover toepassing gelet op het belang dat deze wet beoogt te beschermen, zal leiden tot een onbillijkheid van overwegende aard.

Beoordeling

4. In geschil is of DUO op goede gronden eisers aanvraag om per 1 maart 2020 in aanmerking te komen voor studiefinanciering (aanvullende beurs en lening) heeft afgewezen.

Migrerend werknemer (economisch actieve burger)

5.1

Meer specifiek ligt allereerst de vraag voor of eiser aangemerkt kan worden als migrerend werknemer in de periode van 1 maart tot en met 28 augustus 2020 (internship bij [naam bedrijf] ) en zo ja, of eiser deze status heeft behouden in de periode na 28 augustus 2020.

Periode maart - augustus 2020

5.2

Eiser heeft betoogd dat hij in de periode van 27 februari 2020 tot en met 28 augustus 2020 bij [naam bedrijf] voor 40 uur per week een internship heeft vervuld. Hiervoor heeft hij € 500,- per maand ontvangen. Omdat eiser meer dan 56 uur per maand heeft gewerkt, is hij van mening dat hij volgens de Beleidsregel de status van ‘migrerend werknemer’ heeft.

5.3

Volgens vaste rechtspraak van het HvJ ligt de feitelijke beoordeling of een betrokkene de status van werknemer heeft en/of behoudt (uiteindelijk) bij de nationale rechter (zie de arresten van het HvJ van 4 juni 2009, C-22/08, ECLI:EU:C:2009:344 (arrest Vatsouras), punt 23 en van 4 februari 2010, C-14/09, ECLI:EU:C:2010:57 (arrest Genc) punt 29 e.v.). Dit betekent dat de rechtbank in het voorgelegde geschil zelf moet vaststellen of eiser in de te beoordelen periode werknemer is (geweest) als bedoeld in artikel 45 van het VWEU en artikel 7 van de Richtlijn. Zie ook de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep (CRvB) van 29 juni 2021, ECLI:NL:CRVB:2021:1737.

Volgens al lang geleden gevestigde en nu nog geldende vaste rechtspraak van het HvJ heeft het begrip ‘werknemer’ een communautaire, dat wil zeggen een Europeesrechtelijke, reikwijdte en mag het niet beperkt worden uitgelegd. Werknemer in de zin van het VWEU en de Richtlijn is eenieder die reële en daadwerkelijke arbeid verricht, met uitsluiting van werkzaamheden van zo geringe omvang dat zij louter marginaal en bijkomstig zijn. Bij het onderzoek of is voldaan aan deze voorwaarde moet de nationale rechter zich baseren op objectieve criteria en alle omstandigheden van de zaak die te maken hebben met de aard van zowel de betrokken werkzaamheden als de betrokken arbeidsverhouding, in hun geheel beoordelen. Hoofdkenmerk van de arbeidsverhouding is dat iemand gedurende een bepaalde tijd voor een ander en onder diens gezag prestaties verricht en hiervoor een beloning ontvangt (zie het arrest van het HvJ van 30 maart 2006, C-10/5, ECLI:EU:C:2006:220, arrest Mattern/Cikotik). Daarbij hoeft de omstandigheid dat in een arbeidsverhouding een zeer gering aantal uren is gewerkt, niet in de weg te staan aan de conclusie dat sprake is van communautair/migrerend werknemerschap.

5.4

Eiser heeft een internship agreement overgelegd met [naam bedrijf] , betrekking hebbend op de periode van 27 februari 2020 tot en met 28 augustus 2020. Hierin staat dat het om een internship van 40 uur per week gaat en dat eiser per maand € 500,- zal ontvangen. In bezwaar heeft eiser de tekst van de vacature van het internship overgelegd, waarin de taken van de kandidaat worden opgesomd.

Ter zitting heeft eiser toegelicht dat zijn taak bij [naam bedrijf] bestond uit het verzamelen van informatie en research in andere landen over het bedrijf. Hij heeft meegewerkt aan het ontwikkelen van computerapplicaties. Verder heeft hij bijeenkomsten mede georganiseerd. Eiser werkte met een mentor die aangaf wat hij moest doen. Als eiser een taak had afgerond, werd dit aan de mentor en een andere leidinggevende teruggekoppeld. Eiser werkte ook aan een opdracht in het kader van zijn studie en heeft een rapport geschreven. Ongeveer 70% van zijn tijd werkte eiser voor [naam bedrijf] en de overige 30% van de tijd werd aan opdrachten voor zijn opleiding besteed. Eiser heeft ter zitting aangegeven dat hij als werknemer van [naam bedrijf] werd behandeld en in diverse teams meedraaide.

5.5

De rechtbank is van oordeel dat met het bovenstaande aannemelijk is gemaakt dat eiser in de periode van 27 februari 2020 tot en met augustus 2020 reële en daadwerkelijke arbeid heeft verricht bij [naam bedrijf] . Eiser werkte onder gezag van een medewerker van het bedrijf en kreeg taken toebedeeld. Hij ontving hiervoor een geldelijke beloning die aan te merken is als vergoeding voor het verrichten van taken voor de onderneming.

De taken genoemd in de overgelegde vacaturetekst van het door eiser gevolgde internship komen overeen met de taken zoals eiser deze ter zitting heeft omschreven. In de vacaturetekst wordt de nadruk gelegd op te verrichten werkzaamheden ten behoeve van de onderneming en niet op studiedoeleinden. Uit de vacaturetekst blijkt niet dat het niet om reële arbeid zou gaan.

Nu de werkzaamheden van eiser bij [naam bedrijf] van een dusdanige omvang waren en hij hiervoor ook een beloning ontving, kan eiser in de periode van 1 maart 2020 tot en met 28 augustus 2020 worden aangemerkt als migrerend werknemer in de zin van de Beleidsregel.

5.6

DUO heeft in het verweerschrift nog aangevoerd dat de stelling dat geen sprake is van een arbeidsovereenkomst wordt bevestigd door de geringe vergoeding die eiser heeft ontvangen.

In de hiervoor genoemde uitspraak in de zaak [naam zaak] heeft het HvJ overwogen dat, hoewel vaststaat dat de beloning van de verrichte prestaties een wezenlijk kenmerk van de arbeidsverhouding vormt, noch de geringe hoogte van die beloning, noch de herkomst van de middelen waaruit deze wordt betaald, gevolgen heeft voor de hoedanigheid van werknemer in de zin van het gemeenschapsrecht. De rechtbank constateert dat ook uit de Beleidsregel niet volgt dat indien wordt voldaan aan de urennorm, daarnaast dient te worden voldaan aan de eisen die gesteld zijn aan de hoogte van het inkomen. Immers, in het geval de urennorm wordt gehaald heeft de studerende ‘zonder meer’ de status van migrerend werknemer. Gelet hierop is de hoogte van de door eiser ontvangen vergoeding niet relevant bij de beoordeling of sprake is van reële en daadwerkelijke arbeid (vergelijk de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 5 oktober 2016, ECLI:NL:RBAMS:2016:6426).

5.7

De rechtbank is dan ook van oordeel dat eiser bij [naam bedrijf] in de periode van 1 maart 2020 tot en met 28 augustus 2020 reële en daadwerkelijke arbeid in loondienst heeft verricht gedurende meer dan 56 uur per maand, op grond waarvan hij als ‘migrerend werknemer’ in de zin van de Beleidsregel kan worden aangemerkt.

Dat betekent dat eiser voor deze periode in aanmerking komt voor studiefinanciering. DUO heeft dat niet onderkend. Het bestreden besluit kan daarom geen stand houden.

Periode na 28 augustus 2020

5.8

Eiser heeft een beroep gedaan op analoge toepassing van artikel 7, derde lid, van de Richtlijn, stellende dat hij na 28 augustus 2020 de status van migrerend werknemer heeft behouden door onvrijwillige werkloosheid na zijn noodgedwongen vertrek uit Nederland.

5.9

De rechtbank stelt voorop dat eisers internship bij [naam bedrijf] na 28 augustus 2020 eindigde. Gesteld noch gebleken is dat eiser na deze periode andere betaalde werkzaamheden in Nederland heeft verricht. Hij kan na 28 augustus 2020 dan ook niet op grond van de Beleidsregel als ‘migrerend werknemer’ worden aangemerkt.

Voor het behoud van de hoedanigheid van werknemer is op grond van artikel 7, derde lid, aanhef en onder c, van de Richtlijn vereist dat eiser zich als werknemer bij de bevoegde dienst voor arbeidsvoorziening heeft ingeschreven. De gemachtigde van DUO heeft ter zitting aangegeven dat eiser zich daartoe per 29 augustus 2020 bij het UWV als werkzoekende had moeten inschrijven. Zie ook het arrest Tarola van het HvJ van 11 april 2019 (C-483/17, ECLI:EU:C:2019:309). Eiser is in juni 2020 teruggekeerd naar [naam land] . Eind augustus 2020 heeft hij zijn internship vanuit [naam land] afgerond. Hij heeft zich daarna niet bij het UWV ingeschreven als werkzoekende.

Anders dan eiser betoogt, biedt artikel 7, derde lid, van de Richtlijn geen grondslag voor het behoud van de status als werknemer bij terugkeer naar het land van herkomst. De Richtlijn ziet juist op het verblijf van EU-onderdanen in een andere lidstaat en niet op verblijf in de eigen lidstaat. De rechtbank ziet geen ruimte voor analoge toepassing van deze bepaling uit de Richtlijn.

5.10

Evenmin is gebleken van een onbillijkheid van overwegende aard zoals bedoeld in artikel 11.5 van de Wsf 2000, zodat eisers beroep op de hardheidsclausule niet opgaat.

Economisch niet-actieve burger

6.1

Nu eiser in de periode na 28 augustus 2020 niet de status van migrerend werknemer heeft behouden, ligt de vraag voor of eiser, zoals hij stelt, in die periode als economisch niet-actieve burger uit de Europese Unie op grond van artikel 18 van het VWEU aanspraak kan maken op het studentenreisproduct en dat deel van de studiefinanciering dat bestemd is ter dekking van de kosten van boeken en leermiddelen.

6.2

De rechtbank verwijst in dit kader naar de uitspraak van de CRvB van 4 december 2019 (ECLI:NL:CRVB:2019:3700). De CRvB heeft in deze uitspraak in rechtsoverweging 5.2.2 overwogen dat na de introductie van het EU-burgerschap het HvJ, mede gelet op artikel 24, tweede lid, van de Richtlijn, heeft bepaald dat verleende financiële steun ter dekking van kosten van levensonderhoud, anders dan voorheen, onder het verbod van discriminatie op grond van nationaliteit valt. Dergelijke steun aan studenten mag echter wel gekoppeld worden aan het bestaan van een zekere mate van integratie in de samenleving van de ontvangende lidstaat door het stellen van de voorwaarde van een periode van voorafgaand onafgebroken duurzaam verblijf van vijf jaar aldaar (zie de arresten van het HvJ van 15 maart 2005, Bidar, ECLI:EU:C:2005:169 en van 18 november 2008, Förster, ECLI:EU:C:2008:630). De wetgever heeft in de Wsf 2000 onderscheid gemaakt tussen de kosten voor toegang tot het onderwijs en de kosten voor levensonderhoud. De kosten voor toegang tot het onderwijs betreffen het collegegeld, als tegemoetkoming hierin wordt voorzien in financiële steun in de vorm van een collegegeldkrediet. Daarnaast wordt een tegemoetkoming in de kosten voor levensonderhoud verstrekt. Dit is een algemeen normbedrag bedoeld voor dekking van de overige kosten die een student heeft. In dit normbedrag zijn geen afzonderlijke componenten opgenomen. Voor zover steun voor de aanschaf van boeken en leermiddelen kan worden geacht te zijn begrepen in de algemene normbedragen in de Wsf 2000, doet dit volgens de CRvB niet af aan de vaststelling dat het normbedrag steun ter dekking van kosten van levensonderhoud betreft die wordt toegekend in de vorm van een studiebeurs of -lening, en daarmee valt onder de in artikel 24, tweede lid, van de Richtlijn neergelegde afwijking van het beginsel van gelijke behandeling van artikel 18 van het VWEU. De migrerende economisch niet actieve EU-student heeft daar dan ook pas recht op na het voldoen aan de verblijfsduurvoorwaarde van vijf jaar.

Het betoog van eiser dat hij als economisch niet-actieve student recht heeft op dat deel van de studiefinanciering dat bestemd is ter dekking van de kosten van boeken en leermiddelen kan dan ook niet slagen.

6.3

Verder heeft de CRvB in overweging 5.3.1 overwogen dat, zoals het HvJ in het arrest Commissie-Nederland, ECLI:EU:C:2016:396, heeft geoordeeld, de reisvoorziening mag worden geweigerd aan economisch niet-actieven (vóór de verwerving van een duurzaam verblijfsrecht) omdat deze voorziening onder het begrip steun voor levensonderhoud in de vorm van een studiebeurs of -lening in de zin van artikel 24, tweede lid, van de Richtlijn valt.

Anders dan eiser meent, kan hij dan ook geen aanspraak maken op een studentenreisproduct.

Conclusie

7.1

Gelet op hetgeen hiervoor onder 5.7 is overwogen, zal het beroep gegrond worden verklaard en zal de rechtbank het bestreden besluit vernietigen voor zover dat ziet op de periode van 1 maart 2020 tot en met 28 augustus 2020. Zoals overwogen, heeft DUO niet onderkend dat eiser in deze periode als migrerend werknemer dient te worden aangemerkt en recht heeft op studiefinanciering in deze periode. De rechtbank ziet geen aanleiding om zelf in de zaak te voorzien, omdat de hoogte van de studiefinanciering van eiser afhankelijk is van andere factoren, waaronder het inkomen van zijn ouders in [naam land] . Evenmin zal de rechtbank een bestuurlijke lus toe passen, omdat dat volgens de rechtbank geen doelmatige en efficiënte manier is om deze zaak af te doen.

DUO zal daarom voor genoemde periode een nieuw besluit moeten nemen, rekening houdend met deze uitspraak. De rechtbank stelt hiervoor een termijn van zes weken na verzending van deze uitspraak.

7.2

Omdat de rechtbank het beroep gegrond verklaart, moet DUO aan eiser het door hem betaalde griffierecht vergoeden. De rechtbank veroordeelt DUO in de door eiser gemaakte proceskosten. De proceskosten worden berekend volgens het Besluit proceskosten bestuursrecht. DUO wordt veroordeeld om de kosten van rechtsbijstand te vergoeden. Deze kosten stelt de rechtbank vast op € 1.496,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen op de zitting, met een waarde per punt van € 748,- en een wegingsfactor 1).

Beslissing

De rechtbank:

  • -

    verklaart het beroep gegrond;

  • -

    vernietigt het bestreden besluit voor zover dat ziet op de periode van 1 maart 2020 tot en met 28 augustus 2020;

  • -

    bepaalt dat het bestreden besluit voor het overige in rechte stand houdt;

  • -

    draagt DUO op binnen zes weken na de dag van verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op het bezwaar over de periode van 1 maart 2020 tot en met 28 augustus 2020, met inachtneming van deze uitspraak;

  • -

    draagt DUO op het betaalde griffierecht van € 49,- aan eiser te vergoeden;

  • -

    veroordeelt DUO in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 1.496,-.

Deze uitspraak is gedaan door mr. C.E.M. Marsé, voorzitter, en mr. S.A.M.L. van de Sande en mr. V.M. Schotanus, leden, in aanwezigheid van mr. E.A. Vermunt, griffier, op 23 september 2021 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.

griffier voorzitter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Wat kunt u doen als u het niet eens bent met deze uitspraak?

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep.