Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZWB:2021:4757

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak
22-09-2021
Datum publicatie
11-10-2021
Zaaknummer
BRE - 20 _ 8393_8394
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Deze inhoud is niet voorzien van een samenvatting.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Viditax (FutD), 11-10-2021
V-N Vandaag 2021/2392
FutD 2021-3204
NTFR 2021/3602 met annotatie van Mr. A.J.M. Arends
V-N 2021/49.23.10
Vp-bulletin 2021/59 met annotatie van S.G.M.J. Rebbens, J.M.P. Tobben
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Belastingrecht, enkelvoudige kamer

Locatie: Breda

Zaaknummers: BRE 20/8393 en 20/8394

uitspraak van 22 september 2021

Uitspraak als bedoeld in afdeling 8.2.6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in het geding tussen

[belanghebbende] , wonende te [plaats] ,

belanghebbende,

en

de inspecteur van de Belastingdienst,

de inspecteur.

De bestreden uitspraken op bezwaar

De uitspraak van de inspecteur van 28 juli 2020 op het bezwaar van belanghebbende tegen de aan hem:

- opgelegde navorderingsaanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (IB/PVV) over het jaar 2015 [de navorderingsaanslag] en de gelijktijdig bij beschikking in rekening gebrachte belastingrente;

- voor het jaar 2016 opgelegde aanslag IB/PVV [de aanslag] en de gelijktijdig bij beschikking in rekening gebrachte belastingrente.

Zitting

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 8 september 2021 te Breda. Aldaar zijn verschenen en gehoord, de gemachtigde van belanghebbende, W. Verlegh, verbonden aan In.Control! B.V. te Geldrop, en namens de inspecteur [inspecteur] .

1 Beslissing

De rechtbank verklaart de beroepen ongegrond.

2 Gronden

2.1.

Belanghebbende is op 24 augustus 2015 een leningsovereenkomst (hierna: leningsovereenkomst I) aangegaan ten behoeve van de financiering van de aankoop van [de woning] . De woning kwalificeert als eigen woning als bedoeld in artikel 3.111 van de Wet inkomstenbelasting 2001 (hierna: Wet IB 2001).

2.2.

In leningsovereenkomst I is het volgende, voor zover van belang, opgenomen:

Komen het volgende overeen:

  1. Hoofdsom: De uitlener stelt aan de lener ter beschikking een bedrag van € 195.000 (zegge: honderdvijfennegentigduizend. euro), hierna te noemen de “hoofdsom”.

  2. Doel van de lening: De lening is bedoeld voor het kopen van een woning

  3. Vaststelling van de rente. De rente die over een periode verschuldigd is, wordt berekend over de in die periode nog uitstaande hoofdsom. Voor het berekenen van de rente geldt dat een maand 30 dagen heeft en een jaar 360 dagen. De rente wordt vastgesteld op 4,5.% per jaar.

  4. Rentebetaling en rentebedragen: De rente dient maandelijks per eerste van de maand te worden betaald, voor het eerst per 1 september 2015

  5. Looptijd en terugbetaling van hoofdsom: De schuld (hoofdsom en rente) wordt in onderling overleg met elkaar afgestemd en betaald.

  6. Betaling: De lener zal alle te betalen bedragen voldoen zonder enige inhouding, compensatie of kosten voor de uitlener per de eerste van de maand. Over te laat betaalde bedragen is rente verschuldigd tegen het in artikel 3 genoemde rentepercentage.

  7. Vervroegd aflossen: De lener is bevoegd om vervroegd aflossingen te doen.

  8. Recht: Op deze overeenkomst is Nederlands recht van toepassing.”

De uitlener is de vader van belanghebbende (hierna: de vader).

2.3.

Belanghebbende heeft ook de volgende stukken overgelegd: (i) geldleningsovereenkomst van 17 december 2016 (geld-/leensom € 145.000), (ii) niet gedateerde geldleningsovereenkomst (geld-/leensom € 141.984), (iii) geldleningsovereenkomst van 16 mei 2017 (geld-/leensom € 145.000), (iv) twee door vader getekende overzichten (‘Hypotheekoverzicht’) waarin is opgenomen dat belanghebbende zowel in 2015 als in 2016 € 1.000 heeft afgelost en dat de lening op 1 januari 2016 en 1 januari 2017 respectievelijk € 194.000 en € 193.000 bedraagt.

2.4.

Belanghebbende heeft voor het jaar 2015 aangifte IB/PVV gedaan op 6 juni 2016. In deze aangifte is een belastbaar inkomen uit eigen woning voor het jaar 2015 van negatief € 2.399 in aanmerking genomen. Volgens de aangifte bedraagt de eigenwoningschuld op 31 december € 195.000. De aanslag IB/PVV 2015 is conform de ingediende aangifte opgelegd.

2.5.

Belanghebbende heeft voor het jaar 2016 aangifte IB/PVV gedaan. In deze aangifte is een belastbaar inkomen uit eigen woning voor het jaar 2016 in aanmerking genomen van negatief € 7.395. Volgens de aangifte bedraagt de eigenwoningschuld op 31 december € 195.000.

2.6.

De inspecteur is bij de aanslagregeling voor het jaar 2016 van de ingediende aangifte IB/PVV 2016 afgeweken en heeft de belastbare inkomsten uit eigen woning gecorrigeerd. Daarbij is het belastbare inkomen uit werk en woning verhoogd met € 7.395 tot € 44.018. De aanslag is met dagtekening 13 juni 2020 aan belanghebbende opgelegd. Daartegen heeft belanghebbende bezwaar gemaakt.

2.7.

De inspecteur heeft bij brief van 9 oktober 2018 aan belanghebbende kenbaar gemaakt dat hij over het jaar 2015 een navorderingsaanslag zal opleggen, omdat de aftrekpost inzake de eigen woning niet wordt geaccepteerd. De navorderingsaanslag is met dagtekening 12 mei 2020 opgelegd en daarbij is het belastbare inkomen uit werk en woning verhoogd met € 2.399 tot € 24.626. Daartegen heeft belanghebbende bezwaar gemaakt.

2.8.

De inspecteur heeft voor beide jaren het standpunt ingenomen dat de lening niet kwalificeert als een eigenwoningschuld als bedoeld in artikel 3.119a van de Wet IB 2001 en dat daarom de op die lening betaalde rente niet aftrekbaar is.

2.9.

Tussen partijen is het antwoord op de volgende vragen in geschil:

  1. Beschikt de inspecteur ten aanzien van het jaar 2015 over een nieuw feit dat navordering rechtvaardigt?

  2. Kwalificeert de lening die belanghebbende is aangegaan ter de financiering van de aankoop van de eigen woning als eigenwoningschuld als bedoeld in artikel 3.119a van de Wet IB 2001?

Nieuw feit?

2.10.

De inspecteur stelt dat na een onderzoek bij de vader leningsovereenkomsten zijn aangetroffen die betrekking hebben op belanghebbende. Eerst op basis van die stukken is geconcludeerd dat bij belanghebbende geen sprake is van een kwalificerende eigenwoningschuld, waardoor de rente met betrekking tot de schuld niet aftrekbaar is. Gelet op het voormelde is de inspecteur van mening dat sprake is van een nieuw feit dat navordering rechtvaardigt.

2.11.

Belanghebbende heeft aangevoerd dat de inspecteur bij de aanslagregeling heeft verzuimd vragen aan belanghebbende te stellen ter zake van de aankoop van de eigen woning. In de betreffende aangifte zijn geen kosten ter zake van de financiering van de aankoop in aanmerking genomen. Bij een lening waar geen kosten, zoals notariskosten, in aanmerking zijn genomen, had de inspecteur vragen aan belanghebbende kunnen stellen. Nu de inspecteur dat niet heeft gedaan, kan hij niet meer navorderen, aldus belanghebbende.

2.12.

De rechtbank overweegt als volgt. Naar het oordeel van de rechtbank mocht de inspecteur uitgaan van de juistheid van de aangifte IB/PVV 2015 nu deze aangifte een verzorgde indruk maakte en de niet-onwaarschijnlijke mogelijkheid bestond dat het niet-claimen van andere kosten dan rentekosten in de aangifte juist was. Het is niet zo dat de inspecteur belanghebbende hierover vragen had moeten stellen. Van een ambtelijk verzuim is naar het oordeel van de rechtbank geen sprake. In wat de inspecteur aanvoert ligt besloten dat de inspecteur eerst na het onderzoek bij vader op de hoogte is geraakt van de (inhoud van de) leningsovereenkomst(en) en dat hij daarmee ten tijde van de aanslagregeling 2015 niet bekend was. Gelet hierop is sprake van een nieuw feit in de zin van artikel 16, eerste lid, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen dat navordering rechtvaardigt.

2.13.

Belanghebbende heeft verder aangevoerd dat hij ten aanzien van het jaar 2015 erop mocht vertrouwen dat de inspecteur van het opleggen van de navorderingsaanslag had afgezien, omdat hij na de aankondiging in oktober 2018 (zie 2.7) lang niets meer van de inspecteur had vernomen. De rechtbank stelt voorop dat voor een geslaagd beroep op het vertrouwensbeginsel sprake moet zijn van feiten en/of omstandigheden die bij de belanghebbende in redelijkheid de indruk hebben kunnen wekken dat de inspecteur het standpunt had ingenomen om ter zake van het niet-opleggen van de navorderingsaanslag een bewust standpunt had ingenomen. Uit de correspondentie blijkt niet anders dan dat de inspecteur voornemens was om een navorderingsaanslag op te leggen. Gelet hierop acht de rechtbank het enkele tijdsverloop tussen de correspondentie inzake het voornemen tot het opleggen van een navorderingsaanslag en de uiteindelijke oplegging van die navorderingsaanslag onvoldoende voor een gerechtvaardigd vertrouwen dat de inspecteur de navorderingsaanslag niet (meer) zal opleggen.

Eigenwoningschuld?

2.14.

In artikel 3.119a, eerste lid, van de Wet IB 2001 (tekst 2015 en 2016) wordt onder eigenwoningschuld verstaan het gezamenlijke bedrag van de schulden van de belastingplichtige:

  1. die zijn aangegaan in verband met een eigen woning;

  2. ter zake waarvan een contractuele verplichting geldt tot het gedurende de looptijd ten minste annuïtair en in ten hoogste 360 maanden volledig aflossen overeenkomstig artikel 3.119c;

  3. ter zake waarvan aan de verplichting tot aflossing wordt voldaan (aflossingseis), en

  4. ter zake waarvan, ingeval artikel 3.119g van toepassing is, aan de verplichting tot informatieverstrekking, bedoeld in dat artikel, wordt voldaan.

2.15.

De rechtbank overweegt als volgt. Vast staat dat in leningsovereenkomst I (zie ook 2.2) niet is opgenomen dat belanghebbende verplicht is de lening van € 195.000 ten minste annuïtair en in ten hoogste 360 maanden af te lossen (de contractuele verplichting tot aflossing). Niet gesteld of gebleken is dat belanghebbende en de vader ter zake van gelden waarop leningsovereenkomst I ziet nadere (schriftelijke) afspraken hebben gemaakt met een dergelijke contractuele verplichting.

In de ongedateerde overeenkomst is eveneens geen bepaling opgenomen inzake de verplichting tot aflossing van de betreffende lening. De in die overeenkomst opgenomen bepaling “In nader onderling overleg wordt tussen schuldeider en de schuldenaar de aflossing van de hoofdsom of het restant geregeld” maakt niet dat wordt voldaan aan de in de wet gestelde voorwaarde. In de leningsovereenkomst van 17 december 2016 is eveneens geen bepaling opgenomen inzake de verplichting tot aflossing van de betreffende lening. De bepaling “In nader onderling overleg is besloten dat de lening in 29 jaar wordt afgelost. Derhalve voor de eerste keer op 1 januari 2017.” voldoet ook niet aan de in de wet gestelde voorwaarde.

De rechtbank is, gelet op voormelde, van oordeel dat geen sprake is van een eigenwoningschuld als bedoeld in artikel 119a, eerste lid, van de Wet IB 2001.

Of al dan niet feitelijk is afgelost, is voor de vraag of is voldaan aan voorwaarde b van artikel 3.119a van de Wet IB 2001 niet van belang. Dat belanghebbende de intentie heeft gehad om op de lening af te lossen leidt niet tot een ander oordeel.

Het gelijk is aan de inspecteur.

2.16.

Belanghebbende heeft nog gesteld dat een burger bij de bank aflossingsvrij kan lenen en toch de hypotheekrente in aftrek mag brengen. De rechtbank vat dit standpunt op als een beroep op schending van het gelijkheidsbeginsel. Van schending van het gelijkheidsbeginsel kan sprake zijn indien (a) een begunstigend beleid wordt gevoerd dan wel (b) ten aanzien van een groep belastingplichtigen sprake is van een oogmerk tot begunstiging of (c) de zogenoemde meerderheidsregel wordt geschonden. Van begunstigend beleid of een oogmerk tot begunstiging is niet gebleken. Een beroep op de meerderheidsregel moet worden ondersteund met gegevens waaruit blijkt dat de inspecteur in de meerderheid van de gelijke gevallen wel aftrek van rente heeft toegestaan. Belanghebbende heeft daartoe niets aangedragen. Het beroep op schending van het gelijkheidsbeginsel faalt derhalve.

2.17.

Tot slot heeft belanghebbende nog een beroep gedaan op de redelijkheid en billijkheid. De rechtbank moet volgens de wet rechtspreken en mag in geen geval de innerlijke waarde of billijkheid van de wet beoordelen.1 Het beroep van belanghebbende op redelijkheid en billijkheid moet daarom worden afgewezen.

2.18.

Al hetgeen belanghebbende verder nog heeft gesteld, leidt de rechtbank niet tot een ander oordeel.

2.19.

Gelet op het vorenstaande zijn de beroepen ongegrond verklaard.

2.20.

De rechtbank ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

Deze uitspraak is gedaan door mr.drs. M.H. van Schaik, rechter, in aanwezigheid van
mr. B.W. van Eeken-Liu, griffier, op 22 september 2021 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.

De griffier, De rechter,

Afschrift aangetekend verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof te ‘s-Hertogenbosch (belastingkamer), Postbus 70583,

5201 CZ ’s-Hertogenbosch.

Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:

1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.
2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:
a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;

d. de gronden van het hoger beroep.

Voor burgers is het mogelijk hoger beroep digitaal in te stellen. Hiervoor kan gebruik worden gemaakt van de formulieren op Rechtspraak.nl / Digitaal loket bestuursrecht.

1 Artikel 11 van de Wet van 15 mei 1829, houdende algemeene bepalingen der wetgeving van het Koningrijk (Stb. 1822, 10 en Stb 1829,28)