Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZWB:2021:4706

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak
22-09-2021
Datum publicatie
22-09-2021
Zaaknummer
C/02/372261 / HA ZA 20-280
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Inhoudsindicatie

Blootstelling aan chroom-6 tijdens werkzaamheden aan treinen in het kader van het project tROM in Tilburg. 33 eisers stellen Nedtrain aansprakelijk voor gezondheidsschade en angstschade. Afwijzing van de vorderingen gegrond op materieel werkgeverschap van Nedtrain ex art 7:658 lid 4 BW en 7:611 BW. Nedtrain is wel aansprakelijk op grond van onrechtmatig handelen ex art 6:162 BW. Nedtrain wordt veroordeeld tot vergoeding van de materiële schade en de immateriële schade wegens aantasting in de persoon op andere wijze (waaronder angstschade). Geen forfaitaire vaststelling van de immateriële schadevergoeding. De schade moet worden vastgesteld in een schadestaatprocedure.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
PS-Updates.nl 2021-0743
AR-Updates.nl 2021-1205
JAR 2021/260
JA 2021/145 met annotatie van Bosschaart, Y.
Jurisprudentie HSE 2021/143
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Cluster II Handelszaken

Breda

zaaknummer / rolnummer: C/02/372261 / HA ZA 20-280

Vonnis van 22 september 2021

in de zaak van

1 [eiser sub 1] ,

wonende te Tilburg,

2. [eiser sub 2],

wonende te Breda,

3. [eiser sub 3],

wonende te Tilburg,

4. [eiser sub 4],

wonende te Tilburg,

5. [eiser sub 5],

wonende te Tilburg,

6. [eiser sub 6],

wonende te Tilburg,

7. [eiser sub 7],

wonende te Tilburg,

8. [eiser sub 8],

wonende te Tilburg,

9. [eiser sub 9],

wonende te Tilburg,

10. [eiser sub 10],

wonende te Tilburg,

11. [eiser sub 11],

wonende te Tilburg,

12. [eiser sub 12],

wonende te Tilburg,

13. [eiser sub 13],

wonende te Tilburg,

14. [eiser sub 14],

wonende te Tilburg,

15. [eiser sub 15],

wonende te Tilburg,

16. [eiser sub 16],

wonende te Tilburg,

17. [eiser sub 17],

wonende te Tilburg,

18. [eiser sub 18],

wonende te Tilburg,

19. [eiser sub 19],

wonende te Tilburg,

20. [eiser sub 20],

wonende te Dordrecht,

21. [eiser sub 21],

wonende te Tilburg,

22. [eiser sub 22],

wonende te Tilburg,

23. [eiser sub 23],

wonende te Tilburg,

24. [eiser sub 24],

wonende te Helmond,

25. [eiser sub 25],

wonende te Tilburg,

26. [eiser sub 26],

wonende te Tilburg,

27. [eiser sub 27],

wonende te Tilburg,

28. [eiser sub 28],

wonende te Tilburg,

29. [eiser sub 29],

wonende te Tilburg,

30. [eiser sub 30],

wonende te Tilburg,

31. [eiser sub 31],

wonende te Tilburg,

32. [eiser sub 32],

wonende te Rijen,

33. [eiser sub 33],

wonende te Tilburg,

eisers,

advocaat mr. R.M.W.H. Bedaux te Heerlen,

tegen

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

NEDTRAIN BV,

gevestigd te Utrecht,

gedaagde,

advocaat mr. H.M. Kruitwagen te Arnhem.

Partijen zullen hierna ‘eisers’ en ‘NedTrain’ genoemd worden.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    het tussenvonnis van 1 juli 2020 en de daarin genoemde processtukken;

  • -

    het proces-verbaal van de mondelinge behandeling van 25 juni 2021 en de daarin genoemde processtukken.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

De gemeente Tilburg is in 2003 gestart met het project ‘Tilburgse en Regionale bedrijven Ondernemen Maatschappelijk’ (hierna: “tROM”), dat zich later heeft ontwikkeld tot gemeentelijk re-integratiebedrijf. tROM is geïnitieerd om invulling te geven aan de voor de gemeente uit de Wet Werk en Bijstand voortvloeiende verplichting om bijstandsgerechtigden te ondersteunen bij hun terugkeer in het arbeidsproces.

2.2.

Eisers hebben een uitkering op grond van de Wet Werk en Bijstand ontvangen van de gemeente Tilburg.

2.3.

In de toelichting op de deelbegroting tROM van de projectleider van tROM van 9 januari 2004 staat vermeld:

“In 2002 zijn voorbereidingen getroffen voor het project tROM Carnaval. (…) Gedurende de looptijd van het project bleek dat, mede door de aanpak binnen het project, positieve resultaten werden geboekt. (…) Ook bij de leiding van NedTrain heeft het project tot positieve reacties geleid. Dit heeft geresulteerd in een voorstel vanuit NedTrain, het Nederlands Spoorwegmuseum en de Gemeente Tilburg tot voortzetting van het project.

In de besprekingen, welke daarover inmiddels gevoerd zijn tussen de partijen, is overeengekomen dat binnen tROM voor het spoowegmuseum werkzaamheden uitgevoerd zullen worden. De werkzaamheden kunnen op de huidige locatie uitgevoerd worden. Door NedTrain, de directie van de Nederlandse Spoorwegen en het Spoorwegmuseum zal voorzien worden in gereedschappen en materialen en instructies. Voor de technische begeleiding bij de uitvoering van de werkzaamheden wordt gezorgd door NedTrain.

De projectleiding van tROM is verantwoordelijk voor de operationele uitvoering en de realisering van het doel van het project.(…)”

2.4.

Eén van de projecten die vanuit tROM is gestart, betrof het restaureren van treinen van (onder andere) het Spoorwegmuseum. In de periode van 2004 tot en met 2010 hebben uitkeringsgerechtigden werkzaamheden verricht aan vijftien uit roulatie genomen treinen. De werkzaamheden bestonden onder meer uit het schuren van treinen.

2.5.

De werkzaamheden vonden plaats op het terrein van NedTrain. In loods 40 bevond zich de treinloods waar de werkzaamheden aan de treinen werden uitgevoerd. In loods 41 bevond zich de kantine en administratie. Beide loodsen zijn in 2009 door NedTrain verkocht aan de gemeente Tilburg.

2.6.

De gemeente Tilburg, R&O Tilburg - destijds onderdeel van NedTrain - en het Nederlands Spoorwegmuseum hebben op 1 december 2005 een samenwerkingsovereenkomst gesloten. In deze overeenkomst wordt onder meer bepaald:

“Dit succesvolle werkgelegenheidsproject heeft een vervolg gekregen door intensief te gaan samenwerken met

de Gemeente Tilburg voor de organisatie van het project en de begeleiding van de werklozen en de toevoegingen

en

het Spoorwegmuseum (NSM), NedTrain Tilburg (RO-T) voor de werkervaring

en

Tilburgse en regionale werkgevers voor de plaatsing. (…)

3.1.2

tROM

tROM fungeert als opdrachtnemer en draagt de eindverantwoordelijkheid voor de NSM-opdrachten waarbij de financiële verantwoordelijkheid beperkt blijft tot de door tROM uitgevoerde werkzaamheden.

(De)montage en conserveringswerkzaamheden zijn de kerntaken van het uitvoerende werkpakket.

3.1.3

RO-T

RO-T zal in opdracht van tROM werkzaamheden uitvoeren. De werkzaamheden zijn voornamelijk faciliterend van aard tenzij in de opdracht heel specifiek RO-T werkzaamheden staan vermeld.

Onder faciliterend wordt verstaan: ondersteuning en advies voor het verkrijgen/uitvoeren van de opdracht. Hierbij valt te denken aan prijsbepaling, onderdelenvoorziening, facturatie, rangeerwerk, etc…

(…)

3.9

ARBO

De betrokken partijen dragen er zorg voor dat al hun werkzaamheden binnen het raamwerk van de ARBO-wetgeving wordt uitgevoerd.

Uiteraard kan RO-T voor zowel tROM als NSM een adviserende rol spelen.

(…)

3.11.1

Werklocatie

De werklocatie van tROM bevindt zich in hoofdzaak in gebouw 40/41. Voor werkzaamheden buiten deze locatie -zoals ondersteuning in de spuitloods- is er van te voren overleg met de leiding van de betrokken afdeling en zorgt de tROM-leiding voor voldoende toezicht.”

2.7.

Mede naar aanleiding van publiciteit rondom de chroom-6-problematiek bij zogenaamde POMS- locaties van het Ministerie van Defensie, is aandacht gekomen voor de aanwezigheid van chroom-6 in primer, verf of laklaag gebruikt op oude treinstellen. De gemeente Tilburg heeft de ‘Onafhankelijke Onderzoekscommissie Tilburg Chroom-6’ opdracht gegeven om onderzoek te verrichten naar gezondheidsrisico’s verbonden aan mogelijke blootstelling aan chroom-6 bij het re-integratieproject tROM in de periode 2004-2012. Het onderzoek naar de blootstelling aan chroom-6 op de werkplaats in Tilburg is uitgevoerd door vier onderzoeksinstellingen:

  • -

    het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (hierna: “RIVM”), tevens coördinator van het onderzoek;

  • -

    het Institute for Risk Assessment Sciences (hierna: “IRAS”) van de Universiteit Utrecht;

  • -

    de Nederlandse Organisatie voor Toegepast Natuurwetenschappelijk Onderzoek (hierna: “TNO”) en

  • -

    het Maastrichts Europees instituut voor Transnationaal Rechtswetenschappelijk Onderzoek (hierna: “METRO”) van de Universiteit Maastricht.

2.8.

De uitkomst van het onderzoek is op 31 januari 2019 gepubliceerd in het samenvattend hoofdrapport 2018-0164 van het RIVM met de titel ‘Chroom-6 bij het re-integratieproject tROM: gezondheidsrisico’s en verantwoordelijkheden, bevindingen uit het onderzoek op hoofdlijnen’. Het RIVM-rapport omvat tien wetenschappelijke deelrapporten, waarin de onderzoeken en bevindingen van de vier onderzoeksinstellingen beschreven staan. Deze deelrapporten worden aangeduid als werkpakketten (“WP”) en zijn genummerd.

2.9.

Het samenvattend hoofdrapport vermeldt onder meer de volgende conclusies:

  • -

    “(…) De oude verflagen van de treinen die moesten worden verwijderd, bevatten in vrijwel alle gevallen chroom-6.

  • -

    De exacte blootstelling aan chroom-6 bij deze werkzaamheden op de tROM- locatie is niet te achterhalen. Het is echter aannemelijk dat bij het wegschuren van oude verflagen, en ook bij andere werkzaamheden aan de treinen, blootstelling aan chroom-6 is opgetreden, mede door het gebruik van perslucht. De getroffen beheersmaatregelen en de beschikbaar gestelde persoonlijke beschermingsmiddelen waren over het algemeen onvoldoende en/of werden onvoldoende consequent gebruikt.

  • -

    Ook deelnemers aan het tROM- project die níet aan de treinen werkten maar wél (voor de uitvoering van andere taken) aanwezig waren in de treinloods, kunnen zijn blootgesteld aan chroom-6. (…)

  • -

    Het chroom-6 kan via de longen (na inademing), via de huid (na aanraking) of via de mond (na inslikken van eten of drinken op de werkplek of inslikken van opgehoest speeksel) in het lichaam terecht zijn gekomen. (…)

  • -

    De blootstelling aan chroom-6 kan schadelijke gevolgen hebben gehad (of in de toekomst nog hebben) voor de gezondheid van blootgestelde tROM- deelnemers en hun begeleiders. De kans daarop is mede afhankelijk van de aard, de intensiteit, de frequentie en de duur van de blootstelling. (…)

  • -

    Verschillende deelnemers aan het tROM- project en betrokken medewerkers van de gemeente Tilburg geven aan gezondheidsklachten te hebben. Een aantal van deze klachten kan het gevolg zijn van blootstelling aan chroom-6. Voor alle gemelde klachten geldt echter dat ze ook andere oorzaken kunnen hebben. (…)

  • -

    Binnen NS/NedTrain was al vóór de start van het tROM-project in 2004 bekend dat de verflagen op treinen chroom-6 bevatten, en dat chroom-6 schadelijk kan zijn voor de gezondheid. Voor zover bekend heeft NS/NedTrain deze informatie niet gedeeld met het tROM- management en/of de gemeente Tilburg. (…)”

2.10.

De gemeente Tilburg, NedTrain en Stichting Nederlands Spoorwegmuseum zijn de ‘Regeling tegemoetkoming chroom-6’ overeengekomen (hierna: “de Regeling”), op basis waarvan een oud-deelnemer aan het tROM- project onder voorwaarden een financiële tegemoetkoming kan aanvragen. Alle eisers behalve [eiser sub 11] en [eiser sub 14] hebben op grond van deze regeling een bedrag van € 7.000,00 netto aangevraagd en ontvangen.

3 Het geschil

3.1.

Eisers vorderen -samengevat- dat de rechtbank bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad,

I. voor recht verklaart dat:

  1. NedTrain ten aanzien van eisers de lokalen, werktuigen en gereedschappen waarin of waarmee de arbeid is verricht, niet op zodanige wijze heeft ingericht en onderhouden alsmede voor het verrichten van de arbeid niet zodanige maatregelen zijn getroffen en aanwijzingen zijn verstrekt als redelijkerwijs nodig was om te voorkomen dat eisers in de uitoefening van hun werkzaamheden schade hebben geleden;

  2. NedTrain uit dien hoofde jegens eisers aansprakelijk is voor de schade die eisers in de uitoefening van de werkzaamheden hebben geleden;

  3. NedTrain door het niet inlichten van de werknemers niet heeft gehandeld als een goed werkgever en ook niet heeft gehandeld met inachtname van de rechten van de werknemers in het kader van het EVRM en ook onrechtmatig jegens eisers heeft gehandeld (nagelaten) op grond van artikel 6:162 BW;

II. NedTrain veroordeelt om tegen behoorlijk bewijs van kwijting te betalen:

  1. een bedrag van € 8.000,00 per persoon, te vermeerderen met rente vanaf 1 januari 2005 tot aan de dag van volledige betaling, subsidiair voor elke eiser afzonderlijk vanaf de dag dat arbeid is verricht in het kader van het voornoemde tROM-project, met bepaling dat dit bedrag niet zal worden verrekend met eerder of later betaalde schadebedragen;

  2. een bedrag van € 60.000,00 ter zake buitengerechtelijke advocaatkosten, te vermeerderen met wettelijke rente vanaf de dag van dagvaarding tot aan de dag van volledige betaling;

  3. een aanvullende schadevergoeding per persoon voor aantasting van het gebit en voor gezondheidsschade vermeld op de lijsten van 2015 en 2018, behorende bij de Coulanceregelingen van Defensie, verder op te maken bij staat en te vereffenen als volgens de wet, te vermeerderen met rente tot aan de dag van volledige betaling.

III. NedTrain veroordeelt in de kosten van de procedure, inclusief nakosten.

3.2.

Eisers leggen aan hun vorderingen ten grondslag dat NedTrain op verschillende grondslagen aansprakelijk is voor schade geleden als gevolg van het verrichten van werkzaamheden voor het tROM- project.

3.3.

NedTrain voert verweer, dat strekt tot afwijzing van de vorderingen van eisers. NedTrain vordert hoofdelijke veroordeling van eisers in de proceskosten, te vermeerderen met rente en nakosten.

3.4.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 De beoordeling

Ontvankelijkheid

4.1.

Als meest verstrekkende verweer voert NedTrain ten aanzien van eisers [eiser sub 11] (eiser sub 11), [eiser sub 14] (eiser sub 14) en [eiser sub 23] (eiser sub 23) aan dat zij niet kunnen worden ontvangen in hun vorderingen, althans dat deze moeten worden afgewezen.

NedTrain voert daartoe aan dat [eiser sub 11] van 18 februari 2003 tot en met 11 augustus 2003 deelnemer in het tROM- project was, en in die periode een schildercursus heeft gevolgd. Hij heeft niet gewerkt aan de treinstellen en kan niet zijn blootgesteld aan chroom-6, aldus NedTrain. Hetzelfde geldt voor [eiser sub 14] , die via de gemeente Tilburg een studie kleinmetaal heeft gevolgd. NedTrain stelt dat zowel [eiser sub 11] als [eiser sub 14] (terecht) geen tegemoetkoming op grond van de Regeling hebben aangevraagd. Ten aanzien van [eiser sub 23] betwist NedTrain bij gebrek aan inzage in een officieel document dat zij (enig) erfgenaam van wijlen [naam betrokkene] is en dat zij – indien zij als erfgenaam geldt – aanspraak kan maken op vergoeding van immateriële schade, gelet op de hoofdregel dat vergoeding van ander nadeel dan vermogensschade niet vatbaar is voor overgang onder algemene titel.

4.2.

Eisers stellen dat [eiser sub 11] in 2003, 2004 en 2005 betrokken was bij tROM en wel degelijk heeft gewerkt op het project bij NedTrain, maar dat hij op het moment dat het project goed gaande was, niet meer betrokken was. [eiser sub 23] is wel degelijk erfgenaam van [naam betrokkene] , waarvan eisers bewijs aanbieden. [eiser sub 23] heeft een vordering op grond van artikel 6:108 BW, aldus eisers.

4.3.

De rechtbank wijst de vorderingen van [eiser sub 11] , [eiser sub 14] en [eiser sub 23] af. Het volgende is daartoe redengevend.

Gelet op de gemotiveerde betwisting door NedTrain hebben eisers onvoldoende gemotiveerd gesteld dat [eiser sub 11] in de periode vanaf 2004 heeft gewerkt op het terrein van NedTrain en kan zijn blootgesteld aan chroom-6. Eisers laten na onderbouwd te stellen welke werkzaamheden [eiser sub 11] heeft verricht en in welke periode. Eisers hebben de betwisting ten aanzien van [eiser sub 14] onweersproken gelaten, zodat vast is komen te staan dat [eiser sub 14] niet heeft gewerkt aan de treinstellen en niet bloot kan zijn gesteld aan chroom-6. In het licht van het vaststaande feit dat [eiser sub 23] de algemene tegemoetkoming op de grond van de Regeling voor haar overleden echtgenoot [naam betrokkene] heeft aangevraagd én verkregen, geldt de betwisting van erfgenaamschap op grond van het niet kunnen controleren daarvan als onvoldoende gemotiveerd. Eisers hebben echter niet gesteld - noch is daarvan gebleken - dat [naam betrokkene] voor zijn overlijden aan NedTrain heeft medegedeeld aanspraak te maken op vergoeding van immateriële schade, hetgeen op grond van artikel 6:95 lid 2 BW een voorwaarde is voor overgang onder algemene titel van die aanspraak. De vorderingen zoals ingesteld door [eiser sub 23] zien niet op immateriële schade geleden door [eiser sub 23] zelf, noch op de andere schadeposten genoemd in artikel 6:108 BW, zodat voornoemd artikel toepassing mist.

Waar in het navolgende verwezen wordt naar eisers, wordt gedoeld op eisers sub 1 tot en met 10, 12, 13, 15 tot en met 22 en 24 tot en met 33.

4.4.

Ten aanzien van de overige dertig eisers voert NedTrain eveneens een ontvankelijkheidsverweer, inhoudende dat eisers niet hebben voldaan aan de op hun rustende stelplicht en bewijslast en substantiëringsplicht ex artikel 111 lid 3 Rv. Eisers hebben nagelaten hun vorderingen gelet op de verweren van NedTrain nader te onderbouwen. Bovendien hebben eisers nagelaten de hoofdverweren van NedTrain in de dagvaarding te vermelden, onder meer het verweer dat NedTrain niet als werkgever in de zin van artikel 7:658/7:611 BW kan worden aangemerkt. NedTrain stelt dat eisers daarom niet- ontvankelijk dienen te worden verklaard in hun vorderingen, dan wel dat de vorderingen voor afwijzing gereed liggen.

4.5.

De rechtbank is van oordeel dat uit de dagvaarding in voldoende mate blijkt welke vorderingen eisers instellen en op welke gronden zij die vorderingen baseren, zodat geen sprake is van schending van artikel 111 lid 2 sub d Rv. De dagvaarding vermeldt inderdaad niet het verweer van NedTrain dat zij niet als werkgever in de zin van artikel 7:658 en 7:611 BW kan worden beschouwd, en ook de overige door NedTrain gevoerde verweren hadden duidelijker in de dagvaarding opgenomen kunnen worden. Deze constatering leidt echter niet tot sanctionering. Het bepaalde in artikel 111 lid 3 Rv is niet op straffe van nietigheid voorgeschreven. Gesteld nog gebleken is dat NedTrain in haar verdedigingsbelangen is geschaad. NedTrain heeft de gelegenheid gehad haar standpunten nader toe te lichten en te onderbouwen, hetgeen zij ook uitvoerig heeft gedaan. Eisers zijn dan ook ontvankelijk in hun vorderingen, zodat de rechtbank toe komt aan een inhoudelijke beoordeling van de ingestelde vorderingen.

Kern van het geschil

4.6.

Tussen partijen is niet in geschil dat de oude verflagen van de treinen die in het kader van het tROM- project zijn gerestaureerd voor het overgrote deel chroom-6 bevatten. Ook is niet in geschil dat chroom-6 is vrijgekomen door de (schuur)werkzaamheden die aan de treinen zijn verricht. Als gesteld en erkend staat vast dat eisers gedurende de looptijd van het tROM- project enige tijd werkzaam zijn geweest in de loodsen van NedTrain, en gedurende die tijd in meer of mindere mate kunnen zijn blootgesteld aan chroom-6. Tot slot staat vast dat blootstelling aan chroom-6 risico op schade aan de gezondheid met zich mee brengt.

4.7.

De kern van het geschil tussen partijen spitst zich toe op de vraag of eisers in het kader van het tROM- project daadwerkelijk schade hebben geleden als gevolg van blootstelling aan chroom-6, en of NedTrain aansprakelijk kan worden gehouden voor vergoeding van die schade. Eisers stellen dat het antwoord op voornoemde vragen bevestigend moet luiden, en baseren zich voor wat betreft de aansprakelijkheid van NedTrain op verschillende grondslagen.

Aansprakelijkheid ex artikel 2, 3 en 8 EVRM

4.8.

Eisers stellen dat NedTrain jegens hen inbreuk heeft gemaakt op het recht op leven, het recht op menselijke waardigheid en het recht op privéleven, beschermd door respectievelijk artikel 2, 3 en 8 Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna: “EVRM”). Onder verwijzing naar verschillende uitspraken van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (hierna: “EHRM”) stellen eisers dat toewijzing van de gevorderde schadevergoeding aan de orde moet zijn. NedTrain betwist de aangevoerde grondslag.

4.9.

De toewijzing van immateriële schadevergoeding is door het EHRM in de door eisers aangehaalde zaak Guerra/Italië – en in vergelijkbare zaken – gebaseerd op artikel 41 EVRM. Op grond van dit artikel kan het EHRM ingeval van schending van het bepaalde in het EVRM aan de benadeelde een billijke genoegdoening toekennen. Deze bevoegdheid is voorbehouden aan het EHRM. NedTrain wijst er dan ook terecht op dat het EVRM aan burgers geen rechtstreekse aanspraak op betaling van schadevergoeding geeft. De vorderingen van eisers zijn dan ook niet op deze grond toewijsbaar. De vorderingen van eisers zullen in het navolgende beoordeeld worden op grond van Nederlands recht.

Aansprakelijkheid ex artikel 7:658 lid 4 BW en artikel 7:611 BW

4.10.

Eisers stellen dat NedTrain kwalificeert als materieel werkgever. Het conserveren van treinen behoort tot de bedrijfsuitoefening van NedTrain. Dezelfde werkzaamheden worden eveneens op de locatie Haarlem door eigen werknemers van NedTrain uitgevoerd. Eisers waren voor hun veiligheid op de werkvloer afhankelijk van NedTrain. De werkzaamheden vonden plaats op het terrein van NedTrain, en werden uitgevoerd met door NedTrain ter beschikking gestelde materialen en gereedschappen. NedTrain stelde persoonlijke beschermingsmiddelen ter beschikking. In de praktijk gaf NedTrain de instructies en nam de beslissingen ten aanzien van de uitvoering van de werkzaamheden. Uit de toelichting op de deelbegroting van het tROM- project en de samenwerkingsovereenkomst blijkt dat NedTrain expliciet zeggenschap had over de veiligheid van de deelnemers aan het tROM- project. NedTrain was dan ook op grond van artikel 7:658 lid 4 BW gehouden om ten aanzien van eisers dezelfde zorgplicht die op een werkgever rust ten aanzien van de veiligheid en gezondheid van haar eigen werknemers op de werkvloer na te leven, en heeft dat nagelaten. De norm van artikel 7:658 BW is een nadere specificering van het goed werkgeverschap van artikel 7:611 BW, aldus eisers.

4.11.

NedTrain betwist de toepasselijkheid van artikel 7:658 lid 4 BW in de verhouding tussen haar en eisers. De gemeente Tilburg liet eisers werkzaamheden uitvoeren in het kader van haar taak die voortvloeide uit de Wet Werk en Bijstand. Het conserveren van treinen gold in het licht daarvan als taak die tot de bedrijfsuitoefening van de gemeente Tilburg moest worden gerekend. Het werk werd verricht onder verantwoordelijkheid van het management van tROM en de gemeente Tilburg. Er was sprake van een gezagsverhouding met de projectleider, aangesteld als ambtenaar bij de gemeente Tilburg, die de mogelijkheid had om aanwijzingen te geven aan de deelnemers aan het project. Zoals ook uit de samenwerkingsovereenkomst blijkt, vervulde NedTrain een faciliterende en adviserende rol binnen het project. NedTrain had geen zeggenschap over de veiligheid en gezondheid van de deelnemers aan het tROM- project, zoals ook blijkt uit het onderzoek van het RIVM. NedTrain kan niet als inlener als bedoeld in artikel 7:658 lid 4 BW worden beschouwd. Artikel 7:611 BW – waarop eisers zich zonder nadere onderbouwing beroepen – is eveneens niet van toepassing tussen partijen. Om een beroep te kunnen doen op artikel 7:611 BW is een arbeidsovereenkomst vereist, die ontbrak tussen eisers en NedTrain, aldus NedTrain.

4.12.

De rechtbank stelt voorop dat tussen partijen niet in geschil is dat eisers niet op basis van een arbeidsovereenkomst met NedTrain werkzaamheden hebben verricht. Van directe toepasselijkheid van de verplichtingen volgend uit artikel 7:658 lid 1 tot en met 3 BW is dan ook geen sprake. Eisers beroepen zich op toepasselijkheid van voornoemde verplichtingen via de band van lid 4. De bedoeling van artikel 7:658 lid 4 BW is gelegen in het bieden van bescherming aan personen die zich in een met een werknemer vergelijkbare positie bevinden als het gaat om door de werkgever voor de veiligheid op de werkvloer in acht te nemen zorgverplichtingen. De Hoge Raad heeft in het arrest Davelaar/Allspan (HR 23 maart 2012, ECLI:NL:HR:2012:BV0616) uiteengezet wanneer een niet- werkgever op grond van artikel 7:658 lid 4 BW aansprakelijk kan worden gehouden. Toegepast op deze zaak is daarvoor nodig:

i. dat eisers voor de zorg voor hun veiligheid (mede) afhankelijk waren van NedTrain. Bij de beoordeling daarvan gaat het om de omstandigheden van het geval en moet - onder meer - worden gekeken naar:

a. de feitelijke verhoudingen tussen betrokkenen,

b. de aard van de verrichte werkzaamheden en

c. de mate waarin NedTrain, al dan niet door middel van hulppersonen, invloed heeft op de werkomstandigheden van eisers en op de daarmee verband houdende veiligheidsrisico’s, èn

dat de werkzaamheden zijn verricht in de uitoefening van het beroep of bedrijf van NedTrain, waarbij bepalend is of de verrichte werkzaamheden beoordeeld naar de omstandigheden van het geval feitelijk gezien tot de bedrijfsuitoefening van NedTrain behoren.

De rechtbank is van oordeel dat aan het onder i genoemde vereiste niet is voldaan en licht dat als volgt toe.

4.13.

Uit de samenwerkingsovereenkomst blijkt hoe de bij het tROM- project betrokken partijen de onderlinge rolverdeling zagen en welke afspraken daarover zijn gemaakt. De toelichting op de deelbegroting is aan deze samenwerkingsovereenkomst vooraf gegaan, en beschrijft de positieve resultaten van een eerder tROM- project als aanleiding voor de betrokken partijen om afspraken te maken over voortzetting van het project. De toelichting vermeldt dat NedTrain zal zorgen voor de technische begeleiding bij de uitvoering van de werkzaamheden. De rechtbank leest in de toelichting - anders dan eisers stellen - niet terug dat NedTrain expliciet zeggenschap had over de veiligheid van eisers. In de samenwerkingsovereenkomst wordt omschreven dat de gemeente Tilburg verantwoordelijk was voor de organisatie van het project en de begeleiding van de deelnemers, en NedTrain de werkervaring bood. De werkzaamheden van NedTrain worden omschreven als faciliterend van aard. NedTrain leverde volgens de overeenkomst waar mogelijk de benodigde onderdelen en materialen. Wat betreft de veiligheid op de werkvloer is overeengekomen dat alle bij de samenwerkingsovereenkomst betrokken partijen er op toezien dat te allen tijde verantwoord met de veiligheid wordt omgegaan. De betrokken partijen dragen er zorg voor dat al hun werkzaamheden binnen het raamwerk van de arbeidsomstandighedenwetgeving worden uitgevoerd, in welk kader aan NedTrain een adviserende rol wordt toebedeeld. Naar het oordeel van de rechtbank geven de samenwerkingsovereenkomst en de daaraan voorafgaande toelichting op de deelbegroting kaders, maar weinig concrete aanknopingspunten voor wie in de praktijk verantwoordelijk was voor het treffen van maatregelen ter verzekering van de veiligheid van eisers op de werkvloer.

4.14.

Eisers hebben tijdens de mondelinge behandeling een nadere toelichting gegeven op de wijze waarop het werk binnen het tROM- project in de praktijk was georganiseerd. De dagelijkse leiding en aansturing van het project was in handen van de gemeente Tilburg, in de persoon van door de gemeente aangestelde teamleiders. Zij waren op de werkvloer aanwezig om toezicht te houden. Bij aanvang van de werkzaamheden meldden de betrokken deelnemers zich bij de teamleider, die hen voorzag van het benodigde gereedschap om te werken en werkschoenen. Het gebruik van persoonlijke beschermingsmiddelen zoals mondkapjes werd niet verplicht gesteld door de teamleider en dergelijke middelen waren ook niet voldoende voorradig en van onvoldoende kwaliteit, aldus steeds eisers. Werknemers van NedTrain kwamen periodiek naar de werklocatie voor overleg op kantoor met de projectleiding van tROM, maar waren nauwelijks aanwezig op de werkvloer. Instructies werden gegeven door de teamleiders, niet rechtstreeks door NedTrain. Eisers hebben toegelicht dat NedTrain wel het werk keurde; NedTrain beoordeelde of de treinen voldoende glad waren geschuurd, hetgeen met regelmaat naar het oordeel van NedTrain niet het geval was. NedTrain besprak aanwijzingen ten aanzien van het werk met de leiding van het project. Eisers kregen hun instructies vervolgens van de teamleider. NedTrain heeft ter zitting toegelicht dat persoonlijke beschermingsmiddelen zoals mondkapjes op afroep van de gemeente ter beschikking werden gesteld.

4.15.

Het RIVM rapport 2018-0168 ‘Een onderzoek naar regelgeving, arbeidsomstandigheden, informatievoorziening en bejegening bij het tROM- project in Tilburg’ waar NedTrain naar verwijst, onderschrijft op basis van onderzoek dat nergens uit blijkt dat andere partijen dan tROM bepaalden welke werkzaamheden er uitgevoerd moesten worden en hoe deze werkzaamheden uitgevoerd moesten worden. De onderzoekers concluderen dat de trajectbegeleiding en oud- tROM- deelnemers nagenoeg de enige twee betrokkenen waren bij het naleven van de Arbeidsomstandighedenwet 1998, en dat NedTrain (en het Spoorwegmuseum) geen directe rol hebben gespeeld bij de arbeidsomstandigheden van de tROM- deelnemers.

4.16.

Het voorgaande brengt mee dat, gezien de wijze waarop het werk feitelijk was georganiseerd en werd uitgevoerd, niet is komen vast te staan dat NedTrain de partij was die invloed had op de werkomstandigheden van eisers. De stelling van eisers is gelet op de gemotiveerde betwisting door NedTrain onvoldoende gemotiveerd onderbouwd. De zeggenschap ten aanzien van de wijze waarop het werk werd uitgevoerd en welke veiligheidsvoorschriften daarbij in acht dienden te worden genomen, berustte volgens de toelichting van eisers bij tROM. Dat NedTrain het resultaat van de werkzaamheden beoordeelde en dit goed- of afkeurde, rechtvaardigt op zich beschouwd niet de conclusie dat NedTrain ook bepaalde op welke wijze en onder welke omstandigheden het beoogde resultaat tot stand werd gebracht. Uit deze beoordelingsbevoegdheid kan niet zonder meer de gevolgtrekking worden gemaakt dat NedTrain feitelijk zorg droeg voor de omstandigheden waaronder het werk werd verricht. Hetzelfde geldt voor het gegeven dat NedTrain persoonlijke beschermingsmiddelen ter beschikking stelde. Als onbetwist staat vast dat NedTrain persoonlijke beschermingsmiddelen op afroep van de gemeente Tilburg ter beschikking stelde; daarmee lag het initiatief derhalve niet bij NedTrain. De afspraak in de samenwerkingsovereenkomst dat alle betrokken partijen, derhalve ook NedTrain, toe zouden zien op de veiligheid van de werkvloer en het feit dat de overeenkomst voor NedTrain daarbij nog een adviserende rol toekent voor wat betreft het naleven van arbeidsomstandighedenwetgeving, doet niet af aan de feitelijke verdeling van verantwoordelijkheden zoals die volgt uit het partijdebat. Of die praktijk strijdig is met de tussen partijen gemaakte afspraken ligt niet ter beoordeling voor, en eisers zijn bovendien geen partij bij de gesloten overeenkomst. Uit het voorgaande volgt dat, gezien de wijze waarop het werk feitelijk werd georganiseerd en uitgevoerd, niet NedTrain maar de gemeente dan wel tROM vooral invloed hadden op de werkomstandigheden van eisers. Nu niet is komen vast te staan dat eisers voor de zorg voor hun veiligheid (mede) afhankelijk waren van NedTrain, is artikel 7:658 lid 4 BW reeds op die grond niet van toepassing. De overige stellingen en weren behoeven daarmee geen bespreking meer.

4.17.

De verklaringen voor recht zoals gevorderd onder I a en I b zijn gebaseerd op artikel 7:658 lid 4 BW. Uit de conclusie dat de toepasselijkheid van voornoemd artikel in deze zaak niet is komen vast te staan, volgt dat de gevorderde verklaringen voor recht worden afgewezen. De gevorderde schadevergoeding kan eveneens niet op de grondslag van artikel 7:658 lid 4 BW worden toegewezen.

Het beroep van eisers op artikel 7:611 BW brengt geen verandering in deze conclusie, nu de rechtbank zonder nadere stellingen en onderbouwing – die geheel ontbreken - niet inziet hoe de norm van goed werkgeverschap ten opzichte van NedTrain een zelfstandige grondslag biedt voor toewijzing van de gevorderde verklaringen voor recht en schadevergoeding.

Aansprakelijkheid ex artikel 6:162 BW

4.18.

Eisers stellen dat NedTrain wetenschap had of moet hebben gehad van de aanwezigheid van chroom-6 in de verflagen op de treinstellen die in het kader van het tROM- project werden gerestaureerd en van de schadelijkheid van chroom-6 voor de gezondheid. Desalniettemin heeft NedTrain nagelaten eisers te informeren over de risico’s die verbonden waren aan hun werkzaamheden en de blootstelling aan chroom-6, en hen daarmee de kans ontnomen (het risico op) schade te vermijden. Het nalaten van NedTrain is onrechtmatig. De daaruit voortvloeiende schade dient vergoed te worden door NedTrain, aldus eisers.

4.19.

NedTrain voert aan dat eisers hun vorderingen op basis van artikel 6:162 BW veel te algemeen hebben geformuleerd, en reeds daarom moeten worden afgewezen. Een onrechtmatigheid in de zin van een schending van de zorgplicht moet per eiser worden beoordeeld, te meer nu niet iedere blootstelling aan chroom- 6 (onaanvaardbare) gezondheidsrisico’s met zich mee brengt. NedTrain betwist voorts dat bij haar wetenschap bestond omtrent het feit dat chroom- 6 in de verflagen op de treinstellen was verwerkt, en in het verlengde daarvan wetenschap omtrent de mogelijke blootstelling van eisers aan chroom- 6 en de daaraan verbonden (gezondheids)risico’s. Eventuele wetenschap bij NS kan niet aan NedTrain worden toegerekend. Het gebrek aan wetenschap brengt mee dat NedTrain geen onrechtmatig nalaten kan worden verweten. Mocht NedTrain wel onrechtmatig nalaten kunnen worden verweten, dan betwist zij dat deze kennis aan de gehele organisatie kan worden toegerekend. Ook beroept NedTrain zich op het ontbreken van toerekenbaarheid ex artikel 6:162 lid 3 BW.

Onrechtmatige daad

4.20.

NedTrain heeft als partij bij de samenwerkingsovereenkomst deelgenomen aan het tROM- project. NedTrain heeft ter zitting toegelicht dat de treinstellen die in het kader van het tROM- project zijn bewerkt, door NedTrain ter beschikking zijn gesteld. Dit vloeide volgens NedTrain voort uit de faciliterende rol van NedTrain die in de samenwerkingsovereenkomst overeen was gekomen. Anders dan NedTrain stelt, is de feitelijke casus dan ook een andere dan die centraal stond in het Broodbezorger- arrest (HR 22 november 1974, ECLI:NL:HR:1974:AC5503). NedTrain kan gelet op haar rol niet gelijk worden gesteld met de positie van een (toevallige) waarnemer van een situatie. De rechtbank is van oordeel dat in het kader van de vraag of NedTrain aansprakelijk kan worden gehouden op grond van artikel 6:162 BW, beoordeeld dient te worden of NedTrain wist of behoorde te weten dat

  1. de verflagen op de treinstellen die door NedTrain ter beschikking werden gesteld om te worden gerestaureerd in het kader van het tROM- project gevaarlijke stoffen bevatten,

  2. aan het schuren van de verflagen gevaren verbonden waren,

  3. de kans op verwezenlijking van die gevaren in geval van schuren van de verflagen reëel was,

  4. de verwezenlijking van die gevaren tot schade kon leiden,

maar desalniettemin heeft nagelaten om gezien de omstandigheden van het geval passende en redelijkerwijs te vergen maatregelen te treffen om het ontstaan van schade bij eisers als gevolg van het schuren van de treinen te voorkomen.

4.21.

De rechtbank is van oordeel dat de hiervoor genoemde wetenschap aanwezig was dan wel had moeten zijn bij NedTrain. Niet in geschil is dat NedTrain eisers en ook de gemeente of tROM niet heeft gewaarschuwd voor de gevaren verbonden aan het uitvoeren van de schuurwerkzaamheden aan de treinstellen en de noodzaak om in verband daarmee beschermende maatregelen te treffen. Deze vaststellingen leiden tot de conclusie dat NedTrain jegens eisers de maatschappelijke zorgvuldigheid die zij in acht had moeten nemen heeft geschonden, hetgeen als onrechtmatig jegens eisers kwalificeert. De volgende overwegingen zijn redengevend voor deze conclusie.

4.22.

Uit het door het RIVM uitgevoerde onderzoek is gebleken dat de oude verflagen van de in het kader van het tROM- project bewerkte treinen vrijwel allemaal chroom-6 bevatten. Chroom-6-houdende verf wordt al sinds de Tweede Wereldoorlog gebruikt om metalen constructies en voertuigen -zoals treinstellen – te beschermen tegen corrosie. Uit het door eisers als productie 1 overgelegde krantenartikel blijkt dat in het verleden op NS- treinen chroom-6-houdende primers zijn toegepast, bestaande uit zinkchromaat of loodchromaat. Ook wordt vermeld dat een overleg met de verfindustrie werd gestart om te komen tot de gele NS- kleur zonder lood- en chromaathoudende pigmenten. Deze bevindingen worden onderschreven door de onderzoekers van IRAS (Wp4, pagina 46):

“Uit de beschikbare documenten wordt duidelijk dat op NS-treinen in het verleden chroom-6 houdende ‘primers’ zijn toegepast, bestaande uit zinkchromaat of loodchromaat (ref G268, G273). In 1988 is in overleg met de verfindustrie gestart met de overstap op chroom-6 vrije ‘primers’ (ref G303) en in 1991 mocht een aantal stoffen niet of slechts onder strenge voorwaarden nog worden gebruikt, waaronder lood- en zinkchromaat (ref G275).”

NedTrain heeft ter zitting toegelicht dat inderdaad in het verleden – het exacte moment kon niet worden geduid – maatregelen zijn getroffen wat betreft het opbrengen van verf.

4.23.

Het door eisers ingebrachte artikel maakt melding van een document van 23 februari 1962 van de Nederlandse Spoorwegen, waarin gewaarschuwd wordt voor het feit dat bij het afschuren van verflagen voor de gezondheid schadelijke pigmenten vrij kunnen komen, zodat inademing van stof of nevels voorkomen dient te worden. NedTrain heeft een document uit juni 1975 in het geding gebracht, getiteld ‘Veiligheidsvoorschrift’. Blijkens de inleiding betreft het een document van NV Nederlandse Spoorwegen waarin veiligheidsvoorschriften gebundeld zijn ter waarborging van naleving van de Veiligheidswet. NedTrain haalt een passage aan, waaruit blijkt dat bij het verspuiten van giftige metalen zoals zink-lood-cadmium-chroom en mangaan of van legeringen die deze metalen bevatten verseluchtkappen gedragen moesten worden. Hetzelfde document geeft een veiligheidsvoorschrift omtrent verfwaren, en vermeldt dat de codering op het etiket de mate van gevaar aangeeft, verbonden aan het verwerken van de inhoud. De toevoeging van het cijfer 1 betekent vergiftiging bij inwendig gebruik en bij inademen van schuurstof en spuitnevels. Het veiligheidsvoorschrift vermeldt in acht te nemen voorzorgsmaatregelen.

4.24.

In een volgend door NedTrain in het geding gebracht document van 19 maart 1996, betreffende een verzameling voorschriften over conservering van draaistellen, wordt bepaald dat in de toe te passen conservering geen stoffen mogen worden toegepast die schade kunnen opleveren voor mens en milieu. Toepassing van onder meer loodchromaat(houdende) of zinkchromaat(houdende) stoffen is niet toegestaan. Het RIVM stelt in haar hoofdrapport dat in de jaren 60 van de vorige eeuw al uit wetenschappelijk onderzoek bekend was dat blootstelling aan chroom-6 schadelijke effecten kan hebben voor de gezondheid.

4.25.

Uit het voorgaande volgt naar het oordeel van de rechtbank dat binnen de vennootschap van de Nederlandse Spoorwegen bekend was dat tot 1988 loodchromaat- en zinkchromaathoudende primers gebruikt waren op de treinstellen, dat de reden om van het gebruik daarvan af te stappen gelegen was in de schadelijkheid van de stoffen voor de gezondheid en dat bij in ieder geval het verspuiten en schuren van de betreffende verflagen veiligheidsvoorschriften in acht moesten worden genomen ter bescherming van de gezondheid.

4.26.

NedTrain heeft toegelicht dat de afdeling Materieel & Werkplaatsen binnen de NS groep op 26 april 1996 werd verzelfstandigd tot NS Materieel. In 1999 werd de naam van deze vennootschap gewijzigd in NedTrain. NedTrain opereerde als zelfstandige vennootschap totdat de directie van NS en NedTrain in 2018 besloten om NedTrain weer toe te voegen onder de NS. Nu NedTrain tot haar verzelfstandiging op 26 april 1996 als afdeling Materieel & Werkplaatsen onderdeel uitmaakte van de NS, geldt dat de wetenschap die bij NS bestond, ook bij wat inmiddels NedTrain wordt genoemd bestond. NedTrain kon tot haar verzelfstandiging immers niet als afgescheiden van NS worden beschouwd. Verzelfstandiging van een bedrijfsonderdeel heeft niet tot gevolg dat bestaande wetenschap achterblijft bij de vennootschap waar het betreffende bedrijfsonderdeel voor de verzelfstandiging deel van uitmaakte. Wetenschap die bestond bij de afdeling Materieel & Werkplaatsen, bestond na de verzelfstandiging binnen de vennootschap die later NedTrain is genoemd.

4.27.

Dat de documenten zoals hiervoor aangehaald geen expliciete melding maken van chroom-6, zoals door NedTrain is betoogd in het kader van de betwisting van wetenschap, doet aan het voorgaande niet af. Op het moment van aanvang van het tROM- project en het ter beschikking stellen van de treinstellen om door de deelnemers te worden gerestaureerd, was zoals hiervoor overwogen in ieder geval bij NedTrain bekend dat in de op de treinstellen aangebrachte verflagen voor de gezondheid schadelijke stoffen aanwezig waren, en dat bij het uitvoeren van de werkzaamheden beschermende veiligheidsmaatregelen noodzakelijk waren om schade aan de gezondheid te voorkomen. Daarbij is niet relevant of de schadelijke stof uit chroom-6 of een andere schadelijke stof bestaat, nu niet gesteld noch gebleken is dat de aangewezen beschermingsmaatregelen niet óók zouden beschermen tegen blootstelling aan chroom-6.

4.28.

Vanuit het oogpunt van maatschappelijke zorgvuldigheid, gelet op de bij NedTrain bestaande wetenschap, maar ook op basis van de verplichtingen die NedTrain door medeondertekening van de samenwerkingsovereenkomst op zich heeft genomen, had van NedTrain in redelijkheid verwacht mogen worden dat zij zich ervan zou vergewissen dat – al dan niet via de gemeente of tROM – informatie over de in de verflagen aanwezige gevaarlijke stoffen en de noodzaak van adequate bescherming bij de bewerking van de treinen, bij de deelnemers aan het tROM- project – en dus ook bij eisers – bekend zou worden. Dat NedTrain heeft nagelaten deze redelijkerwijs te vergen maatregel om schade te voorkomen te treffen, is onrechtmatig jegens eisers. Het was namelijk de gezondheid van eisers die rechtstreeks in het geding was en (mede) door het nalaten van NedTrain in gevaar is gekomen.

4.29.

Het beroep van NedTrain op het ontbreken van toerekenbaarheid van de onrechtmatige daad ex artikel 6:162 lid 3 BW faalt. In het voorgaande is het beroep op het ontbreken van wetenschap al beoordeeld en afgewezen, herhaling van het beroep in het kader van de toerekenbaarheid leidt niet tot een andere uitkomst. De vastgestelde onrechtmatige daad komt krachtens verkeersopvattingen voor rekening van NedTrain.

Aansprakelijkheid ex artikel 6:175 BW

4.30.

Eisers hebben de grondslag voor hun vorderingen na het uitbrengen van de dagvaarding aangevuld met een beroep op artikel 6:175 BW. Dit artikel vestigt een risicoaansprakelijkheid voor degene die in de uitoefening van zijn beroep of bedrijf één gevaarlijke stof gebruikt of onder zich heeft. Nu de aard van de aansprakelijkheid een van de omstandigheden is die van belang is bij de vaststelling van de hoogte van een eventuele immateriële schadevergoeding, zal de rechtbank de vorderingen ondanks het feit dat uit het voorgaande al aansprakelijkheid op grond van artikel 6:162 BW volgt eveneens op deze grondslag beoordelen.

4.31.

Artikel 6:175 lid 1 BW bepaalt dat degene die in de uitoefening van zijn beroep of bedrijf een stof gebruikt of onder zich heeft, terwijl van deze stof bekend is dat zij zodanige eigenschappen heeft, dat zij een bijzonder gevaar van ernstige aard voor personen of zaken oplevert, aansprakelijk is, wanneer dit gevaar zich verwezenlijkt. De achtergrond van deze regeling is dat het gebruik van gevaarlijke stoffen een risico oplevert en dat, indien dit gevaar zich verwezenlijkt, de slachtoffers hun bescherming dienen te vinden in de aansprakelijkheid van de (bedrijfsmatige) gebruiker van deze stoffen. Er is pas sprake van aansprakelijkheid als aan alle criteria van artikel 6:175 lid 1 BW is voldaan.

4.32.

Naar het oordeel van de rechtbank hebben eisers onvoldoende gemotiveerd gesteld dat NedTrain aansprakelijk kan worden gehouden op grond van voornoemd artikel. Eisers hebben samengevat gesteld dat het NedTrain bekend was dat blootstelling aan chroom-6 een bijzonder gevaar van ernstige aard voor personen opleverde. Gelet op de gemotiveerde betwisting van NedTrain, onder meer inhoudende dat NedTrain de stof op het moment dat de eventuele schade werd veroorzaakt niet onder zich had, hebben eisers naar het oordeel van de rechtbank niet voldaan aan de stelplicht die op hen rust. De vorderingen van eisers worden afgewezen voor zover deze gebaseerd zijn op artikel 6:175 lid 1 BW.

Schade en causaal verband

4.33.

Eisers vorderen vergoeding van schade van € 8.000,00 per persoon, bestaande uit (i) gezondheidsschade vanwege het feit dat chroom-6 ook na geringe blootstelling het DNA beïnvloedt, en (ii) immateriële schade, vanwege inbreuk op de persoonlijke integriteit, de onheuse bejegening (dwang) en buitengewone angst die eisers (hebben) ervaren. Voorts vorderen eisers een aanvullende schadevergoeding, nader op te maken bij staat, voor gezondheidsschade in de vorm van aantasting van het gebit en voortkomend uit beperkingen genoemd in de lijsten uit 2015 en 2018 van het RIVM, behorende bij de Coulanceregelingen van Defensie. Eisers hebben ter zitting toegelicht met hun vordering te beogen dat de gehanteerde lijsten van gezondheidsschade worden uitgebreid met de beperkingenlijst van het Nederlands Centrum voor beroepsziekten (hierna: “NCVB”) uit 2014.

4.34.

Ten aanzien van de door eisers gevorderde schadevergoeding van € 8.000,00 per persoon voert NedTrain ter betwisting aan dat niets (onderbouwd) gesteld of bewezen wordt over de door eisers individueel ervaren klachten, zodat de vordering reeds daarop moet stranden. Bovendien geldt dat niet elke blootstelling aan een chroom-6 houdende stof leidt tot een wijziging in het DNA. NedTrain betwist dat in dit geval voldaan wordt aan de eisen om tot toekenning van immateriële schadevergoeding te komen; niet gesteld of gebleken is dat iedere eiser afzonderlijk psychisch letsel heeft opgelopen of dat er sprake is van een ernstige inbreuk op een fundamenteel persoonlijkheidsrecht. Er bestaat geen aanleiding om de door het RIVM na langdurig en uitgebreid onderzoek opgestelde lijst met mogelijke gezondheidseffecten als gevolg van beroepsmatige blootstelling aan chroom-6 uit te breiden, aldus NedTrain.

4.35.

De rechtbank overweegt dat eisers onvoldoende gemotiveerd hebben gesteld dat er sprake is van gezondheidsschade die voortvloeit uit beïnvloeding van het DNA. Eisers hebben hun vordering gebaseerd op de als algemeen uitgangspunt geformuleerde stelling dat blootstelling aan chroom-6 (per definitie) leidt tot een gewijzigde DNA- structuur, die ook wordt doorgegeven aan het nageslacht, en daarmee rechtstreeks en direct gezondheidsschade oplevert die voor vergoeding in aanmerking komt. Deze stelling vindt geen steun in de door NedTrain in het kader van haar betwisting overgelegde informatie van het RIVM. Uit deze informatie volgt dat chroom-6-verbindingen schade aan DNA kunnen veroorzaken in geval van omzetting van de verbinding binnen een lichaamscel, maar ook dat niet elke omzetting binnen een lichaamscel plaatsvindt. Eisers hebben geen nadere onderbouwing gegeven van hun stelling. Uit het voorgaande volgt dat niet is komen vast te staan dat blootstelling aan chroom-6 per definitie leidt tot DNA- schade, zodat de gevorderde schadevergoeding voor zover gebaseerd op die grondslag wordt afgewezen.

4.36.

De rechtbank is van oordeel dat ook de gestelde onheuse bejegening, in de vorm van dwang om deel te nemen aan het tROM- project op straffe van (al dan niet gedeeltelijk) verval van de aanspraak op een bijstandsuitkering, niet kan leiden tot toewijzing van het gevorderde bedrag aan schadevergoeding. Uit de toelichting van eisers ter zitting is gebleken dat het element van het dreigen met het korten of stopzetten van de bijstandsuitkering een cruciale factor vormt bij de beleving van een onheuse bejegening bij eisers. Als onweersproken staat vast dat niet NedTrain, maar de gemeente Tilburg de uitkeringen verstrekte en besliste over de aan toekenning verbonden voorwaarden. Niet gesteld of gebleken is dat medewerkers van NedTrain gedreigd hebben met sancties met betrekking tot de uitkering. De rechtbank komt dan ook niet toe aan een verdere beoordeling van de gestelde schade in dit verband, nu de grond om NedTrain ter zake aansprakelijk te houden ontbreekt. Er bestaat geen causaal verband tussen het onrechtmatig nalaten van NedTrain en de gestelde schade als gevolg van onheuse bejegening.

4.37.

Ten aanzien van de gevorderde vergoeding van angstschade overweegt de rechtbank als volgt. Uit artikel 6:95 BW volgt dat ander nadeel dan vermogensschade (‘immateriële schade’) slechts voor vergoeding in aanmerking komt voor zover de wet dat bepaalt. In artikel 6:106, onder b, BW is bepaald dat recht bestaat op een naar billijkheid vast te stellen schadevergoeding indien de benadeelde lichamelijk letsel heeft opgelopen, in zijn eer of goede naam is geschaad of op andere wijze in zijn persoon is aangetast. De rechtbank begrijpt dat eisers zich beroepen op de laatstgenoemde categorie.

4.38.

Van de in artikel 6:106, onder b, BW bedoelde aantasting in zijn persoon op andere wijze is in ieder geval sprake indien de benadeelde geestelijk letsel heeft opgelopen. Degene die zich hierop beroept, zal voldoende concrete gegevens moeten aanvoeren waaruit kan volgen dat in verband met de omstandigheden van het geval psychische schade is ontstaan, waartoe nodig is dat naar objectieve maatstaven het bestaan van geestelijk letsel kan worden vastgesteld. Daarnaast kunnen de aard en de ernst van de normschending en van de gevolgen daarvan voor de benadeelde meebrengen dat van de in artikel 6:106, onder b, BW bedoelde aantasting in zijn persoon op andere wijze sprake is. In beginsel zal degene die zich hierop beroept de aantasting in zijn persoon met concrete gegevens moeten onderbouwen. In voorkomend geval kunnen de aard en de ernst van de normschending meebrengen dat de in dit verband relevante nadelige gevolgen daarvan voor de benadeelde zo voor de hand liggen, dat een aantasting in de persoon kan worden aangenomen. In de door partijen aangehaalde zaak van de Oudejaarsrellen (HR 9 juli 2004, ECLI:NL:HR:2004:AO7721) was die aantasting gelegen in de gevoelens van angst, onveiligheid en onzekerheid met betrekking tot het lijf en goed van de benadeelden die een aantal uren in hun woning in een zeer bedreigende situatie verkeerden, terwijl een reactie op hun verzoek om hulp en bijstand van de politie uitbleef. In de eveneens aangehaalde zaak die heeft geleid tot HR 18 maart 2005, ECLI:NL:HR:2005:AR5213 (Wrongful life) bestond die aantasting in de ernstige inbreuk op het zelfbeschikkingsrecht van de moeder waardoor zij er niet voor heeft kunnen kiezen de geboorte van een zwaar gehandicapt kind te voorkomen. Van een aantasting in de persoon op andere wijze als bedoeld in artikel 6:106, onder b, BW, is niet reeds sprake bij de enkele schending van een fundamenteel recht (HR 15 maart 2019, ECLI:NL:HR:2019:376, EBI en HR 19 juli 2019, ECLI:NL:HR:2019:1278, Aardbevingsschade Groningen).

4.39.

Eisers hebben niet gesteld dat zij psychische schade in de zin van naar objectieve maatstaven vast te stellen geestelijk letsel hebben opgelopen als gevolg van de (wetenschap van) blootstelling aan chroom-6. Beoordeeld moet worden of de aard en de ernst van de normschending die in geding is en van de gevolgen daarvan zodanig zijn dat sprake is van een aantasting in de persoon die vergoeding van immateriële schadevergoeding rechtvaardigt. Eisers spitsen het geschil in wezen toe op de vraag of de aard en de ernst van de normschending die hier aan de orde is met zich meebrengen dat de nadelige gevolgen voor hen zo voor de hand liggen dat een aantasting in de persoon kan worden aangenomen. Eisers hebben die aantasting in de persoon namelijk niet met concrete gegevens onderbouwd.

4.40.

De rechtbank is van oordeel dat het nalaten van NedTrain om, ondanks de wetenschap die bij haar bestond omtrent de aanwezigheid van voor de gezondheid schadelijke stoffen in de op de treinstellen gebruikte verf, zich ervan te vergewissen dat – al dan niet via de gemeente of tROM – informatie over deze aanwezigheid en de noodzaak om beschermende maatregelen te treffen, bij de deelnemers aan het tROM- project – en dus ook bij eisers – bekend zou worden, een inbreuk vormt op het recht op leven en de lichamelijke integriteit van eisers. Deze geschonden normen kwalificeren als fundamentele rechten die bijzondere bescherming verdienen. Gelet op het feit dat (1) eisers allen deelnemer waren aan het tROM- project en werkzaamheden hebben uitgevoerd in de loodsen waar de werkzaamheden werden uitgevoerd, (2) bij die werkzaamheden aan de treinen de schadelijke stof chroom-6 is vrijgekomen, (3) eisers daar als deelnemers allen in meer of mindere mate aan kunnen zijn blootgesteld, (4) het RIVM na uitvoerig en zorgvuldig onderzoek concludeert dat blootstelling aan chroom-6 tot gezondheidsschade kan leiden, (5) deze gezondheidsschade van dien aard kan zijn dat er sprake kan zijn van een levensbedreigende of ernstig invaliderende ziekte en (6) de gevolgen voor de gezondheid zich ook pas na lange tijd kunnen manifesteren, in samenhang bezien, is de rechtbank van oordeel dat sprake is van een situatie waarin de nadelige gevolgen voor eisers, zoals bijvoorbeeld angst voor gezondheidsschade, zo voor de hand liggen, dat een aantasting in de persoon als bedoeld in artikel 6:106, onder b, BW kan worden aangenomen.

Het verweer van NedTrain dat niet valt in te zien hoe het niet weten van de aanwezigheid van chroom-6 kan leiden tot angst wordt gepasseerd, nu evident is dat eisers inmiddels wel wetenschap hebben van hetgeen waaraan zij zijn blootgesteld, en de mogelijke ernstige gevolgen die dit voor hen heeft dan wel kan hebben. Bovendien wordt hier de kern van de zaak geraakt, nu van NedTrain verwacht had mogen worden dat zij door te handelen dit lange tijd niet weten had voorkomen.

4.41.

In hoeverre dit in individuele gevallen een vergoeding voor immateriële schade rechtvaardigt, is afhankelijk van alle omstandigheden van het geval. Het RIVM heeft geconcludeerd dat de kans op gezondheidseffecten als gevolg van blootstelling aan chroom-6 afhankelijk is van factoren als aard, duur, intensiteit en frequentie van de blootstelling. Naar het oordeel van de rechtbank betekent dit dat deze factoren eveneens een rol spelen bij het vaststellen van de ernst van de gevolgen van de persoonsaantasting en daarmee van de omvang van de naar billijkheid vast te stellen schadevergoeding. Dergelijke factoren moeten op individuele basis worden beschouwd. Anders dan eisers vorderen, is de rechtbank niet in staat de schade reeds nu op een bepaald bedrag te begroten. De omvang van een verplichting tot vergoeding van schade die bestaat in een aantasting in de persoon op andere wijze, laat zich door de rechtbank niet ‘min of meer forfaitair’ vaststellen nu dat niet verenigbaar is met het hoogst persoonlijke karakter van de vordering tot vergoeding van deze schade (HR 19 juli 2020, ECLI:NL:HR:2019:1278). Ook over de mate van aannemelijkheid dat de schade ten minste een bepaald bedrag beloopt, kan de rechtbank zonder enig inzicht in de persoonlijke omstandigheden, waaronder bovengenoemde factoren, geen oordeel geven.

4.42.

De rechtbank verwijst de zaak voor de vaststelling van de schade naar de schadestaatprocedure, waarin alle vragen om tot individuele vaststelling van schade te komen - alsmede het beroep van NedTrain op artikel 6:101 BW - in volle omvang aan de orde kunnen komen.

4.43.

De vordering tot het toekennen van een aanvullende schadevergoeding wegens gezondheidsschade kan eveneens in de schadestaatprocedure aan de orde komen. In dat kader merkt de rechtbank op dat hetgeen door eisers is aangevoerd wat betreft het voor vergoeding in aanmerking nemen van gebitsschade onvoldoende gemotiveerd is, gelet op de gemotiveerde betwisting van NedTrain. Het RIVM heeft na uitvoerig en uitgebreid onderzoek geconcludeerd dat het niet waarschijnlijk is dat gebitsschade veroorzaakt wordt door blootstelling aan chroom-6. Ook voor een uitbreiding van de lijst van het RIVM van gezondheidseffecten die in causaal verband staan tot de blootstelling aan chroom-6 ziet de rechtbank geen grond. NedTrain heeft gemotiveerd onderbouwd dat het RIVM in haar onderzoek relevante andere wetenschappelijke onderzoeken en resultaten heeft betrokken. Het voorgaande laat onverlet dat sprake kan zijn van lichamelijk letsel en daarmee samenhangende schadeposten, hetgeen moet worden onderzocht in de individuele schadestaatprocedure.

4.44.

De rechtbank is van oordeel dat de op basis van artikel 4 van de Regeling reeds uitbetaalde vergoeding van € 7.000,00 netto aan eisers op grond van het bepaalde in lid 3 van genoemd artikel in mindering mag strekken op een eventuele aanvullende vergoeding op basis van een rechterlijke uitspraak. Zonder nadere toelichting, die ontbreekt, ziet de rechtbank gelet op deze contractuele afspraak niet in waarom een aanvullende schadevergoeding niet zonder verrekening mag plaatsvinden, zoals eisers stellen.

Buitengerechtelijke incassokosten

4.45.

Eisers maken aanspraak op vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten tot een bedrag van € 60.000,00. Zij stellen dat 234 uren zijn besteed aan overleg, studie en correspondentie, waarvan minimaal 200 uren voorafgaand aan het besluit tot dagvaarding. Zij verwijzen daartoe naar een als productie 9 overgelegd overzicht van uren en werkzaamheden die de advocaat van eisers in de periode van 1 juni 2017 tot en met 31 oktober 2019 heeft geregistreerd.

4.46.

NedTrain stelt zich op het standpunt dat de vordering dient te worden afgewezen. Volgens NedTrain zien de in de productie gespecificeerde activiteiten op de instructie van de zaak, welke kosten worden geconverteerd in een eventuele proceskostenveroordeling. Bovendien hebben eisers niet onderbouwd dat de kosten voldoen aan de dubbele redelijkheidstoets van artikel 6:96 lid 2 BW. Volgens NedTrain wordt deze toets niet doorstaan.

4.47.

De rechtbank is van oordeel dat eisers hun vordering onvoldoende gemotiveerd hebben onderbouwd. Eisers stellen niet dat de gevorderde kosten daadwerkelijk zijn gemaakt. Ook blijkt uit de stellingen van eisers niet dat de kosten waarvan vergoeding wordt gevorderd aangemerkt dienen te worden als buitengerechtelijke incassokosten. Uit de gespecificeerde werkzaamheden blijkt dat de werkzaamheden veeleer werkzaamheden betreffen waarvoor een proceskostenveroordeling een vergoeding inhoudt. De vordering ter zake buitengerechtelijke incassokosten wordt afgewezen.

Proceskosten

4.48.

NedTrain zal als de grotendeels in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld, aan de zijde van eisers tot op heden begroot op:

- dagvaarding € 99,01

- betaald griffierecht 1.599,00

- salaris advocaat 1.689,00 (3,0 punten × factor 1,0 × tarief € 563,00)

Totaal € 3.387,01

De nakosten worden toegewezen zoals in het dictum bepaald.

4.49.

Eisers [eiser sub 11] , [eiser sub 14] en [eiser sub 23] worden veroordeeld in de proceskosten aan de zijde van NedTrain, tot op heden begroot op nihil.

5 De beslissing

De rechtbank:

ten aanzien van eisers sub 11, sub 14 en sub 23

5.1.

wijst de vorderingen af,

5.2.

veroordeelt eisers in de kosten van de procedure, tot op heden aan de zijde van NedTrain begroot op nihil,

ten aanzien van eisers sub 1 tot en met 10, 12, 13, 15 tot en met 22 en 24 tot en met 33

5.3.

verklaart voor recht dat NedTrain op grond van artikel 6:162 BW aansprakelijk is voor door eisers door de blootstelling aan chroom-6 geleden en nog te lijden materiële en immateriële schade,

5.4.

veroordeelt NedTrain tot vergoeding van de in 5.3 genoemde schade, nader op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet,

5.5.

veroordeelt NedTrain tot betaling aan eisers van de kosten van de procedure, aan de zijde van eisers tot op heden begroot op € 3.387,01,

5.6.

veroordeelt NedTrain in de na dit vonnis ontstane kosten, begroot op € 163,00 aan salaris advocaat, te vermeerderen, onder de voorwaarde dat NedTrain niet binnen 14 dagen na aanschrijving aan het vonnis heeft voldaan en er vervolgens betekening van de uitspraak heeft plaatsgevonden, met een bedrag van € 85,00 aan salaris advocaat en de explootkosten van betekening van de uitspraak,

5.7.

verklaart dit vonnis wat betreft de kostenveroordelingen uitvoerbaar bij voorraad,

5.8.

wijst af het meer of anders gevorderde.

Dit vonnis is gewezen door mr. Van 't Nedereind, mr. Zander en mr. Römers en in het openbaar uitgesproken op 22 september 2021.1

1 type: mvh coll: