Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZWB:2021:4697

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak
26-08-2021
Datum publicatie
24-09-2021
Zaaknummer
AWB - 19 _ 2318
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Voor deze uitspraak is geen samenvatting gemaakt.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Viditax (FutD), 27-9-2021
V-N Vandaag 2021/2260
FutD 2021-3035
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Belastingrecht, meervoudige kamer

Locatie: Breda

Zaaknummer BRE 19/2318

uitspraak van 26 augustus 2021

Uitspraak als bedoeld in afdeling 8.2.6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in het geding tussen

[belanghebbende] , zonder vaste woon- of verblijfplaats,

belanghebbende,

en

de inspecteur van de Belastingdienst,

de inspecteur,

en

de Minister van Justitie en Veiligheid,

de minister.

1 Ontstaan en loop van het geding

1.1.

De inspecteur heeft aan belanghebbende voor het jaar 2014 een aanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen (hierna: IB/PVV) opgelegd, berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning, tevens verzamelinkomen, van € 188.533 (hierna: de aanslag). Tegelijk met de aanslag heeft de inspecteur een beschikking belastingrente en een boetebeschikking gegeven.

1.2.

De inspecteur heeft bij uitspraak op bezwaar van 9 april 2019 de aanslag en de beide beschikkingen gehandhaafd.

1.3.

Belanghebbende heeft daartegen op 17 mei 2019 beroep ingesteld. Ter zake van dit beroep heeft de griffier van belanghebbende een griffierecht geheven van € 47.

1.4.

De inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.

1.5.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 30 juli 2021 te Breda. Daar zijn verschenen en gehoord, belanghebbende en namens de inspecteur, [inspecteur 1] en [inspecteur 2] .

2 Feiten

Op grond van de stukken van het geding stelt de rechtbank als tussen partijen niet in geschil, de volgende feiten vast:

2.1.

Belanghebbende drijft sinds [datum 1] 2001 en in ieder geval tot en met het onderhavige jaar een onderneming in de vorm van een eenmanszaak onder de naam [eenmanszaak] . Deze onderneming oefent een montagebedrijf uit en voert daarnaast gespecialiseerde werkzaamheden uit in de bouw.

2.2.

Op [datum 2] 2013 heeft belanghebbende op een veiling voor € 47.676 (inclusief veilingkosten) een [machine] (hierna: de machine) gekocht.

2.3.

Belanghebbende heeft een bemiddelingsovereenkomst, gedagtekend 12 juli 2013, gesloten met [Ltd. 1] (hierna: [Ltd. 1] ) om voor belanghebbende te bemiddelen bij de verkoop van de machine. In de bemiddelingsovereenkomst is bij verkoop voor US $ 300.000 een bemiddelingsvergoeding van 50% afgesproken.

2.4.

Op 26 augustus 2013 is belanghebbende klant geworden bij het Haags Juristen College (hierna: HJC) om een internationale handelsstructuur op te zetten. In samenwerking met het HJC zijn op de Seychellen in september 2013 de volgende vennootschappen opgericht: [vennootschap 1] (hierna: [vennootschap 1] ) en [vennootschap 2] (hierna: [vennootschap 2] ). [vennootschap 1] houdt de aandelen van [vennootschap 2] en de aandelen van [vennootschap 1] worden gehouden door [stichting] naar het recht van Panama, waarvan belanghebbende de uiteindelijk gerechtigde is.

2.5.

Op 29 november 2013 stuurt [eenmanszaak] een verkoopfactuur aan [vennootschap 2] voor de verkoop van de machine. Betaling of levering vindt niet plaats. Op 13 december 2013 heeft [vennootschap 2] een overeenkomst gesloten met een Russische onderneming, [Inc.] , voor de verkoop van de machine voor US $ 315.000. Deze verkoop is niet doorgegaan. Op 26 januari 2014 stuurt [eenmanszaak] een creditfactuur aan [vennootschap 2] .

2.6.

[eenmanszaak] heeft de machine op 14 februari 2014 voor US $ 300.000 aan [Inc.] verkocht. Op grond van de koopovereenkomst is de koopsom in twee termijnen van 50% verschuldigd. [Inc.] heeft de eerste termijn op 7 april 2014 betaald en de tweede termijn op 16 mei 2014.

2.7.

Op 1 oktober 2014 heeft [Ltd. 1] [eenmanszaak] een factuur gestuurd van US $ 150.000 voor de bemiddeling bij de verkoop van de machine.

2.8.

Op 11 november 2014 heeft [Ltd. 2] op de Marshall Eilanden in opdracht van belanghebbende [Ltd. 3] (hierna: [Ltd. 3] ) naar het recht van de Marshall Eilanden opgericht. Belanghebbende is zowel bestuurder als uiteindelijk gerechtigde van deze vennootschap. Deze vennootschap had de beschikking over een bankrekening bij de Euro Pacific Bank Limited, gevestigd op St. Vincent en de Grenadines.

2.9.

Op 5 december 2014 heeft [eenmanszaak] een bedrag van US $ 150.000 aan [Ltd. 1] overgemaakt.

2.10.

[Ltd. 3] heeft [Ltd. 1] op 22 december 2014 een factuur gestuurd van US $ 135.000. Op deze factuur is opgenomen:

“Our Ref: [referentie]

(…)

Commission relation to sale of machinery - [machine]

(…)

Directors: [belanghebbende] ”

Op 22 december 2014 heeft [Ltd. 1] dit bedrag aan [Ltd. 3] overgemaakt.

2.11.

Belanghebbende heeft, na daartoe te zijn uitgenodigd, aangifte IB/PVV over 2014 gedaan. De aangifte is opgesteld door [belastingadviseurs] . In de aangifte IB/PVV 2014 heeft belanghebbende een bedrag van € 122.1301 als verkoopcommissie in aftrek op de winst van [eenmanszaak] gebracht.

2.12.

Op 5 september 2016 heeft de inspecteur een boekenonderzoek naar de aangiften inkomstenbelasting en omzetbelasting over de jaren 2013 tot en met 2015 van belanghebbende aangekondigd. Tijdens dit onderzoek hebben diverse besprekingen met belanghebbende en zijn adviseurs plaatsgevonden. De Belastingdienst heeft verschillende verzoeken om uitwisseling van informatie aan het Verenigd Koninkrijk, Rusland, Cyprus en St. Vincent en de Grenadines gedaan in verband met de transactie met de machine.

2.13.

Bij e-mail van 18 april 2017 schrijft belanghebbende, onder meer, het volgende aan de inspecteur:

“(…) Ik geef hierbij de volgende zaken toe:

Om mij toentertijd onbekende redenen verdween HJC plots als verkopende partij, net voor de definitieve verkoop van de machine plaats zou vinden.

Bij het uitzoeken 'hoe verder te handelen', kwam ik in gesprek met ene heer [heer X] van het Engelse bedrijf [Ltd. 4] .

Deze bood mij aan om, middels een fee contract, een deel van de verkoop-opbrengst in rekening te brengen aan [eenmanszaak] als zijnde bemiddelingskosten.

Dit bemiddelingsbedrag zou daarna (minus 10% voor [Ltd. 1] ) doorgestuurd worden naar een nog nieuw op te richten bedrijf waarvan ik de afgeschermde eigenaar zou worden.

Ik ben akkoord gegaan met dit voorstel en [Ltd. 4] heeft daarop het bedrijf [Ltd. 3] opgericht. Na de daadwerkelijke verkoop van de machine via [eenmanszaak] aan [Inc.] werd door het bedrijf [Ltd. 1] een factuur gestuurd aan [eenmanszaak] met daarop het bedrag voor de fee.

Deze factuur werd door [eenmanszaak] voldaan.

Op deze wijze heb ik, via [Ltd. 3] , beschikking gekregen over een deel het bedrag van de betaalde fee.

De machine werd dus verkocht voor 300k$ van [eenmanszaak] aan [Inc.] .

Zonder mij daarvan in kennis te stellen heeft [Ltd. 1] gepoogd het gehele factuurbedrag van de verkoop aan [Inc.] te innen middels een door hen zelf opgemaakte factuur a 315k$. (in uw bezit)

Zij wisten niet van mijn heronderhandelingen met [Inc.] en het daarbij overeengekomen bedrag van 300k$.

Vandaar dat [Inc.] aan hen heeft geweigerd het factuurbedrag te voldoen.”

2.14.

De Belastingdienst heeft de HM Revenue & Customs (hierna: HMR&C) in het Verenigd Koninkrijk op basis van de Bijstandsrichtlijn2 om uitwisseling van inlichtingen verzocht over belanghebbende en [Ltd. 4] , in verband met de transactie met de machine. In antwoord op vragen van HMR&C heeft de heer [heer X] van [Ltd. 1] op 26 april 2017 het volgende geantwoord:

“2. Contact between [eenmanszaak] and [Ltd. 1] concerning the sale of the machinery detailed in point 1 took place over two separate periods in 2014 as follows:
a. Initially we were approached by [belanghebbende] to act as an agent to buy and sell machinery on behalf of a Dutch company called [eenmanszaak] . We were asked to take over an existing contract and transaction that was on hold as the former agent was unable to complete the deal.

We made contact with the buyer, [Inc.] , to proceed with the purchase of a [machine] for US$315,000. After careful review of the existing documents, we notified [eenmanszaak] that we would only proceed if certain conditions were changed in the contracts. The buyer was annoyed with the continued delays and instead it was agreed that the buyer would deal directly with the seller to resolve the issues and continue to final sale together. Our services as far as this transaction were concerned ceased in February 2014.

b. In the final quarter of 2014, we were approached again by [belanghebbende] acting on behalf of [Ltd. 3] to invoice [eenmanszaak] a commission/referral fee of US$150,000 (copy attached marked B) on its behalf as he confirmed that the purchase of the machinery had now been completed. We were asked by [belanghebbende] to prepare a contract as one had been overlooked in February 2014 to cover the deal in 2.a.
3. The contract (marked A) was prepared and executed in November 2014 and back dated by me to 12 December 2013 to include our initial works in point 2.a and also the takeover of the existing contracts with the old agent.

The contract was further back dated by [belanghebbende] to cover the whole period the deal took to complete. The contract was signed by [belanghebbende] on behalf of [eenmanszaak] and [heer Y] on behalf of [Ltd. 1] , who was Director of [Ltd. 1] at the time of the back date in 2013.

4. We were informed that the final agreed price was confirmed at US$ 300,000

5. The payment of the commission invoice was paid in full by [eenmanszaak] on 9th December 2014 (marked B).

6. Payment was made via bank transfer, copy of the bank statement is enclosed (marked C). The signatories on this account are [heer X] & [heer Y] .

7. Yes, as per point 2.b, [Ltd. 3] was acting as the principal in this matter and enclosed is a copy of their invoice (marked D).”

Bij dit antwoord is als bijlage A het contract van 12 juli 2013 tussen [Ltd. 1] en [eenmanszaak] gevoegd.

2.15.

Op 23 maart 2018 heeft de inspecteur het controlerapport in concept aan belanghebbende aangeboden. Op 1 juni 2018 is het definitieve controlerapport uitgebracht. In het rapport stelt de inspecteur een correctie voor van € 122.130 betreffende de aangifte IB/PVV over 2014 en een vergrijpboete van 75% wegens opzet en strafvermeerderende omstandigheden.

2.16.

De inspecteur heeft de aanslag IB/PVV 2014 op 22 juni 2018 opgelegd naar een belastbaar inkomen uit werk en woning, tevens verzamelinkomen, van € 188.533, een vergrijpboete van € 40.962 en een beschikking belastingrente van € 6.754.

2.17.

Belanghebbende heeft op 31 juli 2018 bezwaar gemaakt tegen de aanslag IB/PVV 2014. Bij uitspraak op bezwaar van 9 april 2019 heeft de inspecteur de aanslag en de bijbehorende beschikkingen gehandhaafd.

3 Geschil

In geschil is het antwoord op de volgende vragen:

1. Is de aanslag naar een juist bedrag opgelegd?

2. Kan de vergrijpboete in stand blijven?

3. Is de belastingrente terecht en naar een juist bedrag berekend?

4. Heeft belanghebbende recht op schadevergoeding?

Belanghebbende concludeert tot gegrondverklaring van het beroep, vernietiging van de uitspraak op bezwaar en vermindering van de aanslag en de beschikking belastingrente en de vergrijpboete naar nihil en toekenning van een bedrag van € 250.000 aan schadevergoeding.

De inspecteur concludeert tot ongegrondverklaring van het beroep voor zover het de aanslag en beschikking belastingrente betreft, tot vermindering van de vergrijpboete en tot afwijzing van voormelde schadevergoeding.

4 Beoordeling van het geschil

Vooraf

4.0.

Voor zover belanghebbende met zijn betoog over wat volgens hem de aanleiding is van het boekenonderzoek – hij stelt dat bij de overheid de wens leeft om iedereen die te maken heeft (gehad) met (de bestuurder van) het HJC te slopen – bedoeld heeft te bepleiten dat de inspecteur in deze procedure op onrechtmatige wijze bewijs heeft vergaard, slaagt dit betoog niet. In hetgeen belanghebbende heeft aangevoerd en is weersproken door de inspecteur, ziet de rechtbank geen aanleiding om aan te nemen dat sprake is van bewijs dat is verkregen op een wijze die zozeer indruist tegen hetgeen van een behoorlijk handelende overheid mag worden verwacht, dat het gebruik daarvan moet worden uitgesloten.

Aanslag

4.1.

Belanghebbende heeft in zijn aangifte IB/PVV 2014 een bedrag van € 122.130 als verkoopcommissie in aftrek gebracht van de winst van [eenmanszaak] . De inspecteur heeft dit bedrag niet in aftrek toegelaten omdat [Ltd. 1] geen tegenprestatie heeft verricht voor de factuur van US $ 150.000 die zij aan [eenmanszaak] heeft uitgebracht. Het was, aldus de inspecteur, de bedoeling van belanghebbende en [Ltd. 1] dat dit bedrag onder inhouding van een commissie van US $ 15.000 doorbetaald zou worden aan [Ltd. 3] waarvan belanghebbende aandeelhouder was. De inspecteur acht niet aannemelijk dat de uitgave van € 122.130 ten behoeve van de onderneming is gedaan.

4.2.

Belanghebbende klaagt erover dat de inspecteur ten onrechte het bedrag van € 122.130 heeft gecorrigeerd. Deze klacht faalt omdat belanghebbende tegenover de gemotiveerde stelling van de inspecteur, dat dit bedrag niet in aftrek kan worden gebracht, niet aannemelijk heeft gemaakt dat sprake was van een verkoopcommissie, waar een tegenprestatie tegenover stond en dat de kosten ten behoeve van de onderneming zijn gemaakt. Voor zover belanghebbende klaagt over de hoogte van het tarief falen deze klachten ook omdat de inspecteur de aanslag heeft opgelegd naar het wettelijk tarief van de inkomstenbelasting. Het staat de rechter niet vrij het wettelijk tarief te toetsen. Ook de overige klachten kunnen niet leiden tot vermindering van de aanslag aangezien die klachten de samenleving in het algemeen betreffen en niet de aanslag. Tegen het overige in de aanslag begrepen inkomen heeft belanghebbende geen zelfstandige grieven aangevoerd.

4.3.

De aanslag is naar een juist bedrag opgelegd.

Vergrijpboete

4.4.

Op grond van artikel 67d, lid 1, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (hierna: AWR) kan de inspecteur een boete van ten hoogste 100% opleggen indien het aan opzet van de belastingplichtige is te wijten dat met betrekking tot een belasting die bij wege van aanslag wordt geheven de aangifte niet, dan wel onjuist of onvolledig is gedaan. Paragraaf 25, lid 3 van het Besluit Bestuurlijke Boete Belastingdienst (hierna: BBBB) bepaalt dat de inspecteur bij opzet een vergrijpboete kan opleggen van 50%. Onder opzet wordt verstaan het willens en wetens handelen. In dit geval heeft de inspecteur voor 2014 een vergrijpboete van € 40.962 (75% van de over de correctie verschuldigde belasting) opgelegd. De inspecteur draagt de bewijslast dat sprake is van opzet.

4.5.

De inspecteur verwijst onder meer naar de in 2.2 tot en met 2.10 weergegeven transacties en voert aan dat belanghebbende met deze handelwijze willens en wetens een onjuiste aangifte heeft ingediend waardoor te weinig inkomstenbelasting is betaald. Belanghebbende was zich hiervan bewust en heeft desondanks een aangifte ingediend waarin de opbrengst niet is vermeld, aldus de inspecteur. Door het opzetten van deze constructie is bovendien sprake van listigheid. Dit betreft een strafverzwarende omstandigheid waardoor de boete is vastgesteld – conform het BBBB – op 75% van de alsnog verschuldigde inkomstenbelasting. Ter zitting heeft de inspecteur aangegeven dat gelet op het in het dossier aanwezige boeteadvies en alle overige omstandigheden een boete van € 27.478 passend en geboden is.

4.6.

De rechtbank is van oordeel dat de inspecteur aannemelijk heeft gemaakt dat belanghebbende opzettelijk een onjuiste aangifte heeft gedaan. Daarbij weegt de rechtbank mee dat uit de door de inspecteur overgelegde stukken die door de bevoegde autoriteit van het Verenigd Koninkrijk zijn uitgewisseld volgt dat op initiatief van belanghebbende de overeenkomst tussen [eenmanszaak] en [Ltd. 1] is geantedateerd en dat door de overboeking door [Ltd. 1] aan [Ltd. 3] op 22 december 2014 belanghebbende de beschikking heeft gekregen over vrijwel het gehele bedrag. Belanghebbende ontkent dat hij wist van de antedatering, maar onderbouwt deze ontkenning verder niet. De rechtbank acht de ontkenning van belanghebbende niet geloofwaardig. Bovendien heeft belanghebbende bevestigd dat hij via [Ltd. 3] de beschikking heeft gekregen over vrijwel het gehele bedrag (zie 2.13). Onder deze omstandigheden acht de rechtbank aannemelijk dat belanghebbende wist dat het bedrag van € 122.130 niet als een verkoopcommissie in aftrek op de winst kon worden gebracht en dat hij door dit wel te doen bewust een onjuiste aangifte deed. Deze feiten en omstandigheden geven de rechtbank aanleiding om ook de listigheid aannemelijk te achten.

4.7.

Belanghebbende heeft gesteld dat hem geen boete kan worden opgelegd omdat hij alle transacties via legale bedrijven heeft uitgevoerd en dat hij niet wist dat hij een onjuiste aangifte deed.

4.8.

De rechtbank verwerpt dit betoog. Voor zover belanghebbende betoogt dat hij mocht afgaan op de adviezen van de adviseur die voor hem de aangifte IB/PVV 2014 heeft opgesteld, gaat dit niet op. Ter zitting heeft belanghebbende namelijk desgevraagd verklaard dat hij niet alle stukken met betrekking tot de verkoopcommissie aan zijn adviseur heeft verstrekt. Belanghebbende heeft met name de informatie dat via [Ltd. 3] vrijwel het gehele bedrag aan hem ten goede is gekomen, omdat hij dat privé vond, niet verstrekt. De opzet kan daarom aan belanghebbende zelf worden verweten. Belanghebbende betoogt verder dat hij kon afgaan op de informatie die hij van HJC heeft verkregen. Dit betoog is voor de beoordeling van de boete niet relevant aangezien door verschillende redenen, de verkoop van de machine niet via de door HJC opgezette structuur heeft plaatsgevonden. Tot slot betoogt belanghebbende dat hij ervan mocht uitgaan dat de adviezen die hem vanuit het Verenigd Koninkrijk zijn gegeven juist waren. De rechtbank verwerpt ook dit betoog. Ten eerste heeft belanghebbende geen stukken overgelegd waaruit volgt dat hem door [Ltd. 1] is geadviseerd dat de verkoopcommissie op deze wijze aftrekbaar zou zijn van de winst. Verder ziet de rechtbank niet in hoe belanghebbende zou kunnen afgaan op advies van een bemiddelingsbureau in het Verenigd Koninkrijk over de fiscale behandeling in Nederland van deze transacties.

4.9.

Belanghebbende heeft zich verder ter zitting erop beroepen dat wegens zijn slechte financiële omstandigheden de boete moet worden vernietigd. Belanghebbende heeft daarvoor aangevoerd dat hij dakloos is. Hij heeft verder een aantal rekeningafschriften van bankrekeningen overgelegd. De inspecteur betoogt dat met deze omstandigheden rekening is gehouden door de vermindering naar € 27.478. De rechtbank ziet in het betoog van belanghebbende geen aanleiding tot een verdere matiging van de boete. Weliswaar heeft belanghebbende rekeningafschriften overgelegd van bankafschriften met lage eindsaldi per 31 december 2020, maar hij heeft geen inzicht verstrekt in zijn volledige financiële positie, waaronder zijn huidige inkomsten en de financiële situatie van de vennootschappen waarvan hij eigenaar/uiteindelijke gerechtigde is. De rechtbank kan daarom belanghebbendes huidige financiële omstandigheden niet voldoende beoordelen voor een matiging van de boete. De rechtbank acht gelet op alle omstandigheden – met voorbijgaan aan de duur die is verstreken sinds het moment waarop belanghebbende in redelijkheid de verwachting kon ontlenen dat aan hem een boete zou worden opgelegd – een boete van € 27.478 passend en geboden.

4.10.

Tot slot heeft belanghebbende terecht gewezen op de lange duur van de procedure. De inspecteur heeft het conceptrapport waarin de boete is aangekondigd op 23 maart 2018 aan belanghebbende aangeboden. Dat betekent dat sprake is van overschrijding van de redelijke termijn. De redelijke termijn waarbinnen de behandeling van het bezwaar en het beroep moet plaatsvinden bedraagt in totaal twee jaar. De rechtbank doet in deze zaak uitspraak op 26 augustus 2021. Er zijn drie jaren en ruim vijf maanden verstreken sinds de aankondiging van de boete. Daarmee is de redelijke termijn met een jaar en vijf maanden overschreden. Dit geeft aanleiding tot verdere matiging van de boete met 15%. De rechtbank zal de boete matigen tot € 23.356.

Belastingrente

4.11.

De inspecteur heeft op grond van artikel 30fc AWR belastingrente in rekening gebracht omdat de aanslag IB/PVV 2014 is opgelegd met een te betalen bedrag en na afloop van zes maanden na 2014. Belanghebbende betoogt dat vanwege de lange duur van het onderzoek naar de factuur de belastingrente naar een te hoog bedrag is berekend.

4.12.

Deze klacht faalt. De beschikking belastingrente is conform de wettelijke bepalingen vastgesteld. Onder omstandigheden kan een beschikking belastingrente worden gematigd indien de inspecteur heeft gehandeld in strijd met de algemene beginselen van behoorlijk bestuur. Daarvan zou sprake kunnen zijn als vanwege de duur van de behandeling van de controle het zorgvuldigheidsbeginsel was geschonden. In dit geval heeft de inspecteur de controle aangekondigd op 5 september 2016. Het eindrapport is op 1 juni 2018 aangeboden. Daarmee heeft de controle iets minder dan twee jaar geduurd. De rechtbank acht dat gelet op de informatie die de inspecteur in de verschillende landen heeft moeten opvragen niet zo lang dat het zorgvuldigheidsbeginsel is geschonden.

Schadevergoeding

4.13.

Belanghebbende heeft geklaagd dat de behandeling van het bezwaar en beroep onnodig lang heeft geduurd. De rechtbank vat dit beklag op als een verzoek om vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn.

4.14.

Belastinggeschillen moeten binnen een redelijke termijn worden berecht. Dit brengt mee dat voor de berechting van een zaak in eerste aanleg als uitgangspunt heeft te gelden dat deze niet binnen een redelijke termijn is geschied als de rechtbank niet binnen twee jaar nadat die termijn is aangevangen uitspraak heeft gedaan. De in dit verband in aanmerking te nemen termijn begint als regel te lopen op het moment waarop de inspecteur het bezwaarschrift ontvangt. De in aanmerking te nemen termijn eindigt op het moment waarop de rechter uitspraak doet. Als de redelijke termijn is overschreden, moet voor de schadevergoeding als uitgangspunt een tarief worden gehanteerd van € 500 per half jaar waarmee die termijn is overschreden, waarbij het totaal van de overschrijding naar boven wordt afgerond.3

4.15.

De redelijke termijn die staat voor de behandeling van bezwaar en beroep is als uitgangspunt 24 maanden, waarvan 6 maanden voor bezwaar en 18 maanden voor beroep. De rechtbank ziet in dit geval geen reden om van dit uitgangspunt af te wijken. Gelet op de uitgangspunten van het overzichtsarrest: een redelijke termijn van twee jaar in een geval als het onderhavige, de datum waarop het bezwaarschrift is ontvangen (31 juli 2018), de datum waarop de uitspraak op bezwaar is gedaan (9 april 2019), de datum van deze uitspraak (26 augustus 2021) en de vergoeding van € 500 per halfjaar overschrijding van de redelijke termijn, heeft belanghebbende in beginsel recht op een vergoeding van immateriële schade van € 1.500 voor een overschrijding van de redelijke termijn van 13 maanden.

4.16.

Voor de verdeling van de te betalen schadevergoeding tussen de inspecteur (bezwaarfase) en de minister (beroepsfase) geldt het volgende. De bezwaarfase heeft (van 31 juli 2018 tot en met 9 april 2019) ruim acht maanden geduurd, waarmee de redelijke termijn voor de bezwaarfase van zes maanden met twee maanden is overschreden. De rechtbank zal de inspecteur daarom veroordelen tot het vergoeden van door belanghebbende geleden immateriële schade voor een bedrag van € 230 (€ 1.500 * 2/13). De behandeling van het beroep heeft langer geduurd dan anderhalf jaar, de als redelijk te aanvaarden termijn. De rechtbank zal de minister daarom veroordelen tot het vergoeden van de door belanghebbende geleden immateriële schade voor een bedrag van € 1.270 (€ 1.500 * 11/13). De rechtbank merkt de minister in zoverre mede aan als partij in dit geding.

4.17.

Belanghebbende heeft nog verzocht om vergoeding van overige schade van € 250.000 omdat de Nederlandse staat hem heeft benadeeld.

4.18.

De rechtbank verwerpt het verzoek om schadevergoeding, anders dan de geleden immateriële schade wegens de overschrijding van de redelijke termijn. Zo het verzoek al zou zijn gebaseerd op een door de inspecteur gepleegde of aan hem toe te rekenen onrechtmatige daad, geldt dat belanghebbende de door hem geleden schade niet heeft geconcretiseerd en onderbouwd.

4.19.

Gelet op het vorenstaande dient het beroep gegrond te worden verklaard.

5 Proceskosten

De rechtbank ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

6 Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt de uitspraak op bezwaar voor zover die ziet op de boetebeschikking;

- vermindert de boetebeschikking tot € 23.356;

- veroordeelt de inspecteur tot vergoeding van de immateriële schade van € 230;

- veroordeelt de minister tot vergoeding van immateriële schade tot een bedrag van € 1.270;

- gelast dat de inspecteur het door belanghebbende betaalde griffierecht van € 47 aan hem vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door mr. J.M. van der Vegt, voorzitter, en mr. W.A.P. van Roij, mr. M.W.C. Soltysik, rechters, in aanwezigheid van mr. A. Muller, griffier, op 26 augustus 2021 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.

De uitspraak is enkel door de voorzitter ondertekend aangezien de griffier is verhinderd deze te ondertekenen.

De voorzitter,

Afschrift aangetekend verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof te ‘s-Hertogenbosch (belastingkamer), Postbus 70583, 5201 CZ ’s-Hertogenbosch. Een van de rechters die deze uitspraak hebben gedaan, is normaal gesproken als raadsheer werkzaam bij het gerechtshof ’s-Hertogenbosch. Zij is in 2021 als rechter-plaatsvervanger gedetacheerd bij de rechtbank Zeeland-West-Brabant. Een eventueel hoger beroep moet worden ingediend bij het gerechtshof te ’s-Hertogenbosch, maar zal worden behandeld door raadsheren van het gerechtshof Den Haag, dat als nevenzittingsplaats van het gerechtshof te ’s-Hertogenbosch is aangewezen.

Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:

1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd;
2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;

d. de gronden van het hoger beroep.

Voor burgers is het mogelijk hoger beroep digitaal in te stellen. Hiervoor kan gebruik worden gemaakt van de formulieren op Rechtspraak.nl / Digitaal loket bestuursrecht.

1 De tegenwaarde van US $ 150.000.

2 RL 2011/16/EU van 15 februari 2011.

3 Hoge Raad 19 februari 2016, ECLI:NL:HR:2016:252, het overzichtsarrest.