Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZWB:2021:4589

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak
31-08-2021
Datum publicatie
20-09-2021
Zaaknummer
AWB- 20_7784
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

WABOA

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Bestuursrecht

zaaknummer: BRE 20/7784 WABOA

proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van 31 augustus 2021 van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[naam eiser] , te [plaatsnaam] , eiser,

gemachtigde: [naam gemachtigde eiser] ,

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Woensdrecht, verweerder.

Procesverloop

In het besluit van 2 maart 2020 (primaire besluit) heeft het college de aanvraag om een omgevingsvergunning voor het afsluiten van een weg aan de [adres] in [plaatsnaam] , buiten behandeling gelaten.

In het besluit van 22 juni 2020 (bestreden besluit) heeft het college het bezwaar van eiser tegen het primaire besluit ongegrond verklaard.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Het beroep is besproken op de zitting van de rechtbank op 31 augustus 2021. Hierbij werd eiser vertegenwoordigd door zijn gemachtigde. Namens het college was aanwezig [naam vertegenwoordiger verweerder]

Na sluiting van het onderzoek ter zitting heeft de rechtbank mondeling uitspraak gedaan.

Overwegingen

1. Feiten en omstandigheden

Eiser heeft op 10 december 2019 een aanvraag om een omgevingsvergunning ingediend voor het bouwen van een hekwerk en daardoor afsluiten van de weg aan de [adres] in [plaatsnaam] . Bij brief van 11 december 2019 heeft het college de ontvangst van de aanvraag bevestigd.

Bij brief van 21 januari 2020 heeft het college eiser verzocht om nadere gegevens in te dienen met betrekking tot de aanvraag. Het gaat om de volgende gegevens:

a. aangeven waar het hek wordt geplaatst;

b. afmetingen aangeven van het te plaatsen hekwerk; en

c. foto’s/productinformatie van het te plaatsen hekwerk.

Eiser wordt in de gelegenheid gesteld de gevraagde gegevens binnen vier weken in te dienen. Als de gegevens niet binnen deze termijn zijn ontvangen, zal het college de aanvraag op grond van artikel 4:5 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) buiten behandeling stellen.

Binnen de termijn van vier weken heeft het college de gevraagde gegevens niet ontvangen. Bij het primaire besluit heeft het college de aanvraag om omgevingsvergunning buiten behandeling gelaten.

Eiser heeft hiertegen bezwaar gemaakt. In bezwaar stelt eiser dat hij de brief van 21 januari 2020 nooit heeft ontvangen, anders had hij de gevraagde gegevens zeker verstrekt.

Bij het bestreden besluit heeft het college het bezwaar ongegrond verklaard. Eiser heeft hiertegen beroep ingesteld.

Daarnaast heeft eiser heeft een nieuwe aanvraag om omgevingsvergunning ingediend, die wel inhoudelijk door het college is behandeld.

2. Geschil

In geschil is of het college de aanvraag van 10 december 2019 van eiser op goede gronden buiten behandeling heeft gelaten.

3. Procesbelang

Ter zitting heeft de gemachtigde van eiser desgevraagd verklaard dat het procesbelang erin is gelegen dat hij meent dat het college de aanvraag niet buiten behandeling heeft mogen laten en dat hij een vergunning van rechtswege heeft verkregen. Verder is het voor hem een principekwestie, omdat hij de brief van 21 januari 2020 echt niet heeft ontvangen.

De rechtbank ziet hierin voldoende procesbelang om het beroep inhoudelijk beoordelen.

4. Wettelijk kader

Op grond van artikel 4:5, eerste lid, aanhef en onder c, van de Awb kan het bestuursorgaan besluiten de aanvraag niet te behandelen, indien de verstrekte gegevens en bescheiden onvoldoende zijn voor de beoordeling van de aanvraag of voor de voorbereiding van de beschikking.

Op grond van artikel 4:5, vierde lid, van de Awb wordt een besluit om de aanvraag niet te behandelen aan de aanvrager bekendgemaakt binnen vier weken nadat de aanvraag is aangevuld of nadat de daarvoor gestelde termijn ongebruikt is verstreken.

5. Oordeel rechtbank

De rechtbank is van oordeel dat het college voldoende aannemelijk1 heeft gemaakt dat het de brief van 21 januari 2020 heeft verzonden.

De brief is voorzien van de juiste adressering, heeft een verzenddatum en het college maakt gebruik van een deugdelijke verzendadministratie. Het college maakt gebruik van een geautomatiseerd systeem, heeft daarvan uitdraaien overgelegd en er is niet gebleken van verzendproblemen. Toen het college op deze brief geen reactie kreeg, heeft het college de aanvraag vier weken later buiten behandeling kunnen stellen. De stelling dat eiser de brief niet heeft gehad is in dat licht onvoldoende. De overige brieven van het college hebben eiser (via zijn gemachtigde) in goede orde bereikt.

Eiser heeft daarna een nieuwe aanvraag ingediend met aanvullende stukken en hij heeft alsnog een inhoudelijke beoordeling gekregen van zijn aanvraag. Een bestuursorgaan moet procedures een keer kunnen beëindigen. De rechtbank is van oordeel dat dit de juiste gang van zaken is.

Het beroep zal ongegrond worden verklaard. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. L.P. Hertsig, rechter, in aanwezigheid van mr. M.A. de Rooij, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 31 augustus 2021.

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Wat kunt u doen als u het niet eens bent met deze uitspraak?

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending van dit proces-verbaal hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

1 Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State 14 augustus 2013, ECLI:NL:RVS:2013:715.