Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZWB:2021:4588

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak
31-08-2021
Datum publicatie
20-09-2021
Zaaknummer
AWB- 20_7675
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

GEMWT

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Bestuursrecht

zaaknummer: BRE 20/7675 GEMWT

proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van 31 augustus 2021 van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[naam eiseres] , te [plaatsnaam 1] , eiseres,

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Altena, verweerder.

Procesverloop

In het besluit van 25 februari 2020 (primaire besluit) heeft het college het verzoek van eiseres om op grond van artikel 4:18 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) de verschuldigdheid en de hoogte van de door het college verbeurde dwangsom vast te stellen, afgewezen.

In het besluit van 21 juli 2020 (bestreden besluit) heeft het college het bezwaar van eiseres tegen het primaire besluit ongegrond verklaard.

Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Het beroep is besproken op de zitting van de rechtbank op 31 augustus 2021.

Namens eiseres was hierbij aanwezig [naam vertegenwoordiger eiseres] en namens het college [naam vertegenwoordiger verweerder] .

Na sluiting van het onderzoek ter zitting heeft de rechtbank mondeling uitspraak gedaan.

Overwegingen

1. Feiten

Bij brief van 3 oktober 2019 heeft eiseres het college verzocht om handhavend op te treden tegen de kap van een rij populieren op het adres [adres] in [plaatsnaam 2] , gemeente Altena. De kap van de bomen is volgens eiseres in strijd met de Algemene plaatselijke verordening Altena 2019.

Eiseres heeft het college bij brief van 2 december 2019 medegedeeld dat de wettelijke termijn om te beslissen op haar verzoek om handhaving is verstreken. Eiseres verzoekt het college alsnog binnen twee weken een besluit te nemen.

Bij brief van 18 december 2019 heeft eiseres beroep ingesteld tegen het niet tijdig nemen van een besluit op haar handhavingsverzoek.

In de uitspraak van 12 februari 2020 (BRE 19/6594 GEMWT) heeft deze rechtbank het beroep van eiseres gegrond verklaard en het, met een besluit gelijk te stellen, niet tijdig nemen van een besluit op het handhavingsverzoek, vernietigd. De rechtbank heeft het college opgedragen om binnen twee weken na de dag van verzending van de uitspraak (ook 12 februari 2020) alsnog een besluit op het handhavingsverzoek te nemen en bekend te maken. Daaraan heeft de rechtbank een dwangsom verbonden van € 100,- voor elke dag waarmee het college deze termijn overschrijdt, met een maximum van € 15.000,-. Ten slotte heeft de rechtbank het college opgedragen het betaalde griffierecht van € 345,- aan eisers te vergoeden.

Bij besluit van 17 februari 2020 heeft het college alsnog op het handhavingsverzoek besloten. Het verzoek om handhaving is afgewezen.

Bij brief van 21 februari 2020 heeft eiseres het college verzocht om de verschuldigdheid en de hoogte van de dwangsom bij beschikking vast te stellen op grond van artikel 4:18 van de Awb. Eiseres verzoekt de verbeurde dwangsom en de vergoeding van het griffierecht over te maken op haar rekeningnummer.

Bij het primaire besluit heeft het college dit verzoek afgewezen. Daartoe overweegt het college dat met het nemen van het handhavingsbesluit van 17 februari 2020 – dus binnen twee weken na verzending van de uitspraak - en met het betalen van het griffierecht voldaan heeft aan de uitspraak van de rechtbank van 12 februari 2020 en dat het college geen verdere dwangsom is verschuldigd.

Eiseres heeft bezwaar gemaakt. Zij heeft het college weer in gebreke gesteld wegens niet tijdig beslissen op haar bezwaarschrift.

Bij het bestreden besluit heeft het college de bezwaren van eiseres hiertegen kennelijk ongegrond verklaard en de ingebrekestelling afgewezen.

Eiseres heeft beroep ingesteld. Over de ingebrekestelling heeft zij geen beroepsgronden aangevoerd.

2. Wettelijk kader

De relevante wettelijke bepalingen zijn opgenomen in de bijlage bij deze uitspraak.

3. Oordeel rechtbank

De rechtbank is het niet eens met het standpunt van het college dat, omdat eiseres in de beroepsprocedure BRE 19/6594 GEMWT geen verzoek heeft gedaan als bedoeld in artikel 8:55c van de Awb, de systematiek van wettelijke verbeuring van dwangsommen op grond van artikel 4:17 van de Awb niet meer van toepassing zou zijn.

Het college diende op grond van artikel 4:18 van de Awb ambtshalve de verschuldigdheid en de hoogte van de dwangsom vast te stellen binnen twee weken na de laatste dag waarover de dwangsom verschuldigd was. Daarnaast diende het college op grond van artikel 4:100 van de Awb de verschuldigdheid van wettelijke rente vast te stellen.

Het beroep is daarom gegrond. De rechtbank zal het bestreden besluit van 21 juli 2020 vernietigen en het primaire besluit van 25 februari 2020 herroepen.

De rechtbank zal zelf in de zaak voorzien, in die zin dat zij bepaalt dat het college aan eiseres een maximale dwangsom is verschuldigd van € 1.442,-. Het college dient dit bedrag binnen een termijn van zes weken aan eiseres te betalen, vermeerderd met de wettelijke rente met ingang van 27 maart 2020 tot aan de dag der algehele voldoening.

Nu het beroep gegrond wordt verklaard, dient het griffierecht van € 354,- aan eiseres te worden vergoed.

De rechtbank zal het college veroordelen in de door eiseres gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht vast op € 748,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen op de zitting, met een waarde per punt van € 748,- en een wegingsfactor 0,5).

Beslissing

De rechtbank:

  • -

    verklaart het beroep gegrond;

  • -

    vernietigt het bestreden besluit;

  • -

    herroept het primaire besluit en bepaalt dat dat het college aan eiseres een maximale dwangsom is verschuldigd van € 1.442,-;

  • -

    bepaalt dat het college de verschuldigde dwangsom binnen een termijn van zes weken aan eiseres dient te betalen, vermeerderd met de wettelijke rente met ingang van 27 maart 2020 tot aan de dag der algehele voldoening;

  • -

    bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde bestreden besluit;

  • -

    draagt het college op het betaalde griffierecht van € 354,- aan eiseres te vergoeden;

  • -

    veroordeelt het college in de proceskosten van eiseres tot een bedrag van € 748,-.

Deze uitspraak is gedaan door mr. L.P. Hertsig, rechter, in aanwezigheid van mr. M.A. de Rooij, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 31 augustus 2021.

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Wat kunt u doen als u het niet eens bent met deze uitspraak?

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending van dit proces-verbaal hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

Wettelijk kader

Algemene wet bestuursrecht (Awb)

Op grond van artikel 4:17, eerste lid, van de Awb verbeurt het bestuursorgaan, indien een beschikking op aanvraag niet tijdig wordt gegeven, aan de aanvrager een dwangsom voor elke dag dat het in gebreke is, doch voor ten hoogste 42 dagen. De Algemene termijnenwet is op laatstgenoemde termijn niet van toepassing.

Op grond van het tweede lid bedraagt de dwangsom de eerste veertien dagen € 23 per dag, de daaropvolgende veertien dagen € 35 per dag en de overige dagen € 45 per dag.

Op grond van het derde lid is de eerste dag waarover de dwangsom verschuldigd is, de dag waarop twee weken zijn verstreken na de dag waarop de termijn voor het geven van de beschikking is verstreken en het bestuursorgaan van de aanvrager een schriftelijke ingebrekestelling heeft ontvangen.

Op grond van het vijfde lid schort beroep tegen het niet tijdig geven van de beschikking de dwangsom niet op.

Op grond van artikel 4:18 van de Awb stelt het bestuursorgaan de verschuldigdheid en de hoogte van de dwangsom bij beschikking vast binnen twee weken na de laatste dag waarover de dwangsom verschuldigd was.

Op grond van artikel 4:87, eerste lid, van de Awb geschiedt de betaling van een geldsom binnen zes weken nadat de beschikking op de voorgeschreven wijze is bekendgemaakt, tenzij de beschikking een later tijdstip vermeldt.

Op grond van artikel 4:97 van de Awb is de schuldenaar in verzuim indien hij niet binnen de voorgeschreven termijn heeft betaald.

Op grond van artikel 4:100 van de Awb is het bestuursorgaan, indien het de beschikking tot betaling van een door hem verschuldigde geldsom niet tijdig geeft, het wettelijke rente verschuldigd vanaf het tijdstip waarop het in verzuim zou zijn geweest indien de beschikking op de laatste dag van de daarvoor gestelde termijn zou zijn gegeven.

Op grond van artikel 8:55c van de Awb stelt de bestuursrechter, indien het beroep gegrond is, desgevraagd tevens de hoogte van de ingevolge afdeling 4.1.3 verbeurde dwangsom vast. De artikelen 611c en 611g van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering zijn van overeenkomstige toepassing.