Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZWB:2021:4558

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak
14-09-2021
Datum publicatie
14-09-2021
Zaaknummer
02-039814-21
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

Veroordeling voor openlijk geweld tot een taakstraf van 150 uren en een gevangenisstraf voor de duur van 2 weken geheel voorwaardelijk.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Strafrecht

Zittingsplaats: Breda

parketnummer: 02-039814-21

vonnis van de meervoudige kamer van 14 september 2021

in de strafzaak tegen

[verdachte]

geboren op [geboortedag] 1978 te [geboorteplaats]

wonende te [adres]

raadsman mr. M. Broere, advocaat te Roosendaal

1 Onderzoek van de zaak

De zaak is inhoudelijk behandeld op de zitting van 31 augustus 2021, waarbij de officier van justitie, mr. C. Brandwijk, en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt.

2 De tenlastelegging

De tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht.

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte op de openbare weg met een ander geweld heeft gepleegd tegen [naam 1] en [naam 2] en hen daarbij letsel heeft toegebracht.

3 De voorvragen

De dagvaarding is geldig.

De rechtbank is bevoegd.

De officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging.

Er is geen reden voor schorsing van de vervolging.

4 De beoordeling van het bewijs

4.1

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte samen met [medeverdachte] openlijk geweld heeft gepleegd tegen [naam 1] en [naam 2] , waarbij letsel is toegebracht en baseert zich daarbij op de aangiftes, de foto’s van het letsel en de camerabeelden.

4.2

Het standpunt van de verdediging

De verdediging is van mening dat er sprake is van meerdere losse incidenten. Om die reden kan het geweld tegen [naam 1] niet aangemerkt worden als openlijk geweld waaraan verdachte een bijdrage heeft geleverd. Indien de rechtbank tot een bewezenverklaring komt dan kan dat uitsluitend voor het geweld dat was gericht tegen [naam 2] .

4.3

Het oordeel van de rechtbank

4.3.1

De bewijsmiddelen

De bewijsmiddelen zijn in bijlage II aan dit vonnis gehecht.

4.3.2

De bijzondere overwegingen met betrekking tot het bewijs

Uit de bewijsmiddelen volgt dat verdachte en medeverdachte [medeverdachte] op 10 februari 2021 op de kruising van De Berg en de Molendreef te Schijf [naam 1] (hierna te noemen: aangeefster) en [naam 2] (hierna te noemen: aangever) hebben opgewacht. Zodra de auto van aangevers aankwam zijn verdachte en medeverdachte op de auto af gegaan. Medeverdachte had een mes in haar hand en is naar de bijrijderskant gelopen. Zij heeft het portier aan de bijrijderskant open getrokken en meerdere keren ingestoken op aangeefster. Aangeefster werd hierbij verwond aan haar been. Op datzelfde moment heeft aangever het voertuig verlaten. Verdachte heeft aangever vervolgens met zijn vuist een klap op zijn oog gegeven. Hierdoor heeft aangever letsel opgelopen bij zijn oog. Medeverdachte heeft vervolgens met een mes in de richting van het lichaam van aangever gestoken. Aangever heeft het mes afgeweerd en heeft hierbij een snijwond aan zijn pink opgelopen.

De rechtbank dient te beoordelen of deze gedragingen kunnen worden gekwalificeerd als openlijk geweld. Om geweld aan te merken als openlijk geweld moet er sprake zijn van het openlijk en met verenigde krachten plegen van geweld tegen in dit geval personen. Enig resultaat is vereist. Niet is vereist dat verdachte zelf geweld heeft gepleegd. Het is voldoende dat wordt bewezen dat verdachte opzet op het in vereniging plegen van openlijk geweld heeft gehad en daaraan een voldoende significante of wezenlijke bijdrage heeft geleverd.

De rechtbank stelt vast dat voornoemde gedragingen hebben plaatsgevonden op de openbare weg en in het bijzijn van anderen. Hiermee is het openlijk handelen gegeven. Uit de camerabeelden is gebleken dat verdachte en medeverdachte enige tijd op aangevers hebben gewacht. Uit de lichaamstaal en gebruikte bewoordingen blijkt dat verdachte en medeverdachte samen welbewust de confrontatie met aangevers aan wilden gaan. Dat zij aangevers uitsluitend wilden stoppen zodat zij met hen konden praten acht de rechtbank niet geloofwaardig gelet op hetgeen zij heeft gezien op de camerabeelden. Of verdachte al dan niet heeft gezien wat medeverdachte bij aangeefster heeft gedaan, doet niet af aan de gezamenlijkheid van hun handelen. De rechtbank is van oordeel dat verdachte door aangevers te stoppen en aangever te stompen een voldoende significante en wezenlijke bijdrage heeft geleverd om te kunnen spreken van openlijk geweld richting beide aangevers. De rechtbank acht het feit daarom wettig en overtuigend bewezen.

4.4

De bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte

op 10 februari 2021 te Schijf, gemeente Rucphen,

met een ander

openlijk, te weten, op De Berg en/of de Molendreef,

in vereniging

geweld heeft gepleegd tegen [naam 1] en

[naam 2]

door

- een keer tegen het hoofd van die [naam 2] te stompen, en

- een keer met een mes, een stekende beweging te maken in de richting van het lichaam, van die [naam 2] , en

- meerdere keren met een mes, stekende bewegingen te maken in de richting van het lichaam, van die [naam 1] , en

- meerdere keren met een mes, in het been van die [naam 1] te steken,

terwijl dit door hem gepleegde geweld enig lichamelijk letsel, te weten

- een zwelling en verkleuring van het oog van voornoemde [naam 2] , ten gevolge heeft gehad

Voor zover er in de tenlastelegging kennelijke taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn die fouten in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet in zijn verdediging geschaad.

De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

5 De strafbaarheid

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten. Dit levert het in de beslissing genoemde strafbare feit op.

Verdachte is strafbaar, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die zijn strafbaarheid uitsluit.

6 De strafoplegging

6.1

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie vordert aan verdachte op te leggen een gevangenisstraf voor de duur van 3 maanden.

6.2

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft verzocht een taakstraf aan verdachte op te leggen.

6.3

Het oordeel van de rechtbank

Verdachte heeft samen met medeverdachte openlijk geweld gepleegd tegen aangeefster en aangever. Aangeefster is daarbij met een mes gestoken en aangever is daarbij geslagen en ook gestoken. Dat de verwondingen van beide aangevers uiteindelijk mee bleken te vallen, is niet te danken aan het gedrag van verdachte en medeverdachte. Uit de camerabeelden blijkt juist hoe planmatig zij hebben gehandeld. Zij hebben de weg geblokkeerd en aangevers gedurende enige tijd opgewacht voordat zij in de aanval gingen, een aanval waarbij vooral medeverdachte helemaal “los” is gegaan. Dit hele incident heeft bovendien plaatsgevonden voor de ogen van de nog jonge kinderen van aangevers. Zij hebben niet alleen het geweld gezien, maar ook waargenomen dat hun moeder hevig bloedde. Dit maakt dat er sprake is van een zeer kwalijk feit.

Als reden voor dit incident is aangevoerd dat de dochter van verdachte onenigheid had met aangeefster en dat aangeefster deze dochter vervolgens heeft beledigd voor een groep mensen tijdens een livestream op Facebook. De rechtbank is van oordeel dat dit, hoe vervelend een dergelijke situatie ook is, nooit enige rechtvaardiging kan bieden voor het gebruik van geweld in het algemeen, laat staan voor de manier waarop dat hier heeft plaatsgevonden.

Bij de bepaling van de strafmaat houdt de rechtbank rekening met de landelijk vastgestelde oriëntatiepunten voor soortgelijke feiten. Tevens heeft de rechtbank kennis genomen van het blanco strafblad van verdachte. De planmatige aanpak, de ernst van het incident en het feit dat door het handelen van verdachte letsel is toegebracht wegen in het nadeel van verdachte. Ook is niet gebleken dat verdachte de ernst van zijn handelen inziet.

Alles afwegend is de rechtbank van oordeel dat een taakstraf voor de duur van 150 uren gepast en geboden is. De tijd die verdachte in voorarrest heeft doorgebracht zal op deze taakstraf in mindering worden gebracht naar rato van 2 uur per dag. Daarnaast legt de rechtbank aan verdachte een geheel voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 2 weken met een proeftijd van 2 jaren op. Met deze voorwaardelijke straf wordt beoogd verdachte ervan te weerhouden opnieuw strafbare feiten te plegen.

7 De wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 9, 14a, 14b, 14c, 22c, 22d en 141 van het Wetboek van Strafrecht zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezenverklaarde.

8 De beslissing

De rechtbank:

Bewezenverklaring

- verklaart het tenlastegelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 4.4 is omschreven;

- spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;

Strafbaarheid

- verklaart dat het bewezenverklaarde het volgende strafbare feit oplevert:

openlijk in vereniging geweld plegen tegen personen, terwijl het door de schuldige gepleegde geweld enig lichamelijk letsel ten gevolge heeft;

- verklaart verdachte strafbaar;

Strafoplegging

- veroordeelt verdachte tot een taakstraf van 150 uren;

- beveelt dat indien verdachte de taakstraf niet naar behoren verricht, vervangende hechtenis zal worden toegepast van 75 dagen;

- bepaalt dat de tijd die verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest heeft doorgebracht in mindering wordt gebracht bij de tenuitvoerlegging van de taakstraf naar rato van 2 uur per dag;

- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 2 weken voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren;

- bepaalt dat deze straf niet ten uitvoer wordt gelegd, tenzij de rechter tenuitvoerlegging gelast, omdat verdachte voor het einde van de proeftijd de hierna vermelde voorwaarden niet heeft nageleefd;

- stelt als algemene voorwaarde dat verdachte zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit.

Dit vonnis is gewezen door mr. E.G.F. Vliegenberg, voorzitter, mr. D. van Kralingen en mr. A.L. Hoekstra, rechters, in tegenwoordigheid van mr. J. van Eekelen, griffier, en is uitgesproken ter openbare zitting op 14 september 2021.

Mr. D. van Kralingen en mr. A.L. Hoekstra zijn niet in de gelegenheid dit vonnis mede te ondertekenen.