Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZWB:2021:4540

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak
08-09-2021
Datum publicatie
14-09-2021
Zaaknummer
AWB- 19_4602
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

BELEI

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Zittingsplaats Breda

Bestuursrecht

zaaknummer: BRE 19/4602 BELEI

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 8 september 2021 in de zaak tussen

[naam eiser] , te [naam woonplaats] , eiser

en

de minister van Infrastructuur en Waterstaat, verweerder.

Procesverloop

In het besluit van 21 augustus 2018 (primaire besluit) heeft de minister aan eiser een tegemoetkoming in planschade toegekend van € 27.500,-, vermeerderd met wettelijke rente.

In het besluit van 22 juli 2019 (bestreden besluit) heeft de minister het bezwaar van eiser tegen het primaire besluit ongegrond verklaard.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

De minister heeft een verweerschrift ingediend.

Het beroep is besproken op de zitting van de rechtbank op 15 juli 2021.

Hierbij waren aanwezig eiser en mr. E.J. Lichtenveldt en mr. J.R.M. van der Poel namens de minister.

Overwegingen

Feiten

1. Eiser is eigenaar van de woning aan [adres] , onderdeel van het monumentale Fort Steurgat. Tussen 1999 en 2000 is dit fort omgebouwd tot wooneiland. De bestaande gebouwen zijn verbouwd tot drie villa’s, drie penthouses en vijf appartementen. Om het wooneiland bevindt zich een vestinggracht. Het Fort grenst aan de (zuid)west- en zuidzijde aan het agrarisch gebied van de polder Noordwaard.

In 2000 heeft de regering besloten om toekomstige hoge rivierstanden veilig naar zee af te voeren door rivieren meer ruimte te geven in plaats van alleen dijken te verhogen. Een van de maatregelen betreft het verlagen van het waterpeil in de Nieuwe Merwede bij Gorinchem door middel van ontpoldering van de polder Noordwaard. Deze ontpoldering is nader uitgewerkt in het op 27 augustus 2010 vastgestelde rijksinpassingsplan “Ontpoldering Noordwaard”.

Door dit plan verandert de polder Noordwaard van een binnendijks gebied in een buitendijks gebied. Het Fort ligt in de noordoostelijke hoek van de Noordwaard en was in binnendijks gebied gelegen. Om het Fort ook na de ontpoldering in binnendijks gebied te laten liggen, is ter bescherming van dit gebied en deze bebouwing een gedeeltelijk nieuwe dijkring (dijkring 23) aangelegd.

Eiser heeft op 13 oktober 2016 een verzoek om schadevergoeding bij de minister ingediend. Hij stelt schade te lijden als gevolg van het rijksinpassingsplan. De geleden schade bestaat volgens eiser uit een waardevermindering van zijn woning als gevolg van verlies aan uitzicht, rust, privacy en veiligheid door de aanleg van een primaire waterkering rondom Het Fort, de mogelijke toegankelijkheid van het voetpad op die waterkering, de aanleg van bruggen in de Bandijk en de aanleg van een jachthaven in de directe omgeving van Het Fort. Ook zal er volgens eiser overlast van muggen ontstaan en vreest hij voor criminaliteit doordat Het Fort eenvoudiger voor derden te bereiken zal zijn door de aanleg van een (ontsluitings)weg en fiets- en voetpad op de nieuwe dijk om Het Fort heen.

Naar aanleiding van het verzoek van eiser heeft de minister aan de schadeadviescommissie Ruimte voor de Rivier (hierna: schadecommissie) een advies gevraagd over de gestelde schade. De schadecommissie heeft de situatie na de inwerkingtreding van het rijksinpassingsplan op peildatum 9 september 2010 vergeleken met de situatie daarvoor toen het bestemmingsplan “Buitengebied” van de gemeente Werkendam uit 1989 gold. In het adviesrapport van 13 juni 2018 is de schadecommissie tot de slotsom gekomen dat er voor eiser sprake is van een relevante nadelige wijziging van de planologische situatie, met name door een verslechtering van het uitzicht vanuit zijn woning, een aantasting van de rust en privacy in en rondom deze woning en een vermindering van de situeringswaarde van de woning. De schadecommissie heeft, met rectificatie van pagina 32 van het rapport, de minister geadviseerd om aan eiser een tegemoetkoming in planschade toe te kennen van
€ 27.500,-.

Bij primair besluit heeft de minister, met verwijzing naar voormeld advies, het verzoek van eiser om hem een tegemoetkoming in planschade toe te kennen, toegewezen. De waardevermindering is getaxeerd op € 45.000,-. Rekening houdend met het deel van de schade dat voor rekening van eiser dient te komen, zijnde 2% van de waarde van de woning in de oude planologische situatie, wordt aan eiser een tegemoetkoming in planschade toegekend van € 27.500,- vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de aanvraagdatum 13 oktober 2016.

Tegen dit besluit heeft eiser op 30 oktober 2018 bezwaar gemaakt, dat hij op 26 november 2018 en 28 november 2018 heeft aangevuld.

Op 26 maart 2019 heeft een hoorzitting plaatsgevonden waar eiser zijn verzoek heeft toegelicht.

Op 25 april 2019 heeft de schadecommissie op verzoek van de minister een nader advies uitgebracht waarin een aanvullende motivering is gegeven voor het taxatiebedrag en de waardedaling van 5%.

Bij het bestreden besluit heeft de minister het bezwaar ongegrond verklaard.

Standpunt van eiser

2. Eiser voert aan dat zijn bezwaren ten onrechte zijn afgewezen. Deze bezwaren legt hij daarom ter beoordeling aan de rechtbank voor. Op de zitting heeft hij daaraan toegevoegd dat het dossier incompleet is en door de minister moet worden aangevuld.

Wettelijk kader

3. Ingevolge artikel 6:5, eerste lid, aanhef en onder d, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) dient het beroepschrift de gronden van het beroep te bevatten.

Op grond van artikel 6:6 van de Awb, kan het beroep, indien niet is voldaan aan artikel 6:5 van die wet of aan enig ander bij de wet gesteld vereiste voor het in behandeling nemen van het beroep, niet-ontvankelijk worden verklaard, mits de indiener de gelegenheid heeft gehad het verzuim te herstellen binnen een hem daartoe gestelde termijn.

Beoordeling rechtbank

4.1

In tegenstelling tot eiser is de rechtbank van oordeel dat er geen aanleiding is om aan te nemen dat het dossier niet compleet is. Eiser heeft niet concreet aangegeven welke stukken hij dan zou missen en ook anderszins is niet gebleken dat er stukken ontbreken. Deze grond treft geen doel.

4.2

Ten aanzien van het door de gemachtigde van eiser op 2 september 2019 (pro forma) ingediende beroepschrift stelt de rechtbank vast dat dit geen gronden bevat waarop het beroep berust.

Bij aangetekende brief van 11 september 2019 is de gemachtigde op dit verzuim gewezen en uitgenodigd het verzuim binnen vier weken na de dagtekening van die brief te herstellen. Daarbij is vermeld dat indien van deze gelegenheid geen gebruik wordt gemaakt de rechtbank het beroep niet-ontvankelijk kan verklaren.

Bij brief van 1 oktober 2019 heeft de gemachtigde aangegeven de vertegenwoordiging van eiser te hebben neergelegd. Hij heeft ten behoeve van eiser verzocht om de termijn voor het indienen van de gronden met vier weken te verlengen.

Bij brief van 4 oktober 2019 is dit verzoek toegewezen en is eiser uitstel van vier weken verleend om de beroepsgronden in te dienen, waarbij nogmaals is aangegeven dat als eiser niet op tijd reageert, de rechtbank het beroep niet-ontvankelijk kan verklaren.

Eiser heeft in zijn beroepschrift van 30 oktober 2019 geen gebruik gemaakt van de hem geboden gelegenheid tot het indienen van de gronden van het beroep. In plaats daarvan heeft hij slechts verwezen naar de gronden die hij in bezwaar heeft aangevoerd en verzocht om deze als ingelast en herhaald te beschouwen.

De rechtbank is gelet hierop van oordeel dat het beroep op grond van artikel 6:6 van de Awb, niet-ontvankelijk verklaard dient te worden.

Conclusie

5. Het beroep is niet-ontvankelijk.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep niet-ontvankelijk.

Deze uitspraak is gedaan door mr. T. Peters, rechter, in aanwezigheid van mr. N. Graumans, griffier, op 8 september 2021 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.

De griffier is niet in de gelegenheid om deze uitspraak te ondertekenen.

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Wat kunt u doen als u het niet eens bent met deze uitspraak?

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.