Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZWB:2021:4532

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak
08-09-2021
Datum publicatie
14-09-2021
Zaaknummer
AWB- 20_6856
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

PW

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Zittingsplaats Breda

Bestuursrecht

zaaknummer: BRE 20/6856 PW

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 8 september 2021 in de zaak tussen

[naam eiser] (eiser) en [naam eiseres] (eiseres), beiden te [naam woonplaats] ,

gemachtigde: mr. N. Heijkant,

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Tilburg (college), verweerder.

Procesverloop

In een besluit van 28 februari 2020 (primaire besluit) heeft het college de aanvraag van eisers om een bijstandsuitkering op grond van de Participatiewet afgewezen.

In een besluit van 28 april 2020 (bestreden besluit) heeft het college het bezwaar van eisers tegen het primaire besluit ongegrond verklaard.

Eisers hebben tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Het beroep is besproken op de zitting van de rechtbank in Breda op 22 juni 2021. Hierbij waren aanwezig eiseres, de gemachtigde van eisers. Namens het college was aanwezig M.H.H. Ligtenberg.

De termijn voor het doen van uitspraak is met zes weken verlengd.

Overwegingen

1. Feiten

Eisers hebben op 21 december 2019 bij het college een bijstandsuitkering naar de gehuwdennorm op grond van de Participatiewet aangevraagd.

Bij brief van 22 januari 2020 heeft het college eisers een hersteltermijn geboden voor het verstrekken van ontbrekende gegevens.

Bij brief van 7 februari 2020 heeft het college eisers opnieuw een hersteltermijn geboden voor het verstrekken van gegevens.

Naar aanleiding van de rapportage van 28 februari 2020 heeft het college het primaire besluit genomen. Op 8 april 2020 heeft een hoorzitting plaatsgevonden. Vervolgens heeft het college het bestreden besluit genomen.

2. Geschil

In geschil is of het college terecht en op goede gronden de aanvraag om bijstand van eisers heeft afgewezen.

3. Beroepsgronden

Eisers betwisten dat zij onvoldoende informatie hebben verstrekt om het recht op bijstand te kunnen vaststellen, omdat zij steeds alle beschikbare informatie aan het college beschikbaar hebben gesteld. De ABN Amro-bankrekening eindigend op 681 wordt al jaren niet meer gebruikt, eisers hebben geen toegang tot deze rekening en afschriften zijn niet meer te verkrijgen. Eisers verkeren in bewijsnood en hebben het college ook gemachtigd om informatie over de ABN Amro-rekening op te vragen. Eiser heeft bankafschriften van de Rabobank-rekening eindigend op 599 overgelegd en heeft middels een verklaring van zijn zus aangetoond dat de stortingen op deze rekening leningen betreffen. Eisers zus en de zoon van eisers springen financieel bij. Eisers stellen dat hun aanvraag ten onrechte is afgewezen, omdat na hun aanvraag van 8 april 2020 op basis van dezelfde gegevens bijstand is toegekend. Hierdoor is het bestreden besluit in strijd met de algemene beginselen van behoorlijk bestuur.

4. Wettelijk kader

Artikel 11, eerste lid, van de Participatiewet bepaalt dat iedere in Nederland woonachtige Nederlander die hier te lande in zodanige omstandigheden verkeert of dreigt te geraken dat hij niet over de middelen beschikt om in de noodzakelijke kosten van bestaan te voorzien, recht heeft op bijstand van overheidswege.

Artikel 17, eerste lid, van de Participatiewet bepaalt dat de belanghebbende aan het college op verzoek of onverwijld uit eigen beweging mededeling doet van alle feiten en omstandigheden waarvan hem redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat zij van invloed kunnen zijn op zijn arbeidsinschakeling of het recht op bijstand.

5. Beoordeling

5.1.

In geval van een aanvraag om bijstand loopt de door de bestuursrechter te beoordelen periode in beginsel vanaf de datum waarop de betrokkene zich heeft gemeld om bijstand aan te vragen tot en met de datum van het besluit op aanvraag. Dit betekent dat in dit geval de te beoordelen periode loopt van 21 december 2019 tot 28 februari 2020.

5.2.

Een aanvrager moet in het algemeen de feiten en omstandigheden aannemelijk maken die nopen tot inwilliging van die aanvraag. In dat kader dient de aanvrager de nodige duidelijkheid te verschaffen en volledige openheid van zaken te geven. Vervolgens is het aan het bijstandverlenend orgaan om in het kader van de onderzoeksplicht deze inlichtingen op juistheid en volledigheid te controleren. Indien de betrokkene niet aan de wettelijke inlichtingen- of medewerkingsverplichting voldoet, is dit een grond voor weigering van de bijstand indien als gevolg daarvan het recht op bijstand niet kan worden vastgesteld (zie de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep (CRvB) van 16 februari 2021, ECLI:NL:CRVB:2021:404).

5.3.

Voor de beoordeling of de aanvrager verkeert in bijstandbehoevende omstandigheden, is zijn of haar financiële situatie een essentieel gegeven. De aanvrager is gehouden de voor een goede beoordeling van de aanvraag vereiste gegevens over te leggen. Volgens vaste rechtspraak is de bijstandverlenende instantie in het kader van het onderzoek naar het recht op bijstand bevoegd om gegevens te vragen die betrekking hebben op de financiële situatie, ook over de periode die onmiddellijk voorafgaat aan de datum met ingang waarvan bijstand wordt gevraagd (zie de uitspraak van de CRvB van 16 februari 2021, ECLI:NL:CRVB:2021:404).

5.4.1.

Het college heeft in het kader van het onderzoek naar het recht op bijstand van eisers verschillende (voornamelijk) financiële gegevens opgevraagd, waaronder bankafschriften van de bankrekeningen van eisers.

5.4.2.

Eisers hebben hierop verschillende gegevens overgelegd aan het college, waaronder bankafschriften van de ING-bankrekeningen eindigend op 692 en 083 over de periode van
1 september 2019 tot en met 30 september 2019 en – later – van de Rabobank-rekening eindigend op 599 over de periode van 1 december 2018 tot en met 14 april 2020. Eisers betwisten in beroep het standpunt uit het bestreden besluit dat zij onvoldoende informatie hebben verstrekt om het recht op bijstand te kunnen vaststellen, omdat zij steeds alle beschikbare informatie aan het college beschikbaar hebben gesteld.

5.4.3.

Het college stelt zich in beroep op het standpunt dat eisers onvoldoende informatie hebben verstrekt voor het vaststellen van het recht op bijstand. Uit onderzoek is gebleken dat – in tegenstelling tot wat eisers hadden verklaard – eiser twee bankrekeningen op zijn naam heeft staan: een Rabobank-rekening eindigend op 599 en een ABN Amro-bankrekening eindigend op 681. De gevraagde bankafschriften zijn slechts gedeeltelijk overgelegd. Aan de achteraf opgestelde verklaring(en) over de contante stortingen op de Rabobank-rekening kan niet de waarde worden gehecht die eisers daaraan gehecht wensen te zien. Deze zijn onvoldoende onderbouwd en de stortingen zijn onduidelijk gebleven. Eisers hebben onvoldoende inzicht gegeven in hun financiële situatie en hebben hierdoor de inlichtingenplicht geschonden. Hun recht op bijstand kan niet worden vastgesteld, waardoor de aanvraag – onder wijziging van de motivering – terecht is afgewezen.

5.5.

De rechtbank overweegt dat vaststaat dat eisers niet al hun bankrekeningen uit eigen beweging hadden gemeld. Vervolgens hebben eisers desgevraagd door het college niet volledig de bankafschriften van de ABN Amro-bankrekening eindigend op 681 en een sluitende, onderbouwde verklaring van de contante stortingen op de Rabobank-rekening eindigend op 599 overgelegd.

Zoals hiervoor is overwogen in overweging 5.3, is de financiële situatie van eisers een essentieel gegeven voor de beoordeling of zij als aanvragers verkeren in bijstandbehoevende omstandigheden. Eisers hebben echter, door niet volledig de gevraagde gegevens te overleggen, onvoldoende duidelijkheid gegeven over hun financiële situatie in de te beoordelen periode. Het college mocht in het kader van de aanvraag om bijstand van eisers meer inlichtingen verwachten dan de inlichtingen die eisers hebben verschaft.

De rechtbank overweegt dat in het geval van eisers geen sprake is van bewijsnood. Ten tijde van de aanvraag om uitkering verbleef eiser nog in Nederland, zodat hij zelf in staat was om afschriften van de rekening bij ABN Amro op te vragen en over te leggen. Uitgaande van de juistheid van de stelling dat de rekening al jaren niet gebruikt werd, had eiser een verklaring bij ABN Amro kunnen vragen omtrent zijn rekening bij ABN Amro. Verder is niet gebleken dat eiser niet in staat is geweest om vanuit Marokko per mail of telefonisch de gevraagde bankafschriften dan wel de verklaring op te vragen, of zijn echtgenote daartoe te machtigen.

De rechtbank is verder van oordeel dat het college zich terecht op het standpunt heeft kunnen stellen dat de stortingen op de bankrekeningen van eisers onvoldoende zijn onderbouwd door de overgelegde verklaringen. Door geen sluitende verklaring te geven voor de stortingen heeft het college terecht gesteld dat eiseres onvoldoende inzicht hebben gegeven in hun financiële situatie.

Hierdoor hebben eisers de op hen rustende inlichtingenplicht geschonden en kon hun recht op bijstand niet worden vastgesteld. De gronden van eisers slagen hierom niet.

6. Het beroep zal ongegrond worden verklaard. Er is geen reden voor een proceskostenveroordeling.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. A.G.J.M. de Weert, rechter, in aanwezigheid van
mr. A.M. Pasmans, griffier, op 8 september 2021 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.

De griffier is niet in de gelegenheid de uitspraak mede te ondertekenen.

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Wat kunt u doen als u het niet eens bent met deze uitspraak?

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep.