Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZWB:2021:4523

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak
07-09-2021
Datum publicatie
14-09-2021
Zaaknummer
AWB- 20_6909
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

WET

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Zittingsplaats Breda

Bestuursrecht

zaaknummer: BRE 20/6909 WET

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 7 september 2021 in de zaak tussen

[naam eiser] , te [naam woonplaats] , eiser

gemachtigde: mr. A.P.E. de Brouwer,

en

de minister van Defensie/MIVD/SJZ, verweerder.

Procesverloop

In het besluit van 23 oktober 2019 (primaire besluit) heeft de minister de Verklaring van Geen Bezwaar (VGB) niveau B geweigerd.

In het besluit van 29 april 2020 (bestreden besluit) heeft de minister het bezwaar van eiser tegen het primaire besluit ongegrond verklaard.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

De minister heeft een verweerschrift ingediend.

De minister heeft de op de zaak betrekking hebbende stukken overgelegd en heeft daarbij voor een gedeelte een beroep gedaan op artikel 8:29 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). De beslissing hieromtrent is genomen 20 januari 2021. De rechtbank heeft bepaald dat beperking van de kennisneming van de bedoelde stukken gerechtvaardigd is. Eiser heeft geen toestemming gegeven als bedoeld in artikel 8:29, vijfde lid, van de Awb. De rechtbank heeft vervolgens de betreffende stukken geretourneerd.

Het beroep is besproken op de zitting van de rechtbank op 27 juli 2021.

Hierbij waren aanwezig eiser en zijn gemachtigde. Namens de minister van Defensie waren aanwezig mr. L.D. de Groot en [naam vertegenwoordiger verweerder] .

Overwegingen

1. Eiser heeft gesolliciteerd naar de functie van wachtmeester bij de Koninklijke Marechaussee. Voor eiser is op 23 april 2018 een VGB op veiligheidsniveau B aangevraagd. Eiser is onderworpen aan een veiligheidsonderzoek door de Militaire Inlichtingen en Veiligheidsdienst (MIVD).

Op 12 augustus 2018 is eiser begonnen aan de opleiding. Hij heeft ontslag genomen en is daar vervolgens op terug gekomen. Aan eiser zou zijn toegezegd dat hij zijn opleiding kan vervolgen als aan hem een VGB wordt verleend.

Bij brief van 1 juli 2018 heeft de minister eiser in kennis gesteld van het voornemen tot weigering van de VGB.

Eiser heeft bij brieven van 3 en 5 juli 2019 zijn zienswijze kenbaar gemaakt.

Bij primair besluit van 23 oktober 2019 is de VGB van eiser geweigerd.

Bij brief van 24 oktober 2019 heeft eiser bezwaar gemaakt tegen de weigering van de VGB.

Bij het bestreden besluit heeft de minister de bezwaren van eiser ongegrond verklaard. De minister heeft voor de motivering verwezen naar het advies van de bezwaarschriftencommissie.

2. In geschil is of de minister terecht is overgegaan tot weigering van de VGB van eiser.

3. Eiser voert aan dat de VGB hem ten onrechte is geweigerd. De minister stelt zich op het standpunt dat onvoldoende waarborgen aanwezig zijn dat eiser onder alle omstandigheden de uit de vertrouwensfunctie voortvloeiende plichten getrouwelijk zal volbrengen.

4. Eiser voert vervolgens aan dat in de rapportage een onacceptabele opmerking is gemaakt in de noot. Hieruit blijkt dat de rapporteurs scherpe vooroordelen hebben over moslims. Het onderzoek is uitgevoerd door de medewerkers met deze vooringenomenheid. Het onderzoek is dan ook niet zorgvuldig uitgevoerd. Eiser is slechts éénmaal in de terugkijkperiode in contact geweest met justitie. Hij heeft wel een verklaring omtrent het gedrag gekregen. Eiser stelt steeds op alle vragen eerlijk antwoord te hebben gegeven. In het advies wordt niet gesteld, laat staan aangetoond dat eiser bewust tegenstrijdige verklaringen heeft afgelegd. Ten aanzien van de bus stelt eiser dat deze nog niet was overgeschreven, omdat zijn broer in Turkije was. Eiser heeft zelf de politie ingeschakeld toen de bus niet terug kwam. Eiser had niets van doen met het strafbare feit dat met de bus is gepleegd. Eiser is niets bekend over een drugsdelict van zijn broer. Bij het gesprek op 3 december 2018 is hem voorgehouden dat zijn broer bij een wietkwekerij betrokken is geweest. Dat hij daar op 11 december 2018 dan weet van heeft, is volstrekt logisch. De kring van personen beperkt zich tot zijn broer. Het gaat om één persoon en één drugsdelict. Eiser logeert niet meer bij zijn broer. Een risico op ongewenste beïnvloeding wordt dan ook betwist.

5. Wettelijk kader

5.1.

Ingevolge artikel 1, eerste lid, aanhef en onder a van de Wet veiligheidsonderzoek (Wvo) wordt in deze wet verstaan onder vertrouwensfunctie: een functie die krachtens artikel 3, eerste lid, als zodanig is aangewezen.

Ingevolge artikel 2 van de Wvo treden, indien een vertrouwensfunctie wordt uitgeoefend bij het Ministerie van Defensie, dan wel indien het een functie betreft die als vertrouwensfunctie moet worden aangemerkt in verband met de daarmee samenhangende noodzaak om toegang te hebben tot militaire installaties, voor de toepassing van het bepaalde in de artikelen 3 tot en met 10 en 16, tweede lid, Onze Minister van Defensie en de Militaire Inlichtingen- en Veiligheidsdienst in de plaats van respectievelijk Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties en de Algemene Inlichtingen- en Veiligheidsdienst.

Ingevolge artikel 3, eerste lid, van de Wvo wijst, onze Minister dan wel het bevoegd gezag van een Hoog College van Staat, in overeenstemming met Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, functies die de mogelijkheid bieden de nationale veiligheid te schaden aan als vertrouwensfuncties. Onze Minister dan wel het bevoegd gezag van een Hoog College van Staat doet van de aanwijzing terstond mededeling aan de werkgever die het aangaat. Indien geen sprake is van een werkgever in de zin van artikel 1, tweede lid, wordt in de aanwijzing tevens aangegeven wie als werkgever in de zin van deze wet wordt aangemerkt.

Ingevolge artikel 7, tweede lid, aanhef en onder d, van de Wvo omvat het veiligheidsonderzoek het instellen van een onderzoek naar gegevens die uit het oogpunt van de nationale veiligheid van belang zijn voor de vervulling van de desbetreffende vertrouwensfunctie. Hierbij wordt uitsluitend gelet op gegevens betreffende overige persoonlijke gedragingen en omstandigheden, naar aanleiding waarvan betwijfeld mag worden of de betrokkene de uit de vertrouwensfunctie voortvloeiende plichten onder alle omstandigheden getrouwelijk zal volbrengen.

Ingevolge artikel 8 van de Wvo kan een verklaring slechts worden geweigerd, indien onvoldoende waarborgen aanwezig zijn dat de betrokkene onder alle omstandigheden de uit de vertrouwensfunctie voortvloeiende plichten getrouwelijk zal volbrengen of indien het veiligheidsonderzoek onvoldoende gegevens heeft kunnen opleveren om daarover een oordeel te geven.

5.2.

Ingevolge artikel 2, eerste lid, van de Beleidsregel veiligheidsonderzoeken (Beleidsregel) worden bij een veiligheidsonderzoek op niveau A worden de gegevens over in beginsel een periode van tien jaar direct voorafgaande aan de aanmelding van de betrokkene voor het veiligheidsonderzoek beoordeeld. Bij een veiligheidsonderzoek op niveau B geldt in beginsel een periode van acht jaar. Bij een veiligheidsonderzoek op niveau C geldt in beginsel een periode van vijf jaar.

Ingevolge artikel 4 van de Beleidsregel wordt bij de beoordeling van gegevens, als bedoeld in artikel 7, tweede lid, onder a, van de wet wordt in ieder geval rekening gehouden met:

a. de aard van het gegeven;

b. het aantal binnen de beoordelingsperiode vastgelegde gegevens;

c. de strafbedreiging;

d. de pleegdatum van het strafbare feit;

e. de zwaarte van de opgelegde straf of maatregel waarop het gegeven betrekking heeft;

f. de leeftijd van betrokkene op de pleegdatum;

g. de relatie van dit gegeven tot de specifieke (te vervullen) vertrouwensfunctie.

Ingevolge artikel 5 van de Beleidsregel wordt bij de beoordeling van gegevens, als bedoeld in artikel 7, tweede lid, onder d, van de wet wordt in ieder geval gelet op de criteria eerlijkheid, onafhankelijkheid, loyaliteit, integriteit en veiligheidsbewustzijn.

6.1.

De rechtbank overweegt allereerst dat door de minister informatie is overgelegd met het verzoek om artikel 8:29 van de Awb toe te passen, welke geheimhouding gerechtvaardigd is geacht. Eiser heeft de rechtbank geen toestemming verleend om mede op basis van de door de minister ingediende geheime stukken uitspraak te doen. Op grond van vaste jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) (bijvoorbeeld de uitspraak van 29 augustus 2012, ECLI:NL:RVS:2012:BX5966), komen de gevolgen van het weigeren van toestemming in beginsel voor degene die de toestemming heeft geweigerd.

Door het weigeren van de toestemming heeft eiser de rechtbank onmogelijk gemaakt de deugdelijkheid van het Rapport veiligheidsonderzoek te beoordelen. De rechtbank zal daarom uitgaan van de juistheid van het Rapport veiligheidsonderzoek. Een ander oordeel zou het gevolg hebben dat de rechtbank zonder beoordeling van het Rapport veiligheidsonderzoek van de ondeugdelijkheid ervan zou moeten uitgaan. Dat is niet aanvaardbaar.

6.2.

Eiser meent dat sprake is van vooringenomenheid vanwege een opmerking van de onderzoekers in de noot van het rapport. De rechtbank overweegt dat door de minister afstand is genomen van de inhoud van deze noot en dat de minister excuses heeft aangeboden. De rechtbank is met de minister van oordeel dat uit de stukken die zich thans in het dossier bevinden niet blijkt van vooringenomenheid. Er zijn gesprekken met eiser gevoerd, waarvan een weergave is opgenomen. De onderwerpen die aan bod zijn gekomen, geven geen indicatie van vooringenomenheid. Daarnaast heeft eiser de inhoud van de gespreksverslagen niet betwist. Naar het oordeel van de rechtbank kon de minister wel uitgaan van de inhoud van de rapportage.

6.3.

De rechtbank stelt vast dat het tijdsverloop tussen de aanvraag en het primaire besluit tot weigering van de VGB ruim is. Dit enkele tijdsverloop leidt echter niet tot het oordeel dat de minister niet tot afwijzing van de VGB kon overgaan.

6.4.

Gelet op het bijzondere karakter van vertrouwensfuncties is screening van personen die een dergelijke functie uitoefenen een zaak van nationale veiligheid. Vooropgesteld moet worden dat de minister bevoegd is een verklaring te weigeren of in te trekken indien onvoldoende waarborgen aanwezig zijn dat de betrokkene onder alle omstandigheden de uit de vertrouwensfunctie voortvloeiende plichten getrouwelijk zal volbrengen. Bij de beoordeling of onvoldoende waarborgen aanwezig zijn, komt de minister beoordelingsvrijheid toe die door de rechter terughoudend dient te worden getoetst.

De rechtbank verwijst hier naar de uitspraken van de Afdeling van 24 april 2013, ECLI:NL:RVS:2013:BZ8428 en 18 maart 2015, ECLI:NL:RVS:2015:840.

6.5.

Bij de beoordeling of onvoldoende waarborgen in de zin van artikel 8, tweede lid, van de Wvo aanwezig zijn, hanteert de minister de Leidraad persoonlijke gedragingen en omstandigheden. Daarin worden een aantal indicatoren genoemd die een rol kunnen spelen in een veiligheidsonderzoek. Eiser bestrijdt niet dat de minister deze Leidraad bij de beoordeling mocht gebruiken.

In de Leidraad staat vermeld welke persoonlijke gedragingen en omstandigheden kunnen leiden tot de beoordeling dat onvoldoende waarborgen aanwezig zijn. Eerlijkheid en integriteit zijn criteria waarop wordt getoetst in het veiligheidsonderzoek.

Op grond van deze criteria (alsmede onafhankelijkheid en loyaliteit) wordt bezien of betrokkene de intentie heeft de vertrouwensfunctie betrouwbaar te vervullen en of hij daartoe in staat kan worden geacht. Eveneens staan in de Leidraad indicatoren genoemd die erop kunnen wijzen dat iemand “kwetsbaar is of een risico vormt voor de nationale veiligheid”. Drie van de indicatoren zijn “justitiële antecedenten”, “ongewenste beïnvloeding” en “leugenachtig of heimelijk gedrag”.

Volgens de minister is sprake van deze drie indicatoren.

6.6.

Justitiële antecedenten

Vast staat dat eiser op 8 september 2015 is veroordeeld tot een taakstraf van 30 uur wegens mishandeling. De minister stelt terecht dat om in aanmerking te komen voor een VGB ten behoeve van een vertrouwensfunctie bij de Koninklijke Marechaussee strenge eisen gelden. Gezien de specifieke taakstelling van deze functionarissen kan niet worden geaccepteerd dat zij zelf rechtsregels overtreden die zij moeten handhaven. Justitiële antecedenten kunnen aanleiding zijn onvoldoende waarborgen te zien dat een vertrouwensfunctie betrouwbaar kan worden vervuld. Uit deze antecedenten kan blijken of iemand een probleem heeft met eerlijkheid, onafhankelijkheid, loyaliteit of integriteit. In dit geval gaat het, gelet op de informatie in het verweerschrift, om een vrij zwaar delict. Dat dit justitiële antecedent op zichzelf niet tot weigering van de VGB zou hebben geleid, maakt niet dat het antecedent niet als indicator in de beoordeling kan worden betrokken.

6.7.

Leugenachtig of heimelijk gedrag

Er is driemaal met eiser gesproken, namelijk op 15 november 2018, 11 december 2018 en nogmaals op 10 september 2019 naar aanleiding van de ingediende zienswijze. De minister stelt dat is geconstateerd dat eiser verschillende antwoorden heeft gegeven op dezelfde soort vragen en tegenstrijdig heeft verklaard. De minister wijst op verklaringen rondom de veroordeling, het voertuig, zijn verblijf bij de heer [naam persoon] , het strafblad van zijn broer en zijn ontslag bij de Kmar. De rechtbank overweegt het volgende.

6.7.1.

De minister heeft in het verweerschrift meer informatie gegeven over het door eiser gepleegde delict. Uit deze informatie blijkt dat de weergave van eiser niet helemaal over een komt met de informatie uit het veiligheidsonderzoek. Voor verdere informatie verwijst de minister naar de broninformatie. Nu de rechtbank deze informatie niet heeft kunnen inzien, gaat de rechtbank uit van de juistheid van de stelling van de minister.

6.7.2.

Uit de door de minister overgelegde stukken blijkt dat eiser in eerste instantie over zijn ontslag heeft verklaard dat hij spijt kreeg en dat dit niets te maken had met zijn familie. In het gesprek op 10 september 2019 verklaart eiser dat zijn ouders boos waren toen zij terug kwamen uit Turkije en hoorden dat hij ontslag had genomen. Ook zijn broer vond hem dom.

6.7.3.

Ten aanzien van het ‘uitlenen’ van de bus aan zijn neef wordt wisselend verklaard over wie de bus zou hebben uitgeleend en of de broer van eiser in Turkije was. Ter zitting heeft de minister gesteld dat eiser eerst heeft verklaard dat hij het onbeleefd vond te weigeren en dat deze verklaring ook het meest overeenkomt met de broninformatie. De rechtbank gaat bij gebrek aan inzicht in de broninformatie uit van de juistheid van de stelling van de minister.

6.7.4.

Ook over het verblijf bij de heer [naam persoon] wordt door eiser wisselend verklaard. Eerst heeft eiser verklaard dat hij daar overeenkomstig de BRP heeft gewoond van oktober 2015 tot en met december 2016 en later verklaart hij dat hij daar slechts enkele maanden stond ingeschreven.

6.7.5.

In het eerste gesprek stelt eiser dat hij niet op de hoogte is van een door zijn broer gepleegd drugsdelict. In het tweede gesprek verklaart eiser over ‘iets met de kweek van drugs’ en in het derde gesprek verklaart eiser dat zijn broer zich niet zou inlaten met verkeerde handel. Eiser verklaart dan ook wisselend over het strafblad van zijn broer.

6.7.6.

Op basis van het vorenstaande staat naar het oordeel van de rechtbank vast dat eiser in het kader van het veiligheidsonderzoek meerdere malen niet eerlijk is geweest over een veelheid aan relevante feiten. Eiser heeft bewust onjuiste informatie verstrekt en een zodanig onvolledig en onbetrouwbaar beeld geschetst dat hieruit kan worden opgemaakt dat hij zaken wil verhullen. Het vertonen van heimelijk gedrag brengt veiligheidsrisico’s met zich mee en is daarom onverenigbaar met het bekleden van een vertrouwensfunctie als door eiser gewenst. Het niet open en eerlijk zijn over relevante feiten en omstandigheden kan eiser immers gevoelig maken voor chantage door anderen en hem kwetsbaar maken voor niet integer gedrag.

6.8.

Ongewenste beïnvloeding

Het risico van ongewenste beïnvloeding kan blijken uit de aard van de relatie met bepaalde personen. Ongewenste beïnvloeding kan ertoe leiden dat de betrokkene belemmerd wordt in zijn of haar onafhankelijke belangenafweging. Beïnvloeding kan bijvoorbeeld plaatsvinden door iemand in de omgeving van de betrokkene met een criminele achtergrond die betrokkene aanzet tot onwenselijk gedrag. Het komt vaak voor dat betrokkene dit zelf niet door heeft.

Uit de stukken blijkt dat eiser en zijn broer hebben samengewerkt bij het bandenbedrijf en dat eiser een tijd bij zijn broer woonachtig is geweest. De broer van eiser heeft meerdere strafbare feiten gepleegd, waaronder een drugsdelict. Daarnaast is ook de neef van eiser opgepakt wegens een drugdelict. Ook de huisgenoten ten tijde van eisers verblijf bij de heer [naam persoon] hebben justitiële antecedenten op hun naam staan. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de minister zich op het standpunt kunnen stellen dat sprake zou kunnen zijn van ongewenste beïnvloeding.

7. De rechtbank overweegt ten slotte dat het uitgangspunt dat, bij afweging van de betrokken belangen, het belang van de nationale veiligheid zwaarder weegt dan de persoonlijke belangen van degene die de vertrouwensfunctie vervult, niet kennelijk onredelijk is. De rechtbank verwijst daarvoor naar de uitspraak van de Afdeling van 20 augustus 2014 (ECLI:NL:RVS:2014:3118). De omstandigheid dat eiser de vertrouwensfunctie niet (langer) kan vervullen omdat hij niet beschikt over een verklaring van geen bezwaar is inherent aan het systeem van de Wvo. De daarmee samenhangende belangen van eiser moeten worden geacht te zijn betrokken bij de totstandkoming van de Wvo.

8. De rechtbank is van oordeel dat de minister zich op grond van alle feiten, gedragingen en omstandigheden, in onderling verband bezien, in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat onvoldoende waarborgen aanwezig zijn dat eiser onder alle omstandigheden de uit de vertrouwensfunctie voortvloeiende plichten getrouwelijk zal volbrengen.

9. Het beroep is ongegrond.

10. Er is geen reden voor een proceskostenveroordeling.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. T. Peters, rechter, in aanwezigheid van mr. N.M. Zandbergen, griffier, op 7 september 2021 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl. De griffier is niet in de gelegenheid om de uitspraak te ondertekenen.

rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Wat kunt u doen als u het niet eens bent met deze uitspraak?

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.