Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZWB:2021:4521

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak
09-09-2021
Datum publicatie
09-09-2021
Zaaknummer
02-700203-18
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

medeplegen dumpen drugsafval, overschrijden redelijke termijn.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Strafrecht

Zittingsplaats: Middelburg

parketnummer: 02-700203-18

vonnis van de meervoudige kamer van 9 september 2021

in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

geboren op [geboortedag] 1998 te [geboorteplaats] ,

wonende te [adres 1] ,

raadsman mr. C. van Aken, advocaat te Geertruidenberg.

1 Onderzoek van de zaak

De zaak is inhoudelijk behandeld op de zitting van 26 augustus 2021. Verdachte is niet verschenen. Wel is verschenen zijn gemachtigde raadsman. De officier van justitie, mr. S.J. Huizenga, en de verdediging hebben hun standpunten kenbaar gemaakt.

2 De tenlastelegging

De tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht.

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat

  1. samen met een ander drugsafval heeft vervoerd, gelekt en gedumpt, met (mogelijk) negatieve gevolgen voor het milieu;

  2. samen met een ander drugsafval in de bodem terecht heeft laten komen;

  3. samen met een ander een bestelbus heeft gestolen in Arnhem, of deze bestelbus heeft geheeld in Arnhem en/of Tholen.

3 De voorvragen

De dagvaarding is geldig.

De rechtbank is bevoegd.

De officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging.

Er is geen reden voor schorsing van de vervolging.

4 De beoordeling van het bewijs

4.1

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte de feiten 1 en 2 heeft gepleegd en baseert zich daarbij op de bewijsmiddelen in het dossier. De officier van justitie acht ten aanzien van die feiten medeplegen bewezen. Ten aanzien van feit 3 dient verdachte te worden vrijgesproken van de diefstal en opzetheling wegens een gebrek aan bewijs. De schuldheling kan wel worden bewezen.

4.2

Het standpunt van de verdediging

De verdediging bepleit integrale vrijspraak van verdachte van de ten laste gelegde feiten. Het dossier biedt onvoldoende aanknopingspunten voor betrokkenheid van verdachte bij de dumping van het drugsafval. Verdachte verklaart dat hij eenmalig is meegereden in de bus met de medeverdachte voor een slaapplek. De verklaring van getuige [getuige] ondersteunt de verklaring van verdachte. De overige verklaringen zijn ontlastend. Het door de anonieme meldster doorgegeven signalement stemt niet overeen met signalement van verdachte. Daarnaast bevat het dossier ook onvoldoende bewijs voor diefstal of heling van de bus. Verdachte wist niet en had ook niet moeten vermoeden dat de bus van diefstal afkomstig was, omdat de medeverdachte over de sleutel beschikte en ook verder uit niets bleek dat de bus van diefstal afkomstig was.

4.3

Het oordeel van de rechtbank

4.3.1

De bewijsmiddelen

De bewijsmiddelen zijn in bijlage II aan dit vonnis gehecht.

4.3.2

De bijzondere overwegingen met betrekking tot het bewijs

Feit 1 + feit 2

Dumping drugsafval en betrokkenheid witte Mercedes Sprinter

Op grond van de bewijsmiddelen stelt de rechtbank het volgende vast. Op 11 oktober 2018 om 07:43 uur kreeg de politie een melding dat er mogelijk chemisch afval was gedumpt op de locatie Lange Steen te Hoogerheide. Dat moet op enig moment tussen 10 oktober 2018 omstreeks 21:30 uur en 11 oktober 2018 07:40 uur zijn gebeurd. Ter plaatste trof de politie een kunststof vat, een zogenaamde Intermediate Bulk Container (hierna: IBC), met een inhoud van ongeveer 1.000 liter aan die aan de onderzijde was voorzien van een houten pallet. Verder was er een donkere verkleuring zichtbaar in de aarde om de IBC heen en lagen er enkele plassen nabij die IBC. De container was gescheurd en lag op zijn kant. De Lange Steen was op het onverharde gedeelte over een lengte van tien meter en een breedte van tweeënhalve meter besmeurd. Het afval was vermoedelijk afkomstig is van XTC-productie en dergelijk chemisch afval is zeer verontreinigend en heeft negatieve gevolgen voor de grondwaterkwaliteit en de luchtkwaliteit.

Op donderdag 11 oktober 2018 om 00:00 uur kreeg de politie een melding dat er een voertuig, een witte Mercedes Sprinter met kenteken [kenteken 1] , in de richting van de Nieuwe Postweg te Tholen zou rijden waaruit vloeistof zou lekken. De politie heeft dit voertuig aldaar laten stoppen en heeft in dit voertuig twee personen aangetroffen, namelijk medeverdachte [medeverdachte] als bestuurder en verdachte als bijrijder. De politie rook in de laadruimte van het voertuig een sterk aanwezige, penetrante en zoetige chemische geur, waardoor het vermoeden bestond dat er sprake was van chemisch afval afkomstig van de productie van verboden verdovende middelen. Ook bij de bestuurder en de passagier (dan wel hun kleding) rook de politie deze geur. Over de gehele breedte van de achterbumper van het voertuig nam de politie een dikke stroperige substantie waar.

De Landelijke Faciliteit Ondersteuning Ontmantelen (hierna: LFO) heeft onderzoek gedaan naar het hiervoor genoemde voertuig en de IBC. Hieruit volgt dat het voertuig (onder meer) een palletwagen bevatte en een zilverkleurig vierkant koffertje, met daarin gereedschap, een taperoller, een groot gekarteld mes en een portemonnee. In de portemonnee zat een rijbewijs op naam van [medeverdachte] , alsmede verschillende lidmaatschapspassen op zijn naam. Uit het voertuig zijn drie monsters genomen: een op de hefarmen van de palletwagen, een tussen de rand van de vloer en het dorpel aan de achterzijde van het voertuig en een van het gekartelde mes. Daarnaast is een monster genomen van de plas vloeistof die uit de IBC vat op de bodem is gelopen. Uit onderzoek van het NFI is gebleken dat de eerstgenoemde twee monsters N-formylamfetamine, BMK, amfetamine en APAAN bevatten. Het monster van het mes bevatte een lage concentratie BMK. Het monster van de plas vloeistof bevatte amfetamine, BMK en N-formyl-amfetamine.

Uit de rapporten van het NFI volgt dat N-formylamfetamine het tussenproduct is in de vervaardiging van amfetamine uit BMK met de Leuckartmethode. De chemische stoffen die zijn aangetroffen in de plas vloeistof en in de Mercedes Sprinter betreffen dus afvalstoffen afkomstig van de productie van drugs.

Verder is gebleken dat een vrouw, die een anonieme melding heeft gedaan bij de politie, op 10 oktober 2018 rond 17:00/17:30 uur een wit busje met kenteken [kenteken 1] vreemd had zien doen in de Lange Steen te Hoogerheide. Hieruit volgt dat de Mercedes Sprinter met kenteken [kenteken 1] eerder op de locatie is geweest waar de dumping van drugsafval heeft plaatsgevonden.

Gelet op het voorgaande acht de rechtbank bewezen dat de witte Mercedes Sprinter waarin [medeverdachte] en verdachte zijn aangetroffen, is gebruikt om de IBC met drugsafval te dumpen aan de Lange Steen in Hoogerheide. Immers: de chemische stoffen die zijn aangetroffen in de Mercedes Sprinter en in de IBC komen overeen, er is een palletwagen aangetroffen in het busje terwijl de IBC op een pallet was bevestigd, en het voertuig is eerder gezien op de plaats van de dumping.

Betrokkenheid verdachte en medeplegen

De rechtbank ziet zich vervolgens voor de vraag gesteld of het verdachte is geweest die al dan niet samen met een ander in het witte Mercedes busje heeft gereden en het drugsafval heeft gedumpt.

De betrokkenheid aan een strafbaar feit kan als medeplegen worden bewezenverklaard indien is komen vast te staan dat bij het begaan daarvan sprake is geweest van een voldoende nauwe en bewuste samenwerking.

Verdachte heeft bij de politie verklaard dat hij pas om 23:30 à 23:45 uur voor het eerst in de witte bestelbus is gestapt omdat hij een slaapplaats zocht en dat hij aan de daaraan voorafgaande de dumping van het afval niet betrokken is geweest. Uit het dossier leidt de rechtbank met betrekking tot de betrokkenheid van verdachte bij het ten laste gelegde het volgende af. Verdachte is op 11 oktober 2018, kort na middernacht, samen met [medeverdachte] aangetroffen in de witte Mercedes Sprinter waarmee het drugsafval is gedumpt. Uit de bevindingen van de politie volgt dat verdachte (of zijn kleding) rook naar een sterk aanwezige, penetrante en zoetige chemische geur.

Verdachte is volgens een verklaring van getuige [getuige] op 10 oktober 2018 voor hij samen met [medeverdachte] werd aangetroffen, om ongeveer 23:30 à 23:45 uur eveneens samen met [medeverdachte] bij een wit bestelbusje gezien. Zij kwamen uit een steegje met een scooter en laadden deze scooter samen in het busje. Zij schrokken beiden erg toen de getuige hen zag. Onder verdachte en medeverdachte [medeverdachte] zijn drie telefoons in beslag genomen, namelijk een Samsung Galaxy S7 (telefoon 1), een HTC 10 EVO (telefoon 2) en een Samsung Galaxy S4 (telefoon 3). Verdachte en [medeverdachte] hebben allebei verklaard dat zij gebruiker zijn van telefoon 2. Verdachte heeft verklaard dat de oplader van telefoon 2 in zijn tas zat. Verdachte heeft verder verklaard dat hij de gebruiker is van telefoon 3, maar dat dit toestel kapot was en niet meer gebruikt kon worden. Uit onderzoek is gebleken dat dit toestel inderdaad defect was. Uit onderzoek is gebleken dat de simkaart van telefoon 3 (de telefoon van verdachte) in september ook is gebruikt in telefoon 2. Gelet op de hiervoor genoemde omstandigheden stelt de rechtbank vast dat verdachte de gebruiker was van telefoon 2.

Uit onderzoek is verder gebleken is dat er sprake is van een onderlinge relatie tussen telefoon 2 en de witte Mercedes Sprinter op een eerder moment dan de aanhouding van verdachte. Het nummer van de kentekenplaat die was bevestigd op de witte Mercedes Sprinter waarin [medeverdachte] en verdachte zijn aangehouden, namelijk [kenteken 1] , behoorde toe aan een Mercedes Sprinter, zilvergrijs van kleur, op naam gesteld van [naam] , die reeds op 9 juli 2018 melding had gemaakt van valselijk gebruik van zijn kentekennummer. Bij het chassisnummer van de witte Mercedes Sprinter hoorde kenteken [kenteken 2] , op naam gesteld van [benadeelde partij] . Deze witte Mercedes Sprinter is tussen 2 en 3 februari 2018 gestolen in Arnhem. Uit onderzoek naar de overtredingen waarbij kenteken [kenteken 1] betrokken is geweest, bleek dat een witte Mercedes Sprinter, voorzien van kenteken [kenteken 1] , op 22 juni 2018 is geflitst te Terneuzen. De rechtbank gaat er daarom vanuit dat op die dag de valse kentekenplaten in ieder geval al op de witte Mercedes Sprinter waren bevestigd. Verder is uit onderzoek gebleken dat de gestolen bestelbus op 9 oktober 2018 omstreeks 10:07 uur is geflitst door een flitspaal gelegen in de Westerscheldetunnel te Hoek, Zeeland en dat telefoon 2 omstreeks 10:04 uur gebruik maakte van een zendmast gelegen aan de Willemskerkeweg te Hoek. Gelet op de (vrijwel) overeenkomende tijdstippen en locaties, concludeert de rechtbank dat telefoon 2 zich op dat moment in de witte Mercedes Sprinter bevond. De rechtbank gaat er, gelet op hetgeen zij hiervoor heeft overwogen omtrent het gebruik van telefoon 2, van uit dat de telefoon ook op dat moment in gebruik was bij verdachte en dat hij zich op 9 oktober 2018, de dag vóór de datum waarop het drugsafval is gedumpt, samen met zijn telefoon in de witte Mercedes Sprinter heeft bevonden.

Tot slot heeft een anonieme meldster gemeld dat zij het witte Mercedesbusje rond 17:00/17:30 uur heeft gezien in de Lange Steen en dat er twee personen in het busje zaten met donkere kleding, een normaal postuur en geen donkere huidskleur. Dat signalement – hoewel vrij algemeen – stemt overeen met dat van verdachte op het tijdstip rondom zijn aanhouding, gelet op de foto van hem in het dossier.

Gelet op de hiervoor omschreven feiten en omstandigheden acht de rechtbank de verklaring van verdachte dat hij pas om 23:30 à 23:45 uur voor het eerst in de witte bestelbus is gestapt omdat hij een slaapplaats zocht, onaannemelijk. Verdachte is (zeer) kort na de dumping van het drugsafval aangetroffen in omstandigheden die op betrokkenheid daarbij duiden. Daarvoor geeft verdachte geen aannemelijke verklaring. Daar komt bij dat hij tegenover de politie heeft verklaard dat hij niets durfde te vertellen omdat hij bang is voor de gevolgen, [medeverdachte] heeft bij de aanhouding naar hem gebaard dat hij zijn mond moest houden, waarbij hij een schietend gebaar naar verdachte maakte. Niet valt in te zien waarom verdachte bang zou moeten zijn om te verklaren als hij alleen maar in de bus was gestapt voor een slaapplek en verder nergens bij betrokken zou zijn geweest. Op grond van de hiervoor omschreven feiten en omstandigheden, in onderlinge samenhang bezien, komt de rechtbank tot het oordeel dat het verdachte was die met medeverdachte [medeverdachte] drugsafval heeft vervoerd en gedumpt.

Conclusie

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het in strijd met de milieuwetgeving opzettelijk vervoeren, lekken en dumpen van drugsafval en het verrichten van handelingen waardoor de bodem kan worden aangetast, zoals ten laste gelegd onder feit 1 en 2.

De rechtbank is van oordeel dat met betrekking tot feit 1 en feit 2 sprake is van eendaadse samenloop als bedoeld in artikel 55, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht. De bewezen verklaarde gedragingen leveren in die mate een samenhangend, zich min of meer op dezelfde tijd en plaats afspelend feitencomplex op dat de verdachte daarvan in wezen één verwijt wordt gemaakt, terwijl de strekking van de desbetreffende strafbepalingen niet of nauwelijks uiteenloopt.

Feit 3

Op grond van de bewijsmiddelen stelt de rechtbank allereerst vast dat de witte Mercedes Sprinter waarin verdachte als bestuurder is aangetroffen, van diefstal afkomstig was.

De rechtbank stelt vast dat niet is gebleken van een aanwijzing dat verdachte zelf op enigerlei wijze betrokken is geweest bij de diefstal van dit voertuig tussen 2 en 3 februari 2018. De rechtbank zal verdachte daarom van de primair ten laste gelegde diefstal vrijspreken.

Verdachte is aangetroffen als passagier van de gestolen Mercedes Sprinter, terwijl de bestuurder beschikte over de autosleutels van dit voertuig. De rechtbank is van oordeel dat onder die omstandigheden onvoldoende is gebleken dat verdachte wist, of had moeten en kunnen vermoeden dat het voertuig van diefstal afkomstig was. De rechtbank zal verdachte daarom volledig vrijspreken van feit 3.

4.4

De bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte

1.

Vervoeren en dumpen (van (een) vat(en) met) (chemisch(e)) afvalstof(fen) in de
natuur

op 11 oktober 2018 te Tholen en Woensdrechtin elk geval in de omgeving van Tholen en Woensdrecht
tezamen en in vereniging met een ander
opzettelijk als degene die handelingen met betrekking tot
(chemisch(e)) afvalstof(fen) (bestaande uit het vervoeren van (chemisch(e))
afvalstof(fen) (afkomstig van drugsproductie), terwijl deze
onvoldoende waren verpakt waardoor vervolgens vloeibare (chemisch(e)) afvalstoffen op
het wegdek lekten en het dumpen van een vat
("IBC"vat) (chemisch(e)) afvalstoffen op de locatie Lange Steen t.h.v. [adres 2]
te Woensdrecht) en die wist(en), althans
redelijkerwijs had(den) kunnen weten dat daardoor nadelige gevolgen voor het
milieu ontstonden of konden ontstaan;
2.
(Chemisch(e)) afvalstof(fen) in/op de bodem laten komen
omstreeks 11 oktober 2018 te Woensdrecht, in elk geval de omgeving van Woensdrecht
tezamen en in vereniging met een ander
handelingen op de bodem heeft verricht, bestaande uit het neerleggen van (chemisch(e)) afvalstof(fen) (afkomstig van de
productie van synthetische drugs), waardoor de bodem kon worden verontreinigd
en/of aangetast - terwijl hij, verdachte, en zijn mededader, wisten
althans redelijkerwijs hadden kunnen vermoeden dat door die handelingen de
bodem kon worden verontreinigd en/of aangetast.

De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

5 De strafbaarheid

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten. Dit levert de in de beslissing genoemde strafbare feiten op.

Verdachte is strafbaar, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die zijn strafbaarheid uitsluit.

6 De strafoplegging

6.1

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie vordert aan verdachte op te leggen een gevangenisstraf voor de duur van zes maanden, met aftrek van voorarrest, waarvan één maand voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar, en een taakstraf van 60 uur. Bij haar eis heeft zij rekening gehouden met het strafblad van verdachte en de overschrijding van de redelijke termijn.

6.2

Het standpunt van de verdediging

De verdediging verzoekt om aan verdachte een (grotendeels) voorwaardelijke (taak)straf op te leggen. De verdediging verzoekt om in strafmatigende zin rekening te houden met de overschrijding van de redelijke termijn en de persoonlijke omstandigheden van verdachte (hij heeft werk, een woning en een vriendin) alsmede met de omstandigheid dat hij reeds veertien maanden delictvrij is en dat artikel 63 Sr van toepassing is.

6.3

Het oordeel van de rechtbank

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het dumpen van chemisch afval afkomstig van de illegale productie van harddrugs in een natuurgebied. De nadelige gevolgen voor het milieu en de volksgezondheid zijn groot. Het opruimen van illegaal gedumpt afval afkomstig van de productie van drugs gepaard met aanzienlijke kosten die ten laste komen van de maatschappij, zoals ook uit de aangifte van [slachtoffer] is gebleken. Daardoor zijn dumpingen van drugsafval een groot maatschappelijk probleem. De rechtbank rekent dit verdachte zwaar aan.

Bij de strafoplegging houdt de rechtbank in strafverzwarende rekening met het strafblad van verdachte, waaruit volgt dat verdachte meermalen in aanraking is gekomen met justitie en eerder is veroordeeld voor (onder meer) vermogensdelicten. In strafmatigende zin houdt de rechtbank rekening met de omstandigheid dat artikel 63 Sr van toepassing is.

Verder heeft de rechtbank acht geslagen op het reclasseringsrapport over verdachte van Reclassering Nederland van 12 november 2018. Hieruit volgt dat de reclassering doorslaggevende indicaties ziet voor het toepassen van het volwassenenstrafrecht. De reclassering ziet geen indicaties voor een pedagogisch gerichte aanpak. Hoewel dit geen recent advies betreft, volgt de rechtbank het advies van de reclassering en zal volwassenenstrafrecht toepassen, omdat sindsdien niet is gebleken van feiten en omstandigheden die aanleiding geven het jeugdstrafrecht toe te passen.

De rechtbank is van oordeel dat, gelet op de ernst van de feiten, een gevangenisstraf in beginsel noodzakelijk is. Als uitgangspunt voor de strafoplegging gaat de rechtbank voor de ten laste gelegde feiten – gelet op de straffen die doorgaans voor dergelijke feiten worden opgelegd en met inachtneming van het strafblad van verdachte – uit van een geheel onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van tien maanden. De rechtbank zal echter een lagere straf opleggen. De strafzaak is immers niet binnen een redelijke termijn afgehandeld. Als uitgangspunt heeft in deze zaak te gelden dat de behandeling ter terechtzitting dient te zijn afgerond met een eindvonnis binnen twee jaar nadat de redelijke termijn is aangevangen, tenzij sprake is van bijzondere omstandigheden. De redelijke termijn is op 11 oktober 2018 (de dag waarop verdachte in verzekering is gesteld) aangevangen, waardoor de redelijke termijn met bijna één jaar is overschreden. Verder zal de rechtbank rekening houden met de persoonlijke omstandigheden van verdachte, en in het bijzonder zijn jonge leeftijd ten tijde van de feiten en dat hij blijkens zijn strafblad al meer dan een jaar – terwijl hij op vrije voeten was – geen nieuwe strafbare feiten heeft gepleegd.

De rechtbank zal de hiervoor genoemde omstandigheden verdisconteren door een deel van de gevangenisstraf voorwaardelijk op te leggen en een deel van de gevangenisstraf omzetten in een taakstraf. Met de voorwaardelijke straf wordt tevens beoogd verdachte ervan te weerhouden opnieuw strafbare feiten te plegen. Alles afwegend, acht de rechtbank een gevangenisstraf voor de duur van 180 dagen, met aftrek van voorarrest, waarvan 123 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar passend en geboden, alsmede een taakstraf van 240 uur.

7 De benadeelde partij

[slachtoffer]

De benadeelde partij [slachtoffer] heeft een verzoek tot schadevergoeding ingediend middels het daartoe bestemde standaardformulier. In dat formulier staat voor feit 1 en 2 bij de post “materiele schade” een bedrag van € 21.645,05 vermeld en bij de post “vergoede schade” staat vermeld dat de gemeente een deel van de schade, namelijk € 10.823,=, reeds vergoed heeft gekregen in de vorm van een subsidie. Bij de post “te vorderen schade” staat geen bedrag ingevuld maar staat wel voorgedrukt dat het bedrag van de materiele schade verminderd dient te worden met vergoede schade. De rechtbank gaat er daarom van uit dat de [slachtoffer] een bedrag van € 21.645,05 minus € 10.823,=, dus in totaal € 10.822,05 vordert.

De verdediging heeft niet-ontvankelijkverklaring van de benadeelde partij bepleit, omdat de voeging ter terechtzitting niet vóór het requisitoir van de officier van justitie is geschied, terwijl dit op grond van artikel 51g, derde lid, Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv) wel had moeten gebeuren.

De officier van justitie heeft aangegeven dat de benadeelde partij de vordering al vóór de terechtzitting heeft ingediend bij het openbaar ministerie, maar dat deze door het openbaar ministerie per abuis niet verder is verspreid richting de verdediging en de rechtbank. Nu de voeging ter terechtzitting voor het requisitoir dient te geschieden, dient de benadeelde partij volgens de officier van justitie formeel niet-ontvankelijk te worden verklaard in haar vordering.

De rechtbank is van oordeel dat de benadeelde partij kan worden ontvangen in haar vordering, nu de voeging conform artikel 51g, eerste lid, Sv vóór aanvang van de terechtzitting is geschied bij de officier van justitie die met vervolging van het strafbare feit is belast door middel van een opgave van de inhoud van de vordering en van de gronden waarop deze berust. De vordering is dus tijdig en op de juiste wijze ingediend. Ter terechtzitting heeft de verdediging de vordering alsnog ontvangen en de gelegenheid gekregen om deze te bestuderen en hierover een standpunt in te nemen. De rechtbank zal de vordering daarom inhoudelijk beoordelen.

De rechtbank heeft hiervoor overwogen dat bewezen kan worden verklaard dat verdachte de feiten 1 en 2 heeft gepleegd. Dit betekent ook dat verdachte onrechtmatig heeft gehandeld naar de benadeelde partij toe en dat hij verplicht is de schade van de benadeelde partij te vergoeden. De gevorderde schade staat in een voldoende verband met het bewezenverklaarde handelen van verdachte, zodat ook sprake is van schade die een rechtstreeks gevolg is van het bewezenverklaarde feit. De door de benadeelde gevorderde schadevergoeding ter zake materiele schade acht de rechtbank toewijsbaar vermeerderd met de wettelijke rente, vanaf 10 oktober 2021 tot aan de dag der voldoening.

De rechtbank zal tevens de schadevergoedingsmaatregel opleggen tot betaling van het toegekende schadebedrag. Dit betekent dat het CJIB de inning zal verzorgen en dat bij niet betaling gijzeling kan worden toegepast als dwangmiddel. De door de benadeelde gevorderde schadevergoeding ter zake materiele schade acht de rechtbank toewijsbaar, vermeerderd met de wettelijke rente, vanaf 10 oktober 2021 tot aan de dag der voldoening.

De rechtbank stelt vast dat verdachte het strafbare feit samen met een ander heeft gepleegd en dat zij naar burgerlijk recht hoofdelijk aansprakelijk zijn voor de gehele schade. Daarom zal de rechtbank de vordering en de schadevergoedingsmaatregel hoofdelijk toewijzen. Dit betekent dat verdachte niet meer hoeft te betalen voor zover het bedrag door de mededader is betaald, en andersom.

[benadeelde partij]

De benadeelde partij [benadeelde partij] vordert een schadevergoeding van

€ 13.241,14 voor feit 3.

De verdediging en de officier van justitie stellen zich op het standpunt dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in verband met het ontbreken van een rechtstreeks verband tussen de schade en het bewezenverklaarde feit.

De rechtbank is van oordeel dat voldoende verband met het bewezenverklaarde handelen van verdachte ontbreekt, zodat geen sprake is van schade die rechtstreeks is toegebracht door het bewezenverklaarde feit. De benadeelde partij zal daarom niet-ontvankelijk worden verklaard in de vordering.

8 De wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen

  • -

    de artikelen 14a, 14b, 14c, 36b, 36c, 36f, 47, 55, 57 en 63 van het Wetboek van Strafrecht;

  • -

    de artikelen 1a, 2 en 6 van de Wet op de economische delicten;

  • -

    artikel 10.1 van de Wet Milieubeheer;

zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezenverklaarde.

9 De beslissing

De rechtbank:

Vrijspraak

- spreekt verdachte vrij van het onder 3 tenlastegelegde feit;

Bewezenverklaring

- verklaart het tenlastegelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 4.4 is omschreven;

- spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;

Strafbaarheid

- verklaart dat het bewezenverklaarde de volgende strafbare feiten oplevert:

Eendaadse samenloop van

feit 1: Overtreding van een voorschrift gesteld bij of krachtens artikel 10.1, tweede lid, van de Wet milieubeheer, opzettelijk begaan

en

feit 2: Overtreding van een voorschrift gesteld bij of krachtens artikel 10.2, derde lid, van de Wet milieubeheer, opzettelijk begaan;

- verklaart verdachte strafbaar;

Strafoplegging

- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 180 (honderdtachtig) dagen, waarvan 123 (honderd drieëntwintig) dagen voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar;

- bepaalt dat het voorwaardelijke deel van de straf niet ten uitvoer wordt gelegd, tenzij de rechter tenuitvoerlegging gelast, omdat verdachte voor het einde van de proeftijd de hierna vermelde voorwaarden niet heeft nageleefd;

- stelt als algemene voorwaarde dat verdachte zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;

- bepaalt dat de tijd die verdachte voor de tenuitvoerlegging van dit vonnis in voorarrest heeft doorgebracht in mindering wordt gebracht bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf;

- veroordeelt verdachte tot een taakstraf van 240 (tweehonderdveertig) uren;

- beveelt dat indien verdachte de taakstraf niet naar behoren verricht, vervangende hechtenis zal worden toegepast van 120 (honderdtwintig) dagen;

Benadeelde partijen

- veroordeelt verdachte tot betaling aan de benadeelde partij [slachtoffer] van

€ 10.822,05, ter zake van materiële schade, vermeerderd met de wettelijke rente, vanaf 10 oktober 2021 tot aan de dag der voldoening;

- bepaalt dat verdachte met de mededader(s) hoofdelijk aansprakelijk is voor het gehele bedrag;

- veroordeelt verdachte tevens in de kosten van de benadeelde partij tot nu toe gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken, tot nu toe begroot op nihil;

- legt aan verdachte de verplichting op aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer] (feit 1 + 2), € 10.822,05 te betalen vermeerderd met de wettelijke rente, vanaf 10 oktober 2021 tot aan de dag der voldoening;

- bepaalt dat bij niet betaling 89 dagen gijzeling kan worden toegepast, met dien verstande dat toepassing van de gijzeling de betalingsverplichting niet opheft;

- bepaalt dat verdachte met de mededader hoofdelijk aansprakelijk is voor het gehele bedrag;

- bepaalt dat bij voldoening van de schadevergoedingsmaatregel de betalingsverplichting aan de benadeelde partij vervalt en omgekeerd;

Benadeelde partijen

- verklaart de benadeelde partij [benadeelde partij] niet-ontvankelijk in de vordering en bepaalt dat de vordering bij de burgerlijke rechter kan worden aangebracht;

- veroordeelt de benadeelde partij [benadeelde partij] in de kosten van verdachte, tot nu toe begroot op nihil.

Dit vonnis is gewezen door mr. J.C. Gillesse, voorzitter, mr. N. van der Ploeg-Hogervorst en mr. M.A.H. Kempen, rechters, in tegenwoordigheid van mr. E.J. van der Welle, griffier, en is uitgesproken ter openbare zitting op 9 september 2021.

Mr. M.A.H. Kempen en mr J.C. Gillesse zijn buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.