Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZWB:2021:4517

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak
14-09-2021
Datum publicatie
14-09-2021
Zaaknummer
02-111912-20
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

Veroordeling voor overtreding van artikelen 5, 6 en 8 WVW. Aan verdachte worden een taakstraf voor de duur van 240 uren, een gevangenisstraf voor de duur van 3 maanden geheel voorwaardelijk, en een

rijontzegging voor de duur van 3 jaren opgelegd

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Strafrecht

Zittingsplaats: Breda

parketnummer: 02-111912-20

vonnis van de meervoudige kamer van 14 september 2021

in de strafzaak tegen

[verdachte]

geboren op [geboortedag] 1974 te [geboorteplaats]

wonende te [adres]

raadsman mr. S. de Goede, advocaat te Breda

1 Onderzoek van de zaak

De zaak is inhoudelijk behandeld op de zitting van 31 augustus 2021, waarbij de officier van justitie, mr. A.I.M.M. Gudde, en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt.

2 De tenlastelegging

De tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht.

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte

1: terwijl hij onder invloed van alcohol verkeerde, een verkeersongeval heeft veroorzaakt waardoor [naam 1] , [naam 2] , [naam 3] en [naam 4] letsel hebben opgelopen en [naam 5] zwaar lichamelijk letsel heeft opgelopen. Dit is in verschillende juridische varianten tenlastegelegd;

2: onder invloed van alcohol een auto heeft bestuurd.

3 De voorvragen

De dagvaarding is geldig.

De rechtbank is bevoegd.

De officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging.

Er is geen reden voor schorsing van de vervolging.

4 De beoordeling van het bewijs

4.1

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan overtreding van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994 (hierna te noemen: WVW). Slachtoffer [naam 5] heeft zwaar lichamelijk letsel opgelopen doordat verdachte aanmerkelijk onvoorzichtig heeft gereden.

Daarnaast acht de officier van justitie wettig en overtuigend bewezen dat verdachte artikel 5 WVW heeft overtreden waardoor gevaar is ontstaan en [naam 1] , [naam 2] , [naam 3] en [naam 4] letsel hebben opgelopen.

Tot slot acht de officier van justitie ook de overtreding van artikel 8 WVW wettig en overtuigend bewezen.

4.2

Het standpunt van de verdediging

De verdediging is van mening dat de rechtbank niet tot een bewezenverklaring kan komen van overtreding van artikel 6 WVW. Zij stelt zich hierbij op het standpunt dat er geen sprake is van zwaar lichamelijk letsel of tijdelijke verhindering in de uitoefening van de normale bezigheden. Indien de rechtbank wel tot een bewezenverklaring komt dan is er geen sprake van roekeloosheid of zeer onvoorzichtig rijgedrag, omdat het causale verband tussen enerzijds het alcoholgebruik en de hoge snelheid en anderzijds de aanrijding niet kan worden vastgesteld. Uit de gedragingen kan slechts volgen dat er aanmerkelijk onvoorzichtig is gereden.

Ten aanzien van de bewezenverklaring van overtreding artikel 5 WVW heeft de verdediging opgemerkt dat het letsel van [naam 2] en [naam 3] onvoldoende is komen vast te staan. Voor het overige refereert de verdediging zich ten aanzien van dit feit aan het oordeel van de rechtbank.

Ook voor de bewezenverklaring van overtreding van artikel 8 WVW refereert de verdediging zich aan het oordeel van de rechtbank.

4.3

Het oordeel van de rechtbank

4.3.1

De bewijsmiddelen

De bewijsmiddelen zijn in bijlage II aan dit vonnis gehecht.

4.3.2

De bijzondere overwegingen met betrekking tot het bewijs

4.3.2.1 Feiten
Uit de bewijsmiddelen als opgenomen in de bijlage volgt dat verdachte op 10 april 2020 heeft gereden op de A16 in de gemeente Moerdijk. Op die snelweg is de auto van verdachte in aanrijding gekomen met de auto waarin [naam 1] , [naam 2] , [naam 3] , [naam 4] en [naam 5] zaten. Verdachte was op het moment van die aanrijding onder invloed van alcohol. Uit de ademanalyse is een waarde van 755 microgram alcohol per uitgeademde liter lucht gebleken. Deze waarde ligt ver boven de grens van 220 microgram. Uit het forensisch onderzoek is gebleken dat verdachte kort voor de aanrijding heeft gereden met een snelheid van rond de 166 kilometer per uur terwijl ter plaatse 130 kilometer per uur was toegestaan. Daarnaast is gebleken dat verdachte pas 2 seconden voor de aanrijding heeft gereageerd door te remmen. Bij deze aanrijding heeft [naam 5] een bekkenfractuur opgelopen en zijn ook [naam 1] , [naam 2] , [naam 3] en [naam 4] gewond geraakt.

4.3.2.2 Artikel 6 WVW

De verdediging heeft betoogd dat er geen sprake kan zijn van een overtreding van artikel 6 WVW, omdat het bij aangever [naam 5] geconstateerde letsel niet aan te merken is als zwaar lichamelijk letsel en ook niet gebleken is dat er sprake is geweest van tijdelijke verhindering in de uitoefening van normale bezigheden. Uit de geneeskundige verklaring blijkt echter dat [naam 5] door de aanrijding een bekkenfractuur heeft opgelopen waardoor een operatie noodzakelijk was. Uit de verklaring van [naam 5] blijkt dat hij ook daadwerkelijk is geopereerd aan deze fractuur. De rechtbank is van oordeel dat hiermee sprake is van zwaar lichamelijk letsel. Dat de rechtbank niet beschikt over actuele informatie over de periode van herstel van deze verwonding, doet hier niets aan af.

Gelet op voorstaand oordeel zal de rechtbank moeten beoordelen in welke mate er sprake is van schuld van verdachte aan de aanrijding. Van schuld in de zin van artikel 6 WVW is pas sprake in geval van een aanmerkelijke mate van verwijtbare onvoorzichtigheid. Volgens vaste jurisprudentie van de Hoge Raad is niet in zijn algemeenheid aan te geven of één verkeersovertreding voldoende kan zijn voor bewezenverklaring van schuld in de zin van artikel 6 WVW, maar komt het daarbij aan op het geheel van de gedragingen van verdachte, de aard en de concrete ernst van de verkeersovertreding en de overige omstandigheden van het geval. Voorts kan niet reeds uit de ernst van de gevolgen van verkeersgedrag dat in strijd is met één of meer wettelijke gedragsregels in het verkeer worden afgeleid dat er sprake is van schuld in vorenbedoelde zin (HR 1 juni 2004, ECLI:NL:HR:2004:AO5822).

Voor de beoordeling van de vraag of verdachte het tenlastegelegde heeft begaan, dient de rechtbank op grond van voormeld toetsingskader vast te stellen of de bewezen geachte feitelijke gedragingen, gegeven de aard en de ernst daarvan, en de overige omstandigheden, de conclusie kunnen rechtvaardigen dat verdachte schuld heeft aan het verkeersongeval in de zin van artikel 6 WVW. Het gedrag van verdachte moet daarvoor worden afgemeten aan dat wat van een automobilist in het algemeen en gemiddeld genomen mag worden verwacht.

Verdachte heeft ter zitting verklaard dat hij erg vermoeid was toen hij op 10 april 2020 op de A16 reed. Hoewel hij wist dat vermoeidheid het concentratievermogen kan verminderen, heeft verdachte besloten in de auto te stappen en te gaan rijden. Uit de bewijsmiddelen is bovendien gebleken dat verdachte heeft gereden onder invloed van meer dan drie keer de toegestane hoeveelheid alcohol. Het is een feit van algemene bekendheid dat het gebruik van alcohol de rijvaardigheid negatief beïnvloedt. De reactietijd neemt door het gebruik van alcohol toe, dit terwijl bestuurders die alcohol hebben gebruikt hun eigen rijvaardigheid op dat moment overschatten. Hoewel de snelheidsmeting niet is gevalideerd, kan op grond van de bevindingen van het forensische onderzoek worden vastgesteld dat verdachte in de seconden voor de aanrijding aanzienlijk harder dan de toegestane snelheid heeft gereden. Het is een feit van algemene bekendheid dat de remweg langer is wanneer de snelheid van een voertuig hoger is. Er was in dit geval sprake van een groot snelheidsverschil met het voertuig dat is aangereden. Dit snelheidsverschil was echter niet dermate groot dat van verdachte geen adequate reactie mocht worden verwacht. Van een gemiddelde bestuurder mag juist worden verwacht dat hij kan reageren op dergelijke situaties. Uit het feit dat verdachte pas 2 seconden voor de aanrijding heeft gereageerd door te remmen, blijkt dat hij niet bij voortduring zijn aandacht op het verkeer voor en rond hem heeft gericht en gericht heeft gehouden. Dat verdachte niet heeft uitgeweken om de aanrijding met de auto voor hem te voorkomen, blijkt uit het forensisch onderzoek en het feit dat de aanrijding effectief is ontstaan. De rechtbank stelt vast dat het dossier geen grondslag biedt om te veronderstellen dat de aanrijding is ontstaan door een andere oorzaak dan de gedragingen van verdachte. Zij verwerpt dan ook het verweer van de verdediging dat er geen causaal verband is tussen enerzijds de aanrijding en anderzijds de gereden snelheid en het alcoholgebruik door verdachte. De rechtbank is van oordeel dat uit alle gedragingen tezamen blijkt dat verdachte meerdere verkeerde keuzes heeft gemaakt waardoor de aanrijding is ontstaan. Om die reden is zij van oordeel dat er sprake is van zeer onvoorzichtig en onoplettend rijgedrag.

De rechtbank acht dan ook wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan overtreding van artikel 6 WVW en dat hierbij zwaar lichamelijk letsel is toegebracht aan [naam 5] . Dit alles terwijl verdachte heeft gereden onder invloed van alcohol.

4.3.2.3 Artikel 5 WVW

Nu de rechtbank tot een veroordeling voor overtreding van artikel 6 WVW komt met zwaar lichamelijk letsel ten aanzien van Sobzcak, zal zij de subsidiair tenlastegelegde verdenking van artikel 5 WVW alleen ten aanzien van de overige inzittenden beoordelen.

De verdediging heeft betoogd dat het letsel van [naam 2] en [naam 3] onvoldoende is vast komen te staan. De rechtbank stelt vast dat niet ieder onderdeel van de tenlastelegging gedekt hoeft te worden met twee bewijsmiddelen. Zij is van oordeel dat uit de verklaringen van [naam 2] en [naam 3] voldoende blijkt dat zij letsel hebben overgehouden aan de aanrijding. Hoewel over [naam 2] een geneeskundige informatie ontbreekt, sluit zijn letsel aan bij letsel dat te verwachten is bij een dergelijk ongeval. Het letsel van [naam 3] is wel omschreven in een geneeskundige verklaring. Dat er direct na de aanrijding geen uitwendig letsel is waargenomen, betekent niet dat er inwendig geen sprake is van letsel in bijvoorbeeld de vorm van kneuzingen. Het door [naam 3] zelf omschreven letsel past ook bij het letsel dat te verwachten is door de impact van de aanrijding.

De rechtbank heeft reeds onder 4.3.2.2 de gedragingen van verdachte omschreven. Die gedragingen hebben geleid tot een aanrijding waarbij [naam 1] , [naam 2] , [naam 3] en [naam 4] letsel hebben opgelopen. De rechtbank is van oordeel dat de gedragingen van verdachte gevaar hebben veroorzaakt op de weg. Zij acht de overtreding van artikel 5 WVW dan ook wettig en overtuigend bewezen.

4.3.2.4 Artikel 8 WVW

Gelet op de bewijsmiddelen als opgenomen in de bewijsbijlage acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat verdachte heeft gereden onder invloed van 755 microgram alcohol per uitgeademde liter lucht.

4.4

De bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte

1
op 10 april 2020 te Zevenbergen, gemeente Moerdijk, als bestuurder van een motorrijtuig, daarmede rijdende over de weg, (de A16), zich zodanig heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden door

zeer onvoorzichtig en onoplettend,

na het gebruik van alcoholhoudende drank te gaan rijden, en

te rijden met een snelheid die hoger lag dan de aldaar maximale wettelijke toegestane snelheid, en

niet bij voortduring zijn aandacht te richten en gericht te houden op het voor hem gelegen weggedeelte van die weg, en

niet tijdig, het door hem bestuurde motorrijtuig af te remmen, en
niet met het door hem bestuurde motorrijtuig uit te wijken, teneinde een aanrijding te voorkomen met een voor hem, verdachte, op de weg rijdend personenauto,

ten gevolge waarvan hij met het door hem bestuurde motorrijtuig, in aanrijding is gekomen met een voor hem op de weg rijdende personenauto, waardoor [naam 5] zwaar lichamelijk letsel, te weten een bekkenfractuur, werd toegebracht, terwijl hij, verdachte, verkeerde in de toestand als bedoeld in artikel 8, eerste of tweede lid van de Wegenverkeerswet 1994;

De in deze tenlastelegging gebruikte termen en uitdrukkingen worden, voor zover daaraan in de Wegenverkeerswet 1994 betekenis is gegeven, geacht in dezelfde betekenis te zijn gebezigd;

en

op 10 april 2020 te Zevenbergen, gemeente Moerdijk als bestuurder van een personenauto, daarmee rijdende op de weg, de A16, na het gebruik van alcoholhoudende drank heeft gereden, en

heeft gereden met een snelheid die hoger lag dan de aldaar maximale wettelijke toegestane snelheid, en
niet bij voortduring zijn aandacht heeft gericht en gericht heeft gehouden op het voor hem gelegen weggedeelte van die weg, en

niet tijdig, het door hem bestuurde motorrijtuig heeft afgeremd, en

niet, met het door hem, verdachte, bestuurde motorijtuig uit heeft geweken, teneinde een aanrijding te voorkomen met een voor hem op de weg rijdende personenauto,

ten gevolge waarvan hij met het door hem bestuurde motorijtuig in aanrijding is gekomen met een voor hem op de weg rijdende personenauto alwaar [naam 1] en [naam 2] en [naam 3] en [naam 4] [naam 5] . zich in bevonden en waarbij enig letsel is ontstaan bij die [naam 1] en [naam 2] en [naam 3] en [naam 4] ,

door welke gedragingen van verdachte gevaar op die weg werd veroorzaakt;

2

op 10 april 2020 te Zevenbergen, gemeente Moerdijk als bestuurder van een personenauto, dit voertuig heeft bestuurd, na zodanig gebruik van alcoholhoudende drank, dat het alcoholgehalte van zijn adem bij een onderzoek, als bedoeld in artikel 8, tweede lid, aanhef en onder a van de Wegenverkeerswet 1994, 755 microgram, alcohol per liter uitgeademde lucht bleek te zijn.

Voor zover er in de tenlastelegging kennelijke taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn die fouten in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet in zijn verdediging geschaad.

De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

5 De strafbaarheid

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten. Dit levert de in de beslissing genoemde strafbare feiten op.

Verdachte is strafbaar, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die zijn strafbaarheid uitsluit.

6 De strafoplegging

6.1

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie vordert aan verdachte op te leggen een gevangenisstraf voor de duur van 12 maanden en een ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van 3 jaren.

6.2

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft verzocht te volstaan met een taakstraf en een ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen, eventueel aangevuld met een voorwaardelijke gevangenisstraf.

6.3

Het oordeel van de rechtbank

Verdachte heeft, door onder invloed van alcohol te hard te rijden en zijn aandacht onvoldoende bij het verkeer te houden, een ernstige aanrijding veroorzaakt. De personenauto met daarin [naam 1] , [naam 2] , [naam 3] , [naam 4] en [naam 5] is hierdoor over de vangrail gevlogen en tegen een hekwerk naast de snelweg terecht gekomen. Een balk van dit hekwerk heeft vervolgens de voorruit van die auto doorboord. [naam 5] heeft bij deze aanrijding zwaar lichamelijk letsel opgelopen en ook de anderen inzittenden zijn gewond geraakt. Het is een wonder dat niemand is overleden. De rechtbank rekent verdachte dit feit dan ook zwaar aan.

Volgens de oriëntatiepunten van de rechtbank is voor soortelijke zaken een gevangenisstraf voor de duur van 7 maanden en een ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van 3 jaren gepast. De rechtbank stelt vast dat verdachte geen justitiële documentatie heeft. Verdachte is vanuit Polen ter zitting verschenen. Hij heeft zich oprecht zeer berouwvol getoond en toegelicht hoe zwaar het gebeurde hem heeft aangegrepen en nog steeds aangrijpt. Hij heeft meegedeeld in het geheel geen alcohol meer te drinken en aangevoerd dat een gevangenisstraf een enorme impact zou hebben op hem en zijn gezin.

De rechtbank heeft geen nadere informatie over de slachtoffers ontvangen. Zij kan dan ook slechts uitgaan van de geschatte herstelduur in de medische verklaringen en aannemen dat de slachtoffers volledig zijn hersteld.

Alles overwegende is de rechtbank van oordeel dat ondanks de ernst van het feit, gelet op het voorgaande, een onvoorwaardelijke gevangenisstraf in dit specifieke geval niet passend is. Zij legt aan verdachte een taakstraf voor de duur van 240 uren op. Daarnaast legt de rechtbank aan verdachte een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 3 maanden op met een proeftijd van 2 jaren. Met deze voorwaardelijke straf wordt beoogd de ernst van het feit uit te drukken en verdachte ervan te weerhouden opnieuw strafbare feiten te plegen. Tot slot legt de rechtbank aan verdachte ook een ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van 3 jaren op. Zij bepaalt dat de tijd dat het rijbewijs van verdachte ingevorderd is geweest op deze ontzegging in mindering wordt gebracht.

7 De wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 9, 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 57 en 62 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 5, 6, 8, 175, 176, 177 en 179 van de Wegenverkeerswet 1994 zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezenverklaarde.

8 De beslissing

De rechtbank:

Bewezenverklaring

- verklaart het tenlastegelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 4.4 is omschreven;

- spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;

Strafbaarheid

- verklaart dat het bewezenverklaarde de volgende strafbare feiten oplevert:

Feit 1: overtreding van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994, terwijl het een
ongeval betreft waardoor een ander zwaar lichamelijk letsel wordt toegebracht
en terwijl de schuldige verkeerde in de toestand, bedoeld in artikel 8, tweede lid,
onderdeel a van deze wet
en

overtreding van het bepaalde in artikel 5 van de Wegenverkeerswet 1994;

Feit 2: overtreding van het bepaalde in artikel 8 van de Wegenverkeerswet 1994
(755 microgram);

- verklaart verdachte strafbaar;

Strafoplegging

- veroordeelt verdachte tot een taakstraf van 240 uren;

- beveelt dat indien verdachte de taakstraf niet naar behoren verricht, vervangende hechtenis zal worden toegepast van 120 dagen;

- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 3 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren;

- bepaalt dat deze straf niet ten uitvoer wordt gelegd, tenzij de rechter tenuitvoerlegging gelast, omdat verdachte voor het einde van de proeftijd de hierna vermelde voorwaarden niet heeft nageleefd;

- stelt als algemene voorwaarde dat verdachte zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;

Bijkomende straffen

- veroordeelt verdachte tot een ontzegging van de bevoegdheid om motorrijtuigen te besturen van 3 jaren;

- bepaalt dat de tijd dat verdachte zijn rijbewijs al heeft ingeleverd in mindering wordt gebracht op de rijontzegging.

Dit vonnis is gewezen door mr. A.L. Hoekstra, voorzitter, mr. D. van Kralingen en mr. E.G.F. Vliegenberg, rechters, in tegenwoordigheid van mr. J. van Eekelen, griffier, en is uitgesproken ter openbare zitting op 14 september 2021.

Mr. D. van Kralingen en mr. A.L. Hoekstra zijn niet in de gelegenheid dit vonnis mede te ondertekenen.