Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZWB:2021:4509

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak
09-09-2021
Datum publicatie
09-09-2021
Zaaknummer
02-067496-21
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

Verdachte wordt vrijgesproken wegens het gebrek aan voldoende wettig en overtuigend bewijs. De bril van verdachte betreft een veelvoorkomend montuur, waardoor aan de hand hiervan geen herkenning op de camerabeelden plaatsvinden. Ook het feit dat de telefoon van verdachte in de pleegdatum een telefoonmast in de omgeving van de plaats delict heeft aangestraald heeft geen belastede betekenis, aangezien verdachte in deze omgeving woonachtig is.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Strafrecht

Zittingsplaats: Breda

Parketnummer: 02/067496-21

vonnis van de meervoudige kamer van 9 september 2021

in de strafzaak tegen

[verdachte]

geboren op [geboortedag] 2002 te [geboorteplaats]

wonende te [adres]

raadsman: mr. D. Vong, advocaat te Rijen

1 Onderzoek van de zaak

De zaak is inhoudelijk behandeld op de zitting van 25 augustus 2021, waarbij de officier van justitie, mr. C.C. Brandwijk, en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt.

Het onderzoek ter zitting is gesloten op 26 augustus 2021.

2 De tenlastelegging

De tenlastelegging is gewijzigd overeenkomstig artikel 314a van het Wetboek van Strafvordering. De tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht.

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte:

1. samen met anderen) de telefoon, horloge, en portemonnee met daarin meerdere bankpassen, pincodes en inloggegevens van de bankapplicatie van [aangever] heeft gestolen door [aangever] te bedreigen met het gebruik van geweld en tevens geweld tegen hem te gebruiken;

2. ( samen met anderen) [aangever] enige tijd tegen zijn wil heeft vastgehouden en ontvoerd;

3. ( samen met anderen) een geldbedrag van € 32.620,00 van [aangever] heeft gestolen.

3 De voorvragen

De dagvaarding is geldig.

De rechtbank is bevoegd.

De officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging.

Er is geen reden voor schorsing van de vervolging.

4 De beoordeling van het bewijs

4.1

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie voert aan dat wettig en overtuigend kan worden bewezen dat verdachte zich tezamen en in vereniging met de medeverdachten schuldig heeft gemaakt aan de tenlastegelegde feiten 1 tot en met 3. Zij verwijst daarbij allereerst naar de aangifte van [aangever], die wordt ondersteund door de foto’s van het letsel, de foto van de internetbankierenapplicatie van [aangever] op de telefoon van medeverdachte [medeverdachte 1], de bankafschriften en de camerabeelden van de pinautomaat. Daarnaast blijkt uit de bewijsmiddelen in het dossier dat verdachte is herkend als de persoon die overeenkomsten vertoont met één van de personen op de camerabeelden van de pinautomaat en dat zijn bril dezelfde kenmerken heeft als de bril van de pinner. Verder volgt uit onderzoek aan zijn telefoon dat deze aan het begin van de avond een zendmast in de omgeving van de plaats delict heeft aangestraald en de volgende dag in Amsterdam, waar een grote hoeveelheid dure goederen zijn aangeschaft. Dat er sprake is geweest van een nauwe en bewuste samenwerking tussen verdachte en de medeverdachten, volgt uit de vaste werkwijze, waarbij voorafgaand aan de feiten voorbereidingen werden getroffen.

4.2

Het standpunt van de verdediging

De verdediging bepleit integrale vrijspraak wegens het ontbreken van voldoende wettig en overtuigend bewijs. Het enkele feit dat de telefoon van verdachte een zendmast in de directe omgeving van de plaats delict heeft aangestraald en zijn bril overeenkomsten vertoont met de bril die de persoon op de camerabeelden van de pinautomaat draagt, is onvoldoende om tot een veroordeling te kunnen komen. Verdachte is namelijk woonachtig in de omgeving van de zendmast, waardoor deze zendmast vaker door zijn telefoon wordt aangestraald. Daarnaast is zijn bril een veelvoorkomend model, waarop geen herkenning kan worden gebaseerd. Bovendien zijn er bij de doorzoeking in zijn woning en onderzoek aan zijn telefoon geen goederen, foto’s, screenshots of aankoopbewijzen aangetroffen die in verband kunnen worden gebracht met de tenlastegelegde feiten.

4.3

Het oordeel van de rechtbank

Wegens het ontbreken van wettig en overtuigend bewijs zal de rechtbank verdachte vrijspreken van alle drie aan hem tenlastegelegde feiten. De rechtbank overweegt daartoe als volgt.

De feiten

Aangever [aangever] is op 3 december 2020 via een internetdate door ‘[naam]’ naar Tilburg gelokt. Als hij rond 20.30 uur zijn auto verlaat en op instructie van ‘[naam]’ door een poortje van een hek bij voetbalvelden loopt, komt er een groepje van vier personen op hem aflopen. Daarna vindt er een gewelddadige beroving van onder andere zijn twee bankpassen plaats en geeft de doodsbange aangever ook de bijbehorende pincodes. Van 20.30 uur tot 00:10 uur blijft aangever op de grond liggen, terwijl twee van de vier mannen bij hem blijven en de andere twee weggaan met zijn spullen en tussendoor ook terugkomen. Uiteindelijk staan de vier mannen en later nog twee andere personen bij aangever. Hij krijgt dan zijn autosleutel en rijbewijs terug en moet nog tien minuten blijven liggen, waarna de zes mannen vertrekken. Aangever geeft van alle zes mannen een signalement, maar in geen enkel signalement noemt hij het dragen van een bril. Wel benoemt aangever dat alle zes mannen een zwart mondkapje droegen.

Nadien blijkt uit het overzicht van de pintransacties met de bankpassen van aangever dat er vanaf 3 december 2020 21:31 uur tot en met 4 december 2020 00:18 uur in totaal 19 geldopnames zijn gedaan bij de geldautomaat van de bank aan het Kloosterplein in Goirle. Daarbij wordt steeds € 2.000,00 opgenomen. Daarbij gaat het overwegend om sets van meerdere opnames achter elkaar met meestal maar een minuut verschil.

In samenhang met het relaas van verbalisant [verbalisant 1] over de door haar uitgekeken relevante camerabeelden van de betreffende geldautomaat blijkt dat de opnames van 21:13 uur, 21:15 uur, 21:16 uur, 21:17 uur, 21:18 uur en 21:31 uur worden gedaan door een persoon met een bril. Uit het relaas van verbalisant [verbalisant 2] over dezelfde beelden blijkt dat deze pinner met bril een lichtblauw mondmasker droeg. De andere 13 opnames worden in twee sets gedaan door een persoon zonder bril.

Medeplegen diefstal met geweld (feit 1) en wederrechtelijke vrijheidsberoving (feit 2)

De mogelijkheid dat de pinner met bril alleen de hiervoor genoemde geldopnames heeft verricht en geen andere bijdrage heeft geleverd, is niet buiten redelijke twijfel uit te sluiten. Aangever heeft immers bij de vier medeplegers van de diefstal met geweld en wederrechtelijke vrijheidsberoving geen man met bril gezien. Ook niet bij de twee mannen die op het laatst aansloten. Bovendien droeg de pinner met bril een lichtblauw mondmasker, terwijl aangever in het signalement van alle zes betrokken mannen over een zwart mondkapje spreekt. Nu verdere informatie over de intensiteit van de samenwerking met de pinner met bril ontbreekt, moet alleen al om die reden vrijspraak volgen van het medeplegen van de diefstal met geweld van feit 1 en de wederrechtelijke vrijheidsberoving van feit 2. Dat er sprake is geweest van de daarvoor vereiste bewuste en nauwe samenwerking van de pinner met bril met zijn medeverdachte(n) kan immers niet wettig en overtuigend bewezen. Daarbij merkt de rechtbank specifiek over verdachte nog op dat het aanstralen van zijn telefoon om 20:07:32 uur op masten die ook de plaats delict bestrijken geen belastende betekenis heeft, nu verdachte dicht in de buurt van die plaats delict woont. De rechtbank zal verdachte dan ook vrijspreken van de feiten 1 en 2.

Medeplegen diefstal met een valse sleutel (feit 3)

Wel wettig en overtuigend kan worden bewezen dat de pinner met bril medepleger is van in ieder geval een deel van de tenlastegelegde diefstal met een valse sleutel: de gestolen bankpassen van aangever (en bijbehorende pincodes). De vraag is echter of ook wettig en overtuigend bewezen kan worden dat verdachte deze pinner met bril is.

Cruciaal in de bewijsconstructie van de officier van justitie is in feite dat verdachte een soortgelijke bril zou dragen als de pinner met bril. Enig ander specifiek kenmerk van het gezicht van de pinner met bril is op de betreffende still van de camerabeelden niet te zien en in het eindproces-verbaal ook niet benoemd. Het is dus hooguit zijn bril die is herkend. Daarvoor wijst verbalisant [verbalisant 3] op het formaat van de bril, de kleine zilverkleurige details links- en rechtsboven op de bril en de kleur van de bril. Daarover heeft de raadsman echter terecht en onderbouwd bepleit dat dat montuur niet zo uniek is dat het alleen past bij een bril als die van verdachte.

De herkenningen van verdachte zelf, waar de officier van justitie naar verwijst, zijn herkenningen van verdachte met bril op selfies die hij met zijn telefoon heeft gemaakt van hemzelf met onder andere medeverdachte [medeverdachte 2]. Daarbij is zijn hele gezicht duidelijk en helder in beeld. Die selfies zeggen op zich niets over zijn betrokkenheid bij de tenlastegelegde diefstal met een valse sleutel op 3 december 2020. Daaruit blijkt wel dat verdachte contact heeft met medeverdachte [medeverdachte 2]. Die is medeverdachte voor alle drie de feiten met aangever [aangever] als slachtoffer, terwijl hij ook nog eens verdacht wordt van soortgelijke feiten gepleegd in de avond van 28 op 29 november 2020 met een ander slachtoffer. Verdachte is in ieder geval niet vervolgd voor deze soortgelijke feiten.

Op de telefoon van verdachte is ook een selfie aangetroffen met nog een andere verdachte van voornoemde soortgelijke feiten met een ander slachtoffer. De officier van justitie heeft echter besloten die persoon niet te vervolgen voor de zaak van aangever [aangever]. Opmerkelijk in dat verband is dat verbalisant [verbalisant 2] constateert dat bij die persoon een jas in beslag is genomen waarvan de plaatsing van het merklabel overeenkomt met een lichtere plek op de linkermouw van de jas van de pinner met bril van 21:31 uur.

Tot slot is verdachte op 4 december 2020 in Amsterdam geweest, net als zijn medeverdachte [medeverdachte 2] en diens twee medeverdachten van de soortgelijke zaak uit november 2020. Ook dat is in samenhang met een soortgelijke en niet bepaald unieke bril onvoldoende om wettig en overtuigend te kunnen bewijzen dat het verdachte de pinner met bril is geweest. De rechtbank zal verdachte daarom ook vrijspreken van feit 3.

5 De benadeelde partij

De benadeelde partij [aangever] vordert een schadevergoeding van € 1.000,00 aan immateriële schade voor de tenlastegelegde feiten 1 tot en met 3.

Verdachte zal worden vrijgesproken van de feiten waaruit de schade zou zijn ontstaan.

De rechtbank zal de benadeelde partij daarom niet-ontvankelijk verklaren in de vordering.

6 De beslissing

De rechtbank:

Vrijspraak

- spreekt verdachte vrij van de onder 1, 2 en 3 tenlastegelegde feiten;

Benadeelde partij

- verklaart de benadeelde partij [aangever] niet-ontvankelijk in de vordering;

- veroordeelt de benadeelde partij [aangever] in de kosten van verdachte, tot nu toe begroot op nihil.

Dit vonnis is gewezen door mr. M. Diepenhorst, voorzitter, mr. T.J. van Gessel en

mr. R.J.H. de Brouwer, rechters, in tegenwoordigheid van mr. C.J.I.F. van Beek, griffier,

en is uitgesproken ter openbare zitting op 9 september 2021.

Mr. R.J.H. de Brouwer is niet in de gelegenheid dit vonnis mede te ondertekenen.