Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZWB:2021:4508

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak
09-09-2021
Datum publicatie
09-09-2021
Zaaknummer
02-310280-20
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

Verdachte heeft zich samen met zijn mededaders schuldig gemaakt aan een gewelddadige beroving, waarbij zij zeer geraffineerd te werk zijn gegaan. Zij hebben het slachtoffer allereerst onder een valse naam en valse voorwendselen via een datingsite benaderd. Vervolgens hebben zij hem in de (donkere) avonduren naar een voor het slachtoffer onbekende plek gelokt, waar zij het slachtoffer hebben aangevallen en op brute wijze geweld op hem hebben uitgeoefend om hem te dwingen mee te werken. Daarbij hebben zij zelfs wapens gebruikt. Gelet op de aard en de ernst van het bewezenverklaarde is de rechtbank van oordeel dat een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van langere duur dient te worden opgelegd. Gelet op de straffen die in soortgelijke zaken zijn opgelegd en de jeugdige leeftijd van verdachte legt de rechtbank een lage straf op dan door de officier van justitie is geëist. Verdachte wordt veroordeeld voor een drietal feiten tot een gevangenisstraf van 34 maanden, met aftrek van het voorarrest.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Strafrecht

Zittingsplaats: Breda

Parketnummer: 02/310280-20

vonnis van de meervoudige kamer van 9 september 2021

in de strafzaak tegen

[verdachte]

geboren op [geboortedag] 2001 te [geboorteplaats]

wonende te [adres 1]

gedetineerd te RIJ Den Hey-Acker, Galderseweg 7, 4836 AB Breda

raadsman: mr. M.H.H. Meulemeesters, advocaat te Zeist

1 Onderzoek van de zaak

De zaak is inhoudelijk behandeld op de zitting van 25 augustus 2021, waarbij de officier van justitie, mr. C.C. Brandwijk, en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt.

Het onderzoek ter zitting is gesloten op 26 augustus 2021.

2 De tenlastelegging

De tenlastelegging is gewijzigd overeenkomstig artikel 314a van het Wetboek van Strafvordering. De tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht.

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte:

1. (samen met anderen) [slachtoffer] heeft gedwongen zijn bankpassen, pincodes, telefoon en autosleutels af te geven door hem te bedreigen en geweld tegen hem te gebruiken;

2. ( samen met anderen) [slachtoffer] enige tijd tegen zijn wil heeft vastgehouden en ontvoerd;

3. ( samen met anderen) goederen en geld van [slachtoffer] en/of de bank en winkels heeft gestolen.

3 De voorvragen

De dagvaarding is geldig.

De rechtbank is bevoegd.

De officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging.

Er is geen reden voor schorsing van de vervolging.

4 De beoordeling van het bewijs

4.1

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie voert aan dat wettig en overtuigend kan worden bewezen dat verdachte zich tezamen en in vereniging met medeverdachten [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] schuldig heeft gemaakt aan de tenlastegelegde feiten 1 tot en met 3. Zij verwijst daarbij allereerst naar de aangifte van [slachtoffer] , die wordt ondersteund door de foto’s van het letsel, de foto van de dug-out, de bankafschriften van [slachtoffer] en de foto van de bankapplicatie van [slachtoffer] op de telefoon van verdachte. Daarnaast blijkt uit de bewijsmiddelen in het dossier dat er in de woning van verdachte een identieke jas is aangetroffen als op de camerabeelden van de pinautomaat te zien is. Verder volgt uit onderzoek aan de telefoon van verdachte dat deze gedurende de pleegperiode zendmasten heeft aangestraald in zowel de omgeving van de Matterhornstraat, de pinautomaat als de plaats waar het slachtoffer is achtergelaten en dat hiermee is gebeld naar het [naam 1] , waarover aangever eveneens heeft verklaard. Dat er sprake is geweest van een nauwe en bewuste samenwerking tussen verdachte en de medeverdachten, volgt uit de vaste werkwijze, waarbij voorafgaand aan de feiten voorbereidingen werden getroffen.

De verklaring van verdachte, inhoudende dat hij enkel met de pinpas van het slachtoffer heeft gepind, dat hij zijn telefoon heeft afgegeven aan een ander en dat hij verder niets van doen heeft met de feiten, acht zij niet aannemelijk, gelet op de verklaring van [slachtoffer] , het tijdstip van het afleggen van de verklaring door verdachte en het feit dat er op zijn telefoon een video van [slachtoffer] is aangetroffen, die is gemaakt in de pleegperiode ten tijde van de feiten.

4.2

Het standpunt van de verdediging

De verdediging refereert zich voor feit 3 tot een bedrag van € 1.000,- aan het oordeel van de rechtbank, omdat verdachte op dit punt een bekennende verklaring heeft afgelegd. Van de overige onderdelen van feit 3 en de feiten 1 en 2 moet verdachte primair worden vrijgesproken wegens het ontbreken van voldoende wettig en overtuigend bewijs. Het enkele feit dat zijn telefoon in de pleegperiode zendmasten in de omgeving van de plaats delict heeft aangestraald is onvoldoende om tot een bewezenverklaring te kunnen komen, temeer nu verdachte heeft verklaard dat hij op dat moment niet de gebruiker van zijn telefoon was. De verklaring van verdachte wordt op dit punt bevestigd door de verklaring van zijn vader en de zendmastgegevens, en kan niet als ongeloofwaardig ter zijde worden geschoven vanwege het late tijdstip van het afleggen hiervan, omdat verdachte uit angst voor represailles niet eerder een (volledige) verklaring heeft afgelegd. Het door verdachte geschetste scenario past ook binnen de bewijsmiddelen van het dossier. Bovendien kan de aangifte van [slachtoffer] niet als uitgangspunt worden genomen voor het bewijs, omdat een deel van de aangifte niet op waarheid berust en [slachtoffer] geen bruikbare signalementen van de vermeende daders heeft opgegeven. Indien hiervan wel mocht worden uitgegaan, past verdachte gelet op de kleding die hij die avond droeg niet binnen één van deze signalementen.

Subsidiair voert de verdediging aan dat voor de feiten 1 en 2 partiële vrijspraak moet volgen voor het gebruik van het mes en het vuurwapen, omdat de aangifte op dit punt niet wordt ondersteund door andere bewijsmiddelen.

4.3

Het oordeel van de rechtbank

4.3.1

De bewijsmiddelen

De bewijsmiddelen zijn in bijlage II aan dit vonnis gehecht.

4.3.2

De bijzondere overwegingen met betrekking tot het bewijs

Betrouwbaarheid verklaring aangever

Hoewel aangever in eerste instantie in strijd met de waarheid heeft verklaard dat er aan de aangegeven strafbare feiten een daadwerkelijke en leuke date met een vrouw was voorafgegaan, ziet de rechtbank geen enkele aanleiding te twijfelen aan de geloofwaardigheid van zijn verklaring als het gaat over die strafbare feiten zelf. Ten eerste heeft aangever naar het oordeel van de rechtbank een plausibele verklaring gegeven waarom hij niet naar waarheid heeft verklaard over het doorgaan van de online date, namelijk een gevoel van schaamte. Daarnaast vindt zijn verklaring over de aangegeven strafbare feiten steun in meerdere bewijsmiddelen.

Dit laatste geldt niet voor het aangegeven dreigen met een vuurwapen en het tegen zijn keel houden van een mes. De geneeskundige verklaring over de bij aangever geconstateerde steekverwonding in de rechter knie ondersteunt echter het gebruik van een mes. Tot slot past het aangegeven dreigen met (een op) een vuurwapen gelijkend voorwerp zeer goed bij de geweldshandelingen en bedreigingen waarvoor wel steunbewijs is. Bovendien hoeft niet ieder onderdeel van de tenlastelegging te worden gedekt door meerdere bewijsmiddelen.

Gelet op het vorenstaande acht de rechtbank de aangifte van [slachtoffer] betrouwbaar, waardoor zij deze volgt.

De strafbare feiten

De rechtbank stelt op grond van de bewijsmiddelen vast dat aangever op de avond van 28 november 2020 en in de nacht van 29 november 2020 slachtoffer is geworden van een gewelddadige beroving, waarbij drie daders zijn betrokken, die hij consequent man 1, 2 en 3 noemt. Aangever is onder meer geschopt en geslagen, met een vuurwapen en een mes bedreigd en met een mes in zijn rechter bovenbeen gestoken. Daarbij is hij urenlang tegen zijn wil vastgehouden en is er, nadat hij onder dwang zijn telefoon, autosleutels en twee bankpassen en bijbehorende pincodes heeft moeten afgeven, € 1.000,- van zijn bankrekening opgenomen en zijn er online goederen, te weten een jas, drie paar schoenen, drie trainingspakken en eten, besteld via zijn telefoon en betaald via zijn bankapplicatie op zijn telefoon. Ook zijn er bij twee tankstations sigaretten en Paysafe kaarten met zijn pinpas betaald.

Uit de aangifte blijkt dat man 1, 2 en 3 in het begin gezamenlijk geweld hebben gebruikt tegen aangever door hem te schoppen en te slaan en dat man 1 zelfs nog verder is gegaan. Daar waren man 2 en 3 echter gewoon bij en zij hebben daarvan op geen enkele wijze afstand genomen. Integendeel, nadat aangever door man 1 met een mes in zijn bovenbeen was gestoken, heeft een van de andere twee een sok van aangever uitgedaan. Daarop kon man 1 zijn mes op een teen van aangever zetten en dreigen die eraf te snijden, waarop aangever alsnog onder andere zijn bankpasjes en pincodes gaf.

Aangever heeft over zijn komst naar Tilburg later aanvullend verklaard dat hij naar Tilburg was gelokt via een zogenaamde internetdate met ene “ [naam 2] ”. Hij heeft haar aanwijzingen gevolgd door naar de Matterhornstraat te rijden en daar de straat door te lopen en door een hek rechtsaf richting voetbalvelden te gaan. Daar werd aangever, naar toen bleek, opgewacht door man 1, 2 en 3 om slachtoffer te worden van hun drie strafbare feiten. Die internetval en de blijkbaar moeiteloze en vanzelfsprekende gezamenlijke uitvoering van de strafbare feiten die daarop volgde, past bij een tussen man 1, 2 en 3 vooraf afgestemde aanpak.

Gelet op het bovenstaande is er naar het oordeel van de rechtbank dan ook sprake geweest van een nauwe en bewuste samenwerking tussen man 1, 2 en 3. Zij zijn ieder voor zich aan te merken als medepleger van de drie strafbare feiten. Van betrokkenheid van anderen dan man 1, 2 en 3 bij de strafbare feiten tegen [slachtoffer] is niet gebleken.

Rest de vraag of wettig en overtuigend bewezen kan worden dat verdachte één van die drie mannen is en zo ja, wie van de drie. De rechtbank is van oordeel dat dat beide kan worden bewezen. Ook de identiteit van zijn twee medeplegers kan wettig en overtuigend bewezen worden.

Man 1, 2 en 3

Op grond van de bewijsmiddelen concludeert de rechtbank dat man 1 medeverdachte [medeverdachte 1] is, man 2 medeverdachte [medeverdachte 2] en man 3 verdachte. De rechtbank zal hieronder per “man” uiteenzetten hoe zij tot deze conclusie is gekomen.

Man 1: medeverdachte [medeverdachte 1]

Dat [medeverdachte 1] man 1 is geweest, leidt de rechtbank af uit onderstaande vaststellingen in onderlinge samenhang bezien. Man 1 is volgens aangever degene die het meest vergaande geweld heeft gebruikt tegen hem en een donkere jas droeg met een capuchon met rood aan de binnenkant.

1: Signalement: donkere capuchon met rode binnenkant

Hoewel aangever vrij algemene signalementen heeft gegeven van de drie vermeende daders, heeft hij ten aanzien van man 1 één specifiek detail benoemd, namelijk dat deze man een donkere jas droeg met een capuchon met rood aan de binnenkant.

Vrij kort nadat aangever op 29 november 2020 zijn telefoon heeft teruggekregen en alleen is achtergelaten, zijn met zijn pinpas omstreeks 01:39 uur sigaretten gekocht bij het [naam 1] aan de Ringbaan-West te Tilburg. Op de bijbehorende camerabeelden is als klant/koper een man te zien die past binnen de hiervoor genoemde specifieke beschrijving. Die man draagt namelijk een donkere jas met donkere capuchon, maar heeft daaronder blijkbaar een rood jack of vest met rode capuchon aan. Op het moment dat hij het [naam 1] binnen gaat, heeft hij alleen die rode capuchon over zijn hoofd. Als hij echter ook de capuchon van zijn donkere jas zou opzetten over die rode capuchon, ziet dat er voor een derde - zoals aangever - uit als een donkere jas met capuchon met rood aan de binnenkant.

Op een van de stills van de camerabeelden in het dossier is vervolgens te zien hoe de kassamedewerker deze man een zogenaamde “boks” geeft. Hoewel de betreffende kassamedewerker bij de politie als getuige heeft verklaard niet te weten wie hij die box gaf, is uit een tapgesprek gebleken dat deze kassamedewerker voornoemde persoon herkent als “ [medeverdachte 1] ”. [medeverdachte 1] is ook de voornaam van [medeverdachte 1] . Bij hem is bovendien in een inbouwkast van zijn kamer een rood vest met capuchon aangetroffen.

[medeverdachte 1] heeft bij de politie verklaard dat hij dit kledingstuk nooit heeft aangehad en dat dit niet van hem is. Zijn verklaring dat hij dat vest nooit heeft aangehad, schuift de rechtbank als ongeloofwaardig terzijde, mede gezien de hierna volgende vaststellingen.

Uit de resultaten van het NFI-onderzoek concludeert de rechtbank dat zowel de binnenzijde van een manchet als de binnenzijde van de kraag DNA bevatten van [medeverdachte 1] , waardoor verdachte dit rode vest dus wel moet hebben gedragen. Zijn verklaring dat dat rode vest van een vriend is en hij het nooit heeft gedragen schuift de rechtbank daarom als ongeloofwaardig terzijde.

2: Trainingspak [naam 3]

Het onder 1 genoemde rode vest is niet het enige opvallende kledingstuk dat tijdens de doorzoeking in de woning van [medeverdachte 1] is aangetroffen. Ook heeft de politie een trainingspak van het merk [naam 3] in maat S in de inbouwkast op zijn kamer gevonden. Dat trainingspak is zowel qua kleurstelling als maat identiek aan twee van de trainingspakken die nog tijdens de voortdurende vrijheidsberoving van aangever met zijn afgeperste telefoon zijn besteld op de webshop [website 1] .

[medeverdachte 1] heeft bij de politie verklaard dat hij dit trainingspak op 30 november of 1 december 2020 van een vriendin heeft gekregen. Het valt de rechtbank vervolgens allereerst op dat verdachte geen naam heeft willen noemen van deze vriendin om zijn verklaring te kunnen verifiëren. Daarnaast komt het de rechtbank té toevallig voor dat [medeverdachte 1] precies eenzelfde trainingspak heeft gekregen als is besteld met de telefoon van [slachtoffer] en dat ook nog een of twee dagen na die bestelling.

Daar komt bij dat in de linker zak van het jack van voornoemd trainingspak een label van UPS is aangetroffen op naam van [naam 4] en in de kamer van verdachte verpakkingsmateriaal op naam van [naam 5] . Dat komt overeen met de opgegeven namen bij de bestellingen die met de telefoon van [slachtoffer] zijn gedaan op de webshop [website 2] en [website 1] , terwijl [medeverdachte 1] niet kan verklaren hoe dit label en het verpakkingsmateriaal daar terecht is gekomen.

Gelet op het vorenstaande schuift de rechtbank ook de verklaring van [medeverdachte 1] dat het bij hem aangetroffen trainingspak van [naam 3] maat S een cadeau is als ongeloofwaardig terzijde en concludeert dat het een van de trainingspakken is die met de afgeperste telefoon van [slachtoffer] online zijn besteld.

3: Adres- en telefoongegevens bestellingen

Tot slot is gebleken dat bij de online bestellingen met de telefoon van aangever bij [website 2] , [website 1] en [website 3] als afleveradres het toenmalige adres van [medeverdachte 1] , te weten de [adres 2] , en als telefoonnummer het destijds bij hem in gebruik zijnde mobiele telefoonnummer, te weten [telefoonnummer 1] , zijn opgegeven. Deze bestellingen hebben allemaal gedurende de vrijheidsberoving van aangever plaatsgevonden. Dat toen buiten aanwezigheid van [medeverdachte 1] een ander zijn adres- en telefoongegevens heeft ingevoerd, is niet aannemelijk geworden. Temeer omdat aangever heeft verklaard dat - toen ze waren gestopt in een woonwijk - man 1 en man 2 samen voorin de auto zaten en het voortouw namen de bestellingen te plaatsen. De rechtbank concludeert daarom dat het [medeverdachte 1] is geweest die samen met man 2 zijn eigen persoonsgegevens heeft gebruikt bij het doen van de online bestellingen met de telefoon van [slachtoffer] .

Wat de bestellingen betreft zijn er tot slot op een Apple Iphone 6 die in de woning van [medeverdachte 1] is aangetroffen e-mailberichten met betrekking tot al deze bestellingen aangetroffen.

Man 2: medeverdachte [medeverdachte 2]

Dat medeverdachte [medeverdachte 2] man 2 is geweest, leidt de rechtbank af uit onderstaande vaststellingen in onderlinge samenhang bezien. Man 2 is degene die volgens aangever alleen met de auto van aangever langere tijd is weggeweest om te pinnen, nadat aangever door het geweld van de drie mannen zijn bankpasjes, pincodes, telefoon en autosleutels had afgegeven.

1: Bekennende verklaring

Medeverdachte [medeverdachte 2] heeft zich na zijn aanhouding op 9 maart 2021 steeds op zijn zwijgrecht beroepen. Pas na ontvangst van het einddossier heeft hij op 22 juni 2021 een inhoudelijke verklaring afgelegd, waarin hij zichzelf een beperkte rol in de verweten feiten toebedeelt. Hij is op 28 november 2020 op Snapchatverzoek van een derde naar een locatie in Tilburg Zuid gegaan en daar als bijrijder ingestapt bij een ander dan degene die hem het bericht had gestuurd. Ze zijn met zijn tweeën naar Goirle gereden waar hij op de uitkijk moest staan. Daar heeft zijn telefoon aangestraald. Toen zijn ze nog ergens anders naar toegereden, waar hij weer op de uitkijk moest staan, maar daar lukte het pinnen niet. Toen zijn ze teruggereden naar de plek waarvan hij uit het dossier weet dat aangever daar is mishandeld. Na ongeveer 10 minuten wachten stapten daar een hem onbekende man in en een andere jongen. De onbekende man was bebloed in zijn gezicht. Toen zijn ze met zijn vieren gaan rijden, waarbij [medeverdachte 2] op enig moment nog ongeveer een half uur buiten de auto moest wachten. Daarna is hij teruggebracht naar zijn eigen buurt.


Uit de aangifte blijkt echter dat er geen wisseling van personen heeft plaatsgevonden en dat aangever op geen enkel moment met één man bij (de) twee andere mannen is ingestapt. De drie personen die aangever bij het voetbalveld bij de Matterhornstraat te Tilburg hebben aangevallen, zijn naar zijn zeggen dezelfde drie personen die later lange tijd bij hem in de auto zaten. Toen hij door het geweld onder andere zijn bankpas en pincode had afgegeven en man 2 wegreed om te pinnen, zijn man 1 én man 3 - dus twee mannen - bij hem gebleven. Toen man 2 terugkwam hebben de drie mannen nog een hele tijd gepraat, omdat ze niet meer konden pinnen. Ondertussen mocht aangever in een dug-out gaan zitten. Daarna zijn ze met zijn vieren naar zijn auto gegaan en met zijn vieren ingestapt en weggereden.

De rechtbank acht de beperkte rol die [medeverdachte 2] zichzelf geeft in zijn bekennende politieverklaring dan ook ongeloofwaardig, maar gebruikt een ander deel van die verklaring wel voor het bewijs. Namelijk dat deel waarin hij - zakelijk weergegeven - verklaart dat hij op 28 november 2020 met een auto in onder andere Goirle is geweest, waarna hij met twee anderen en een onbekende man met een bebloed gezicht in die auto heeft gezeten. Daarbij reden ze weg vanaf de plek waar aangever volgens het strafdossier is mishandeld.

2: Mastgegevens telefoon

De analyse van de historische gegevens van het destijds bij [medeverdachte 2] in gebruik zijnde telefoonnummer [telefoonnummer 2] heeft uitgewezen dat voornoemd telefoonnummer op

28 november 2020 om 21:09:39 uur en 21:46:20 uur de telecommast aan de [adres 3] en de [adres 4] in Goirle aanstraalde. Deze eerst genoemde straat valt binnen het zendbereik van de telecommast van de pinautomaat aan het [adres 5] te Goirle, waar om 21:40 en 21:41 uur met de pinpas van aangever twee keer € 500,- werd gepind.

Verder blijkt dat er van voornoemd telefoonnummer op 29 november 2020 om 01:36:30 uur een inkomende gespreksregistratie plaatsvond, waarbij als startlocatie de telecommast aan de [adres 6] te Tilburg werd geregistreerd. Het [naam 1] aan de Ringbaan-West te Tilburg valt binnen het zendbereik van deze telecommast. Nadat aangever zijn telefoon was teruggegeven en hij alleen werd achtergelaten vond hier rond 01:39 uur de eerder beschreven aankoop van sigaretten met de pinpas van aangever plaats door man 1, [medeverdachte 1] .

Man 3: verdachte

Dat verdachte man 3 is geweest, leidt de rechtbank af uit onderstaande vaststellingen in onderlinge samenhang bezien. Man 3 is volgens aangever duidelijk de kleinste van de drie.

1: Contacten in telefoon

Onder verdachte werd een iPhone XR in beslag genomen, waarvan de Apple ID geregistreerd stond met het account [accountnaam] . Het nummer in de telefoon, [telefoonnummer 3] , staat bij het Centraal Informatiepunt Onderzoek Telecommunicatie geregistreerd op naam van verdachte. In die telefoon zijn in ieder geval de contacten “ [contactnaam 1] ”en “ [contactnaam 2] ” aangetroffen die volgens de politiesystemen respectievelijk medeverdachte [medeverdachte 2] (man 2) en medeverdachte [medeverdachte 1] (man 1) betreffen.

2: Bekennende verklaring/telefoon verdachte

Nadat verdachte zich aanvankelijk op zijn zwijgrecht heeft beroepen, heeft hij op 20 juli 2021 een verklaring afgelegd, waarin hij bekent een beperkte rol te hebben gespeeld. Hij verklaart namelijk dat hij via snapchat was gevraagd naar een kunstgrasveld te komen waar hij twee vrienden bij een auto zag staan. Zij vroegen of hij geld wilde pinnen. Hij heeft zijn telefoon afgegeven, zodat de ene jongen die achterbleef op de locatie contact kon houden met hen en met de andere jongen is hij naar de pinautomaat in Goirle gereden. Een van de codes werkte niet, daarom is hij terug naar de auto gegaan. Daarna is hij teruggegaan naar de pinautomaat en werkte het wel. Daar heeft hij € 1000,- of € 2000,-gepind. Na het gelukte pinnen zijn ze nog naar een andere automaat gereden, maar onderweg is hij uitgestapt en naar huis gegaan. Deze verklaring heeft verdachte op zitting herhaald.

Aangever heeft verklaard dat voor en na het wegrijden van man 2 de mannen 1 en 3 steeds bij hem zijn geweest. Hij verklaart niet dat er toen nog een vierde man is gekomen om een telefoon te brengen naar man 1 en/of 3. Dus ook niet de telefoon van verdachte.

De rechtbank stelt daarnaast vast dat verdachte pas een verklaring heeft afgelegd nadat hij kennis heeft kunnen nemen van het hele strafdossier inclusief de laatste verklaring van [medeverdachte 2] . Dan nog zijn hun laatste verklaringen innerlijk tegenstrijdig, nu zij beiden verklaren dat zij als enige bij één persoon in de auto zijn gestapt. Het is onmogelijk dat zij beiden als enige bijrijder bij een ander in de auto zijn ingestapt.

Ook stelt de rechtbank vast dat het nog later door verdachte ingebrachte stuk met betrekking tot de verklaring van zijn vader nauwelijks tot geen objectieve informatie bevat. De rechtbank acht het bovendien bijzonder dat de vader van verdachte zich maanden later nog twee tijdstippen van een alledaagse avond met alledaagse gebeurtenissen kan herinneren.

Gelet op het voorgaande schuift de rechtbank de laatste politieverklaring van verdachte, die hij ter zitting heeft herhaald, als ongeloofwaardig terzijde en kan het hierna weer te geven gebruik van zijn telefoon als bewijsmiddel tegen hem worden gebruikt.

Uit de historische verkeersgegevens van de telefoon van verdachte en die van de telefoon van medeverdachte [medeverdachte 2] blijkt dat de telefoon van verdachte op 28 november 2020 tussen 21:11 uur en 21:35 uur drie keer gebeld heeft naar de telefoon van [medeverdachte 2] .

3: Gebruik telefoon verdachte

In zijn aangifte heeft aangever ook verklaard dat man 1 bij een [naam 1] voor € 250,- Paysafe kaarten heeft gekocht. Dit blijkt het [naam 1] aan de Ringbaan Oost in Tilburg te zijn. Daarna heeft man 1 volgens aangever gebeld naar een ander [naam 1] om te vragen wat het maximum was dat je aan Paysafe kaarten kon halen. Ze zaten toen met zijn vieren in de auto van aangever. Uit de historische verkeersgegevens van de telefoon van verdachte blijkt dat daarmee op 29 november 2020 tussen 00:25 uur en 00:27 uur twee keer uitgaand is gebeld naar het [naam 1] Ringbaan West. Die gesprekken hadden een duur van 18 en 78 seconden.

De rechtbank concludeert dat als man 1 ( [medeverdachte 1] ) toen gebruik heeft gemaakt van de telefoon van verdachte (man 3), dit dan in aanwezigheid van verdachte zelf moet zijn geweest. Dat aangever de door man 1, [medeverdachte 1] , gebruikte telefoon van verdachte ook bestempeld als “telefoon van man 1” doet daaraan niet af. Dat kan niet meer betekenen dan dat man 1 tijdens de strafbare feiten telkens als aangever het zag gebruik heeft gemaakt van die telefoon zonder dat aangever heeft gezien dat man 3 daarvoor zijn telefoon aan man 1 heeft gegeven.

Op de iPhone XR van verdachte is ook een foto aangetroffen van de bankapplicatie van aangever. Deze foto is op 29 november 2020 om 01:24:14 uur gemaakt. Dit past in de aangifte van aangever dat één van de daders na afloop van de feiten, vlak voordat zij hem in zijn auto achterlieten, een foto maakte van zijn persoonlijke gegevens in de bankapplicatie op zijn telefoon. Uit onderzoek aan de telefoon van aangever blijkt dat hij om 01:28:43 uur het telefoonnummer heeft gebeld, dat in zijn telefoon staat opgeslagen als contactpersoon met de naam “ [contactnaam 3] ”. Het tijdstip waarop de foto van de bankapplicatie is genomen is inderdaad gelegen vlak voor het achterlaten van aangever en het daarna bellen door aangever met thuis. Tot slot is op die Iphone XR van verdachte een video aangetroffen die nog kort daarvoor is gemaakt - om 01:27 uur - en waarop het slachtoffer gewond zichtbaar is.

Conclusie tenlastegelegde feiten verdachte

Gelet op het voorgaande concludeert de rechtbank dat verdachte zich tezamen en in vereniging met medeverdachten [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] schuldig heeft gemaakt aan afpersing van aangever [slachtoffer] , wederrechtelijke vrijheidsberoving van aangever [slachtoffer] en diefstal met gebruik van een valse sleutel van aangever [slachtoffer] . De rechtbank acht de tenlastegelegde feiten 1 tot en met 3 daarom wettig en overtuigend bewezen, zoals hierna weergegeven.

Nu de afgifte van de bankpassen, pincodes, telefoon en autosleutels al was voltooid op het moment dat de onder 1 laatstgenoemde gedragingen door verdachte en de mededaders werden verricht, zal de rechtbank verdachte ten aan van deze onderdelen van de tenlastelegging partieel vrijspreken.

Voortgezette handeling/eendaadse samenloop

Tot slot stelt de rechtbank vast dat de diefstal in vereniging met gebruik van een valse sleutel (feit 3) als een voortgezette handeling kan worden gezien van de afpersing (feit 1).

Daarnaast vormt een beperkt onderdeel van het feitencomplex van de wederrechtelijke vrijheidsberoving (feit 2) een eendaadse samenloop met de afpersing (feit 1).

4.4

De bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte

1.

in de periode van 28 november 2020 tot en met 29 november 2020 te Tilburg tezamen en in vereniging met anderen, met het oogmerk om zich en een ander wederrechtelijk te bevoordelen door geweld en bedreiging met geweld [slachtoffer] heeft gedwongen tot de afgifte van bankpassen en pincodes en een telefoon en autosleutels, die aan die [slachtoffer] toebehoorden, immers heeft hij verdachte en/of zijn mededaders

-die [slachtoffer] in zijn nek gesprongen, ten gevolge waarvan die [slachtoffer] ten val kwam en

-die [slachtoffer] meermalen tegen zijn hoofd en/of zijn lichaam geschopt en geslagen en

-een vuurwapen op het hoofd van die [slachtoffer] gezet en

-die [slachtoffer] onder bedreiging van een vuurwapen gedwongen naar een voetbalveld te lopen en

-een mes op de keel van die [slachtoffer] gezet en

-met een mes in het bovenbeen van die [slachtoffer] gestoken en

-de schoenen en de sokken van die [slachtoffer] uitgetrokken en daarbij die [slachtoffer] dreigend toegevoegd: “Als je het nu niet geeft, dan snijden we je tenen eraf” en daarbij het mes tegen de tenen van die [slachtoffer] gehouden en

-die [slachtoffer] wederom tegen zijn lichaam geslagen en geschopt;

2.

in de periode van 28 november 2020 tot en met 29 november 2020 te Tilburg tezamen en in vereniging met anderen, opzettelijk [slachtoffer] wederrechtelijk van de vrijheid heeft beroofd en beroofd gehouden, immers heeft hij, verdachte en/of zijn mededaders, een vuurwapen op het hoofd van die [slachtoffer] gezet en vervolgens gedwongen naar een voetbalveld te lopen en aldaar te verblijven en die [slachtoffer] een mes op zijn keel gehouden en vervolgens gedwongen in zijn, [slachtoffer] ’s, driedeursauto op de achterbank plaats te nemen en vervolgens met die [slachtoffer] rondgereden;

3.

in de periode van 28 november 2020 tot en met 29 november 2020 te Goirle en/of te Tilburg tezamen en in vereniging met anderen, te weten:

-een bedrag van 1000 Euro en

-549,68 Euro en

-2204 Euro en

-111,25 Euro en

-126 Euro en 250 Euro

heeft weggenomen, telkens enig goed, toebehorende aan [slachtoffer] , met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl verdachte en zijn mededaders die weg te nemen goederen onder hun bereik hebben gebracht door middel van een valse sleutel, te weten: de bankpassen en de pincodes van [slachtoffer] .

Door een kennelijke omissie in de tenlastelegging zijn onder 2 het woord “veld” en onder 3, tweede gedachtestreepje, het woord “Euro” weggevallen. De rechtbank herstelt deze omissie en leest voormelde zinsneden zoals hiervoor is vermeld. Ook is onder 3 sprake van een kennelijke verschrijving bij het tweede gedachtestreepje, waar € 543,58 staat vermeld in plaats van de € 549,68 die volgens de bankafschriften is afgeschreven, welke verschrijving de rechtbank heeft hersteld. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is verdachte daardoor niet in de verdediging geschaad.

De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

5 De strafbaarheid

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten. Dit levert de in de beslissing genoemde strafbare feiten op.

Verdachte is strafbaar, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die zijn strafbaarheid uitsluit.

6 De strafoplegging

6.1

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie verzoekt bij de strafoplegging het volwassenstrafrecht toe te passen en vordert aan verdachte op te leggen een gevangenisstraf van 54 maanden, met aftrek van het voorarrest. Zij heeft bij de formulering van haar eis rekening gehouden met de ernst van de feiten en de impact hiervan op het slachtoffer, de geldende richtlijnen voor strafvordering van het Openbaar Ministerie voor woningovervallen en de leeftijd, proceshouding en het strafblad van verdachte.

6.2

Het standpunt van de verdediging

De verdediging voert, onder verwijzing naar de reclasseringsrapporten van 29 december 2020 en 16 augustus 2021 en de toelichting hierop ter zitting door de reclasseringswerker, aan dat bij de strafoplegging het jeugdstrafrecht moet worden toegepast. De raadsman verzoekt nadrukkelijk het advies van psycholoog Petit tot toepassing van het volwassenstrafrecht niet te volgen, omdat dit advies is gebaseerd op een verkeerde voorstelling van zaken. Indien een veroordeling mocht volgen, wordt verzocht aan verdachte een deels voorwaardelijke jeugddetentie op te leggen, waarbij het onvoorwaardelijke deel hooguit gelijk is aan het voorarrest.

6.3

Het oordeel van de rechtbank

Aard en ernst van de feiten

Verdachte heeft zich samen met zijn twee mededaders schuldig gemaakt aan een meedogenloze en gewelddadige beroving, waarbij zij geraffineerd te werk zijn gegaan. Zij hebben het slachtoffer allereerst onder een valse naam en valse voorwendselen via een datingsite benaderd. Vervolgens hebben zij hem in de (donkere) avonduren naar een voor het slachtoffer onbekende plek gelokt, waar zij het slachtoffer hebben aangevallen en op brute wijze geweld op hem hebben uitgeoefend om hem te dwingen mee te werken. Zo hebben zij het slachtoffer geslagen en geschopt. Daarnaast heeft één van de mededaders een vuurwapen op het hoofd van het slachtoffer gezet, een mes op zijn keel gezet en hiermee in zijn been gestoken. Omdat het slachtoffer toen nog niet meewerkte, hebben verdachte en zijn mededaders de schoenen en sokken van het slachtoffer uitgetrokken en gedreigd dat hij zijn tenen eraf zou snijden als hij zijn persoonlijke goederen, waaronder zijn bankpassen en pincodes, niet zou afstaan.

Alsof dat nog niet ernstig genoeg was, hebben verdachte en zijn mededaders vervolgens nog meer geweld op het slachtoffer toegepast om ervoor te zorgen dat hij ook nog zijn telefoon en autosleutels afstond, zodat zij hem tevens op een andere wijze geld afhandig konden maken. Via zijn telefoon en bankapplicatie hebben verdachte en zijn mededaders voor honderden euro’s online bestellingen geplaatst. Met zijn auto werd naar een pinautomaat gereden, en terwijl één van de mededaders geld van de rekening van het slachtoffer opnam, werd hij gewond en in hulpeloze toestand bij verdachte en de andere medeverdachte achtergelaten.

Bij terugkomst van het pinnen hebben verdachte en zijn mededaders het slachtoffer gedwongen plaats te nemen in zijn auto en hem nog langer van zijn vrijheid beroofd. Daarbij zijn van zijn geld niet alleen nog meer spullen gekocht, maar is het bij verdachten in die omstandigheden ook opgekomen om een flinke bestelling shoarma en snacks te plaatsen. Voor zover dat al geen blijk geeft van een compleet gebrek aan respect en inlevingsvermogen, is vervolgens hun vraag aan het slachtoffer, die dan gewond en in benarde positie in de auto zit, of hij ook iets te eten lust dat in ieder geval wel.

Tot slot hebben verdachte en zijn mededaders na afloop van de beroving het slachtoffer bedreigd en hun bedreiging kracht bijgezet door een foto van de persoonlijke gegevens van de bankapplicatie op zijn telefoon te maken.

Verdachte en zijn mededaders hebben grote gevoelens van angst en onveiligheid veroorzaakt bij het slachtoffer en een ernstige inbreuk gemaakt op zijn lichamelijke integriteit. Verdachte en zijn mededaders waren slechts uit op eigen geldelijk gewin en hebben zich op geen enkele wijze bekommerd om de gevolgen van hun daden voor het slachtoffer. Uit de aangifte en de bijlagen bij de schadevordering van het slachtoffer blijkt dat hij zo angstig is geweest dat hij in eerste instantie geen aangifte wilde doen. Ook volgt hieruit dat hij doodsangsten heeft uitgestaan tijdens de urenlange beroving en dat hij sindsdien kampt met klachten behorend bij een post traumatisch stress syndroom.

Persoonlijke omstandigheden verdachte

Verdachte heeft weliswaar een blanco strafblad, maar gelet op het gemak en de vanzelfsprekendheid waarmee de beroving gepaard ging, acht de rechtbank het haast onvoorstelbaar dat dit de eerste keer is geweest dat verdachte en zijn mededaders hier samen uitvoering aan hebben gegeven. De rechtbank vindt dit zeer zorgelijk.

Uit de Pro Justitia rapportage d.d. 19 april 2021, die door GZ-psycholoog Petit is opgesteld, volgt dat verdachte kampt met een disharmonisch intelligentieprofiel, een stoornis in cannabisgebruik in matige ernst en een achterstand in zijn sociaal-emotionele ontwikkeling, met name de identiteitsontwikkeling. Vanwege onder meer de zekere planning die aan de feiten is voorafgegaan en er doordacht en berekenend is gehandeld, is het niet aannemelijk dat voornoemde problematiek verdachte zijn gedragskeuzes en gedragingen hebben beïnvloed. Er worden dan ook geen redenen gezien om de feiten in verminderde mate aan verdachte toe te rekenen. Daarnaast zijn er geen argumenten in de persoonlijke ontwikkeling en/of ontwikkeling van verdachte om bij de strafoplegging het jeugdstrafrecht toe te passen.

Ter zitting heeft Petit aangegeven dat het psychologisch onderzoek heeft uitgewezen dat verdachte op cognitief en intellectueel niveau leeftijdsadequaat functioneert, waardoor er vanuit mag worden gegaan dat hij in staat is de gevolgen van zijn handelen in te schatten. Aangezien verdachte niet overkomt als iemand die impulsief handelt, mag deze conclusie ook worden getrokken over zijn handelen. Daarom is het advies bij de strafoplegging het volwassenstrafrecht toe te passen.

Uit het over verdachte opgestelde rapport door Reclassering Nederland d.d. 16 augustus 2021, opgesteld door reclasseringswerker [naam reclasseringsmedewerker] , blijkt dat verdachte niet eerder met politie en justitie in aanraking is geweest en dat zijn leven overwegend probleemloos verliep totdat hij begin 2020 met zijn opleiding moest stoppen. Hij kon moeilijk met deze tegenslag omgaan en raakte tijdens de lockdown als gevolg van het coronavirus verveeld, waardoor hij in contact kwam met leeftijdsgenoten die een negatieve invloed op hem lijken te hebben gehad. Een punt van zorg is dat verdachte het moeilijk vindt om volledig afstand te nemen van zijn buurtgenoten. Ook heeft zijn middelengebruik problematische vormen aangenomen, waardoor dit een punt van aandacht blijft. Vanuit zijn psychosociaal functioneren wordt voornamelijk de beïnvloedbaarheid en impulsiviteit waarmee verdachte heeft gehandeld als risicofactor gezien. De band met zijn ouders wordt als beschermende factor gezien. Het recidiverisico wordt ingeschat als gemiddeld. Geadviseerd wordt bij de strafoplegging het jeugdrecht toe te passen en aan verdachte een (deels) voorwaardelijke straf met de volgende bijzondere voorwaarden op te leggen: de meldplicht, de leerstraf Tools4U, de leerstraf Tools4U risicovol middelengebruik, de verplichting onderwijs te volgen en een contactverbod met het slachtoffer en de medeverdachten.

Ter zitting heeft [naam reclasseringsmedewerker] toegelicht dat de inschatting is dat verdachte onvoldoende in staat is om de risico’s van zijn eigen handelen in te schatten. Ten aanzien van de feiten lijkt verdachte zijn handelen vooral gericht te zijn geweest op de behoeftebevrediging op de korte termijn en heeft hij onvoldoende stilgestaan bij de gevolgen voor de langere termijn. De feiten zijn daardoor ondoordacht geweest. Binnen het jeugdstrafrecht worden meer mogelijkheden gezien om het recidiverisico te verminderen. Het inzetten op interventies die bij de ontwikkeling van verdachte aansluit wordt daarbij noodzakelijk geacht.

De rechtbank stelt vast dat de psycholoog en reclasseringsmedewerker beiden hebben geconstateerd dat er bij verdachte geen sprake is van een stoornis of verstandelijke beperking, maar dat het zwaartepunt bij hun beoordelingen anders ligt waardoor zij tot een andere eindconclusie komen. De reclassering gaat erin haar wegingskader vanuit dat verdachte impulsief heeft gehandeld en dat de feiten ondoordacht zijn geweest. De rechtbank is met name gelet op de eerder benoemde planmatigheid van de strafbare feiten van oordeel dat ook dit gestelde impulsieve handelen nadrukkelijk niet het geval is geweest. Ook anderszins is de rechtbank niet gebleken dat impulsiviteit bij verdachte op de voorgrond treedt. Daarom zal de rechtbank het advies van de psycholoog volgen en bij de strafoplegging het volwassenstrafrecht toepassen. Het beeld dat over verdachte uit beide rapportages volgt vormt voor de rechtbank een reden om aan verdachte geen (deels) voorwaardelijke straf met (bijzondere) voorwaarden op te leggen.

Langdurige gevangenisstraf

Gelet op de aard en de ernst van het bewezenverklaarde is de rechtbank van oordeel dat een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van langere duur dient te worden opgelegd. De rechtbank houdt daarbij rekening met de straffen die in soortgelijke zaken zijn opgelegd. In het voordeel van verdachte moet de rechtbank rekening houden met zijn jeugdige leeftijd.

Met name gelet op deze laatste twee aspecten vindt de rechtbank de door de officier van justitie gevorderde gevangenisstraf buitensporig hoog.

Verdachte heeft geen verantwoordelijkheid genomen voor zijn (volle) rol in de strafbare feiten. Waar hij ter zitting heeft verklaard dat ‘respect’ in zijn cultuur erg belangrijk is, is dat hem in ieder geval in de nacht van 28 op 29 november geheel ontschoten. De meedogenloze en respectloze benadering van het slachtoffer weegt de rechtbank in strafverzwarende zin mee. Ook het feit dat de beroving uren heeft geduurd waarbij het slachtoffer niet alleen onder dreigende omstandigheden is vastgehouden op een voor hem onbekende plek maar waarbij ook nog eens urenlang met hem is rondgereden, acht de rechtbank bijzonder kwalijk en strafverhogend.

Alles afwegend acht de rechtbank een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van 34 maanden passend en geboden.

7 De benadeelde partij

De benadeelde partij [slachtoffer] vordert een schadevergoeding van
€ 26.843,64, bestaande uit € 11.843,64 aan materiële schade en € 15.000,- aan immateriële schade, voor detenlastegelegde feiten 1 tot en met 3.

De rechtbank heeft hiervoor overwogen dat bewezen kan worden verklaard dat verdachte deze feiten heeft gepleegd. Dit betekent ook dat verdachte onrechtmatig heeft gehandeld naar de benadeelde partij toe en dat hij verplicht is de daardoor ontstane schade van de benadeelde partij te vergoeden.

Materiële schade

- Kleding en schoenen, abonnementskosten telefoon, kosten verblijf ziekenhuis, kosten vervoer behandelend sector, parkeerkosten behandeld sector en medische kosten

De door de benadeelde gevorderde schadevergoeding voor materiële schade ten aanzien van de kleding en schoenen ad € 217,97, de abonnementskosten van de telefoon over de maand december 2020 ad € 47,-, de kosten voor het verblijf in het ziekenhuis ad € 79,73, de kosten voor het vervoer naar de behandelend sector ad € 102,95, de parkeerkosten bij de behandelend sector ad € 19,50 en de medische kosten ad € 650,24 is niet betwist. Deze schade ter hoogte van in totaal (€ 217,97 + € 47,- + € 79,73 + € 102,95 + € 19,50 +

€ 650,24 =) € 1.117,39 staat in een voldoende verband met het bewezenverklaarde handelen van verdachte, zodat sprake is van schade die een rechtstreeks gevolg is van het bewezenverklaarde feit. De rechtbank acht deze schade toewijsbaar.

- Auto

[slachtoffer] vordert een bedrag van € 4.418,- (aankoopbedrag minus verkoopopbrengst) aan kosten wegens de aanschaf van een andere auto. De gevorderde schade is betwist. De rechtbank is van oordeel dat, gelet op de aard en de intensiteit van het strafbare handelen dat heeft plaatsgevonden in de auto van [slachtoffer] , de bewezenverklaarde feiten hebben geleid tot onbruikbaarheid (voor [slachtoffer] ) van de auto. Weliswaar was het voor [slachtoffer] praktisch mogelijk om de auto te blijven gebruiken maar kon dat, mede gegeven zijn onderbouwing, niet van hem worden verlangd. Anders dan [slachtoffer] is de rechtbank van oordeel dat de toe te wijzen vergoeding niet hoger kan zijn dan de dagwaarde van de auto minus de verkoopopbrengst. Na raadpleging van openbare bronnen op internet vindt de rechtbank een dagwaarde van de auto van € 1.400,-- op 28 november 2020 redelijk. Dit bedrag minus de verkoopopbrengst
(€ 432,--) levert een toe te wijzen bedrag van € 968,-- op.

- Verlies van zelfwerkzaamheid

De benadeelde vordert een bedrag van € 326,52 voor het verlies van zelfwerkzaamheid, waaraan kort gezegd ten grondslag ligt dat [slachtoffer] vanwege de overval niet kon klussen in zijn nieuwe woning. Daarbij is aangesloten bij de Letselschade Richtlijn Zelfwerkzaamheid en ter onderbouwing is onder meer verwezen naar het zogeheten Dakar Rally arrest (ECLI:NL:HR:2005:AR6460). De verdediging betwist de gestelde schade.

De rechtbank stelt vast dat niet is gesteld of gebleken dat de benadeelde in dit verband (vergeefs) kosten heeft gemaakt. Er is dus geen sprake van vermogensschade. Dat is een wezenlijk verschil met het genoemde arrest waaruit volgt door wie en met welk doel kosten waren gemaakt. De rechtbank is daarom van oordeel dat de schade op dit punt onvoldoende aannemelijk is gemaakt, terwijl nadere onderbouwing het strafproces onevenredig zou belasten. De rechtbank zal de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaren in de vordering op dit punt.

- Kosten verzorging/begeleiding

De benadeelde vordert een bedrag van € 2.670,- als kosten voor verzorging en begeleiding door de moeder en de broer van de benadeelde. De verdediging betwist de noodzaak van de geboden hulp.

De rechtbank is van oordeel dat niet is gesteld en gebleken dat de moeder en/of de broer van de benadeelde als gevolg van de verzorging en begeleiding van benadeelde vermogensschade hebben geleden, zoals verlies van inkomsten, die kan worden aangemerkt als verplaatste schade zoals bedoeld in artikel 6:107 van het Burgerlijk Wetboek. De rechtbank is daarom van oordeel dat de schade op dit punt onvoldoende aannemelijk is gemaakt, waardoor zij de benadeelde partij niet-ontvankelijk zal verklaren in de vordering op dit punt.

- Camera en geheugenkaart

De benadeelde vordert een bedrag van € 233,07,- voor de aanschaf van een camera en geheugenkaart, die hij na het voorval bij de woning van zijn ouders heeft opgehangen. De verdediging betwist een causaal verband met de feiten.

Anders dan de verdediging is de rechtbank van oordeel dat, gelet op hetgeen de benadeelde is overkomen, de bedreigingen die na afloop aan hem zijn geuit en alle persoonlijke gegevens die verdachten [slachtoffer] hadden afgeperst, de schade met betrekking tot de aangeschafte camera en geheugenkaart voor vergoeding in aanmerking komt. De benadeelde heeft deze kosten gemaakt als gevolg van de bewezenverklaarde feiten en deze zijn daarom redelijkerwijs toe te rekenen en het rechtstreekse gevolg van het bewezenverklaarde handelen van verdachte.

- Extra bed

De benadeelde vordert een bedrag van € 1.075,45 voor de aanschaf van een extra bed, die hij in de woning van zijn ouders heeft neergezet om te allen tijde terug in zijn ouderlijk huis te kunnen slapen. De verdediging betwist een verband met de feiten alsook de noodzaak van de aanschaf.

Hoewel het in de gegeven omstandigheden voorstelbaar is dat [slachtoffer] zich onzeker voelde over de overstap naar zijn eigen woning, is de rechtbank van oordeel dat de vergoeding van het aangeschafte bed niet voor toewijzing in aanmerking komt. Een onzekere toekomstige omstandigheid als deze rechtvaardigt niet dat deze kosten voor vergoeding door verdachte in aanmerking komen, temeer nu niet is gebleken dat de benadeelde daadwerkelijk gebruik heeft gemaakt van het door hem aangeschafte extra bed in de woning van zijn ouders. De rechtbank zal de benadeelde partij daarom op dit punt niet-ontvankelijk verklaren in de vordering.

- Gemist woongenot

De benadeelde vordert een bedrag van 4x € 500,80 bestaande uit de hypotheeklasten van de maanden januari tot en met april 2021 en kosten ter zake van gemist woongenot. De verdediging betwist de hoogte van de schade en stelt dat eerder sprake is van verminderd woongenot.

De rechtbank is met de verdediging van oordeel dat deze bedragen niet voor vergoeding in aanmerking komen. Deze kosten zijn een gevolg van het feit dat de benadeelde een woning in eigendom heeft. Dat de benadeelde kosten heeft moeten maken voor tijdelijk vervangende huisvesting, omdat hij als rechtstreeks gevolg van de bewezenverklaarde feiten niet alleen in zijn eigen woning kon verblijven, is niet gebleken. De rechtbank zal de benadeelde partij daarom niet-ontvankelijk zal verklaren in de vordering op dit punt.

Conclusie materiele schade:

In totaal zal de rechtbank een bedrag van (€ 1.117,39 + € 968,00 + € 233,07 =) € 2.318,46 aan materiële schade toewijzen. De vordering van materiële schade zal voor het overige niet-ontvankelijk worden verklaard.

Immateriële schade

De benadeelde partij vordert een schadevergoeding van € 15.000,- aan immateriële schade. De verdediging verzoekt om matiging van het gevraagde bedrag en wijst onder meer op de risico’s die benadeelde die avond heeft genomen.

Hoewel de rechtbank begrijpt dat geen enkele schadevergoeding het leed dat de benadeelde partij is aangedaan kan goedmaken, kijkt zij bij de beoordeling van deze schade naar de omstandigheden van het geval en de schadevergoedingen die in soortgelijke zaken zijn toegewezen.

Gelet op de traumatische ervaring die de benadeelde heeft opgedaan als gevolg van het handelen van verdachte, waarbij een ernstige mate van geweld en dreiging richting hem is geuit en hij urenlang doodsangsten heeft uitgestaan, acht de rechtbank de gevorderde schadevergoeding voor de immateriële schade toewijsbaar tot een bedrag van € 8.000,-.

Deze schade staat in een voldoende verband met het bewezenverklaarde handelen van verdachte, zodat sprake is van schade die een rechtstreeks gevolg is van de bewezenverklaarde feiten. De rechtbank zal de benadeelde partij voor het overige deel van de vordering aan immateriële schade niet-ontvankelijk verklaren, omdat deze schade onvoldoende aannemelijk is geworden.

Wettelijke rente en schadevergoedingsmaatregel

De rechtbank zal de wettelijke rente toewijzen over het totale toegewezen bedrag, te weten

€ 10.318,46, bestaande uit € 2.318,46 aan materiële schade en € 8.000,00 aan immateriële schade, met ingang van 2 januari 2021, omdat deze datum gemiddeld genomen op de helft van de schadeperiode ligt. Daarnaast zal de rechtbank de schadevergoedingsmaatregel opleggen tot betaling van het toegekende schadebedrag. Dit betekent dat het CJIB de inning zal verzorgen en dat bij niet betaling gijzeling kan worden toegepast als dwangmiddel.

Hoofdelijke aansprakelijkheid

De rechtbank stelt vast dat verdachte het strafbare feit samen met anderen heeft gepleegd en dat zij naar burgerlijk recht hoofdelijk aansprakelijk zijn voor de gehele schade. Daarom zal de rechtbank de vordering en de schadevergoedingsmaatregel hoofdelijk toewijzen. Dit betekent dat verdachte niet meer hoeft te betalen voor zover het bedrag door één of meer mededaders is betaald, en andersom.

8 Het beslag

De rechtbank stelt vast dat onder verdachte een geldbedrag van € 82,25 met goednummer G2278149 in beslag is genomen, welk goed op de beslaglijst d.d. 24 februari 2021 staat vermeld.

De rechtbank zal de teruggave gelasten van dit geldbedrag aan verdachte, aangezien dit goed niet vatbaar is voor verbeurdverklaring of onttrekking aan het verkeer.

9 De wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 36f, 47, 55, 56, 282, 312 en 317 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezenverklaarde.

10 De beslissing

De rechtbank:

Bewezenverklaring

- verklaart het tenlastegelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 4.4 is omschreven;

- spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;

Strafbaarheid

- verklaart dat het bewezenverklaarde de volgende strafbare feiten oplevert:

feit 1: afpersing, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen

en de voortgezette handeling daarvan:

feit 3: diefstal door twee of meer verenigde personen, waarbij de schuldige het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van valse sleutels;

feit 2: medeplegen van opzettelijk iemand wederrechtelijk van de vrijheid beroven en beroofd houden, gedeeltelijk begaan in eendaadse samenloop met feit 1;

- verklaart verdachte strafbaar;

Strafoplegging

- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 34 maanden;

- bepaalt dat de tijd die verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest heeft doorgebracht in mindering wordt gebracht bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf;

Benadeelde partij

- veroordeelt verdachte tot betaling aan de benadeelde partij [slachtoffer] van € 10.318,46, waarvan € 2.318,46 aan materiële schade en € 8.000,00 aan immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 2 januari 2021 tot aan de dag der voldoening;

- bepaalt dat verdachte met de mededader(s) hoofdelijk aansprakelijk is voor het gehele bedrag;

- verklaart de benadeelde partij in het overige gedeelte van de vordering niet-ontvankelijk en bepaalt dat de vordering voor dat gedeelte bij de burgerlijke rechter kan worden aangebracht;

- veroordeelt verdachte tevens in de kosten van de benadeelde partij tot nu toe gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken, tot nu toe begroot op nihil;

- legt aan verdachte de verplichting op aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer] (feiten 1, 2 en 3), € 10.318,46, waarvan € 2.318,46 aan materiële schade en

€ 8.000,00 aan immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 2 januari 2021 tot aan de dag der voldoening, te betalen;

- bepaalt dat bij niet betaling 86 dagen gijzeling kan worden toegepast, met dien verstande dat toepassing van de gijzeling de betalingsverplichting niet opheft;

- bepaalt dat verdachte met de mededader(s) hoofdelijk aansprakelijk is voor het gehele bedrag;

- bepaalt dat bij voldoening van de schadevergoedingsmaatregel de betalingsverplichting aan de benadeelde partij vervalt en omgekeerd;

Beslag

- gelast de teruggave aan verdachte van het inbeslaggenomen voorwerp, te weten:

G2278149: 82,25 EUR.

Dit vonnis is gewezen door mr. T.J. van Gessel, voorzitter, mr. R.J.H. de Brouwer en

mr. M. Diepenhorst, rechters, in tegenwoordigheid van mr. C.J.I.F. van Beek, griffier,

en is uitgesproken ter openbare zitting op 9 september 2021.

Mr. R.J.H. de Brouwer is niet in de gelegenheid dit vonnis mede te ondertekenen.