Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZWB:2021:4492

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak
30-08-2021
Datum publicatie
09-09-2021
Zaaknummer
9277923 AZ VERZ 21-53
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Beschikking
Inhoudsindicatie

beëindiging dienstverband wegens langdurige arbeidsongeschiktheid na loonsanctie. Schade wegens lagere transitievergoeding op grond van artikel 6:98 BW niet aan werkgever toe te rekenen

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR-Updates.nl 2021-1134
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Cluster I Civiele kantonzaken

Tilburg

zaaknummer: 9277923 AZ VERZ 21-53

beschikking van 30 augustus 2021

in de zaak van

[verzoekster] ,

wonende te [woonplaats] ,

verzoekster,

verder te noemen: [verzoekster] ,

gemachtigde: mr. J.J. Degenaar, advocaat te Utrecht,

tegen

de Stichting Mijzo,

gevestigd en kantoorhoudend te Waalwijk,

verweerster,

verder te noemen: Mijzo,

gemachtigde: mr. V. Hofman-Back te Laren.

1 De procedure

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  1. het verzoekschrift met producties;

  2. het verweerschrift met producties;

  3. de brief van de gemachtigde van [verzoekster] van 12 augustus 2021 met producties;

  4. de pleitaantekeningen van de gemachtigde van [verzoekster] van 17 augustus 2021;

  5. de aantekeningen van de griffier van de zitting op 17 augustus 2021.

2
2. De feiten

Op grond van de niet of onvoldoende weersproken stellingen van partijen en de overgelegde producties wordt uitgegaan van de volgende feiten:

  1. [verzoekster] , geboren op [geboortedatum] , is op 1 [datum indiensttreding] in dienst getreden van een rechtsvoorganger van Mijzo (De Riethorst Stromenland) in de functie van teamondersteuner. Met ingang van 1 december 2017 heeft zij de functie van huishoudelijk medewerker vervuld. Door een fusie van De Riethorst Stromenland met twee andere zorginstellingen is per 1 januari 2021 de nieuwe zorgorganisatie Mijzo ontstaan en is [verzoekster] in dienst van Mijzo. (Waar hierna wordt gesproken over Mijzo, wordt voor zover van toepassing ook haar rechtsvoorganger De Riethorst Stromenland bedoeld).

  2. [verzoekster] is op 3 augustus 2017 uitgevallen wegens arbeidsongeschiktheid en sindsdien onafgebroken (geheel of gedeeltelijk) arbeidsongeschikt gebleven.

  3. Bij beslissing van 3 juni 2019 heeft het UWV aan Mijzo een loonsanctie opgelegd voor de duur van 52 weken, omdat het UWV de re-integratie inspanningen van Mijzo als onvoldoende beoordeelde. De loonbetalingsverplichting is geëindigd op 30 juli 2020.

  4. Op 25 januari 2021 heeft Mijzo bij het UWV een ontslagaanvraag ingediend op grond van langdurige arbeidsongeschiktheid. [verzoekster] heeft daartegen verweer gevoerd.

  5. Bij beslissing van 12 maart 2021 heeft het UWV aan Mijzo toestemming verleend om de arbeidsovereenkomst met [verzoekster] op te zeggen.

  6. Mijzo heeft de arbeidsovereenkomst opgezegd bij brief van 17 maart 2021, per 1 juni 2021.

  7. Mijzo heeft aan [verzoekster] een transitievergoeding betaald van € 14.824,46.

3 Het verzoek

3.1

[verzoekster] verzoekt de kantonrechter om Mijzo te veroordelen om aan haar te betalen het netto equivalent van € 16.050,94 bruto, vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf 1 juni 2021 tot de dag van de volledige betaling.

3.2

[verzoekster] legt daaraan ten grondslag dat zij schade heeft geleden als gevolg van het feit dat Mijzo haar re-integratieverplichtingen in de eerste twee ziektejaren onvoldoende is nagekomen, waardoor een loonsanctie is opgelegd. Daardoor kon het dienstverband met [verzoekster] pas wegens langdurige arbeidsongeschiktheid worden opgezegd na 30 juli 2020, in plaats van na twee jaar arbeidsongeschiktheid. Op 3 augustus 2019 was [verzoekster] twee jaar arbeidsongeschikt. Als toen, vóór 1 januari 2020, een ontslagvergunning had kunnen worden aangevraagd, zou de transitievergoeding, waarop [verzoekster] aanspraak kon maken, € 30.875,40 bruto hebben bedragen. Per 1 januari 2020 is de regelgeving voor het berekenen van de transitievergoeding echter gewijzigd, waardoor [verzoekster] bij de beëindiging van haar dienstverband per 1 juni 2021 slechts aanspraak had op een transitievergoeding van € 14.824,46 bruto. [verzoekster] vordert nu op grond van artikel 7:686 van het Burgerlijk Wetboek (BW) het verschil tussen dat bedrag en € 30.875,40 als schadevergoeding wegens de niet-nakoming door Mijzo van haar uit de arbeidsovereenkomst voortvloeiende verplichtingen.

3.3

Wat [verzoekster] ter onderbouwing van haar verzoek verder heeft gesteld en toegelicht zal, voor zover van belang, hierna bij de beoordeling aan de orde komen.

4 Het verweer

4.1

Mijzo heeft het verzoek en wat [verzoekster] daaraan ten grondslag heeft gelegd gemotiveerd betwist. Mijzo heeft in haar verweerschrift het formele verweer gevoerd dat [verzoekster] de procedure met een dagvaarding in plaats van met een verzoekschrift had moeten inleiden. Dit formele verweer heeft Mijzo op de zitting ingetrokken.

4.2

Inhoudelijk heeft Mijzo zich op het standpunt gesteld dat zij niet tekortgeschoten is in de nakoming van haar verplichtingen als werkgever. Zij stelt dat zij zich van meet af aan wel degelijk heeft ingespannen om [verzoekster] te re-integreren. Zij heeft op 15 februari 2018 een arbeidsdeskundig onderzoek laten verrichten. De arbeidsdeskundige kwam tot het oordeel dat de functie van huishoudelijk medewerker voor [verzoekster] niet passend was en ook niet passend te maken was. Mijzo heeft het advies om een re-integratietraject tweede spoor te starten gevolgd. Het tweede spoor traject is gestart op 25 juni 2018 bij Randstad Solutions. Maar op 29 november 2018 concludeerde Randstand Solutions op basis van een haalbaarheidsonderzoek dat er geen functies konden worden gevonden of geduid om tot een duurzame plaatsing van [verzoekster] te kunnen komen. Op grond van dat advies is het tweede traject toen beëindigd.

4.3

Mijzo wijst erop dat de beslissing van het UWV om een loonsanctie op te leggen als volgt is gemotiveerd: “De werkgever heeft niet genoeg gedaan om de werknemer te re-integreren, omdat re-integratie tweede spoor te laat is gestart en ten onrechte voortijdig beëindigd. Er is bovendien uitgegaan van een inadequaat belastbaarheidsprofiel, waardoor het arbeidsdeskundig onderzoek naar de re-integratiemogelijkheden in het eerste spoor niet langer valide is.” Deze motivering vloeit voort uit het feit dat de verzekeringsarts van het UWV in het kader van de WIA-aanvraag aan het einde van het tweede ziektejaar, anders dan de bedrijfsarts, heeft geoordeeld dat er geen beperkingen waren ten aanzien van hand- en vingergebruik. Het door de bedrijfsarts opgestelde belastbaarheidsprofiel werd daarom inadequaat geoordeeld. Als gevolg daarvan zijn ook de op dat belastbaarheidsprofiel gebaseerde arbeidsdeskundige adviezen, die Mijzo heeft gevolgd, niet langer valide geacht. Mijzo heeft op de zitting nader toegelicht dat het enige dat haar zou kunnen worden verweten is dat er een termijn van 4 maanden in plaats van 6 weken heeft gezeten tussen het advies om het tweede spoor te starten en de daadwerkelijke aanvang van dat tweede spoortraject. Voor het overige heeft zij de adviezen van de bedrijfsarts en de door haar ingeschakelde arbeidsdeskundigen steeds adequaat gevolgd. Dat die adviezen achteraf, vanwege een van het oordeel van de bedrijfsarts afwijkend oordeel van de verzekeringsarts, niet langer valide worden geacht, valt haar niet te verwijten. Mijzo heeft berust in de opgelegde loonsanctie, omdat zij weet dat zij als werkgever eindverantwoordelijk is, en eventueel onjuiste adviezen van de bedrijfsarts en de arbeidsdeskundige voor haar risico komen.

4.4

Mijzo stelt dat [verzoekster] haar in feite verwijt dat zij geen bezwaar heeft gemaakt tegen de loonsanctie of verkorting van de sanctietermijn heeft gevraagd om zodoende een ontslagaanvraag vóór 1 januari 2020 mogelijk te maken. Mijzo vindt dat onlogisch en onbegrijpelijk. Zij stelt juist alles te hebben gedaan wat van een goed werkgever mag worden verwacht, namelijk alsnog alles in het werk stellen om te proberen [verzoekster] succesvol te re-integreren. Op de zitting heeft Mijzo nog nader toegelicht dat van schade van [verzoekster] ten gevolge van het handelen van Mijzo geen sprake kan zijn. Mijzo wijst er verder op dat de per 1 januari 2020 gewijzigde wijze van berekening van de transitievergoeding onmiddellijke werking had en dat het overgangsrecht – op grond waarvan de “oude” wijze van berekening van de transitievergoeding bleef gelden voor enkele situaties waarin onmiddellijke toepassing van de nieuwe berekeningswijze tot een onbillijke uitkomst zou leiden – voor de onderhavige situatie niet van toepassing is.

4.5

Wat Mijzo verder ter onderbouwing van haar verweer heeft gesteld en toegelicht wordt, voor zover van belang, hierna bij de beoordeling besproken.

5 De beoordeling

5.1

[verzoekster] legt aan haar verzoek ten grondslag dat zij schade heeft geleden als gevolg van een tekortkoming van Mijzo in de nakoming van haar verplichtingen als goed werkgever. Mijzo betwist dat zij tekortgeschoten is.

5.2

De kantonrechter merkt op dat het verweer van Mijzo dat onbegrijpelijk is dat [verzoekster] haar verwijt dat Mijzo geen bezwaar heeft gemaakt tegen de loonsanctie of verkorting van de termijn heeft gevraagd, op een onjuiste lezing van het verzoekschrift berust. De toerekenbare tekortkoming waarop [verzoekster] haar verzoek baseert, betreft de periode daarvóór: [verzoekster] stelt dat Mijzo in de eerste twee ziektejaren niet heeft voldaan aan haar re-integratieverplichtingen, waardoor een loonsanctie is opgelegd (die door het niet aantekenen van bezwaar daartegen onherroepelijk is geworden) en als gevolg waarvan een ontslagaanvraag vóór 1 januari 2020 niet mogelijk was. Dat Mijzo, nádat de loonsanctie is opgelegd, haar best heeft gedaan om [verzoekster] alsnog te re-integreren staat niet ter discussie.

5.3

Dat aan Mijzo een loonsanctie is opgelegd wegens onvoldoende re-integratie inspanningen in de eerste twee ziektejaren staat vast. De kantonrechter kan Mijzo volgen in haar betoog dat haar weinig te verwijten valt, aangezien zij is afgegaan op de adviezen van respectievelijk de bedrijfsarts en de arbeidsdeskundige. Maar, zoals Mijzo zelf ook erkent, de gevolgen van het feit dat de verzekeringsarts van het UWV achteraf anders oordeelt dan de bedrijfsarts, komen wel voor haar risico en worden haar dus toegerekend. In zoverre is dus wel sprake van een toerekenbare tekortkoming van Mijzo.

5.4

[verzoekster] stelt dat zij als gevolg van die toerekenbare tekortkoming schade heeft geleden, bestaande in het verschil tussen de door haar in 2021 ontvangen transitievergoeding en de transitievergoeding waarop zij aanspraak zou hebben gehad indien vóór 1 januari 2020 een ontslagaanvraag had kunnen worden ingediend. Het is aan [verzoekster] die stelling voldoende concreet te onderbouwen.

5.5

Naar het oordeel van de kantonrechter heeft zij onvoldoende onderbouwd dat zij schade heeft geleden en, áls zij schade heeft geleden, hoe hoog die dan is. [verzoekster] heeft namelijk geen rekening gehouden met het feit dat de loonsanctie haar ook financieel voordeel heeft opgeleverd. Dat voordeel moet op grond van artikel 6:100 BW bij vaststelling van de te vergoeden schade in mindering worden gebracht. [verzoekster] heeft als gevolg van de loonsanctie 52 weken langer loon genoten, mogelijk ook langer pensioen opgebouwd en heeft pas een jaar later beroep hoeven doen op de WW. Op de zitting heeft [verzoekster] daarover opgemerkt dat zij ook heeft gewerkt in die periode en dat zij, voor zover zij niet werkte, slechts 70% van het loon heeft genoten. De kantonrechter onderschrijft het standpunt van [verzoekster] dat het loon over periodes dat zij gewerkt heeft niet als “voordeel” in mindering komt op de schade die zij stelt te hebben geleden, maar, voor zover uit de stukken valt op te maken, is de periode waarin zij geheel of gedeeltelijk gewerkt heeft maar heel kort. [verzoekster] heeft verder op de zitting opgemerkt dat het feit dat zij pas later een beroep op de WW heeft hoeven doen alleen maar uitstel oplevert en geen financieel voordeel. Dat is echter niet zonder meer juist. Indien [verzoekster] er niet in slaagt om, voordat zij AOW gerechtigd is, weer aan het werk te komen en afhankelijk van de vraag of zij, na afloop van haar recht op WW al dan niet in aanmerking komt voor een uitkering op grond van de Participatiewet, kan wel sprake zijn van een financieel voordeel als gevolg van het later ingaan van de WW-uitkering. Wat daarvan zij, in elk geval kan er, anders dan [verzoekster] doet, niet zonder meer van uit worden gegaan dat zij schade heeft geleden gelijk aan het verschil tussen de hogere transitievergoeding van vóór 1 januari 2020 en het door haar ontvangen lagere bedrag.

5.6

Daar komt bovendien bij dat, als [verzoekster] al schade heeft geleden, deze naar het oordeel van de kantonrechter op grond van het bepaalde in artikel 6:98 BW niet voor vergoeding door Mijzo in aanmerking komt. Dat wordt als volgt gemotiveerd.

5.6.1

Artikel 6:98 BW luidt: “Voor vergoeding komt slechts in aanmerking schade die in zodanig verband staat met de gebeurtenis waarop de aansprakelijkheid van de schuldenaar berust, dat zij hem, mede gezien de aard van de aansprakelijkheid en van de schade, als een gevolg van deze gebeurtenis kan worden toegerekend.”

5.6.2

De gebeurtenis waarop [verzoekster] de aansprakelijkheid van Mijzo voor de eventuele schade van [verzoekster] baseert is het niet-nakomen door Mijzo van haar re-integratie-verplichtingen in de eerste twee ziektejaren. Zoals hiervoor al is overwogen, valt Mijzo ten aanzien van dat niet-nakomen weinig te verwijten. Haar aansprakelijkheid is niet te wijten aan schuld ten aanzien van de niet-nakoming, maar aan toerekening van het risico van achteraf door het UWV onjuist geoordeelde adviezen van de bedrijfsarts en de arbeidsdeskundige.

5.6.3

Verder neemt de kantonrechter in aanmerking dat Mijzo ten tijde van de aan haar toe te rekenen tekortkoming redelijkerwijs niet kon voorzien dat de onvoldoende re-integratie inspanningen ertoe zouden leiden dat [verzoekster] enkele jaren later een lagere transitie-vergoeding zou krijgen dan zij gehad zou hebben als eerder, voor 1 januari 2020, een ontslagaanvraag had kunnen worden ingediend. Niet alleen kon Mijzo destijds redelijkerwijs niet voorzien dat haar re-integratie inspanningen, waarbij zij de adviezen van de bedrijfsarts en de arbeidsdeskundige volgde, uiteindelijk als gevolg van een andere beoordeling door de verzekeringsarts, onvoldoende geoordeeld zouden worden en tot een loonsanctie zouden leiden. Ook kon Mijzo niet voorzien dat het dienstverband met [verzoekster] uiteindelijk toch vanwege langdurige arbeidsongeschiktheid zou eindigen. Het doel van de loonsanctie is immers ook om door verlenging van de termijn alsnog te proberen tot een succesvolle re-integratie te komen. Niet betwist is dat Mijzo zich daar ook steeds voor heeft ingezet. Dat het uiteindelijk toch niet gelukt is, is zeer spijtig voor [verzoekster] , maar was voor niemand te voorzien.

5.6.4

Ten slotte staat naar het oordeel van de kantonrechter aan toerekening van de schade aan Mijzo in de weg, dat de schade van [verzoekster] (een lagere transitievergoeding, omdat het einde van de arbeidsovereenkomst valt na een voor [verzoekster] ongunstige wetswijziging) niet geacht kan worden een kenmerkend gevolg te zijn van de normschending door Mijzo (de toegerekende niet-nakoming van haar re-integratieverplichtingen).

5.7

Het bovenstaande leidt tot de conclusie dat het verzoek van [verzoekster] zal worden afgewezen.

5.8

De kantonrechter ziet aanleiding om de proceskosten in deze zaak te compenseren in die zin dat iedere partij de eigen proceskosten draagt.

6 De beslissing

De kantonrechter:

wijst het verzoek af;

bepaalt dat iedere partij de eigen proceskosten draagt.

Deze beschikking is gegeven door mr. Sierkstra en is in het openbaar uitgesproken op
30 augustus 2021.