Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZWB:2021:4491

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak
09-09-2021
Datum publicatie
09-09-2021
Zaaknummer
02-820481-19,21-003589
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

“Klaagschrift beslag ex artikel 552a Sv. Klaagster klaagt over het klassieke (94 Sv) en conservatoire (94a Sv) beslag op de onverdeelde aandelen in acht onroerende goederen. Klaagschrift ongegrond. Gelet op de witwasverdenking tegen klaagster is het niet hoogst onwaarschijnlijk dat een rechter later oordelend een verbeurdverklaring zal bevelen dan wel de betaling van een ontnemingsbedrag zal gelasten of een geldboete op zal leggen”

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Team strafrecht

Locatie Breda

parketnummer: 02-820481-19

rk.nummer: 21-003589

Beslissing op het klaagschrift ex artikel 552a van het Wetboek van Strafvordering van:

[klaagster]

geboren op [geboortedag] 1988 te [geboorteplaats]

woonplaats kiezende [adres 1]

hierna te noemen: klager.

1 De procedure

Het verloop van de procedure blijkt uit de volgende stukken:

  • -

    het beslagexploot waaruit blijkt dat op 24 juni 2020 onder klaagster op grond van artikel 94a van het Wetboek van Strafvordering (hierna te nomen: Sv) beslag is gelegd op de onverdeelde aandelen in een achttal onroerende goederen;

  • -

    het beslagoverzicht waaruit blijkt dat op voornoemde onverdeelde aandelen tevens beslag is gelegd op grond van artikel 94 Sv;

  • -

    het klaagschrift, ingediend op 17 maart 2021 ter griffie van deze rechtbank ingevolge artikel 552a Sv;

  • -

    het verweerschrift van de officier van justitie en

  • -

    de overige stukken uit het bijbehorende raadkamerdossier met voornoemd raadkamernummer.

Het klaagschrift is behandeld in raadkamer op 26 augustus 2021. Gehoord zijn de officier van justitie, mr. E. Verhoeven, klaagster en mr. M.A. Buntsma als raadsman van klaagster.

Het klaagschrift strekt tot opheffing van de gelegde beslagen met last tot teruggave aan klaagster. Daartoe is aangevoerd dat op 24 juni 2020 onder klaagster naar aanleiding van een strafrechtelijk financieel onderzoek beslag is gelegd op 21 onroerende goederen. De panden zijn gefinancierd met hypothecaire leningen via [bedrijf 1] Het is niet bekend waarvan klaagster wordt beschuldigd en er is geen zicht op een inhoudelijke behandeling van een strafzaak tegen klaagster. Hierdoor is het hoogst onwaarschijnlijk dat een rechter, later oordelend, aan klaagster een geldboete of verplichting tot betaling van een ontnemingsbedrag oplegt.
Door het beslag is het voor klaagster niet mogelijk de panden te herfinancieren terwijl een andere financiering tot lagere kosten zou leiden. Hierdoor lijdt klaagster renteschade die tot en met 15 maart 2021 is opgelopen tot € 65.467,00. Daarnaast heeft klaagster een schade begroot die kan oplopen tot
€ 300.000,00 op jaarbasis doordat de eenmanszaak [bedrijf 2] niet in een B.V. kan worden omgezet. Het Openbaar Ministerie is bovendien niet ingegaan op een voorstel van klaagster om zekerheid te stellen. Om voornoemde redenen is het voortduren van het beslag niet proportioneel en subsidiair.

De officier van justitie heeft meegedeeld dat er naar aanleiding van informatie van Team Criminele Inlichtingen en een melding van een notariskantoor over ongebruikelijke transacties een witwasverdenking is gerezen tegen klaagster. Uit onderzoek is gebleken dat klaagster en haar partner (hierna samen te noemen: klagers) al dan niet samen met anderen in een kort tijdsbestek een groot aantal panden hebben aangekocht. Slechts voor drie panden is hiervoor een hypotheekrecht in de registers ingeschreven en ten aanzien van een aantal panden heeft een opvallende ABC(D)/AB BC constructie plaatsgevonden. Klagers ontvingen wel winst uit verkoop en huur op hun bankrekeningen, maar er is geen girale geldstroom waaruit blijkt dat zij de panden hebben gefinancierd. Ten slotte ontvingen klagers onderhandse leningen op hun bankrekeningen van Mulders, één van de personen die voor de beslagen panden heeft betaald.

Een deel van de inbeslaggenomen administratie is, gelet op het verschoningsrecht van geheimhouders, ter beoordeling voorgelegd aan de rechter-commissaris. Het Openbaar Ministerie is in afwachting van die beoordeling. Het onderzoeken van die stukken is noodzakelijk ter verificatie van de verklaringen van klagers, vanwege aanwijzingen dat zij een schaduwboekhouding voeren om bepaalde inkomsten, uitgaven of andere feiten te verhullen.

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat het op basis van het huidige onderzoek niet hoogst onwaarschijnlijk is dat een rechter later oordelend de verbeurdverklaring van de onroerende goederen zal bevelen. Daarnaast is het ook niet hoogst onwaarschijnlijk dat een rechter later oordelend een geldboete of een verplichting tot betaling van een ontnemingsbedrag zal opleggen.
Tot slot heeft de officier van justitie zich op het standpunt gesteld dat het gelegde beslag niet disproportioneel is. Er is immers sprake van een omvangrijk witwasonderzoek en er is geen beslag gelegd op het gehele vermogen van klaagster.

In raadkamer heeft de raadsman desgevraagd toegelicht dat het klaagschrift zich nog uitsluitend richt tegen het beslag op de delen van en onverdeelde aandelen in de onroerende goederen die aan klaagster zelf toebehoren. Het klaagschrift is voor het overige door de raadsman ingetrokken.
Voor zover in het klaagschrift is gesproken over schade die wordt geleden door de eenmanszaak [bedrijf 2] heeft de raadsman meegedeeld dat dit standpunt niet meer wordt ingenomen in het beklag namens klaagster. Zij is immers zelf geen ondernemer.

De raadsman heeft de overige standpunten als ingenomen in het klaagschrift herhaald en benadrukt dat de beslagen disproportioneel zijn, omdat zelfs na enkele jaren onderzoek er geen enkele basis is voor een verdenking richting klaagster. De beslagen brengen klaagster bovendien in een deplorabele financiële toestand.

De officier van justitie heeft in raadkamer meegedeeld dat er nog altijd onderzoek moet worden verricht om te kunnen achterhalen of er sprake is van een schaduwboekhouding. Vooralsnog is dit nog niet mogelijk geweest omdat tussen de inbeslaggenomen stukken geheimhoudersdocumenten zitten. De geheimhoudersprocedure bij de rechter-commissaris is nog niet afgerond. Voor het overige heeft de officier van justitie gepersisteerd bij hetgeen eerder is aangevoerd in de schriftelijke reactie. De officier van justitie heeft meegedeeld dat het Openbaar Ministerie welwillend is om mee te denken indien klaagster met een voorstel komt.

2 De beoordeling

2.1

Formaliteiten

De raadsman heeft in raadkamer het klaagschrift ingetrokken voor zover het was gericht tegen de beslagen op delen van onroerende goederen die niet geheel of deels aan klaagster toebehoorden. De rechtbank zal dan ook het klaagschrift uitsluitend beoordelen voor zover het zich richt tegen de beslagen op de onverdeelde aandelen in de panden die toebehoren aan klaagster, te weten:

  • -

    het onverdeeld aandeel in het onroerend goed met kadastrale aanduiding:
    [adres 2]
    welk onroerend goed voor 1/4 deel in eigendom toebehoort aan klaagster;

  • -

    het onverdeelde aandeel van het onroerend goed met kadastrale aanduiding:
    [adres 3]
    welk onroerend goed voor 1/4 deel in eigendom toebehoort aan klaagster;

  • -

    [adres 4] ,
    welk onroerend goed voor 1/2 deel in eigendom toebehoort aan klaagster;

  • -

    het onverdeelde aandeel van het onroerend goed met kadastrale aanduiding:
    [adres 5]
    welk onroerend goed voor 1/4 deel in eigendom toebehoort aan klaagster;

  • -

    het onverdeelde aandeel van het onroerend goed met kadastrale aanduiding:
    [adres 6] ,
    welk onroerend goed voor 1/4 deel in eigendom toebehoort aan klaagster;

  • -

    het onverdeelde aandeel in de onroerende zaak met kadastrale aanduiding:
    [adres 7]
    ,
    welk onroerend goed voor 1/4 deel in eigendom toebehoort aan klaagster;

  • -

    het onverdeelde aandeel in de onroerende zaak met kadastrale aanduiding:
    [adres 8]
    ,
    welk onroerend goed voor 1/4 deel in eigendom toebehoort aan klaagster;

  • -

    het onverdeelde aandeel in de onroerende zaak met kadastrale aanduiding:
    [adres 9]
    ,
    welk onroerend goed voor 1/4 deel in eigendom toebehoort aan klaagster.

De raadkamer van de rechtbank is bevoegd tot afdoening van het klaagschrift.

Het klaagschrift is tijdig ingediend en klaagster is ontvankelijk in het klaagschrift.

Bij de beoordeling stelt de rechtbank voorop dat het onderzoek in raadkamer naar aanleiding van een klaagschrift als bedoeld in artikel 552a Sv een summier karakter draagt. Dat betekent dat van de rechter niet kan worden gevergd ten gronde in de mogelijke uitkomst van een nog te voeren hoofdzaak of ontnemingsprocedure te treden.

2.2

Beslag op grond van 94 Sv

De rechtbank overweegt over het klaagschrift tegen het strafvorderlijk beslag dat is gelegd op grond van artikel 94 Sv als volgt.

Volgens vaste jurisprudentie van de Hoge Raad sinds HR 28 september 2010, ECLI:NL:HR:2010:BL2823, NJ 2010/654, r.o. 2.8 en 2.9, dient de rechter, in geval van een klaagschrift tegen een op grond van artikel 94 Sv gelegd beslag:

a. te beoordelen of het belang van strafvordering het voortduren van het beslag vordert, en zo neen,

b. de teruggave van het inbeslaggenomen voorwerp te gelasten aan de beslagene, tenzij een ander redelijkerwijs als rechthebbende ten aanzien van dat voorwerp moet worden beschouwd.

In dit laatste geval moet het klaagschrift van de beslagene ongegrond worden verklaard en kan, mits de hiervoor bedoelde ander zelf een klaagschrift heeft ingediend, de teruggave aan die rechthebbende worden gelast.

Het belang van strafvordering verzet zich tegen teruggave indien het veiligstellen van de belangen waarvoor artikel 94 Sv de inbeslagneming toelaat, het voortduren van het beslag nodig maakt. Dat is bijvoorbeeld het geval wanneer de desbetreffende voorwerpen kunnen dienen om de waarheid aan de dag te brengen of om wederrechtelijk verkregen voordeel aan te tonen. Voorts verzet het door artikel 94 Sv beschermde belang van strafvordering zich tegen teruggave indien niet hoogst onwaarschijnlijk is dat de strafrechter later oordelend de verbeurdverklaring of onttrekking aan het verkeer van het voorwerp zal bevelen, al dan niet naar aanleiding van een afzonderlijke vordering daartoe als bedoeld in artikel 36b, eerste lid onder 4o, Sr in verbinding met artikel 552f Sv.

De rechtbank stelt vast dat sprake is van een verdenking van witwassen. Uit de mededeling van de officier van justitie is gebleken dat er nog nader onderzoek dient te worden verricht in verband met deze verdenking. Op grond van het raadkamerdossier is de herkomst van de bedragen die voor de aankoop van de panden zijn voldaan, vooralsnog niet worden vastgesteld. Klaagster is gehoord, maar heeft hierbij niet kunnen verklaren hoe de panden zijn gefinancierd. Hierdoor is er geen sprake van een situatie waarin de witwasverdenking direct is weerlegd. Onder die omstandigheden is de rechtbank van oordeel dat het niet hoogst onwaarschijnlijk is dat een rechter later oordelend de verbeurdverklaring van de panden zal bevelen.

De rechtbank is voorts van oordeel dat onvoldoende is gebleken dat het voortduren van het beslag klaagster in een deplorabele financiële situatie zal brengen. Uit het raadkamerdossier volgt immers niet dat klaagster medeverantwoordelijk is voor de aflossingen van de leningen die zijn afgesloten. Bovendien bevat het raadkamerdossier geen stukken waaruit de huidige rentetarieven op de leningen blijken en geen offertes waaruit de gestelde lagere rentetarieven blijken. Hierdoor kan de rechtbank niet vaststellen of klaagster al dan niet schade lijdt door het niet kunnen herfinancieren van de aangekochte panden. Daarnaast stelt de rechtbank vast dat er geen beslag is gelegd op het gehele vermogen van klaagster. Klaagster kan nog in haar dagelijkse onderhoud voorzien. Alles overwegende is de rechtbank dan ook van oordeel dat het voortduren van het beslag op dit moment niet disproportioneel is.

Gelet op het voorgaande verklaart de rechtbank het klaagschrift gericht tegen het op grond van artikel 94 Sv gelegde beslag ongegrond.

2.3

Beslag op grond van 94a Sv

De rechtbank overweegt over het klaagschrift tegen het conservatoir beslag dat is gelegd op grond van artikel 94a Sv als volgt.

Volgens vaste jurisprudentie van de Hoge Raad sinds HR 28 september 2010, ECLI:NL:HR:2010:BL2823, NJ 2010/654 r.o. 2.14, dient de rechter, in geval van een klaagschrift tegen een op grond van artikel 94a, eerste of tweede lid, Sv gelegd beslag te onderzoeken:

(i) of ten tijde van de beslissing op het klaagschrift sprake van een redelijk vermoeden van schuld van een misdrijf waarvoor een geldboete van de vierde (in het geval van conservatoir beslag tot bewaring van het recht tot verhaal voor een schadevergoedingsmaatregel, artikel 94a lid 3 Sv) of vijfde categorie (in het geval van conservatoir beslag tot bewaring van het recht tot verhaal voor een geldboete of ontnemingsmaatregel, respectievelijk artikel 94a lid 1 en 2 Sv) kan worden opgelegd; en

(ii) of zich het geval voordoet dat het hoogst onwaarschijnlijk is dat de strafrechter later oordelend aan de verdachte een verplichting tot betaling van een geldboete dan wel de verplichting tot betaling van een geldbedrag ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel dan wel een schadevergoedingsmaatregel zal opleggen.

De toe te passen maatstaf sluit niet uit dat de rechtbank, indien de omstandigheden van het geval dat meebrengen, bij de beoordeling van het klaagschrift tevens onderzoekt of voortzetting van het beslag in overeenstemming is met de eisen van proportionaliteit en subsidiariteit (vgl. HR 7 januari 2014, ECLI:NL:HR:2014:38, NJ 2014/66, r.o. 2.6).

De rechtbank stelt vast dat sprake is van een verdenking ter zake van een misdrijf bedreigd met een geldboete van de vijfde categorie. Gelet op de hiervoor onder 2.2 omschreven verdenking is de rechtbank van oordeel dat het niet hoogst onwaarschijnlijk is dat de strafrechter later oordelend een geldboete tot tenminste de hoogte van de waarde van de inbeslaggenomen onroerende goederen zal opleggen, dan wel aan verdachte de verplichting tot betaling van een geldbedrag tot ten minste die hoogte ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel zal opleggen. Aangezien deze voorwerpen dus in zoverre kunnen strekken tot zekerheid van de nakoming van zodanige verplichtingen, dient het klaagschrift in beginsel ongegrond te worden verklaard.

De rechtbank is van oordeel dat ook het voortduren van het conservatoire beslag niet disproportioneel is. Zij verwijst hierbij naar hetgeen zij hierover onder 2.2 heeft overwogen.

Gelet op het voorgaande zal de rechtbank het klaagschrift gericht tegen het op grond van artikel 94a Sv gelegde beslag ongegrond verklaren

3 De beslissing

De rechtbank verklaart het klaagschrift gericht tegen de beslagen gelegd op grond van artikel 94 Sv en artikel 94a Sv ongegrond.

Deze beslissing is op 9 september 2021 gegeven door mr. J.C.A.M. Los, voorzitter, mr. D.S.G. Froger en mr. A.L. Hoekstra, rechters, in tegenwoordigheid van mr. J. van Eekelen, griffier, en is uitgesproken ter openbare terechtzitting van 9 september 2021.

De jongste rechter is niet in staat om deze beslissing mede te ondertekenen.

INFORMATIE RECHTSMIDDEL

Tegen deze beslissing kan door het Openbaar Ministerie binnen veertien dagen na dagtekening van deze beslissing en door de klager binnen veertien dagen na de betekening van deze beslissing beroep in cassatie worden ingesteld bij de Hoge Raad der Nederlanden te 's-Gravenhage (artikel 552d lid 2 Wetboek van Strafvordering).