Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZWB:2021:4468

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak
07-09-2021
Datum publicatie
07-09-2021
Zaaknummer
02-820591-18
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

De rechtbank veroordeelt een verdachte die zich in het verkeer schuldig heeft gemaakt aan een poging tot doodslag, door met hoge snelheid meermalen tegen de achterkant van een voertuig aan te rijden met drie inzittenden. De rechtbank legt een gevangenisstraf op van 18 maanden, waarvan 6 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaar.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Strafrecht

Zittingsplaats: Breda

parketnummer: 02/820591-18

vonnis van de meervoudige kamer van 7 september 2021

in de strafzaak tegen

[Verdachte]

geboren op [Geboortedag] 1977 te [Geboorteplaats- en Land]

wonende op het adres [Adres]

raadsman: mr. P. van de Kerkhof, advocaat te Tilburg

1 Onderzoek van de zaak

De zaak is inhoudelijk behandeld op de zitting van 24 augustus 2021. Verdachte is niet verschenen. De gemachtigd raadsman van verdachte is wel verschenen. De officier van justitie, mr. T. Kint, en de verdediging hebben hun standpunten kenbaar gemaakt. Voorts is namens de benadeelde partijen verschenen, mr. V.A. Groeneveld, advocaat te Amsterdam.

2 De tenlastelegging

De tenlastelegging is gewijzigd overeenkomstig artikel 313 van het Wetboek van Strafvordering. De tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht.

De verdenking komt er -kort en feitelijk weergegeven- op neer dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan een poging tot doodslag, ofwel aan een poging zware mishandeling, ofwel aan een bedreiging ten opzichte van [Slachtoffer 1] , [Slachtoffer 2] en [Slachtoffer 3]

3 De voorvragen

De dagvaarding is geldig.

De rechtbank is bevoegd.

De officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging.

Er is geen reden voor schorsing van de vervolging.

4 De beoordeling van het bewijs

4.1

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het subsidiair ten laste gelegde feit heeft gepleegd. De verdachte heeft zijn voertuig ingezet als wapen waarmee hij, doelbewust meermalen, tegen de auto met de drie aangeefsters is aangereden totdat aangeefsters van de rijbaan raakten. Verdachte heeft daardoor de aanmerkelijke kans aanvaard dat de inzittenden ernstig gewond zouden raken. Bij zo’n aanrijding met 130 kilometer per uur, was het immers goed mogelijk geweest dat zij van de weg zouden zijn geraakt, ergens tegenaan waren gebotst, over de kop waren gegaan of dat de auto vlam zou vatten. Bij dergelijke ongevallen is zwaar lichamelijk letsel zoals botbreuken, een whiplash en het lang uit de roulatie zijn een aannemelijk gevolg. Het Openbaar Ministerie stelt zich aldus op het standpunt dat de poging tot zware mishandeling bewezenverklaard kan worden.

4.2

Het standpunt van de verdediging

De verdediging is van mening dat het dossier onvoldoende aanknopingspunten bevat om te concluderen dat verdachte de intentie heeft gehad om de aangeefsters te doden of zwaar lichamelijk letsel toe te brengen. Het opzetvereiste van verdachte kan niet uit de bewijsmiddelen worden afgeleid. Er zijn namelijk onvoldoende objectieve gegevens in het dossier voorhanden om te beoordelen of er een aanmerkelijke kans op de dood of zwaar lichamelijk letsel is geweest. Het wettig en overtuigend bewijs voor het primair en subsidiair ten laste gelegde ontbreekt, zodat verdachte hiervan behoort te worden vrijgesproken. De verdediging heeft ten aanzien van het meer subsidiair ten laste gelegde bepleit dat er geen bewijs is, voor het veroorzaken en het ervaren van vrees, dat bij een bedreiging vereist is. Er is door de raadsman dan ook betoogd om verdachte hiervan vrij te spreken.

4.3

Het oordeel van de rechtbank

4.3.1

De bewijsmiddelen

De bewijsmiddelen zijn in bijlage II aan dit vonnis gehecht.

4.3.2

De bijzondere overwegingen met betrekking tot het bewijs

Feiten en omstandigheden

Uit het dossier komt de volgende gang van zaken naar voren.

Op 28 april 2018 zitten aangeefsters [Slachtoffer 1] , [Slachtoffer 3] en [Slachtoffer 2] bij elkaar in de auto. Zij rijden met hun Audi over de snelweg, de A27. [Slachtoffer 1] is de bestuurster, [Slachtoffer 2] zit op de passagiersstoel voorin en [Slachtoffer 3] zit op de achterbank. Ter hoogte van Geertruidenberg voeren zij een inhaalmanoeuvre uit. Zij rijden op dat moment op de linkerrijstrook met een snelheid van 130 kilometer per uur. Er is ander verkeer dat voor hen op de linkerbaan rijdt en de aangeefsters hebben niet de mogelijkheid om naar rechts te gaan. Op dat moment hebben zij in de gaten dat een voertuig, dat door verdachte wordt bestuurd, zeer dicht achter hun auto rijdt op de linkerrijstrook. Vlak daarna rijdt verdachte tegen de achterkant van de auto van aangeefsters aan. Deze botsing wordt opgevolgd door een tweede aanrijding waarbij verdachte nog harder tegen de Audi aan klapt. Kort daarop rijdt verdachte wederom, voor een derde keer, tegen de achterkant van het voertuig van de aangeefsters aan. Deze derde botsing is zo hard dat [Slachtoffer 1] kort de macht over het stuur verliest en hun voertuig naar rechts afbuigt. Uiteindelijk belanden de aangeefsters op de vluchtstrook, waarna zij weer de controle over hun voertuig hebben gekregen. Later blijkt dat op de bumper van de auto van aangeefsters, een deel van het kenteken van de auto van verdachte, in spiegelbeeld, zichtbaar is.

Juridisch kader

De rechtbank stelt voorop dat voorwaardelijk opzet op een bepaald gevolg – zoals in onderhavig geval een poging tot doodslag – aanwezig is indien de verdachte zich willens en wetens heeft blootgesteld aan de aanmerkelijke kans dat dit gevolg zal intreden. De beantwoording van de vraag of een gedraging de aanmerkelijke kans op een bepaald gevolg in het leven roept, is afhankelijk van de omstandigheden van het geval. Daarbij komt betekenis toe aan de aard van de gedraging en de omstandigheden waaronder deze is verricht. Het zal in alle gevallen moeten gaan om een kans die naar algemene ervaringsregels aanmerkelijk is te achten. Voor de vaststelling dat verdachte zich willens en wetens heeft blootgesteld aan zo'n kans is niet alleen vereist dat de verdachte wetenschap heeft van de aanmerkelijke kans dat het gevolg zal intreden, maar ook dat hij die kans ten tijde van de gedraging bewust heeft aanvaard (op de koop toe heeft genomen).

Ten aanzien van het primair ten laste gelegde

Naar algemene ervaringsregels is bij een aanrijding met een snelheid van 130 kilometer per uur de kans op een ongeluk met dodelijke afloop aanmerkelijk. In onderhavig geval was de kans dat dit gevaar zou intreden ook reëel. Verdachte heeft namelijk driemaal tegen de bumper van de auto van aangeefsters aangereden. De aanrijding heeft met zekere kracht moeten plaatsvinden, aangezien enige rode verf en een afdruk van een deel van het kenteken van verdachte is achtergebleven op de bumper van de Audi. Deze botsingen hebben niet alleen op hoge snelheid plaatsgevonden, maar ook in de nabijheid van ander wegverkeer, waarbij de auto van de aangeefsters niet voortdurend de mogelijkheid heeft gehad om uit te wijken. Bij de derde aanrijding is de auto van aangeefsters in een ongecontroleerde beweging naar rechts de vluchtstrook op gegaan. Naar het zich laat aanzien heeft verdachte zich bovendien doelbewust voorbereid op deze aanrijding. Aangeefster [Slachtoffer 3] heeft namelijk verklaard dat verdachte voor de botsing zijn stuur stevig heeft vastgepakt. Na de aanrijdingen heeft verdachte de aangeefsters nog met grote snelheid achtervolgd over de snelweg.

De rechtbank is van oordeel dat de gedragingen van verdachte, zoals hiervoor omschreven, naar hun uiterlijke verschijningsvorm kunnen worden aangemerkt als zozeer gericht te zijn op de dood van de aangeefsters dat het, behoudens aanwijzingen voor het tegendeel, niet anders kan zijn geweest dan dat verdachte willens en wetens de aanmerkelijke kans op dat gevolg heeft aanvaard. Van dergelijke contra-indicaties is de rechtbank niet gebleken. De rechtbank acht derhalve het voorwaardelijk opzet op de dood van de aangeefsters -en daarmee de primair ten laste gelegde poging tot doodslag- wettig en overtuigend bewezen.

Het verweer van de verdediging moet worden verworpen.

4.4

De bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte

op 28 april 2018 op Rijksweg A27 in de gemeente Geertruidenberg, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om [Slachtoffer 1] en/of [Slachtoffer 3] en/of [Slachtoffer 2] opzettelijk van het leven te beroven, met dat opzet meermalen met een door hem, verdachte, bestuurde personenauto (met hoge snelheid) tegen de achterzijde van de personenauto, waarin die [Slachtoffer 1] en/of [Slachtoffer 3] en/of [Slachtoffer 2] gezeten waren, is aangereden, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.

Voor zover er in de tenlastelegging kennelijke taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn die fouten in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet in zijn verdediging geschaad.

De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

5 De strafbaarheid

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten. Dit levert het in de beslissing genoemde strafbare feit op.

Verdachte is strafbaar, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die zijn strafbaarheid uitsluit.

6 De strafoplegging

6.1

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie vordert aan verdachte op te leggen een gevangenisstraf van 228 dagen, waarvan 60 dagen voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaar.

6.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft, gelet op de persoonlijke omstandigheden van verdachte en de overschrijding van de redelijke termijn, verzocht om aan verdachte alleen een taakstaf op te leggen.

6.3

Het oordeel van de rechtbank

Strafmaatoverweging

De verdachte heeft op 28 april 2018 in Geertruidenberg zich schuldig gemaakt aan een poging tot doodslag ten opzichte van [Slachtoffer 1] , [Slachtoffer 2] en [Slachtoffer 3] . Hij is met hoge snelheid op de A27, met zijn auto, driemaal tegen de achterkant van hun voertuig aangereden. Bij de laatste botsing heeft [Slachtoffer 1] de macht over het stuur verloren, waarna zij op de vluchtstrook terechtgekomen zijn. Verdachte heeft met zijn levensgevaarlijk handelen op een totaal onbezonnen wijze deelgenomen aan het verkeer en getracht de aangeefsters van de weg af te rijden. Het is geenszins aan verdachte te danken dat er geen verkeersongelukken hebben plaatsgevonden en dat de aangeefsters deze gebeurtenis hebben overleefd. Zij hebben doodsangsten uitgestaan vanwege het levensgevaarlijke verkeersgedrag van verdachte. De impact van een dergelijk misdrijf is op invoelbare wijze door de aangeefsters onder woorden gebracht in de toelichting op de vorderingen tot schadevergoeding en de slachtofferverklaring. Verdachte heeft tijdens zijn verhoor bij de politie het feit ontkend en is bij het onderzoek ter zitting niet verschenen. Verdachte heeft aldus geen verantwoordelijkheid genomen voor zijn handelen. Dit rekent de rechtbank verdachte aan.

De rechtbank heeft rekening gehouden met de straffen die plegen te worden opgelegd in vergelijkbare zaken. Daarnaast neemt de rechtbank in overweging dat bij een poging de maximumstraffen met een derde worden verminderd, maar tegelijkertijd is het feit gepleegd ten opzichte van drie slachtoffers. De rechtbank heeft verder acht geslagen op het Uittreksel Justitiële Documentatie van verdachte. Hieruit blijkt dat hij niet eerder voor enig strafbaar feit met justitie in aanraking is gekomen. Voorts geeft de rechtbank zich rekenschap van de overige persoonlijke omstandigheden van verdachte, die bij monde van zijn raadsman naar voren zijn gebracht.

Redelijke termijn

De raadsman heeft overeenkomstig zijn overgelegde pleitaantekeningen betoogd dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6, eerste lid van het Europees Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en haar fundamentele vrijheden (EVRM) is overschreden en dat deze overschrijding moet worden verdisconteerd in de strafoplegging.

De rechtbank stelt voorop dat in artikel 6, eerste lid EVRM het recht van iedere verdachte is gewaarborgd om binnen een redelijke termijn te worden berecht. Die termijn vangt aan op het moment dat de Nederlandse Staat jegens de betrokkene een handeling heeft verricht, waaraan deze in redelijkheid de verwachting kan ontlenen dat tegen hem ter zake van een bepaald strafbaar feit door het Openbaar Ministerie strafvervolging zal worden ingesteld. Het eerste verhoor van de verdachte door de politie heeft niet steeds als zodanige handeling te gelden. Wel dient de betekening van de dagvaarding als een zodanige handeling te worden aangemerkt. Als uitgangspunt heeft te gelden dat de behandeling ter terechtzitting dient te zijn afgerond met een eindvonnis binnen twee jaar nadat de redelijke termijn is aangevangen, tenzij sprake is van bijzondere omstandigheden.

De rechtbank stelt vast dat het strafbare feit is gepleegd op 28 april 2018. De verdachte is op 2 oktober 2018 door de politie verhoord. Verdachte heeft ontkend betrokkene te zijn geweest bij de aanrijding. De rechtbank ziet in het dossier geen aanwijzingen dat verdachte aan dit verhoor de verwachting heeft ontleend dat hij voor dit feit zou worden vervolgd. Uit het dossier blijkt dat op 20 januari 2020 een dagvaarding naar het adres van verdachte is verstuurd. Volgens de rechtbank kon verdachte vanaf deze datum verwachten dat hij ter zake van dit feit vervolgd zou worden door het Openbaar Ministerie. De redelijke termijn is op dat moment aangevangen. De rechtbank zal op 7 september 2021 uitspraak doen en het eindvonnis wijzen. Dit houdt in dat binnen twee jaar, nadat de redelijke termijn is aangevangen, de behandeling ter zitting is afgerond en een einduitspraak is gevolgd. De rechtbank is dan ook van oordeel dat de redelijke termijn in deze strafzaak niet is overschreden.

Straftoemeting

De rechtbank komt, anders dan de officier van justitie, tot een bewezenverklaring van het primaire feit en ziet in het tijdsverloop geen reden om strafvermindering van toe te passen. De straf van de rechtbank komt daarom hoger uit dan de gevorderde strafeis van het Openbaar Ministerie. De rechtbank is, alles afwegende, van oordeel dat een gevangenisstraf van achttien maanden, waarvan zes maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaar passend en geboden is. Gedurende deze proeftijd dient verdachte zich te conformeren aan de algemene voorwaarde, inhoudende dat hij niet opnieuw een strafbaar feit begaat.

7 De benadeelde partijen

[Slachtoffer 1]

Namens de benadeelde partij is een schadevergoeding gevorderd voor een bedrag van € 3.000,- aan immateriële schade naar aanleiding van het ten laste gelegde. In de toelichting op de vordering is betoogd dat de benadeelde partij, op grond van artikel 6:106 BW, op andere wijze in de persoon is aangetast in de vorm van psychisch lijden en geestelijk letsel. De benadeelde partij lijdt aan paniek- en angstaanvallen en durft minder snel in een auto plaats te nemen, nadat onderhavig incident zich heeft afgespeeld.

De benadeelde heeft aangevoerd dat zij nadelige (psychische) gevolgen heeft ondervonden van het bewezenverklaarde handelen van verdachte. Naar het oordeel van de rechtbank brengt de aard en de ernst van de normschending door verdachte mee dat de relevante nadelige gevolgen daarvan voor de benadeelde zo voor de hand liggen, dat sprake is van een aantasting in de persoon op andere wijze dan door lichamelijk letsel of aantasting in de eer of goede naam. Dit betekent dat de immateriële schade voor vergoeding in aanmerking komt. Gelet op alle omstandigheden en de bedragen die in vergelijkbare gevallen zijn toegekend, acht rechtbank vergoeding van een bedrag van € 1.500,- redelijk en billijk.

De rechtbank zal het toegewezen bedrag vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de datum van het ontstaan van die schade tot aan de dag der voldoening. De rechtbank zal tevens de schadevergoedingsmaatregel opleggen tot betaling van het toegekende schadebedrag. Dit betekent dat het CJIB de inning zal verzorgen en dat bij niet betaling gijzeling kan worden toegepast als dwangmiddel.

De behandeling voor het overige deel van de vordering levert naar het oordeel van de rechtbank een onevenredige belasting van het strafgeding op, zodat de benadeelde partij voor dat deel niet-ontvankelijk in haar vordering zal worden verklaard. Dat deel van de vordering kan bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.

[Slachtoffer 2]

Namens de benadeelde partij is een schadevergoeding gevorderd voor een bedrag van € 3.000,- aan immateriële schade naar aanleiding van het ten laste gelegde. In de toelichting op de vordering is betoogd dat de benadeelde partij, op grond van artikel 6:106 BW, op andere wijze in de persoon is aangetast in de vorm van psychisch lijden en geestelijk letsel. De benadeelde partij lijdt aan paniek- en angstaanvallen en heeft concentratiestoornissen die tot een studieachterstand hebben geleid. Naar aanleiding van gesprekken met de huisarts en de praktijkondersteuner van de GGZ zijn kalmerende medicatie, antidepressiva en slaapmiddelen voorgeschreven. Er is een medische onderbouwing waarin er wordt gevreesd voor een PTSS naar aanleiding van onderhavig incident.

De benadeelde heeft aangevoerd dat zij nadelige (psychische) gevolgen heeft ondervonden van het bewezenverklaarde handelen van verdachte. Naar het oordeel van de rechtbank brengt de aard en de ernst van de normschending door verdachte mee dat de relevante nadelige gevolgen daarvan voor de benadeelde zo voor de hand liggen, dat sprake is van een aantasting in de persoon op andere wijze dan door lichamelijk letsel of aantasting in de eer of goede naam. Dit betekent dat de immateriële schade voor vergoeding in aanmerking komt. Gelet op alle omstandigheden en de bedragen die in vergelijkbare gevallen zijn toegekend, acht rechtbank vergoeding van een bedrag van € 1.500,- redelijk en billijk.

De rechtbank zal het toegewezen bedrag vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de datum van het ontstaan van die schade tot aan de dag der voldoening. De rechtbank zal tevens de schadevergoedingsmaatregel opleggen tot betaling van het toegekende schadebedrag. Dit betekent dat het CJIB de inning zal verzorgen en dat bij niet betaling gijzeling kan worden toegepast als dwangmiddel.

De behandeling voor het overige deel van de vordering levert naar het oordeel van de rechtbank een onevenredige belasting van het strafgeding op, zodat de benadeelde partij voor dat deel niet-ontvankelijk in haar vordering zal worden verklaard. Dat deel van de vordering kan bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.

8 De wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 14a, 14b, 14c, 45 en 287 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezenverklaarde.

9 De beslissing

De rechtbank:

Bewezenverklaring

- verklaart het primair tenlastegelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 4.4 is omschreven;

- spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;

Strafbaarheid

- verklaart dat het primair bewezenverklaarde het volgende strafbare feit oplevert:

poging tot doodslag;

- verklaart verdachte strafbaar;

Strafoplegging

- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 18 (achttien) maanden, waarvan 6 (zes) maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 (twee) jaar;

- bepaalt dat het voorwaardelijke deel van de straf niet ten uitvoer wordt gelegd, tenzij de rechter tenuitvoerlegging gelast, omdat verdachte voor het einde van de proeftijd de hierna vermelde voorwaarden niet heeft nageleefd;

- stelt als algemene voorwaarde dat verdachte zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;


Benadeelde partij [Slachtoffer 1]

- veroordeelt verdachte tot betaling aan de benadeelde partij [Slachtoffer 1] een bedrag van € 1.500,-die geheel bestaat uit immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 28 april 2018 tot aan de dag der voldoening;

- veroordeelt verdachte in de kosten van de benadeelde partij tot nu toe gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken, tot nu toe begroot op nihil;

- verklaart de benadeelde partij in het overige gedeelte van de vordering niet-ontvankelijk en bepaalt dat de vordering voor dat gedeelte bij de burgerlijke rechter kan worden aangebracht;

Schadevergoedingsmaatregel

- legt aan verdachte de verplichting op aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer [Slachtoffer 1] , ter zake het primair bewezenverklaarde feit, € 1.500 te betalen, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 28 april 2018 tot aan de dag der voldoening;

- bepaalt dat bij niet betaling 25 dagen gijzeling kan worden toegepast, met dien verstande dat toepassing van de gijzeling de betalingsverplichting niet opheft;

- bepaalt dat bij voldoening van de schadevergoedingsmaatregel de betalingsverplichting aan de benadeelde partij vervalt en omgekeerd;

Benadeelde partij [Slachtoffer 2]

- veroordeelt de verdachte tot betaling aan de benadeelde partij [Slachtoffer 2] een bedrag van

€ 1.500,- die geheel bestaat uit immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 28 april 2018 tot aan de dag der voldoening;

- veroordeelt verdachte in de kosten van de benadeelde partij tot nu toe gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken, tot nu toe begroot op nihil;

- verklaart de benadeelde partij in het overige gedeelte van de vordering niet-ontvankelijk en bepaalt dat de vordering voor dat gedeelte bij de burgerlijke rechter kan worden aangebracht;

Schadevergoedingsmaatregel

- legt aan verdachte de verplichting op aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer [Slachtoffer 2] , ter zake het primair bewezenverklaarde feit, € 1.500 te betalen, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 28 april 2018 tot aan de dag der voldoening;

- bepaalt dat bij niet betaling 25 dagen gijzeling kan worden toegepast, met dien verstande dat toepassing van de gijzeling de betalingsverplichting niet opheft;

- bepaalt dat bij voldoening van de schadevergoedingsmaatregel de betalingsverplichting aan de benadeelde partij vervalt en omgekeerd;

Dit vonnis is gewezen door mr. D. van Kralingen, voorzitter, mr. A.L. Hoekstra en mr. R.J.H. Goossens, rechters, in tegenwoordigheid van mr. P.A.C. Admiraal, griffier, en is uitgesproken ter openbare zitting op 7 september 2021.

De griffier is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.