Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZWB:2021:4463

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak
02-09-2021
Datum publicatie
07-09-2021
Zaaknummer
02-120511-21 en 02-083706-21 (gev.ttz)
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

Veroordeling voor meerdere vermogensdelicten tot een ISD-maatregel voor de duur van 2 jaren”.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Strafrecht

Zittingsplaats: Breda

parketnummer: 02-120511-21 en 02-083706-21 (gevoegd ttz.)

vonnis van de meervoudige kamer van 2 september 2021

in de strafzaak tegen

[Verdachte]

geboren op [Geboortedag] 1975 te [Geboorteplaats]

thans gedetineerd te P.I. Vught, Lunettenlaan 501, 5263 NT Vught

raadsman mr. C.J.M. Jansen, advocaat te Tilburg

1 Onderzoek van de zaak

De zaak is inhoudelijk behandeld op de zitting van 19 augustus 2021, waarbij de officier van justitie, mr. T. Kint, en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt.

Ter zitting zijn overeenkomstig artikel 285 van het Wetboek van Strafvordering de zaken onder voormelde parketnummers gevoegd.

2 De tenlastelegging

De tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht.

De verdenking onder 02-120511-21 komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte:

  • -

    op 4 mei 2021 heeft geprobeerd een of meer goederen te stelen uit de woning van [Slachtoffer 1] , door in te breken;

  • -

    op 4 mei heeft ingebroken in de woning van [Slachtoffer 2] en daaruit een fiets heeft gestolen.

De verdenking onder 02-083706-21 komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte:

- op 25 maart 2021 samen met een ander of alleen heeft ingebroken in meerdere bergingen en daaruit goederen heeft gestolen, dan wel dat heeft geprobeerd. Als dat niet bewezen kan worden dan wordt hem verweten dat hij met een ander of alleen de deuren van de bergingen en de kozijnen heeft vernield.

3 De voorvragen

De geldigheid van de dagvaarding.

De rechtbank constateert dat in het, onder parketnummer 02-083706-21, subsidiair tenlastegelegde feit het feitelijk substraat, de uitwerking van de verweten feitelijke handelingen van verdachte, ontbreekt. De rechtbank is echter niet van oordeel dat deze omissie in de dagvaarding moet leiden tot partiële nietigheid van de dagvaarding. Wanneer het procesdossier wordt gelezen in samenhang met de gehele tenlastelegging - en daarmee ook met de meer subsidiair tenlastegelegde vernieling – dan is voldoende duidelijk welke feitelijke handelingen verdachte worden verweten. De rechtbank stelt bovendien vast dat uit de inhoudelijke behandeling van dit feit ter zitting en het pleidooi blijkt dat het voor de verdediging kennelijk duidelijk was waartegen zij zich moest verweren. Zowel de raadsman als verdachte hebben inhoudelijk uitgebreid gereageerd op de aangetroffen sporen en de overige bewijsmiddelen. De verdediging heeft ook geen verweer gevoerd op dit punt. Gelet op deze omstandigheden is de rechtbank van oordeel dat de gehele dagvaarding geldig is.

De rechtbank is bevoegd.

De officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging.

Er is geen reden voor schorsing van de vervolging.

4 De beoordeling van het bewijs

4.1

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht de onder 02-120511-21 tenlastegelegde feiten wettig en overtuigend bewezen. Zij merkt hierbij op dat er bij feit 1 sprake is van een poging tot diefstal met braak en baseert zich daarbij op de tweede aangifte van [Slachtoffer 1] in het dossier en de overige bewijsmiddelen in het procesdossier. Met betrekking tot feit 2 wijst zij op het bloed van verdachte dat op het kiepraam van het slachtoffer is aangetroffen.

De officier van justitie vordert verdachte vrij te spreken van het primair onder 02-083706-21 tenlastegelegde. Er kan niet worden vastgesteld dat er daadwerkelijk goederen uit de bergingen zijn weggenomen. Naar de mening van de officier van justitie kan de subsidiair tenlastegelegde poging tot diefstal met braak wel wettig en overtuigend worden bewezen. Hierbij overweegt zij dat niet kan worden bewezen dat verdachte dit feit samen met een ander heeft gepleegd en vraagt verdachte van dit deel partieel vrij te spreken.

4.2

Het standpunt van de verdediging

De verdediging is van mening dat de rechtbank niet tot een bewezenverklaring kan komen van de tenlastegelegde feiten.

Met betrekking tot het eerste feit onder 02-120511-21 kan niet worden vastgesteld dat verdachte het pand heeft betreden met het oogmerk iets weg te nemen.

Ten aanzien van het tweede feit is opgenomen dat het DNA-spoor is gevonden op het adres [Straatnaam 1] terwijl aangever woont op [Straatnaam 2] Daarnaast kan een bloedspoor aan de buitenzijde van het raam ook ontstaan zijn als verdachte zich met een verwonding in de omgeving van de woning heeft opgehouden. Om die reden kan niet vastgesteld worden dat verdachte de fiets heeft weggenomen uit de hal van de woning. Verdachte is ook niet aangetroffen met de witte fiets uit de tenlastelegging maar bij een rode fiets.

Voor de feiten als opgenomen onder parketnummer 02-083706-21 kan uitsluitend worden vastgesteld dat verdachte in de nabijheid van de bergingen is aangetroffen. Uit de verklaring van getuige [Naam 1] kan namelijk niet worden afgeleid dat verdachte de persoon is die bij de bergingen weg is gerend. Als het schoenspoor al leidt tot de conclusie dat verdachte tegen de deur heeft getrapt, dan kan dit uitsluitend een bewezenverklaring van vernieling opleveren, omdat het oogmerk op diefstal niet uit de bewijsmiddelen is gebleken.

4.3

Het oordeel van de rechtbank

4.3.1

De bewijsmiddelen

De bewijsmiddelen zijn in bijlage II aan dit vonnis gehecht.

4.3.2

De bijzondere overwegingen met betrekking tot het bewijs

02-120511-21

Feit 1

Uit de in de bijlage genoemde bewijsmiddelen volgt dat verdachte op 4 mei 2021 zonder toestemming het studentenpand aan de [Straatnaam 3] heeft betreden. Verdachte is herkend op de foto die is genomen door aangeefster [Slachtoffer 1] en de jas die op die foto te zien is, komt overeen met de jas van de persoon op de beelden. Er is gezien hoe verdachte het pand verliet via een deur waarop een camera was gericht. Deze deur was eerder onbeschadigd en afgesloten. Nadat verdachte het pand had verlaten bleek dat de deur beschadigd was en niet meer afgesloten kon worden. De bewoners van het pand misten geen goederen of gelden.

De verdediging heeft betoogd dat uit het feit dat verdachte het pand verliet, niet afgeleid kan worden dat hij het oogmerk had goederen weg te nemen uit het pand. Naar de mening van de verdediging is het mogelijk dat verdachte heeft gezocht naar een plaats om zijn behoefte te doen. De rechtbank is van oordeel dat deze verklaring niet aannemelijk is geworden. Verdachte heeft ter zitting zelf verklaard dat hij zijn behoefte wenste te doen in een openbare steeg. Het is dan niet logisch als hij vervolgens diezelfde avond een deur van een studentenhuis open zou breken om in het huis op zoek te gaan naar een toilet om zijn behoefte te doen. Dat heeft hij overigens zelf ook niet verklaard. Uit de uiterlijke verschijningsvorm blijkt juist dat verdachte die avond op zoek was naar een geschikt moment om in te breken. Verdachte is gedurende de avond meerdere keren op verschillende tijdstippen in de buurt van de studentenwoning en op de binnenplaats achter de studentenwoning gezien. De rechtbank stelt vast dat hetgeen openbare steeg betreft, maar juist een besloten binnenplaats, waar hij niets te zoeken had. Dat verdachte snode plannen had, blijkt ook uit het feit dat hij weg is gevlucht zodra er op het raam werd geklopt. Op enig moment is verdachte de woning binnen gegaan. De rechtbank is van oordeel dat deze handelingen van verdachte niet anders uitgelegd kunnen worden dan dat hij de deur heeft open gebroken om goederen of gelden te stelen. De rechtbank is van oordeel dat de poging tot diefstal met braak wettig en overtuigend bewezen kan worden

Feit 2

Uit de in de bijlage genoemde bewijsmiddelen volgt dat verdachte op 4 mei 2021 via een toiletraam de woning van [Slachtoffer 2] aan de [Straatnaam 2] te Tilburg heeft betreden. Vervolgens heeft verdachte de woning met de racefiets van [Slachtoffer 2] via de voordeur verlaten. Dit deed hij klaarblijkelijk door gebruik te maken van de sleutels die aan de binnenkant op de afgesloten voordeur zaten.

De verdediging heeft betoogd dat de aangetroffen DNA-sporen niet kunnen bijdragen aan het bewijs nu zij zijn aangetroffen op een raam aan de [Straatnaam 1] , terwijl zou zijn ingebroken aan de [Straatnaam 2] De rechtbank stelt vast dat uit het in de bijlage opgenomen proces-verbaal van forensisch onderzoek van 7 mei 2021 volgt dat het door het NFI onderzochte bloedspoor is aangetroffen op het kozijn aan de buitenzijde van het toiletraam van de woning van de aangever aan de [Straatnaam 2] te Tilburg. Aangever [Slachtoffer 2] heeft verdachte niet in zijn woning gezien. Verdachte is echter wel door aangeefster [Slachtoffer 1] (feit 1) herhaaldelijk gezien op de binnenplaats van de woning van aangever. Daarnaast heeft ook getuige [Naam 2] verdachte gezien bij de woning van aangever. Onder die omstandigheden mag van verdachte een verklaring worden gevraagd voor de aanwezigheid van het bloedspoor op het kozijn van de woning. Een aannemelijke verklaring is echter uitgebleven. Deze sporen kunnen uitsluitend ontstaan zijn als het verwonde lichaamsdeel van verdachte daadwerkelijk in aanraking is gekomen met het kozijn. Specifiek dit kozijn hoort bij het raam dat open is gebroken om toegang te krijgen tot de woning van aangever. Onder die omstandigheden neemt de rechtbank aan dat het bloedspoor afkomstig is van de persoon die het raam heeft opengebroken.

Gelet op voornoemde acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat verdachte in de woning heeft ingebroken, met de sleutels van aangever de voordeur heeft geopend en via de voordeur de racefiets heeft weggenomen.

02-083706-21

Uit de bewijsmiddelen in de bewijsbijlage blijkt dat er in de nacht van 25 maart 2021 meerdere bergingen aan de [Straatnaam 4] te Tilburg zijn opengebroken. Negen bewoners van het appartementencomplex hebben aangifte gedaan van inbraak. Op aangeefster [Naam 1] na missen zij geen goederen. Uit de berging van [Naam 1] was haar fiets verdwenen, maar deze fiets is door de politie in de hal bij de bergingen aangetroffen. De fiets heeft het pand kennelijk niet verlaten.

Primair diefstal met braak

De rechtbank is van oordeel dat onder deze feiten en omstandigheden niet gesproken kan worden van een voltooide diefstal. Zij zal verdachte daarom vrijspreken van het primair tenlastegelegde feit.

Subsidiair poging diefstal met braak

De verdediging heeft betoogd dat niet vastgesteld kan worden dat het verdachte was die de bergingen heeft opengebroken. De rechtbank stelt vast dat getuige [Naam 1] heeft gezien dat een man in een zwarte jas tegen de deur van een van de bergingen trapte. Toen de politie kwam, rende er een man in een zwarte jas weg. [Naam 1] heeft gezien dat de man de [Straatnaam 4] in rende en dat kort achter de man een politieauto reed. Deze waarneming van [Naam 1] sluit naadloos aan op de bevindingen van verbalisant [Naam 3] . De politie heeft verder bij de bergingen geen andere personen aangetroffen. Verbalisant [Naam 3] heeft verdachte aangehouden en vermeldt dat hij voldeed aan het signalement. Daarnaast blijkt uit het forensische onderzoek dat het aangetroffen schoenspoor op de deur van de berging is veroorzaakt met de linkerschoen van verdachte. De rechtbank is dan ook van oordeel dat verdachte de persoon is geweest die de deuren van de bergingen heeft ingetrapt. Hoewel het dossier enkele aanwijzingen hiertoe bevat, kan niet wettig en overtuigend worden bewezen dat verdachte deze handelingen samen met een ander heeft verricht.

De verdediging heeft voorts aangevoerd dat het intrappen van de deuren hooguit als een vernieling aangemerkt kan worden, omdat niet gebleken is dat verdachte het oogmerk had goederen weg te nemen. De rechtbank volgt de verdediging niet in dit verweer. Uit de aangifte van [Naam 1] blijkt dat haar fiets uit haar berging is gehaald en in de hal bij de bergingen is gezet. Aangever [Naam 4] heeft bovendien verklaard dat een kast in zijn berging open was. Deze kast was normaal gesproken afgesloten. Uit deze feiten blijkt dat de bergingen wel degelijk zijn betreden, dat er goederen zijn verplaatst en dat de bergingen zijn doorzocht. Naar uiterlijke verschijningsvorm passen die constateringen bij een intentie om iets weg te nemen uit de bergingen. De rechtbank is van oordeel dat hieruit het oogmerk op de diefstal van goederen blijkt.

Gelet op voornoemde overwegingen acht de rechtbank de subsidiair tenlastegelegde poging tot diefstal met braak wettig en overtuigend bewezen. Zij zal verdachte echter partieel vrijspreken van het in vereniging plegen van dit feit.

4.4

De bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte

02-120511-21

1

op 4 mei 2021 te Tilburg, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om geld en/of één of meer goederen van zijn gading, die aan een ander toebehoorden weg te nemen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen en zich toegang tot de plaats van het misdrijf te verschaffen door middel van braak

een deur tot het pand waarbinnen zich de woning van die [Slachtoffer 1] bevindt, heeft geforceerd,

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

2

op 4 mei 2021 te Tilburg

een fiets merk Specialized, Allez Sport die aan [Slachtoffer 2] toebehoorde heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl verdachte zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van braak en die weg te nemen fiets onder zijn bereik heeft gebracht door middel van een valse sleutel, te weten door gebruik te maken van een huissleutel die niet voor gebruik door verdachte bestemd waren;

02-083706-21 subsidiair

op 25 maart 2021 te Tilburg ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om goederen van zijn gading, die aan [Naam 4] en/of [Naam 1] en/of [Naam 5] en/of [Naam 6] en/of [Naam 7] en/of [Naam 8] en/of [Naam 9] en/of [Naam 10] en/of [Naam 11] toebehoorden weg te nemen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, zich de toegang tot de plaats van het misdrijf, meerdere bergingen gelegen aan de [Straatnaam 4] , heeft verschaft door middel van braak, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid. terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.

Voor zover er in de tenlastelegging kennelijke taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn die fouten in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet in zijn verdediging geschaad.

De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

5 De strafbaarheid

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten. Dit levert de in de beslissing genoemde strafbare feiten op.

Verdachte is strafbaar, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die zijn strafbaarheid uitsluit.

6 De strafoplegging

6.1

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie vordert aan verdachte op te leggen een maatregel van plaatsing van verdachte in een inrichting voor stelselmatige daders (hierna te noemen: ISD-maatregel) voor de duur van 2 jaren.

6.2

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat verdachte beter had kunnen worden geholpen binnen het kader van de Wet zorg en dwang. Indien de rechtbank overgaat tot het opleggen van een ISD-maatregel, dan wordt verzocht deze maatregel te beperken tot de duur van 1 jaar.

6.3

Het oordeel van de rechtbank

Er zijn meerdere vermogensdelicten bewezen. Hierbij is schade ontstaan aan goederen van aangevers. Daarnaast is het een feit van algemene bekendheid dat een (poging tot) inbraak in een woning gevoelens van onveiligheid bij de slachtoffers oplevert, terwijl een woning juist de plaats is waar zij zich veilig moeten kunnen voelen. Dit zijn dan ook zeer vervelende feiten waarmee verdachte binnen een kort tijdsbestek meerdere personen en een woonstichting heeft gedupeerd.

De officier van justitie heeft verzocht een ISD-maatregel op te leggen. De wet stelt aan het opleggen van een ISD-maatregel verschillende eisen. De rechtbank stelt vast dat uit de justitiële documentatie van verdachte is gebleken dat aan alle wettelijke eisen om een ISD-maatregel op te mogen leggen is voldaan. Er is sprake van een misdrijf waarvoor voorlopige hechtenis is toegelaten. Verdachte is in de vijf jaar voorafgaand aan het misdrijf in deze zaak in ieder geval drie keer wegens een misdrijf onherroepelijk veroordeeld en hij heeft het misdrijf gepleegd na de tenuitvoerlegging van de eerder opgelegde sancties. Er moet bovendien ernstig rekening mee worden gehouden dat verdachte wederom een misdrijf zal begaan. De rechtbank moet nu bepalen of de veiligheid van personen of goederen het opleggen van een ISD-maatregel eist en of een ISD-maatregel voor verdachte ook de juiste straf is.

[Naam 12] heeft op 22 juli 2021 een rapport over verdachte opgesteld. Zij heeft omschreven dat verdachte al jaren stelselmatig contact vermijdt met reclasseringsorganisaties en hulpverleningsinstanties. Ondanks eerdere begeleiding en behandeling is er tot op heden geen sprake geweest van een gedragsverandering. Verdachte staat bekend als veelpleger. Er is een sterk drang- en dwangkader nodig om te zorgen voor gedragsverandering. De reclasseringswerker is van mening dat een vrijwillig of gedwongen ambulant kader onvoldoende is om het risico op recidive te verminderen. Er is onderzocht of er mogelijkheden zijn binnen de Wet zorg en dwang. Verdachte voldoet echter niet aan de criteria. Een normaal reclasseringstoezicht en een voorwaardelijke ISD-maatregel zijn onuitvoerbaar omdat verdachte een stabiele basis mist en zich daardoor niet over een langere periode aan voorwaarden zal kunnen houden. De reclasseringswerker adviseert dan ook aan verdachte een ISD-maatregel op te leggen. Binnen dit ISD-traject kan er een gedragsinterventie komen voor het middelengebruik van verdachte. Daarna kan er opnieuw diagnostiek worden uitgevoerd en kan er gezocht worden naar een passende woonplek voor verdachte. In samenwerking met de gemeente kan uiteindelijk een nazorgplan voor verdachte worden opgesteld.

De rechtbank is van oordeel dat de ISD-maatregel een verstrekkende maatregel is. Enerzijds is het van belang de maatschappij te beschermen tegen steeds weer terugkerende vermogensdelicten door verdachte. Deze bescherming is alleen mogelijk door een gedragsverandering bij verdachte. Anderzijds moet de rechtbank kijken of deze gedragsverandering ook op een minder verstrekkende manier kan worden bereikt. De rechtbank stelt vast dat uit de justitiële documentatie van verdachte blijkt dat verdachte tussen 2009 en 2018 niet is veroordeeld voor strafbare feiten. Tijdens deze periode kreeg verdachte hulp en woonbegeleiding. Hieruit blijkt dat verdachte baat heeft bij hulp en begeleiding en dat hierdoor ook het recidiverisico aanzienlijk afneemt. De rechtbank is van oordeel dat deze hulp niet binnen een voorwaardelijk kader kan worden geboden. Niet alleen blijkt uit de informatie van de reclassering dat verdachte contact met de reclassering en hulpverlening vermijdt, uit de justitiële documentatie blijkt ook dat een eerder opgelegde voorwaardelijke gevangenisstraf volledig ten uitvoer is gelegd na een overtreding van de algemene voorwaarde. Om die reden is het noodzakelijk de hulpverlening aan verdachte binnen een strak kader plaats te laten vinden. De rechtbank is alles overwegende van oordeel dat de veiligheid van personen of goederen de oplegging van de ISD-maatregel eist en legt daarom aan verdachte een onvoorwaardelijke ISD-maatregel op.

De verdediging heeft verzocht de duur van de ISD-maatregel te beperken tot 1 jaar. De rechtbank zal dit niet doen. In de periode van 2 jaren zal niet alleen de vicieuze cirkel waarin verdachte zich bevindt moeten worden doorbroken, maar zal er voor hem ook een veilige omgeving opgebouwd moeten worden met huisvesting, dagbesteding en personen om hem heen die een goede invloed op hem hebben. De rechtbank verwacht dat de volledige 2 jaren hiervoor nodig zullen zijn.

7 De benadeelde partijen

Benadeelde partij [Slachtoffer 1]

De benadeelde partij [Slachtoffer 1] vordert een schadevergoeding van € 1.019,32, bestaande uit € 569,32 materiële schade en € 450,00 immateriële schade.

De rechtbank stelt vast dat het feit waarop de vordering van benadeelde partij [Slachtoffer 1] is gebaseerd, niet is opgenomen in de tenlastelegging. Om die reden is de rechtbank van oordeel dat feiten en omstandigheden die tot toewijzing van de vordering zouden kunnen leiden, niet voldoende vast staan.

Verdere behandeling van de vordering levert naar het oordeel van de rechtbank een onevenredige belasting van het strafgeding op, zodat de benadeelde partij niet-ontvankelijk zal worden verklaard. De vordering kan bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.

Benadeelde partij [Naam 1]

De benadeelde partij [Naam 1] vordert een schadevergoeding van € 1.320,00 voor het onder 02-083706-21 tenlastegelegde feit.

De rechtbank is van oordeel dat feiten en omstandigheden die tot toewijzing van de vordering zouden kunnen leiden niet voldoende vast staan, omdat iedere onderbouwing voor de gevorderde schadevergoeding ontbreekt.

Verdere behandeling van de vordering levert naar het oordeel van de rechtbank een onevenredige belasting van het strafgeding op, zodat de benadeelde partij niet-ontvankelijk zal worden verklaard. De vordering kan bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.

Benadeelde partij [Naam 13]

De benadeelde partij [Naam 13] vordert een schadevergoeding van € 6.720,22 voor het onder 02-083706-21 tenlastegelegde feit.

De verdediging heeft als verweer gevoerd dat aan de vereisten van de schriftelijke volmacht niet is voldaan. Het voegingsformulier is ondertekend met het vermelden van “ [Naam 13] ” en het plaatsen van een stempel van [Naam 13] . Onvoldoende blijkt wie [Naam 13] is. De officier van justitie heeft gewezen op het arrest van de Hoge Raad van 16-11-2004 (ECLI:NL:HR:2004:AR3043) waaruit blijkt dat een volmacht niet vereist is als is ondertekend is door een persoon die optreedt namens een rechtspersoon. Dat hier sprake van is blijkt voldoende uit het geplaatste stempel.

De rechtbank stelt vast dat uit de stukken voldoende blijkt dat [Naam 13] optreedt. Op het voegingsformulier is onder de naam [Naam 13] het stempel van [Naam 13] geplaatst. Bovendien is de bij het voegingsformulier gevoegde offerte, geadresseerd aan [Naam 13] onder vermelding van het adres van [Naam 13] , ter attentie van “ [Naam 13] .” Hieruit leidt de rechtbank voldoende verband af tussen [Naam 13] . Een bijzondere volmacht is gelet op de officier van justitie genoemde jurisprudentie, gelet op deze omstandigheden niet vereist. De benadeelde partij zal ontvankelijk in haar vordering worden verklaard.

De rechtbank heeft hiervoor overwogen dat bewezen kan worden verklaard dat verdachte dit feit heeft gepleegd. Dit betekent ook dat verdachte onrechtmatig heeft gehandeld naar de benadeelde partij toe en dat hij verplicht is de schade van de benadeelde partij te vergoeden.

De door de benadeelde gevorderde schadevergoeding acht de rechtbank toewijsbaar tot een bedrag van € 6.720,22, ter zake van materiële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 25 maart 2021 tot aan de dag van de algehele voldoening. Deze schade staat ook in een voldoende verband met het bewezenverklaarde handelen van verdachte, zodat ook sprake is van schade die een rechtstreeks gevolg is van het bewezenverklaarde feit.

De rechtbank zal tevens de schadevergoedingsmaatregel opleggen tot betaling van het toegekende schadebedrag. Dit betekent dat het CJIB de inning zal verzorgen en dat bij niet betaling gijzeling kan worden toegepast als dwangmiddel.

8 De wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 36f, 38m, 38n, 45, 57, 63, 311 van het Wetboek van Strafrecht zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezenverklaarde.

9 De beslissing

De rechtbank:

Vrijspraak

- spreekt verdachte vrij van het primair onder 02-083706-21 tenlastegelegde feit;

Bewezenverklaring

- verklaart het tenlastegelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 4.4 is omschreven;

- spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;

Strafbaarheid

- verklaart dat het bewezenverklaarde de volgende strafbare feiten oplevert:

Feit 1 onder 02-120511-21: poging tot diefstal, waarbij de schuldige zich de toegang tot
de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van braak;

Feit 2 onder 02-120511-21: diefstal, waarbij de schuldige zich de toegang tot
de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van braak en het weg
te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van valse
sleutels;

Feit 1 subsidiair onder 02-083706-21: poging tot diefstal waarbij de schuldige zich de
toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van braak;

- verklaart verdachte strafbaar;

Maatregel

- gelast de plaatsing van verdachte in een inrichting voor stelselmatige daders voor 2 jaren;

Benadeelde partijen

- verklaart de benadeelde partijen [Slachtoffer 1] en [Naam 1] niet-ontvankelijk in de vorderingen en bepaalt dat de vorderingen bij de burgerlijke rechter kunnen worden aangebracht;

- veroordeelt verdachte tot betaling aan de benadeelde partij [Naam 13] van € 6.720,22, ter zake van materiële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 25 maart 2021 tot aan de dag van de algehele voldoening;

- veroordeelt verdachte in de kosten van de benadeelde partij tot nu toe gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken, tot nu toe begroot op nihil;

- legt aan verdachte de verplichting op aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer [Naam 13] (feit 1 subsidiair onder 02-083706-21), € 6.720,22 te betalen, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 25 maart 2021 tot aan de dag van de algehele voldoening;

- bepaalt dat bij niet betaling 68 dagen gijzeling kan worden toegepast, met dien verstande dat toepassing van de gijzeling de betalingsverplichting niet opheft;

- bepaalt dat bij voldoening van de schadevergoedingsmaatregel de betalingsverplichting aan de benadeelde partij vervalt en omgekeerd.

Dit vonnis is gewezen door mr. R.J.H. van der Linden, voorzitter, mr. D. van Kralingen en mr. A.L. Hoekstra, rechters, in tegenwoordigheid van mr. J. van Eekelen, griffier, en is uitgesproken ter openbare zitting op 2 september 2021.