Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZWB:2021:4452

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak
02-09-2021
Datum publicatie
14-09-2021
Zaaknummer
20-6713 t-m 20-6723
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Voor deze uitspraak is geen samenvatting gemaakt.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Viditax (FutD), 14-9-2021
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Belastingrecht, enkelvoudige kamer

Locatie: Breda

Zaaknummers BRE 20/6713 tot en met 20/6723

Uitspraak van 2 september 2021

Uitspraak als bedoeld in afdeling 8.2.6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in het geding tussen

[belanghebbende] , wonende te [woonplaats] ,

belanghebbende,

en

de inspecteur van de Belastingdienst,

de inspecteur.

De bestreden uitspraken op bezwaar

20/6713

De aan belanghebbende voor het jaar 2006 opgelegde aanslag inkomstenbelasting.

20/6714

De aan belanghebbende voor het jaar 2007 opgelegde aanslag inkomstenbelasting.

20/6715

De aan belanghebbende voor het jaar 2008 opgelegde aanslag inkomstenbelasting.

20/6716

De uitspraak van de inspecteur van 6 februari 2014 op het bezwaar van belanghebbende tegen de aan haar voor het jaar 2009 opgelegde aanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen en de rentebeschikking.

20/6717

De aan belanghebbende voor het jaar 2010 opgelegde aanslag inkomstenbelasting.

20/6718

De aan belanghebbende voor het jaar 2011 opgelegde aanslag inkomstenbelasting.

20/6719

De aan belanghebbende voor het jaar 2012 opgelegde aanslag inkomstenbelasting.

20/6720

De uitspraak van de inspecteur van 12 juni 2020 op het bezwaar van belanghebbende tegen de aan haar voor het jaar 2013 opgelegde aanslag inkomstenbelasting en de premie volksverzekeringen.

20/6721

De aan belanghebbende voor het jaar 2014 opgelegde aanslag inkomstenbelasting.

20/6722

De aan belanghebbende voor het jaar 2015 opgelegde aanslag inkomstenbelasting.

20/6723

De uitspraak van de inspecteur van 17 april 2020 op het bezwaar van belanghebbende tegen de aan haar voor het jaar 2016 opgelegde aanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen en de rentebeschikking.

Zitting

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 22 juli 2021 te Breda. Aldaar zijn verschenen en gehoord, namens belanghebbende haar echtgenote, [de man] , en namens de inspecteur, [inspecteur] .

De zaaknummers 20/6702 tot en met 20/6712 en 21/790 ten name van belanghebbendes echtgenoot [de man] en de zaaknummers 20/6713 tot en met 20/6723 ten name van belanghebbende zijn gelijktijdig behandeld.

1 Beslissing

De rechtbank:

- verklaart de beroepen met betrekking tot de aanslagen IB 2006 tot en met 2012, 2014 en 2015 niet-ontvankelijk;

- verklaart de beroepen met betrekking tot de aanslagen IB/PVV 2013 en IB/PVV 2016 ongegrond;

- veroordeelt de inspecteur tot vergoeding van immateriële schade aan belanghebbende tot een bedrag van € 3.000;

- verklaart zich onbevoegd met betrekking tot het verzoek om materiële schadevergoeding en stelt vast dat die vordering uitsluitend bij de burgerlijke rechter kan worden ingesteld;

- gelast dat de inspecteur het door belanghebbende betaalde griffierecht van € 48 aan deze vergoedt.

2 Gronden

De aanslagen IB 2006, IB 2007, IB 2008, IB 2010, IB 2011, IB 2012, IB 2014 en IB 2015

2.1.

Belanghebbende heeft op de zitting bevestigd dat tegen deze aanslagen geen bezwaar is gemaakt. De rechtbank merkt het beroepschrift gericht tegen de onderhavige aanslagen daarom aan als een bezwaarschrift. Dit betekent dat de rechtbank het als bezwaarschrift aangemerkte beroepschrift ingevolge artikel 6:15 van de Awb zou moeten doorzenden aan de inspecteur om alsnog uitspraak op bezwaar te doen. Het beroepschrift is niet ingediend binnen zes weken na de dagtekening van de aanslagen en van een verschoonbare termijnoverschrijding is geen sprake nu belanghebbende verklaarde simpelweg het overzicht kwijt te zijn geraakt vanwege de vele jaren waarover zij bezwaar had gemaakt. De inspecteur zou de bezwaren daarom niet in behandeling kunnen nemen en niet-ontvankelijk moeten verklaren. Doorzending van het beroepschrift als bezwaarschrift heeft dan geen enkele zin. Om redenen van proces-economie zal de rechtbank doorzending dan ook achterwege laten en de beroepen direct niet-ontvankelijk verklaren.

De aanslag IB/PVV 2009

2.2.

De rechtbank stelt voorop dat een beroepschrift tijdig is ingediend indien deze binnen de wettelijke termijn van zes weken na dagtekening dan wel bekendmaking van de bestreden beslissing door de inspecteur is ontvangen1. Deze termijn is dwingend. Dit betekent dat bij een termijnoverschrijding een niet-ontvankelijkverklaring moet volgen. Dat is alleen anders indien “redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat de indiener van het bezwaarschrift in verzuim is geweest”, oftewel indien de termijnoverschrijding ‘verschoonbaar’ is2.

2.3.

Belanghebbende heeft niet bestreden de uitspraak op bezwaar op of omstreeks 6 februari 2014 te hebben ontvangen. Gelet hierop overweegt de rechtbank dat het beroepschrift van 28 mei 2020, door de rechtbank ontvangen op 29 mei 2020, niet is ingediend binnen de 6 weken na de uitspraak op bezwaar. Hetgeen belanghebbende naar voren heeft gebracht over de in 2021 genomen invorderingsmaatregelen kan naar het oordeel van de rechtbank niet leiden tot het oordeel dat sprake is van een verschoonbare termijnoverschrijding. Daarom is het beroep betreffende de aanslag IB/PVV 2009 niet-ontvankelijk verklaard.

De aanslagen IB/PVV 2013 en IB/PVV 2016

2.4.

De aanslag IB/PVV 2013 is op 14 september 2016 overeenkomstig de aangifte van belanghebbende opgelegd naar een box-1 inkomen van € 6.866. Er is geen belastingrente in rekening gebracht. Op 18 oktober 2016 heeft belanghebbende bezwaar gemaakt. Op 12 juni 2020 heeft de inspecteur het bezwaar afgewezen.

2.5.

De aanslag IB/PVV 2016 is op 20 september 2019 opgelegd naar een box-1 inkomen van € 31.897. Er is € 17 belastingrente in rekening gebracht. Op 17 december 2019 heeft belanghebbende bezwaar gemaakt tegen de weigering om de aanslag ambtshalve te verminderen. Op 17 april 2020 heeft de inspecteur het bezwaar afgewezen.

De feiten

2.6.

Belanghebbende is gehuwd met [de man] (hierna: de echtgenoot). Beiden zijn woonachtig op [adres] te [woonplaats]

2.7.

De echtgenoot was werkzaam bij de North Atlantic Treaty Organization (hierna: NATO). Vanaf 1 november 2003 is hij volledig arbeidsongeschikt en ontving hij een arbeidsongeschiktheidsuitkering van de NATO en vanaf [jaartal] , het jaar waarin hij 65 jaar is geworden, een ouderdomspensioen (hierna gezamenlijk aangeduid als: het pensioen).

2.8.

In geschil is het antwoord op de volgende vragen:

  1. Is het pensioen van de echtgenoot terecht in de inkomstenbelastingheffing betrokken?

  2. Zijn de rentebeschikkingen juist berekend?

  3. Heeft belanghebbende recht op vergoeding voor geleden immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke behandeltermijn van bezwaar en beroep?

Het pensioen

2.9.

Belanghebbende betoogt, zeer in het kort en zakelijk weergegeven, dat het door de echtgenoot van de NATO ontvangen pensioen van inkomstenbelasting is vrijgesteld.

2.10.

Het pensioen van de echtgenoot vormt geen voorwerp van de belasting waarop de belastingaanslagen van belanghebbende betrekking hebben en behoort ook niet tot de gezamenlijke inkomensbestanddelen als bedoeld in artikel 2.17 van de Wet Inkomstenbelasting 2001 (Wet IB 2001). De belastingheffing hierover kan daarom niet leiden tot verlaging van de aanslagen van belanghebbende. De argumenten die belanghebbende voor het overige naar voren heeft gebracht, kunnen niet leiden tot vermindering van de aanslagen. Daarom zijn de beroepen betreffende de aanslagen IB/PVV 2013 en 2016 ongegrond verklaard.

Herverdeling saldo inkomsten en aftrekposten eigen woning

2.11.

Belanghebbende en haar echtgenoot zijn in alle onderliggende jaren fiscale partners. De eigen woning is een gemeenschappelijk inkomensbestanddeel van belanghebbende en zijn echtgenoot in de zin van artikel 2.17 van de Wet IB 2001. Dit betekent dat zij de negatieve inkomsten uit eigen woning naar eigen inzicht onderling kunnen verdelen. Tijdens de zitting is onduidelijkheid ontstaan over de vraag of belanghebbende en de echtgenoot de door hen gekozen verdeling van de negatieve inkomsten uit eigen woning daadwerkelijk willen wijzigen. De rechtbank heeft daar ter zitting naar gevraagd en belanghebbende kon bij gebrek aan inzicht in de financiële gevolgen geen uitsluitsel daarover geven, zodat de rechtbank ervan uitgaat dat vooralsnog geen wijziging van de verdeling wordt beoogd. Ter informatie merkt de rechtbank op dat een wijziging van de toerekening tussen belanghebbende en zijn echtgenoot nog mogelijk is tot het moment waarop de betreffende aanslagen onherroepelijk vaststaan, dus tot uiterlijk zes weken na de uitspraak van de rechtbank en in geval hoger beroep of cassatie wordt ingesteld tot zes weken na een uitspraak van het Gerechtshof ‘s-Hertogenbosch of de Hoge Raad.

De rentebeschikkingen

2.12.

De beroepen worden geacht mede betrekking te hebben op de heffings- en belastingrente. Belanghebbende heeft hiertegen geen zelfstandige beroepsgronden aangevoerd. De beroepen zijn ook in zoverre ongegrond.

Het verzoek om immateriëleschadevergoeding

2.13.

Belanghebbende heeft in alle zaken terecht aanspraak gemaakt op vergoeding van immateriële schade in verband met de duur van de bezwaar-en beroepsprocedure.

2.14.

De redelijke termijn bedraagt in principe twee jaar voor de behandeling van het bezwaar en het beroep samen. Als de totale procedure langer heeft geduurd, geldt dat de bezwaarfase onredelijk lang heeft geduurd voor zover die langer dan zes maanden heeft geduurd en de beroepsfase voor zover deze meer dan 18 maanden heeft geduurd. Vervolgens wordt als uitgangspunt voor de schadevergoeding een tarief gehanteerd van € 500 per zes maanden dat de procedure langer dan de redelijke termijn heeft geduurd, waarbij het totaal van de overschrijding naar boven wordt afgerond.3 De rechtbank ziet geen reden om een hoger tarief te hanteren.

2.15.

De rechtbank is van oordeel dat in de onderhavige zaken van belanghebbende sprake is van ‘samenhang’. De zaken hebben in hoofdzaak betrekking op dezelfde onderwerpen. Nu de zaken bovendien in de bezwaar-en beroepsfase gezamenlijk zijn behandeld, bestaat voor de zaken gezamenlijk recht op een vergoeding van eenmaal € 500 per half jaar dat de redelijke termijn wordt overschreden. De in aanmerking te nemen termijn is aangevangen op 18 oktober 2016, zijnde de datum waarop het eerste bezwaarschrift tegen de aanslag IB/PVV 2013 is ontvangen. De rechtbank ziet geen reden om van een later bezwaarschrift uitgegaan. In het bezwaarschrift tegen de aanslag IB/PVV 2013 is belanghebbende weliswaar akkoord gegaan met verlenging van de beslistermijn, maar zij is niet akkoord gegaan met een overschrijding van de redelijke termijn. De rechtbank ziet geen aanleiding om de redelijke termijn te verlengen. Nu de rechtbank uitspraak doet op 2 september 2021, is sindsdien afgerond 4 jaar en 11 maanden verstreken. De overschrijding van de redelijke termijn is dus 2 jaar en 11 maanden (afgerond 3 jaar). Aldus bestaat recht op een vergoeding van € 3.000. Deze overschrijding komt volledig voor rekening van de inspecteur. Daarbij is in aanmerking genomen dat het tijdsverloop dat aan de bezwaarfase wordt toegerekend, loopt tot het moment waarop de inspecteur de laatste uitspraak op bezwaar heeft gedaan (12 juni 2020).

Het verzoek om materiële schadevergoeding

Belanghebbende heeft om vergoeding van diverse vormen van materiële schadevergoeding verzocht.

2.17.

De rechtbank heeft alleen bij een gegrond beroep de mogelijkheid om een partij te veroordelen tot betaling van een materiële schadevergoeding. Aan die voorwaarde wordt niet voldaan aangezien van een gegrond beroep geen sprake is. De rechtbank is dan ook niet bevoegd om over het verzoek om schadevergoeding te oordelen. De vordering tot vergoeding van schade kan uitsluitend bij de civiele rechter worden ingesteld.

Proceskosten en griffierecht

2.18.

De rechtbank ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling, omdat niet is gesteld of aannemelijk is geworden dat belanghebbende kosten heeft gemaakt die op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor vergoeding in aanmerking komen. Wel krijgt belanghebbende het griffierecht vergoed omdat belanghebbende terecht aanspraak heeft gemaakt immateriëleschadevergoeding.

Deze uitspraak is gedaan door mr.drs. J.H. Bogert, rechter, in aanwezigheid van mr. M.J. van Balkom, griffier, op 2 september 2021 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl. De griffier is verhinderd de uitspraak te tekenen.

De griffier, De rechter,

Afschrift aangetekend verzonden aan partijen op:

Aan deze uitspraak hoeft eerst uitvoering te worden gegeven als de uitspraak onherroepelijk is geworden. De uitspraak is onherroepelijk als niet binnen zes weken na verzending van de uitspraak een rechtsmiddel is aangewend of onherroepelijk op het aangewende rechtsmiddel is beslist (artikel 27h, derde lid en artikel 28, zevende lid AWR).

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof te ‘s-Hertogenbosch (belastingkamer), Postbus 70583,

5201 CZ ’s-Hertogenbosch.

Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:

1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.
2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:
a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;

d. de gronden van het hoger beroep.

Voor burgers is het mogelijk hoger beroep digitaal in te stellen. Hiervoor kan gebruik worden gemaakt van de formulieren op Rechtspraak.nl / Digitaal loket bestuursrecht.

1 Artikel 6:7 van de Awb in combinatie met artikel 6:8 en 6:9 van de Awb.

2 Artikel 6:11 van de Awb.

3 Hoge Raad 19 februari 2016, ECLI:NL:HR:2016:252.