Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZWB:2021:4414

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak
31-08-2021
Datum publicatie
06-09-2021
Zaaknummer
AWB- 20_8490
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

WW

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Zittingsplaats Breda

Bestuursrecht

zaaknummer: BRE 20/8490 WW

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 31 augustus 2021 in de zaak tussen

[naam eiser] , te [plaatsnaam] , eiser

en

De Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, verweerder.

Procesverloop

In het besluit van 21 april 2020 (primaire besluit) heeft het UWV aan eiser laten weten dat hij tot en met 30 juni 2020 geen uitkering op grond van de Werkloosheidswet (WW) krijgt. Tot en met die datum had er namelijk een opzegtermijn moeten gelden.

In het besluit van 4 augustus 2020 (bestreden besluit) heeft het UWV het bezwaar van eiser tegen het primaire besluit ongegrond verklaard.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Het UWV heeft een verweerschrift ingediend.

Het beroep is besproken op de zitting van de rechtbank op 29 juli 2021.

Hierbij waren aanwezig eiser en mr. C.J.G. Oom-Roumen namens het UWV.

Overwegingen

Feiten

1. Eiser was in dienst bij de [naam bedrijf] . Zijn functie is als gevolg van een reorganisatie komen te vervallen, waardoor hij boventallig is geworden.

Er is een vaststellingsovereenkomst vastgesteld, waarin onder meer is neergelegd dat eiser per 1 januari 2019 boventallig is verklaard. Eiser zal met ingang van deze datum tot en met 31 december 2019 tijdelijk werk gaan verrichten. Deze vaststellingsovereenkomst is door eiser en de werkgever getekend op 24 maart 2020.

Eiser heeft per 1 april 2020 een WW-uitkering aangevraagd.

In het primaire besluit heeft het UWV aan eiser medegedeeld dat hij tot en met 30 juni 2020 geen WW-uitkering krijgt.

In het bestreden besluit heeft het UWV het bezwaar van eiser tegen het primaire besluit ongegrond verklaard.

Geschil

2. In geschil is of het UWV op goede gronden heeft beslist dat eiser tot en met 30 juni 2020 geen WW-uitkering kan krijgen.

Standpunten van partijen

3. Eiser voert aan dat de vaststellingsovereenkomst weliswaar fysiek getekend is op 24 maart 2020, maar dat deze overeenkomst in januari 2019 mondeling is overeengekomen. Het secretariaat van de [naam bedrijf] heeft in de administratieve afhandeling van de vaststellingsovereenkomst de datum verwerkt waarop de fysieke handtekening is gezet in plaats van de datum waarop de [naam bedrijf] en eiser akkoord waren over deze overeenkomst. Dit heeft ertoe geleid dat niet de wettelijke opzegtermijn is gehanteerd om in april 2020 een uitkering te ontvangen. Ter onderbouwing van zijn standpunt heeft eiser stukken overgelegd waaruit volgens hem blijkt dat het akkoord over de vaststellingsovereenkomst in januari 2019 is bereikt.

4. Het UWV is van mening dat eiser pas vanaf 1 juli 2020 in aanmerking komt voor een WW-uitkering, omdat de opzegtermijn loopt van 1 april 2020 tot en met 30 juni 2020. Het UWV baseert het bestreden besluit op het feit dat de vaststellingsovereenkomst door zowel eiser als de ex-werkgever op 24 maart 2020 is ondertekend. Dat er wellicht eerder mondelinge overeenstemming is bereikt, is niet relevant, omdat een overeenkomst waarmee een dienstverband wordt beëindigd slechts rechtsgeldig is als deze schriftelijk is overeengekomen. Verder blijkt uit de stukken die eiser heeft overgelegd niet dat hij zelf met de overeenkomst heeft ingestemd.

Wettelijk kader

5. In artikel 19, derde lid, van de WW is bepaald dat de werknemer geen recht op uitkering heeft zolang de rechtens geldende opzegtermijn niet is verstreken en de arbeidsovereenkomst is geëindigd door opzegging of doordat daarover schriftelijk overeenstemming is bereikt. Onder de rechtens geldende opzegtermijn wordt verstaan de termijn die de werkgever of de werknemer op grond van artikel 672 van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek of een overeenkomstige bepaling van soortgelijke regeling ieder voor zich bij opzegging in acht behoort te nemen. In geval de dienstbetrekking is geëindigd met wederzijds goedvinden, geldt de in de vorige zin genoemde opzegtermijn voor de werkgever. Als datum waarop de dienstbetrekking wordt geacht te zijn opgezegd, geldt de datum waarop:

a. de beëindiging schriftelijk is overeengekomen; of

b. de werkgever of de werknemer de arbeidsovereenkomst heeft opgezegd.

Ingevolge artikel 7:670b, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek (BW) is een overeenkomst waarmee een arbeidsovereenkomst wordt beëindigd, slechts geldig indien deze schriftelijk is aangegaan.

In artikel 7:672, tweede lid, van het BW is bepaald dat de door de werkgever in acht te nemen termijn van opzegging bedraagt bij een arbeidsovereenkomst die op de dag van opzegging:

a. korter dan vijf jaar heeft geduurd: één maand;

b. vijf jaar of langer, maar korter dan tien jaar heeft geduurd: twee maanden;

c. tien jaar of langer, maar korter dan vijftien jaar heeft geduurd: drie maanden;

d. vijftien jaar of langer heeft geduurd: vier maanden.

Beoordeling door de rechtbank

6. Eiser stelt dat hij in januari 2019 akkoord heeft bereikt over de vaststellingsovereenkomst. Dat zou blijken uit de e-mail van [naam betrokkene] van 4 januari 2019. In deze e-mail schrijft [naam betrokkene] onder meer: “we zijn beide akkoord zoals we telefonisch bevestigd (..)”. Naar het oordeel van de rechtbank blijkt uit deze e-mail, waarop geen schriftelijke reactie van eiser is gekomen, niet dat eiser er daadwerkelijk mee ingestemd heeft. Deze e-mail is dan ook onvoldoende om aan te tonen dat op 4 januari 2019 akkoord is bereikt over de vaststellingsovereenkomst. Andere schriftelijke stukken waaruit dit kan blijken, heeft eiser niet overgelegd. Daar staat tegenover dat de vaststellingsovereenkomst zowel door eiser, als door de werkgever, is getekend op 24 maart 2020. Deze datum heeft te gelden als de datum waarop overeenstemming is bereikt. Dit betekent dat de opzegtermijn loopt van 1 april 2020 tot en met 30 juni 2020. Gelet hierop is de rechtbank van oordeel dat het UWV terecht heeft beslist dat eiser tot en met 30 juni 2020 geen WW-uitkering kan krijgen.

Conclusie

7. Het beroep is ongegrond.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. I.M. Josten, rechter, in aanwezigheid van
mr. N. Graumans, griffier, op 31 augustus 2021 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.

De griffier is niet in de gelegenheid om deze uitspraak mede te ondertekenen.

rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Wat kunt u doen als u het niet eens bent met deze uitspraak?

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep.