Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZWB:2021:4413

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak
31-08-2021
Datum publicatie
06-09-2021
Zaaknummer
AWB- 20_7223
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

BESLU

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Zittingsplaats Breda

Bestuursrecht

zaaknummer: BRE 20/7223 BESLU

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 31 augustus 2021 in de zaak tussen

[naam eiser] , te [plaatsnaam] , eiser

gemachtigde: [naam gemachtigde eiser] ,

en

De minister van Justitie en Veiligheid, verweerder.

Procesverloop

Op 8 oktober 2019 heeft de politiechef van de regionale eenheid Zeeland-West-Brabant (korpschef) op grond van artikel 50a van de Regeling wapens en munitie (Rwm) aan eiser een onkostenvergoeding van € 60,- opgelegd in verband met de verlenging van de geldigheidsduur van zijn wapenverlof.

In het besluit van 19 mei 2020 (bestreden besluit) heeft de minister het administratief beroep van eiser hiertegen ongegrond verklaard.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

De minister heeft een verweerschrift ingediend.

Het beroep is besproken op de zitting van de rechtbank op 29 juli 2021.

Hierbij waren aanwezig eiser, zijn gemachtigde en mr. F.H. Kamminga namens de minister.

Overwegingen

Feiten

1. Eiser heeft de geldigheidsduur van zijn wapenverlof verlengd. Hiervoor is aan hem door de korpschef een onkostenvergoeding van € 60,- opgelegd.

Eiser heeft tegen deze legesheffing op 16 november 2019 administratief beroep ingesteld.

In het bestreden besluit heeft de minister het administratief beroep van eiser ongegrond verklaard

Geschil

2. In geschil is de vraag of de korpschef terecht € 60,- aan leges heeft opgelegd in verband met de verlenging van de geldigheidsduur van het wapenverlof van eiser.

Standpunten van partijen

3. Eiser voert het volgende aan:

- er is geen wettelijke grond voor het heffen van leges voor het verlengen van het verlof;

- de berekening van de hoogte van de leges is niet goed vastgelegd;

- de leges zijn veel te hoog voor de verleende dienst;

- toezicht en handhaving worden aan eiser doorberekend in de leges;

- er worden diensten aan hem berekend die niet in zijn belang zijn;

- hij wordt onevenredig zwaar belast in de uitoefening van zijn wettelijke recht;

- hij is bij het betalen van de leges niet geïnformeerd over de mogelijkheden van beroep/administratief beroep tegen de opgelegde leges conform artikel 3:45 van de Awb.

4. De minister heeft in het bestreden besluit overwogen dat de wettelijke grondslag voor het heffen van de leges is gelegen in artikel 41 van de Wet wapens en munitie (Wwm). De wettelijke grondslag is dus neergelegd in een wet in formele zin en nader uitgewerkt in een ministeriële regeling, de Regeling wapens en munitie (Rwm). De gevraagde leges vloeien voort uit deze wet- en regelgeving, die door de korpschef ook op de juiste wijze is toegepast. De minister ziet in wat eiser heeft aangevoerd geen individuele gronden waaruit naar voren komt dat het verkeerde bedrag aan leges is gevraagd. Hij stelt zich op het standpunt dat de onkostenvergoeding van € 60,- in verhouding staat tot de verleende dienst. De onderzoeks- en administratieve handelingen zijn niet zichtbaar voor de klant, maar nemen wel de nodige tijd in beslag. Het is in het algemeen belang dat de kosten die gepaard gaan met deze diensten daar liggen waar de gunst genoten wordt. Een wapenverlof geldt ingevolge artikel 28, vierde lid, van de Wwm voor ten hoogste een jaar. Verlenging na vijf jaar is dus niet mogelijk. Er is volgens de minister geen sprake van een handhavingskwestie. Met het indienen van een aanvraag om verlenging van het wapenverlof wordt verzocht om een schriftelijke beslissing inhoudende een publiekrechtelijke handeling gericht op een rechtsgevolg. Dit is een aanvraag in de zin van artikel 1:3, derde lid, van de Awb, terwijl handhaving en toezicht aan de orde zijn tijdens de geldigheidsduur van een wapenverlof. Volgens de minister is evenmin sprake van een ongeoorloofde schending van het eigendomsrecht, omdat het eigendomsrecht ingevolge artikel 1 van het Eerste Protocol bij het EVRM wordt begrensd door het recht van de staat om die wetten toe te passen die hij noodzakelijk oordeelt om het gebruik van eigendom te reguleren in overeenstemming met het algemeen belang.

Indien eiser zich inhoudelijk niet kan vinden in de Rwm, kan hij daartegen procederen bij de civiele rechter, omdat de Rwm een algemeen verbindend voorschrift is waartegen geen beroep bij de bestuursrechter mogelijk is.

Wettelijk kader

5. Ingevolge artikel 41 van de Wwm geeft de minister regels met betrekking tot het bedrag dat is verschuldigd bij de aanvraag op grond van deze wet van een erkenning, een ontheffing, een consent, een vergunning, een verlof, een Europese vuurwapenpas en een controle als bedoeld in artikel 43. Het bedrag is verschuldigd aan het Rijk indien de aanvraag wordt ingediend bij Onze Minister of Onze Minister van Defensie, of aan de politie indien de aanvraag bij de korpschef wordt ingediend.

De hiervoor genoemde regels zijn neergelegd in de Rwm.

In artikel 50a, eerste lid, aanhef en onder b, van de Rwm staat de hoogte van de onkostenvergoeding vermeld, als bedoeld in artikel 41 van de wet, die is verschuldigd voor de verlenging van de geldigheidsduur van een verlof tot het voorhanden hebben, dragen of verkrijgen van een wapen als bedoeld in de artikelen 26 tot en met 32 van de wet. Ten tijde van de aanvraag van eiser voor verlenging van de geldigheidsduur van het wapenverlof bedroeg de onkostenvergoeding € 60,-.

In artikel 28, derde lid, van de Wwm staat dat een verlof een geldigheidsduur heeft van een jaar en verlengd kán worden als aan de vereisten voor verlening daarvan nog wordt voldaan.

Beoordeling door de rechtbank

6.1

Eiser heeft aangevoerd dat hij bij het betalen van de leges niet is gewezen op de mogelijkheid van (administratief) beroep. De rechtbank overweegt dat op grond van artikel 3:45 van de Awb een rechtsmiddelenclausule vermeld moet worden in een besluit en dat deze in het besluit van de korpschef ontbrak. Eiser is echter niet in zijn belangen geschaad, omdat hij tijdig administratief beroep heeft ingesteld. De rechtbank passeert daarom het gebrek met toepassing van artikel 6:22 van de Awb.

6.2

Uit de hiervoor genoemde artikelen blijkt naar het oordeel van de rechtbank dat de leges die eiser moest betalen voor het verlengen van de geldigheidsduur van zijn wapenverlof voortvloeien uit de wet- en regelgeving. Het gaat om een aanvraag tot verlenging van een vergunning en de rechtbank volgt eiser niet in zijn stelling dat dit niet onder artikel 41 van de Wwm zou vallen. De korpschef heeft de genoemde wet- en regelgeving ook op juiste wijze toegepast.

De stelling van eiser dat de berekening van de hoogte van de leges niet goed is vastgelegd, volgt de rechtbank evenmin. Volgens eiser vertoont het bij het bestreden besluit gevoegde rapport ‘leges korpschef taken 2017’, waarnaar de minister verwijst, gebreken en hiaten, maar dit heeft eiser niet nader onderbouwd. De rechtbank is van oordeel dat de minister van dit rapport mocht uitgaan. In het bestreden besluit heeft de minister uitgebreid toegelicht waar de kosten op zijn gebaseerd en hoe de berekening is gemaakt. De rechtbank ziet niet in dat de leges te hoog of onevenredig zijn vastgesteld.

De minister heeft toegelicht dat de Rwm tot stand is gekomen op basis van politieke keuzes en heeft daarbij de achtergrond en aanleiding van de Rwm toegelicht. Wat eiser naar voren heeft gebracht is onvoldoende om te concluderen dat de Rwm niet rechtsgeldig zou zijn of anderszins buiten toepassing zou moeten blijven.

De minister is verder in het bestreden besluit uitgebreid ingegaan op de argumenten die eiser naar voren heeft gebracht in zijn administratief beroep en heeft deze ook betrokken bij het besluit. In beroep heeft eiser deze argumenten grotendeels herhaald en de rechtbank acht de reactie van de minister hierop zorgvuldig en voldoende.

De rechtbank volgt eiser niet in zijn stelling dat het hebben van een verlof in de wet is geformuleerd als een aanspraak. De minister heeft er terecht op gewezen dat vuurwapens in principe verboden zijn en dat het legale bezit ervan is onderworpen aan een vergunningplicht, waarbij steeds opnieuw beoordeeld wordt of iemand (nog) geschikt is. Uit de wet volgt dat een verlofhouder jaarlijks moet vragen om verlenging. De minister heeft in het besluit uitgebreid toegelicht wat de reden voor invoering van dit systeem is geweest, namelijk - kort gezegd - het borgen van de veiligheid in de samenleving, waarbij ook een actievere rol wordt toegedicht aan de verlofhouder. Eén van de elementen hierbij is dat jaarlijks wordt getoetst of de verlofhouder voldoet aan de voorwaarden van het verlof. Dit valt niet onder toezicht of handhaving zoals eiser stelt.

Ook wat eiser verder heeft aangevoerd, bijvoorbeeld dat de minister het beoefenen van schietsport feitelijk onmogelijk wil maken, volgt de rechtbank niet. Dat de wetgever in de loop der tijd de regelgeving heeft aangescherpt en dat dit voor eiser voelt als een beperking in de uitoefening van zijn sport mag zo zijn, maar de minister heeft uitgebreid gemotiveerd waarom dit is gedaan en de rechtbank kan die redenering ook volgen.

De beroepsgronden slagen niet.

Conclusie

7. Het beroep is ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. I.M. Josten, rechter, in aanwezigheid van

mr. N. Graumans, griffier, op 31 augustus 2021 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.

De griffier is niet in de gelegenheid om deze uitspraak mede te ondertekenen.

rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Wat kunt u doen als u het niet eens bent met deze uitspraak?

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.