Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZWB:2021:4410

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak
01-09-2021
Datum publicatie
01-09-2021
Zaaknummer
02-275123-19
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

Gekwalificeerde doodslag. Langdurig uitgeoefend geweld ten behoeve van poging om geld van het slachtoffer te stelen. Voorbedachte raad niet bewezen. Vrijheidsberoving. Onttrekken lijk aan nasporing. Gruwelijke wijze van wegmaken lichaam: in stukken gezaagd, verbrand, in beton gegoten en in kanaal gedumpt. 17 jaar gevangenisstraf en TBS met dwangverpleging. Toewijzing schadevergoedingsverzoeken nabestaanden. Materiële schade onder meer verlies aan inkomen. Immateriële schade onder meer shockschade.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
PS-Updates.nl 2021-0701
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Strafrecht

Zittingsplaats: Breda

parketnummers: 02-275123-19 en 02-700220-16 (vordering tenuitvoerlegging)

vonnis van de meervoudige kamer van 1 september 2021

in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

geboren op [datum en plaats]

gedetineerd in de penitentiaire inrichting Middelburg (locatie Torentijd)

raadsman mr. M.A.W. Nilessen, advocaat te ’s-Hertogenbosch.

1 Onderzoek van de zaak

De zaak is inhoudelijk behandeld op de zitting van 12, 13 en 15 juli 2021, waarbij de officieren van justitie, mr. P.W.P. Emmen en mr. C.J.G. Wiegant, en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt. De echtgenote van het slachtoffer, [slachtoffer] , en hun beide zonen hebben zich als benadeelde partij gevoegd, bijgestaan door

mr. N.M.E. Verpaalen, advocaat te Breda, en hebben gebruik gemaakt van het spreekrecht. Het onderzoek ter zitting is gesloten op 1 september 2021.

Ter zitting is ook de vordering tot tenuitvoerlegging behandeld met bovenvermeld parketnummer.

2 De tenlastelegging

De tenlastelegging is gewijzigd overeenkomstig artikel 313 van het Wetboek van Strafvordering. De tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht.

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte:

Feit 1: in de periode van 2 tot en met 4 juni 2019 [slachtoffer] van het leven heeft beroofd, wat in verschillende juridische varianten is tenlastegelegd;

Feit 2: samen met anderen in de periode van 2 tot en met 4 juni 2019 [slachtoffer] van zijn vrijheid heeft beroofd met als gevolg dat hij is overleden;

Feit 3: samen met anderen in de periode van 3 juni 2019 tot en met 23 januari 2020 het lichaam van [slachtoffer] heeft weggemaakt om het overlijden en de oorzaak daarvan te verhelen.

3 De voorvragen

De dagvaarding is geldig.

De rechtbank is bevoegd.

De officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging.

Er is geen reden voor schorsing van de vervolging.

4 De beoordeling van het bewijs

4.1

Het standpunt van de officieren van justitie

De officieren van justitie achten wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan feit 1 subsidiair, feit 2 en feit 3. Voor de gekwalificeerde doodslag van feit 1 subsidiair baseren zij zich op de verklaringen [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] over het door verdachte gepleegde geweld tegen [voornaam 1] [slachtoffer] , het sectierapport, de bloedsporen in de bus en het bloedspoor in de woning. Voor het medeplegen van de wederrechtelijke vrijheidsberoving van feit 2 baseren de officieren van justitie zich op de verklaringen [medeverdachte 1] , [medeverdachte 3] en [medeverdachte 2] . Voor feit 3 baseren de officieren van justitie zich op de verklaringen [medeverdachte 1] , [medeverdachte 3] en [medeverdachte 2] en de verklaring van verdachte zelf over zijn betrokkenheid bij het wegmaken van het lichaam.

4.2

Het standpunt van de verdediging

De verdediging bepleit integrale vrijspraak van feit 1. De verdediging betwist dat [voornaam 1] [slachtoffer] is overleden door toedoen van verdachte. De verdediging vindt de verklaring [medeverdachte 1] over het door verdachte genoemde geweld en het tijdstip van overlijden onbetrouwbaar. [voornaam 1] [slachtoffer] is volgens de verdediging pas in Nederland komen te overlijden en door een door [medeverdachte 1] toegediende dodelijke hoeveelheid GBL. Het rapport van de patholoog en het ter zitting overgelegde aanvullend proces-verbaal van bevindingen sluit deze mogelijkheid niet uit.

De verdediging refereert zich aan het oordeel van de rechtbank over de bewezenverklaring van feit 2, maar stelt zich op het standpunt dat het strafverzwarend gevolg, de dood, niet aan verdachte kan worden toegerekend. Voor dat onderdeel dient vrijspraak te volgen.

De verdediging refereert zich tot slot aan het oordeel van de rechtbank over de bewezenverklaring van feit 3.

4.3

Het oordeel van de rechtbank

4.3.1

De bewijsmiddelen

De bewijsmiddelen zijn in bijlage II aan dit vonnis gehecht.

4.3.2

De bijzondere overwegingen met betrekking tot het bewijs

Op de inhoudelijke zitting hebben de verdachten [voornaam 2] [medeverdachte 1] , [medeverdachte 4] , (moeder) [medeverdachte 3] en (dochter) [medeverdachte 2] terecht gestaan. Zij worden hierna [medeverdachte 1] , [medeverdachte 4] , [medeverdachte 3] en [medeverdachte 2] genoemd. [getuige 1] en [getuige 2] zijn de

- indertijd minderjarige - zonen [medeverdachte 1] .

De rechtbank stelt op grond van de bewijsmiddelen vast dat [voornaam 1] [slachtoffer] op zondag 2 juni 2019 vroeg in de avond naar de woning [medeverdachte 1] in [plaatsnaam 2] (België) is gelokt als uitvoeringsbegin van een plan om geld van hem te stelen. Tijdens de verdere uitvoering van dat plan is [voornaam 1] [slachtoffer] op enig moment overleden en op dinsdagmiddag 4 juni 2019 zijn in Steenbergen (Nederland) spullen gekocht om zijn dode lichaam te laten verdwijnen. Zijn lichaam is vervolgens in Steenbergen gezaagd en verbrand en uiteindelijk is een klein aantal overgebleven restanten in een speciekuip met beton in het Schelde-Rijnkanaal gegooid.

Deze korte weergave van de gang van zaken is voor geen van de verdachten door de verdediging betwist. De rechtbank moet vervolgens echter beoordelen of een of meer van de strafrechtelijke verwijten uit de tenlastelegging van iedere afzonderlijke verdachte wettig en overtuigend bewezen kunnen worden. Daartoe zal de rechtbank onder 4.3.2.1 eerst gedetailleerder op een rij zetten wat zij op basis van de bewijsmiddelen vaststelt over de feitelijke gang van zaken. Dat betekent niet dat de rechtbank in het vervolg van deze bewijsoverwegingen de vraag kan beantwoorden hoe de laatste dagen van [voornaam 1] [slachtoffer] er exact hebben uitgezien. Dat is ook niet nodig voor haar taak. Maar de rechtbank kan zich voorstellen dat dat met name voor de nabestaanden op bepaalde punten een teleurstelling kan zijn.

De verdere opbouw van paragraaf 4.3.2 is als volgt:

4.3.2.1 De feitelijke gang van zaken
4.3.2.2 Tussenconclusie wederrechtelijke vrijheidsberoving en poging diefstal met geweld
4.3.2.3 Het moment van overlijden van [voornaam 1] [slachtoffer]
4.3.2.4 De rol van [medeverdachte 2] bij de vrijheidsberoving en de poging diefstal met geweld
4.3.2.5 De rol [medeverdachte 1] bij de vrijheidsberoving en de poging diefstal met geweld
4.3.2.6 De rol van [medeverdachte 3] bij de vrijheidsberoving en de poging diefstal met geweld
4.3.2.7 De rol van [medeverdachte 4] bij de vrijheidsberoving en de poging diefstal met geweld
4.3.2.8 Strafrechtelijke verantwoordelijkheid voor de dood van [voornaam 1] [slachtoffer]
4.3.2.9 Het onttrekken van het lichaam van [voornaam 1] [slachtoffer] aan de nasporing

4.3.2.1 De feitelijke gang van zaken

4.3.2.1.1 Vanaf februari 2018 tot 2 juni 2019


Sinds 10 februari 2018 huurde [medeverdachte 1] de woning aan de [adres 1] [medeverdachte 1] was gestopt met haar prostitutiewerk, maar hield contact met twee mannen. [voornaam 1] [slachtoffer] was degene die haar het best verzorgde. Hij heeft samen met haar het huurcontract voor haar woning afgesloten met de verhuurder. Hij betaalde haar huur en onderhield haar. [voornaam 1] [slachtoffer] vertelde altijd dat hij veel zwart geld had en had [medeverdachte 1] ook verteld dat dat geld achter de radiators lag.

Enige maanden voor 2 juni 2019 leerde [medeverdachte 1] [medeverdachte 4] kennen. Dat was liefde op het eerste gezicht en eind april 2019 schreef hij zich in op haar adres. Tegen [medeverdachte 4] vertelde ze ook over [voornaam 1] [slachtoffer] en zijn geld. In het weekend van 1 en 2 juni kwamen [medeverdachte 3] en [medeverdachte 2] bij [medeverdachte 4] en [medeverdachte 1] en haar zonen in [plaatsnaam 2] om wietplanten te knippen.

4.3.2.1.2 Zondag 2 juni 2019


Zondagmiddag 2 juni zaten [medeverdachte 1] , [medeverdachte 4] en [medeverdachte 3] buiten en [medeverdachte 2] , [getuige 2] en [getuige 1] waren weg. Toen zei [medeverdachte 4] dat het knippen niet doorging en vroeg hij of ze [voornaam 1] [slachtoffer] niet te grazen konden nemen. [medeverdachte 1] bevestigde dat [voornaam 1] [slachtoffer] geld had, maar dat het niet zo makkelijk was om dat te pakken zonder herkend te worden. [medeverdachte 4] kwam toen met het idee om hem een slaapmiddel toe te dienen en als ze dan het geld hadden opgehaald, zouden ze hem ergens anders wakker laten worden in zijn bus, zonder dat hij wist wat hem was gebeurd. De bedoeling was de sleutels van [voornaam 1] [slachtoffer] af te pakken, dat [medeverdachte 1] aan zou wijzen waar hij woonde en dat [medeverdachte 4] daar binnen zou gaan om het geld weg te halen dat [voornaam 1] bewaarde. Inmiddels in aanwezigheid van [medeverdachte 2] , [getuige 1] en [getuige 2] maakte [medeverdachte 4] binnen aan de eettafel slaappillen klein die [voornaam 3] buiten uit haar tas had gehaald. [medeverdachte 1] heeft vervolgens de telefoon van [medeverdachte 3] gebruikt om meermalen met [voornaam 1] [slachtoffer] te bellen, die ze rond 18.30 uur voor de eerste keer echt te spreken kreeg. Ze vroeg hem of hij naar haar wilde komen om de huur van haar huis te betalen, want dat moest nog omdat ze er te laat mee was.

Rond 21.30 uur arriveerde [voornaam 1] [slachtoffer] met zijn Peugeot Boxer bij de woning [medeverdachte 1] . Hij parkeerde die altijd op de oprit naast het huis. [medeverdachte 4] , [medeverdachte 3] , [medeverdachte 2] en [getuige 1] waren weg, omdat [voornaam 1] anders niet binnen zou komen. [getuige 2] was bij haar gebleven. Binnen gaf [voornaam 1] [slachtoffer] haar het geld voor de huur en ging hij aan zijn administratie werken. Ondertussen bracht [medeverdachte 1] hem thee met daarin het slaapmiddel. Toen hij aangaf moe te zijn, is [medeverdachte 1] met hem naar haar slaapkamer gelopen waar hij in bed is gaan liggen. Rond 23.15 uur heeft [medeverdachte 1] met de telefoon van [medeverdachte 3] WhatsApp berichten aan de telefoon van [medeverdachte 4] gestuurd om te laten weten dat [voornaam 1] [slachtoffer] sliep. [medeverdachte 4] kwam met de andere drie terug naar de woning [medeverdachte 1] . [getuige 1] en [medeverdachte 4] zijn daar naar binnen gegaan. [medeverdachte 4] pakte het huurgeld dat in de keuken lag. Terwijl [medeverdachte 1] toekeek, heeft [medeverdachte 4] de handen en voeten van [voornaam 1] [slachtoffer] vastgebonden met tiewraps en tape rond zijn hoofd gedaan met een prop in zijn mond. [medeverdachte 4] heeft ook de sleutels van [voornaam 1] [slachtoffer] van zijn werkbus en zijn woning in [plaatsnaam 3] gepakt.

4.3.2.1.3 Maandag 3 juni 2019


Vervolgens zijn [medeverdachte 4] , [medeverdachte 3] , [medeverdachte 2] en [medeverdachte 1] in de vroege nacht van 3 juni 2019 in de auto van [medeverdachte 4] naar Nederland gereden. [getuige 1] en [getuige 2] bleven achter in de woning [medeverdachte 1] waar [voornaam 1] [slachtoffer] lag. [medeverdachte 4] heeft in de auto verteld dat hij geld had en [medeverdachte 3] en [medeverdachte 2] hebben toen gezien dat [medeverdachte 4] een dikke stapel bankbiljetten had. Daarmee is onder andere eten en cocaïne gekocht. Tijdens de rit belde [getuige 2] naar het telefoonnummer van [medeverdachte 2] en zei dat de man wakker was. [medeverdachte 4] zei tegen [getuige 2] dat hij maar een stoel voor de deur moest zetten. Terug in de woning [medeverdachte 1] gaan [medeverdachte 3] en [medeverdachte 2] rond 05.00 uur slapen en blijven [medeverdachte 4] en [medeverdachte 1] op.

Tegen 09.00 uur die ochtend zijn [medeverdachte 4] en [medeverdachte 1] met de auto van [medeverdachte 4] naar de woning van [voornaam 1] [slachtoffer] in [plaatsnaam 3] gereden. Terwijl [medeverdachte 1] in de auto bleef wachten, heeft [medeverdachte 4] in de woning naar geld gezocht en daarbij de radiotoren van de muur getrokken. [medeverdachte 4] keerde zonder geld, maar woedend terug in de auto en ging tekeer dat hij zou zorgen dat [voornaam 1] [slachtoffer] alsnog zou zeggen waar het geld wel lag. Tijdens de terugreis van [medeverdachte 4] en [medeverdachte 1] naar de woning [medeverdachte 1] heeft [medeverdachte 3] vanuit die woning om 11.18 uur met haar telefoon een appje gestuurd naar de telefoon van [medeverdachte 4] met de tekst: “Hij is wakker en aan roepen.” Kort voor 11.30 uur kwamen [medeverdachte 4] en [medeverdachte 1] terug in de woning [medeverdachte 1] . Toen de deur van de slaapkamer werd geopend waar [voornaam 1] [slachtoffer] vastgebonden op bed lag, was bloed op zijn gezicht te zien. [medeverdachte 4] is vervolgens met een bivakmuts op de slaapkamer ingegaan en heeft [voornaam 1] [slachtoffer] in de slaapkamer met een pistool geslagen.

Vervolgens is [voornaam 1] [slachtoffer] in een dekbed gewikkeld en door [medeverdachte 4] en [medeverdachte 3] naar de werkbus getild. [medeverdachte 1] stond bij de bus en heeft de zijdeur geopend en meegeholpen [voornaam 1] [slachtoffer] goed te leggen. Op verzoek van [medeverdachte 4] heeft [medeverdachte 1] toen [voornaam 1] [slachtoffer] omhoog gehouden zodat hij zat, waarna [medeverdachte 4] hem twee harde vuistslagen in het gezicht heeft gegeven. De handen en voeten van [slachtoffer] waren nog steeds vastgebonden en er zat ducttape op zijn gezicht. [medeverdachte 1] heeft vervolgens achter het stuur plaatsgenomen en is rond 11.40 uur weggereden met [medeverdachte 4] bij [voornaam 1] [slachtoffer] in de laadruimte. Daarna is de bus naar Antwerpen gereden en uiteindelijk was deze tegen 13.45 uur weer terug bij de woning [medeverdachte 1] .

Tijdens deze rit is [voornaam 1] [slachtoffer] mishandeld door [medeverdachte 4] . [medeverdachte 1] hoorde [medeverdachte 4] razen en [voornaam 1] [slachtoffer] gillen. Ze heeft op enig moment de bus stil gezet en de deur geopend. Het gereedschap en de koffers lagen op dat moment op [voornaam 1] [slachtoffer] en de bus zat onder het bloed. [medeverdachte 4] heeft toen tegen [medeverdachte 1] gezegd dat ze om kon keren, omdat [voornaam 1] [slachtoffer] had gezegd waar het geld lag.

Terug bij de woning [medeverdachte 1] in [plaatsnaam 2] is [voornaam 1] van [slachtoffer] door [medeverdachte 3] en [medeverdachte 4] uit de bus gehaald. Op dat moment was zijn gezicht helemaal blauw en dik en zat het onder het bloed. Ook zijn armen zaten onder het bloed. [medeverdachte 3] en [medeverdachte 4] hebben hem terug in de slaapkamer op de grond gelegd. [medeverdachte 4] is met een pistool de slaapkamer ingegaan en liep in en uit. Hij heeft [voornaam 1] [slachtoffer] in ieder geval één keer met het pistool op zijn hoofd geslagen.

[medeverdachte 3] heeft toen gezegd dat ze allemaal naar haar toe konden. Daarmee bedoelde ze haar woning op het kamp in [plaatsnaam 1] Ze heeft de slaapkamer helemaal leeg gehaald. Er lag allemaal bloed op het bed. Op de grond lagen bloedspetters en er zaten wat bloedspetters op een mand of kist die er stond. [voornaam 1] [slachtoffer] is toen in een dekbed naar de werkbus gedragen en in de laadruimte gelegd. [medeverdachte 2] is met [getuige 2] en [getuige 1] vooruit gereden in de auto van [medeverdachte 4] om te kijken of er onderweg geen politie was. Zij passeerde rond 15.16 uur Zandvliet, wat volgens internet op een half uur rijden van [plaatsnaam 2] ligt. [medeverdachte 1] reed in de werkbus met [voornaam 1] [slachtoffer] achterin en passeerde Zandvliet om 15.49 uur; een minuut later gevolgd door [medeverdachte 4] en [medeverdachte 3] in de Volkswagen Fox van [medeverdachte 3] .

De bus is eerst bij het woonwagenkampje aan de [adres 2] gezet, maar daarna twee keer verder weg verplaatst door [medeverdachte 1] . De eerste keer naar een veiling en een aantal uren later naar de [adres 3] . Die laatste keer reed [medeverdachte 2] er achter aan. Op de [adres 3] deed [medeverdachte 1] de schuifdeur van de laadruimte van de bus open en toen viel [voornaam 1] [slachtoffer] naar buiten. Hij was helemaal stijf geworden. [medeverdachte 2] heeft toen [medeverdachte 4] gehaald en die heeft [voornaam 1] [slachtoffer] terug de bus in geduwd. Het was in de nacht van maandag 3 juni op dinsdag 4 juni 2019.

4.3.2.1.4 Dinsdag 4 juni 2019


Dinsdag 4 juni 2019 is in de woonwagen van [medeverdachte 3] besproken wat er met het lichaam van [voornaam 1] [slachtoffer] moest gebeuren. [medeverdachte 4] bedacht verschillende theorieën wat ze moesten doen en [medeverdachte 1] , [medeverdachte 3] en [medeverdachte 2] zaten erbij aan tafel. Uiteindelijk werd besloten dat het lichaam in stukken moest. Het plan om die stukken te verbranden in een ton is besproken door [medeverdachte 3] , [medeverdachte 4] en [medeverdachte 1] . [medeverdachte 4] , [medeverdachte 1] en [medeverdachte 3] zijn toen weggegaan en hebben rond 16.15 uur bij de [naam 1] in Steenbergen een kettingzaag, een sfeerhaard, 4 kilo briketten, 1 liter aanmaakvloeistof en 2 netten aanmaakhout gekocht. Toen zij terugkwamen in de woonwagen stond ook de werkbus met het lichaam van [voornaam 1] [slachtoffer] weer bij de woonwagen van [medeverdachte 3] . De laadruimte van de bus werd schoongemaakt door [medeverdachte 2] en de zonen [medeverdachte 1] . [medeverdachte 4] , [medeverdachte 1] en [medeverdachte 3] maakten van zeil een hokje in de garage van [medeverdachte 3] . [voornaam 1] [slachtoffer] werd in dat hokje op een pallet gelegd. Daar is hij vervolgens met de bij [naam 1] gekochte kettingzaag in stukken gezaagd. [medeverdachte 4] , [medeverdachte 1] en [medeverdachte 3] waren degenen die bij deze handelingen in de garage aanwezig waren. Dit vond plaats in de nachtelijke uren van dinsdag 4 op woensdag 5 juni 2019.

4.3.2.1.5 Na dinsdag 4 juni 2019

Na het zagen werden de lichaamsdelen door [medeverdachte 4] en [medeverdachte 3] in zwarte wiettassen van [medeverdachte 3] gedaan en achter haar woonwagen gelegd. [medeverdachte 1] en [medeverdachte 3] hebben de garage schoon gemaakt. De lichaamsdelen werden verbrand in een 200 liter olievat dat [medeverdachte 3] bij een andere bewoner van het woonwagenkamp had gehaald. Daarbij werden hout, benzine, briketten en houtskool gebruikt; ook hout uit de laadruimte van de werkbus. [medeverdachte 4] deed de lichaamsdelen van [voornaam 1] [slachtoffer] in het vat. [medeverdachte 1] , [medeverdachte 2] en de zonen [medeverdachte 1] hielden het vuur in de ton meerdere dagen brandend. [medeverdachte 4] en [medeverdachte 3] waren daar ook bij aanwezig. De resten uit het olievat, met daarin enkele delen van het lichaam van [voornaam 1] [slachtoffer] , werden door [medeverdachte 4] in twee [Naam 2] geschept. De zaag werd door [medeverdachte 4] in de Ligne in Steenbergen gegooid. [medeverdachte 3] was met hem daar naar toe gereden. Zij heeft ook het olievat schoongespoten.

Met de pinpas van [medeverdachte 2] werden door [medeverdachte 4] , [medeverdachte 3] en [medeverdachte 2] op 11 juni 2019 bij de [naam 1] in Steenbergen om 15.52 uur twee zakken cement en een speciekuip gekocht. De twee [Naam 2] met de restanten van het lichaam van [voornaam 1] [slachtoffer] werden in de speciekuip gezet. De speciekuip is door [medeverdachte 4] gevuld met beton en hij heeft de kuip onder de woonwagen van [medeverdachte 3] gezet om te laten drogen. Na twee of drie dagen hebben [medeverdachte 3] en [medeverdachte 4] die kuip opgepakt en samen in de auto van [medeverdachte 2] gezet, waarna [medeverdachte 4] de kuip in het water van het Schelde-Rijnkanaal heeft gegooid.

4.3.2.2 Tussenconclusie wederrechtelijke vrijheidsberoving en poging diefstal
met geweld

Op basis van het feitenrelaas van 4.3.2.1 kan naar het oordeel van de rechtbank wettig en overtuigend bewezen worden dat [voornaam 1] [slachtoffer] vanaf zondagavond 2 juni 2019 wederrechtelijk van zijn vrijheid is beroofd. Dat strafbare feit was echter geen doel op zich, maar was onderdeel van de uitvoering van de voorgenomen diefstal van zijn geld dat hij thuis in [plaatsnaam 3] had verborgen. Dat feit kan ook wettig en overtuigend bewezen worden.

Weliswaar was [voornaam 1] [slachtoffer] vrijwillig naar [medeverdachte 1] gekomen, maar als hij de werkelijke reden had gekend van haar verzoek om te komen, had hij meteen haar woning verlaten. De vrijheid daartoe werd hem echter ontnomen op het moment dat de toegediende slaapmedicatie zijn werk had gedaan. Het toedienen van die slaapmedicatie is het eerste geweld dat tegen [voornaam 1] [slachtoffer] is gepleegd. Met het plegen van geweld wordt namelijk gelijkgesteld het brengen in een staat van bewusteloosheid of onmacht. Juist die staat waarin [voornaam 1] [slachtoffer] werd gebracht, maakte het [medeverdachte 4] bij terugkomst in de woning [medeverdachte 1] mogelijk om vervolggeweld tegen [voornaam 1] [slachtoffer] te plegen door hem met tiewraps en ducttape te binden aan handen en voeten en zijn mond te snoeren met ducttape en een prop. Het eerste geweld en vervolggeweld voor de wederrechtelijke vrijheidsberoving is tegelijkertijd het eerste geweld en vervolggeweld voor de poging diefstal met geweld.

Voor de duidelijkheid merkt de rechtbank alvast op dat zij [medeverdachte 1] en [medeverdachte 3] vrij zal spreken voor de (alleen) bij hen als feit 3 tenlastegelegde voltooide diefstal met geweld in [plaatsnaam 2] op 2 juni 2019. Het gaat daarbij om diefstal met geweld van het door [voornaam 1] [slachtoffer] naar de woning [medeverdachte 1] meegebrachte huurgeld. Dat geld was echter al vrijwillig door [voornaam 1] [slachtoffer] aan [medeverdachte 1] gegeven voordat hem slaapmedicatie werd toegediend. Van diefstal, laat staan diefstal met geweld, was daarom geen sprake.

Voordat de rechtbank nader ingaat op de rol [medeverdachte 1] , [medeverdachte 3] , [medeverdachte 4] en [medeverdachte 2] bij de wel bewijsbare wederrechtelijke vrijheidsberoving en poging diefstal met geweld, staat de rechtbank nu eerst stil bij een vraag die daarvoor ook van belang is. Dat is de vraag naar het moment van overlijden van [voornaam 1] [slachtoffer] .


4.3.2.3 Het moment van overlijden van [voornaam 1] [slachtoffer]

Anders dan de officieren van justitie is de rechtbank van oordeel dat niet overtuigend kan worden bewezen dat [voornaam 1] in [plaatsnaam 2] is overleden voordat hij met zijn eigen werkbus naar Steenbergen is vervoerd. Het bewijs daarvoor wordt enkel gevormd door de verklaringen [medeverdachte 1] en [medeverdachte 3] dat [medeverdachte 4] toen riep/zei dat [voornaam 1] dood was. Overigens verklaart [medeverdachte 3] dat [medeverdachte 4] zei dat hij “dacht” dat [voornaam 1] dood was. Ook de verklaring [medeverdachte 1] dat zij zag dat [voornaam 1] was overleden maakt dat niet anders. De rechtbank stelt namelijk vast dat er niemand bij [voornaam 1] is geweest die op een deskundige wijze heeft vastgesteld dat hij daadwerkelijk was overleden.

Dat uit de gang van zaken onder 4.3.2.1 geconcludeerd kan worden dat er voor de rit naar Steenbergen veelvuldig en heftig geweld op [voornaam 1] [slachtoffer] is uitgeoefend, maakt dat niet anders. Dat betekent namelijk niet per se dat [voornaam 1] [slachtoffer] al daadwerkelijk dood was toen hij in zijn werkbus werd gelegd voor de rit naar Steenbergen. Het is met name [medeverdachte 2] die heeft verklaard dat hij toen nog leefde. [medeverdachte 2] is de eerste van de verdachten die gedetailleerde verklaringen heeft afgelegd over de gang van zaken tijdens de van belang zijnde dagen. Dat zij in die verklaringen niet op alle punten even consistent is of lijkt te zijn, is voor de rechtbank echter onvoldoende om haar verklaringen dat [voornaam 1] [slachtoffer] nog leefde toen ze naar Steenbergen reden terzijde te schuiven. Daarbij merkt de rechtbank tot slot op dat niet alleen [medeverdachte 2] , maar ook de zonen [medeverdachte 1] in de woning [medeverdachte 1] in [plaatsnaam 2] blijkbaar niets hebben meegekregen van uitlatingen van [medeverdachte 4] dat [voornaam 1] [slachtoffer] dood was.

Voor de beoordeling van de rol van de verdachten is het ook niet nodig dat de rechtbank eenduidig vast kan stellen wanneer (en dus waar) [voornaam 1] [slachtoffer] was overleden. Daarvoor is voldoende wat naar het oordeel van de rechtbank wel wettig en overtuigend bewezen kan worden. Dat is dat [voornaam 1] [slachtoffer] in ieder geval was overleden toen zijn werkbus in Steenbergen is verplaatst naar de [adres 3] , gelet op de volledige lijkstijfheid die toen is waargenomen door [medeverdachte 1] . Daardoor moet een aantal uren daarvoor het concrete moment van overlijden zijn geweest.

Anders dan voor de officieren van justitie biedt de volledige lijkstijfheid voor de rechtbank onvoldoende aanknopingspunten om op basis van internetinformatie verantwoord terug te kunnen rekenen en alsnog te concluderen dat [voornaam 1] [slachtoffer] al in [plaatsnaam 2] was overleden. De rechtbank merkt daarbij op dat in het strafdossier zelf geen deskundigenbericht of andere informatie over het proces van lijkstijfheid zit. Uit informatie op internet is de rechtbank in ieder geval gebleken dat het daadwerkelijke verloop van het lijkstijfheidsproces in het concrete geval en de duur van de lijkstijfheid met name afhankelijk is van de omgevingstemperatuur. Die temperatuurgegevens zijn niet bekend en bovendien is het precieze moment van het verplaatsen van de bus naar de [adres 3] ook niet vast te stellen.

Bij de hierna volgende beoordeling van de rol van ieder van de vier verdachten zal de rechtbank in het voordeel van de verdachten voor de wederrechtelijke vrijheidsberoving en de poging diefstal met geweld uitgaan van een overlijden in de woning [medeverdachte 1] in [plaatsnaam 2] op maandagmiddag 2 juni 2019 kort voor de rit naar Steenbergen. Handelen en/of nalaten van de verdachten dat daarna plaats heeft gevonden, kan daardoor niet worden bewezenverklaard als uitvoeringshandeling van die twee strafbare feiten. Het kan wel bijdragen aan het bewijs voor ieders rol daarbij.

Pas na de bespreking van ieders rol bij voornoemde twee feiten zal de rechtbank ingaan op de vraag in hoeverre de verdachten strafrechtelijk ook verantwoordelijk zijn voor de dood van [voornaam 1] [slachtoffer] .

4.3.2.4 De rol van [medeverdachte 2] bij de vrijheidsberoving en de poging diefstal met

geweld

[medeverdachte 2] is niet verder vervolgd voor het medeplegen van de wederrechtelijke vrijheids-beroving en poging diefstal met geweld. Haar rol kan echter van belang kan zijn voor de duiding van de rol van haar drie medeverdachten. Daarom oordeelt de rechtbank hier expliciet dat [medeverdachte 2] aan deze twee feiten geen actieve feitelijke of intellectuele bijdrage heeft geleverd om van een strafrechtelijk relevante rol te kunnen spreken. Zij kan dan ook sowieso niet als (mede)pleger van deze feiten worden aangemerkt. In haar vonnis van gelijke datum onder parketnummer 02/240083-19 zal de rechtbank nader toelichten waarom zij [medeverdachte 2] ook vrijspreekt van de haar wel tenlastegelegde medeplichtigheid aan deze twee feiten.


4.3.2.5 De rol [medeverdachte 1] bij de vrijheidsberoving en de poging diefstal

met geweld


4.3.2.5.1 Wederrechtelijke vrijheidsberoving


Gelet op de hiervoor onder 4.3.2.1 geschetste gang van zaken is de rechtbank met de verdediging en de officieren van justitie van oordeel dat voor [medeverdachte 1] het medeplegen van de wederrechtelijke vrijheidsberoving van [voornaam 1] [slachtoffer] wettig en overtuigend bewezen kan worden. Dat die wederrechtelijke vrijheidsberoving ten dienste stond en feitelijk onderdeel vormde van de geplande diefstal met geweld doet daaraan niet af. Voor meer toelichting op de rol [medeverdachte 1] bij de wederrechtelijke vrijheidsberoving volstaat de rechtbank met een verwijzing naar de bespreking van haar rol bij de poging diefstal met geweld onder 4.3.2.5.2 hierna.

Het geweld dat tegen [voornaam 1] [slachtoffer] is gepleegd na het toedienen van de slaappillen en het binden en tapen van [voornaam 1] [slachtoffer] ziet de rechtbank als uitvoeringshandelingen van de geplande diefstal met geweld en niet van de wederrechtelijke vrijheidsberoving. Bovendien neemt de rechtbank - kort samengevat - het vervoeren van [voornaam 1] [slachtoffer] in de werkbus naar Steenbergen en ter plaatse niet mee, omdat zij voor dit feit in het voordeel [medeverdachte 1] uitgaat van het scenario dat [voornaam 1] [slachtoffer] daarvoor al was overleden. Dat betekent dat de rechtbank bij de wederrechtelijke vrijheidsberoving een aantal van de feitelijk tenlastegelegde (gewelds)handelingen niet wettig en overtuigend bewezen acht, evenmin als dat de wederrechtelijke vrijheidsberoving, die wel wettig en overtuigend bewezen kan worden, de dood van [voornaam 1] [slachtoffer] tot gevolg heeft gehad.

4.3.2.5.2 Poging diefstal met geweld

Medeplegen

De rechtbank is van oordeel dat voor [medeverdachte 1] het bij haar primair tenlastegelegde medeplegen van een poging diefstal met geweld wettig en overtuigend bewezen kan worden. Uit het dossier en het onderzoek ter terechtzitting leidt de rechtbank over de betrokkenheid [medeverdachte 1] bij het tenlastegelegde het volgende af.

De rechtbank merkt allereerst op dat [medeverdachte 1] al voor het weekend van 1 en 2 juni 2019 informatie over zwart geld van [voornaam 1] [slachtoffer] heeft gedeeld met [medeverdachte 4] . [medeverdachte 4] wiens verleden zij kende en van wie zij wist waartoe hij in staat was. Toen [medeverdachte 4] die zondagmiddag 2 juni 2019 zijn plan op tafel legde om [voornaam 1] [slachtoffer] te grazen te nemen, heeft zij nog eens bevestig dat hij veel geld had. [medeverdachte 1] is aanwezig bij de verdere bespreking van het plan en degene die hem, overeenkomstig dat plan, die avond naar haar woning in [plaatsnaam 2] lokt met de smoes dat zij geld nodig heeft om achterstallige huur te betalen. Daarmee zet verdachte het plan in werking om [voornaam 1] [slachtoffer] van zijn geld te beroven.

[voornaam 1] [slachtoffer] komt ook naar de woning [medeverdachte 1] en neemt het door haar gevraagde huurgeld voor haar mee. Na ontvangst van dat geld stuurt zij [voornaam 1] [slachtoffer] niet alsnog weg om te zorgen dat het plan geen verdere doorgang kan vinden. Integendeel, het is dan [medeverdachte 1] die het eerste, volgens plan afgesproken geweld pleegt tegen [voornaam 1] [slachtoffer] door hem - ongemerkt - slaapmedicatie toe te dienen. Als onder andere de door haar ingeseinde [medeverdachte 4] terugkeert naar haar woning is [medeverdachte 1] er bij aanwezig als [medeverdachte 4] op haar slaapkamer [voornaam 1] [slachtoffer] bindt en tapet; het volgende geweld voor de uitvoering van de voorgenomen diefstal. Dat zij tegen dit geweld heeft geprotesteerd is niet gebleken. Zij gaat vervolgens met onder andere [medeverdachte 4] en [medeverdachte 3] naar Nederland waar onder meer eten en drugs worden gekocht met het huurgeld van [voornaam 1] [slachtoffer] .

Maandagochtend 3 juni 2019 rijdt zij met [medeverdachte 4] naar de woning van [voornaam 1] [slachtoffer] en wacht op hem, terwijl [medeverdachte 4] de woning doorzoekt naar geld. [medeverdachte 4] keert zonder geld maar woedend terug in de auto en gaat tekeer dat hij zal zorgen dat [voornaam 1] [slachtoffer] alsnog zegt waar het geld wel ligt. De verklaring [medeverdachte 1] dat zij dacht dat [medeverdachte 4] dat vriendelijk aan hem zou vragen, schuift de rechtbank als ongeloofwaardig terzijde. Ook tijdens deze rit en bij thuiskomst is van distantiëren door [medeverdachte 1] niet gebleken. Integendeel, als [voornaam 1] [slachtoffer] daarna voor de eerste keer door [medeverdachte 4] en [medeverdachte 3] achter in zijn werkbus wordt gelegd, houdt [medeverdachte 1] hem op verzoek van [medeverdachte 4] overeind, waarna [medeverdachte 4] hem volgens [medeverdachte 1] twee ongelooflijk harde vuistslagen geeft. Zo hard dat hij van een hand een knokkel open sloeg. Dat belet [medeverdachte 1] echter niet om vervolgens met de bus te gaan rijden, terwijl [medeverdachte 4] achter in de laadruimte bij [voornaam 1] [slachtoffer] blijft.

[medeverdachte 1] hoort dan dat [medeverdachte 4] fors geweld tegen [voornaam 1] [slachtoffer] gebruikt en ziet een deel van de gevolgen daarvan als ze een tussenstop maken, waarbij de schuifdeur van de laadruimte wordt geopend. Ook tijdens die hele rit heeft [medeverdachte 1] zich op geen enkele wijze gedistantieerd van het door [medeverdachte 4] gepleegde geweld. Ze heeft ook geen hulp voor [voornaam 1] [slachtoffer] gezocht, terwijl zij als bestuurster letterlijk de sleutels in handen had om een einde aan deze geweldsrit te maken.

Na terugkomst van de geweldsrit wordt [voornaam 1] [slachtoffer] weer de woning [medeverdachte 1] ingedragen en ziet [medeverdachte 1] hoe zijn gezicht dik en blauw is en net als zijn armen onder het bloed zit. Zij is er vervolgens getuige van dat op haar slaapkamer nog meer geweld op hem wordt uitgeoefend door [medeverdachte 4] . Ook hier is van distantiëren of protesteren niet gebleken. Uitgaande van het scenario dat [voornaam 1] [slachtoffer] toen is overleden, is ook daarna van afstand nemen geen sprake. Integendeel, zij is volop betrokken bij het wegmaken van (het lichaam van) [voornaam 1] [slachtoffer] in Steenbergen, waarover later kort wat meer onder 4.3.2.9.

Op grond van het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat de voor medeplegen vereiste voldoende nauwe en bewuste samenwerking tussen [medeverdachte 1] en in ieder geval medeverdachte [medeverdachte 4] is komen vast te staan. Anders dan de officieren van justitie is de rechtbank van oordeel dat die enkel was gericht op het wegnemen door [medeverdachte 1] en haar mededader(s) van geld van [voornaam 1] [slachtoffer] en niet ook op het afgeven van geld door hem aan [medeverdachte 1] en haar mededader(s).

4.3.2.6 De rol van [medeverdachte 3] bij de vrijheidsberoving en de poging diefstal met geweld


4.3.2.6.1 Wederrechtelijke vrijheidsberoving


Gelet op de hiervoor onder 4.3.2.1 geschetste gang van zaken is de rechtbank van oordeel dat ook voor [medeverdachte 3] het medeplegen van de wederrechtelijke vrijheidsberoving van [voornaam 1] [slachtoffer] wettig en overtuigend bewezen kan worden. Dat die wederrechtelijke vrijheidsberoving ten dienste stond en feitelijk onderdeel vormde van de geplande diefstal met geweld doet daaraan niet af. De rol van [medeverdachte 3] volgt uit de bespreking van haar rol bij die poging diefstal met geweld hierna.


4.3.2.6.2 Poging diefstal met geweld

Primair medeplegen

De rechtbank is van oordeel dat ook voor [medeverdachte 3] het primair tenlastegelegde medeplegen van een poging diefstal met geweld wettig en overtuigend bewezen kan worden. Dat [medeverdachte 3] zelf geen vrijheidsbenemende en andere geweldshandelingen tegen [voornaam 1] [slachtoffer] of een wegnemingspoging heeft verricht, doet daar niet aan af. Zelfs iemand die helemaal niet op een plaats delict aanwezig is geweest, kan in voorkomende gevallen als medepleger worden aangemerkt.

Zoals hiervoor onder 4.3.2.5.2 al overwogen kan medeplegen van een strafbaar feit worden bewezenverklaard, indien is komen vast te staan dat bij het begaan daarvan sprake is geweest van een voldoende nauwe en bewuste samenwerking. De materiële en/of intellectuele bijdrage van de verdachte aan het strafbare feit zal dan van voldoende gewicht moeten zijn. Bij de beoordeling of daaraan is voldaan, kan rekening worden gehouden met onder meer de intensiteit van de samenwerking, de onderlinge taakverdeling, de rol in de voorbereiding, de uitvoering of de afhandeling van het delict en het belang van de rol van de verdachte, haar aanwezigheid op belangrijke momenten en het zich niet terugtrekken op een daartoe geëigend tijdstip.

Uit het dossier en het onderzoek ter terechtzitting leidt de rechtbank over de betrokkenheid van [medeverdachte 3] bij het tenlastegelegde het volgende af.

[medeverdachte 3] was met [medeverdachte 1] en [medeverdachte 4] op zondagmiddag 2 juni 2019 aanwezig bij de bespreking in de tuin toen [medeverdachte 2] en de zonen [medeverdachte 1] er nog niet waren. Haar verklaring dat het daar besproken plan om geld te stelen alleen zag op “geld voor de huur [medeverdachte 1] ” schuift de rechtbank als ongeloofwaardig terzijde en wel om de volgende redenen.

Allereerst hoefde huurgeld voor [medeverdachte 1] helemaal niet van [voornaam 1] [slachtoffer] gestolen te worden. Hij gaf al vanaf het begin van de gezamenlijk aangegane huurovereenkomst steeds geld aan [medeverdachte 1] , zodat zij de maandelijkse huur kon betalen, en was nu ook ingegaan op haar telefonische verzoek om haar huurgeld te brengen. Bovendien heeft [medeverdachte 3] in de auto van [medeverdachte 4] de stapel geld gezien die [medeverdachte 4] mee had genomen uit de woning [medeverdachte 1] , nadat [voornaam 1] [slachtoffer] in diepe slaap was. Zij heeft in de auto ook mee moeten krijgen dat [medeverdachte 4] tegen [getuige 2] zei dat hij maar een stoel tegen de slaapkamerdeur moest zetten, toen [getuige 2] belde dat [voornaam 1] [slachtoffer] wakker was. Zeker bij terugkomst van de reis naar Nederland, waar met het geld van [voornaam 1] [slachtoffer] onder andere eten en drugs werd gekocht, heeft [medeverdachte 3] de werkbus van [voornaam 1] [slachtoffer] op de oprit bij de woning [medeverdachte 1] moeten zien staan. Gesteld noch gebleken is dat zij toen heeft gevraagd waarom [voornaam 1] [slachtoffer] vervolgens niet in die bus is gezet en naar elders is gereden om wakker te worden zonder in de gaten te hebben wat er is gebeurd. Dat was immers ook onderdeel van het plan en bij die terugkomst in [plaatsnaam 2] was het daarvoor een uitermate geschikt moment. Het was nog nacht en dus rustig buiten en het door [voornaam 1] [slachtoffer] meegebrachte geld was al in het bezit van [medeverdachte 4] . Dat [medeverdachte 3] dat niet gevraagd heeft, is voor de rechtbank alleen begrijpelijk als zij wist dat het geld waar het echt om ging nog niet binnen was. Tot slot draagt haar berichtje aan [medeverdachte 4] en [medeverdachte 1] maandagochtend 3 juni 2019 om 11.18 uur ook bij aan de ongeloofwaardigheid van haar verklaring over het (beperkte) doel van het plan. Zij bericht niet meer dan: “Hij is wakker en aan roepen.” In dit bericht van [medeverdachte 3] is geen enkele verbazing te lezen over het feit dat [voornaam 1] [slachtoffer] op dat tijdstip nog steeds in de woning [medeverdachte 1] is. Dat is naar het oordeel van de rechtbank alleen passend als zij weet dat het op zondagmiddag ook met haar besproken plan ziet op het wegnemen van geld dat [voornaam 1] [slachtoffer] niet bij zich, maar elders verborgen had.

[medeverdachte 3] heeft ook concreet meegewerkt aan de uitvoering van het besproken plan om [voornaam 1] [slachtoffer] te grazen te nemen. Zij heeft haar telefoon aan [medeverdachte 1] gegeven, zodat [medeverdachte 1] daarmee [voornaam 1] [slachtoffer] onder valse voorwendselen naar de woning [medeverdachte 1] kon lokken. Diezelfde telefoon heeft [medeverdachte 3] bij [medeverdachte 1] achtergelaten toen [medeverdachte 3] daarna met onder andere [medeverdachte 4] de woning verliet, omdat [voornaam 1] [slachtoffer] anders niet binnen zou komen. Met de telefoon van [medeverdachte 3] heeft [medeverdachte 1] immers later die avond aan [medeverdachte 4] laten weten dat [voornaam 1] [slachtoffer] over 15 minuten in diepe slaap zal zijn, waarna [medeverdachte 4] en onder andere [medeverdachte 3] terug konden komen en terug zijn gegaan.

Ook aan de diepe slaap van [voornaam 1] [slachtoffer] heeft [medeverdachte 3] een essentiële bijdrage geleverd. Zij was degene die slaapmedicatie bij zich had en dat ’s middags beschikbaar heeft gesteld om later die avond - ongemerkt - aan [voornaam 1] [slachtoffer] toe te kunnen laten dienen. Daarmee heeft zij het eerste geweldsmiddel tegen [voornaam 1] [slachtoffer] geleverd. Niet alleen voor de wederrechtelijke vrijheidsberoving, maar ook voor de geplande diefstal met geweld. Dat [medeverdachte 1] dat geweld feitelijk heeft toegepast, doet niet af aan de essentiële bijdrage van [medeverdachte 3] .

De volgende bijdrage die [medeverdachte 3] heeft geleverd, is het op maandagochtend 3 juni 2019 om 11.18 uur via een Whats App bericht waarschuwen van [medeverdachte 4] dat [voornaam 1] [slachtoffer] wakker was en aan het roepen. De rechtbank is van oordeel dat [medeverdachte 3] op dat moment bij uitstek in de gelegenheid was om aan de vrijheidsberoving van [voornaam 1] [slachtoffer] een einde te maken. En daarmee dus ook aan de lopende poging diefstal met geweld. Naast [voornaam 1] [slachtoffer] was [medeverdachte 3] op dat moment alleen met de kinderen [medeverdachte 1] en haar eigen dochter [medeverdachte 2] in de woning aanwezig. Daarbij merkt de rechtbank op dat [medeverdachte 3] expliciet heeft verklaard geen enkel moment bang te zijn geweest van [medeverdachte 4] , die een ex van haar was. In plaats van een einde te maken aan de wederrechtelijke vrijheidsbeneming en poging diefstal met geweld door [voornaam 1] [slachtoffer] te laten gaan en wellicht zelfs de politie te bellen, kiest zij ervoor om te blijven en [medeverdachte 4] te waarschuwen. Zij besluit niet alleen voor zichzelf deel te blijven nemen aan voornoemde strafbare feiten, maar onthoudt ook de twee kinderen [medeverdachte 1] en haar eigen kind een reële mogelijkheid om niet langer daarbij aanwezig en/of betrokken te zijn. De rechtbank twijfelt er niet aan dat de kinderen de woning hadden durven verlaten als [medeverdachte 3] daartoe op dat moment het initiatief had genomen.

Anders dan [medeverdachte 3] wil doen geloven, duurt het na haar berichtje aan [medeverdachte 4] niet nog heel lang voor die met [medeverdachte 1] terugkomt in de woning [medeverdachte 1] . ANPR-gegevens bevestigen de verklaring van [medeverdachte 2] dat dat kort na het berichtje van [medeverdachte 3] was. Na die terugkomst ziet ook [medeverdachte 3] bloed op het gezicht van de vastgebonden en getapete [voornaam 1] [slachtoffer] . Dat bloed en het daarna nog door [medeverdachte 4] slaan van [voornaam 1] [slachtoffer] met een pistool weerhouden haar er echter niet van om samen met [medeverdachte 4] [voornaam 1] [slachtoffer] in een dekbed naar de laadruimte van zijn werkbus te brengen en achterin te leggen. Daarmee heeft [medeverdachte 3] naar het oordeel van de rechtbank willens en wetens de aanmerkelijke kans aanvaard dat er tijdens de daaropvolgende busrit nog meer geweld tegen [voornaam 1] [slachtoffer] zou worden gepleegd. Ook voor [medeverdachte 3] moet toen immers duidelijk zijn geweest dat het vele geld van [voornaam 1] [slachtoffer] blijkbaar niet lag waar het had moeten liggen en dat [medeverdachte 4] koste wat het kost wilde weten waar dat geld dan wel lag.

Dat [medeverdachte 3] het door [medeverdachte 4] in de werkbus gepleegde geweld tegen [voornaam 1] [slachtoffer] willens en wetens heeft aanvaard, wordt bevestigd door haar handelen bij terugkomst van [medeverdachte 4] en [medeverdachte 1] van die geweldsrit. Ondanks het dikke en blauwe gezicht van [voornaam 1] [slachtoffer] , dat net als zijn armen onder het bloed zit, draagt [medeverdachte 3] hem met [medeverdachte 4] terug de slaapkamer [medeverdachte 1] in, waar [medeverdachte 4] hem in ieder geval met een pistool op zijn hoofd slaat.

Ook dat is blijkbaar geen reden voor [medeverdachte 3] om eindelijk afstand te nemen. Integendeel, spontaan stelt zij voor [voornaam 1] [slachtoffer] mee te nemen naar Steenbergen, naar het woonwagenkamp waar zij woont. Uit de onder 4.3.2.1.4 en 4.3.2.1.5 weergegeven gang van zaken op dinsdag 4 juni 2019 en daarna is duidelijk dat [medeverdachte 3] zich ook bij het wegmaken van het lichaam van [voornaam 1] [slachtoffer] niet bepaald afzijdig heeft gehouden. Voor dat feit merkt de rechtbank haar als medepleger aan, waarover later meer onder 4.3.2.9. Deze actieve bijdrage van [medeverdachte 3] na de dood van [voornaam 1] [slachtoffer] draagt voor de rechtbank echter ook bij aan het bewijs voor het medeplegen van de wederrechtelijke vrijheidsberoving en de poging diefstal met geweld.

Op grond van het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat de voor medeplegen vereiste voldoende nauwe en bewuste samenwerking tussen [medeverdachte 3] en medeverdachten [medeverdachte 1] en [medeverdachte 4] is komen vast te staan.

4.3.2.7 De rol van [medeverdachte 4] bij de vrijheidsberoving en poging diefstal met geweld

4.3.2.7.1 Wederrechtelijke vrijheidsberoving (feit 2)

Gelet op de hiervoor onder 4.3.2.1 geschetste gang van zaken en de bewijsoverwegingen bij de rol [medeverdachte 1] en [medeverdachte 3] bij de wederrechtelijke vrijheidsberoving kan naar het oordeel van de rechtbank ook wettig en overtuigend bewezen worden dat [medeverdachte 4] medepleger van de wederrechtelijke vrijheidsberoving is.

4.3.2.7.2 Poging diefstal met geweld

Anders dan bij [medeverdachte 1] en [medeverdachte 3] staat de poging diefstal met geweld bij [medeverdachte 4] niet als afzonderlijk feit op de dagvaarding. Die poging diefstal met geweld is terug te vinden in twee van de vier juridische varianten die bij hem onder feit 1 zijn tenlastegelegd. Onder feit 1 wordt hem op vier verschillende manieren verweten verantwoordelijk te zijn voor de dood van [voornaam 1] [slachtoffer] . De poging diefstal met geweld komt pas aan bod in de als tweede variant tenlastegelegde gekwalificeerde doodslag en ook nog in de laatste variant van medeplegen van een poging diefstal met geweld de dood ten gevolge hebbend.

Gelet op de onder 4.3.2.2 vastgestelde gang van zaken en wat hiervoor al bij de rol [medeverdachte 1] en van [medeverdachte 3] is overwogen, volstaat de rechtbank voor [medeverdachte 4] hier met het oordeel dat voor hem in ieder geval het medeplegen van de poging diefstal met geweld wettig en overtuigend bewezen kan worden. Voor zowel de vraag naar de uiteindelijke bewezenverklaring bij [medeverdachte 4] onder feit 1, als bij [medeverdachte 1] en [medeverdachte 3] onder feit 2, is het namelijk van belang dat de rechtbank nu eerst stilstaat bij de vraag naar de strafrechtelijke verantwoordelijkheid voor de dood van [voornaam 1] [slachtoffer] .

4.3.2.8 Strafrechtelijke verantwoordelijkheid voor de dood van [slachtoffer]

Om te kunnen beoordelen of [medeverdachte 4] en/of [medeverdachte 1] en/of [medeverdachte 3] ook strafrechtelijk (mede)verantwoordelijk zijn voor de dood van [voornaam 1] gaat de rechtbank eerst in op de aard en intensiteit van het geweld dat tegen hem is gepleegd. Daarna bespreekt de rechtbank de oorzaak van het overlijden om daarna tot voornoemde beoordeling te kunnen komen.

4.3.2.8.1 De aard en intensiteit van het uitgeoefende lichamelijke geweld

Uit de verklaringen [medeverdachte 1] , [medeverdachte 3] en [medeverdachte 2] in onderlinge samenhang bezien blijkt dat [medeverdachte 4] meermalen en gedurende langere tijd geweld heeft gebruikt tegen [voornaam 1] [slachtoffer] , ook op zijn hoofd. Als [medeverdachte 4] en [medeverdachte 1] maandag 3 juni rond 11.30 uur terugkomen van de doorzoeking van de woning van [voornaam 1] [slachtoffer] en de deur wordt geopend van de slaapkamer waar hij ligt, zien [medeverdachte 3] en [medeverdachte 2] al bloed op het gezicht van [voornaam 1] [slachtoffer] . Vervolgens wordt hij door [medeverdachte 4] geslagen met een vuurwapen. Als hij dan in de laadruimte van de werkbus is gelegd, geeft [medeverdachte 4] [voornaam 1] [slachtoffer] twee ongelooflijk harde vuistslagen in het gezicht. Tijdens de daarop volgende rit hoort [medeverdachte 1] het gereedschap rinkelen en [medeverdachte 4] razen in de laadruimte. [medeverdachte 1] hoort [voornaam 1] [slachtoffer] dan ook gillen. Welk geweld [medeverdachte 4] toen precies tegen [voornaam 1] [slachtoffer] heeft gepleegd, is niet duidelijk, maar bij de daarop volgende tussenstop liggen er gereedschap en koffers op hem en zit de bus onder het bloed. Als hij in [plaatsnaam 2] terug de woning [medeverdachte 1] in wordt gedragen, is zijn gezicht dik en blauw en zit het onder het bloed, net als zijn armen. Weer terug in de woning [medeverdachte 1] wordt hij door [medeverdachte 4] in ieder geval nog een keer met een vuurwapen op zijn hoofd geslagen. Daarbij moet niet vergeten worden dat [voornaam 1] [slachtoffer] al dat geweld heeft moeten ondergaan, terwijl hij aan handen en voeten gebonden was. Van een reële mogelijkheid om het geweld te ontwijken en/of de impact te verminderen was dus geen sprake.

De intensiteit waarmee het geweld is uitgeoefend, blijkt niet alleen uit de hiervoor weergegeven verklaringen, maar ook uit een aantal andere bewijsmiddelen. Als [medeverdachte 2] verklaart dat er bloed in de bus lag, vraagt de politie waar in de bus bloed lag. Zij antwoordt dan: “Ik kan beter zeggen: “Waar zie ik geen bloed?”. Deze verklaring van [medeverdachte 2] en de hierboven aangehaalde verklaring [medeverdachte 1] dat de bus onder het bloed zat, sluiten aan bij de latente bloedsporen van [voornaam 1] [slachtoffer] die zelfs in zijn schoongemaakte werkbus nog zijn aangetroffen op de laadvloer en de achterdeur. Daarnaast heeft [medeverdachte 3] verklaard dat zij voor de busrit met [voornaam 1] [slachtoffer] naar Steenbergen de slaapkamer heeft schoongemaakt en leeggehaald. De matrasovertrek zat onder het bloed. [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] hebben dat bevestigd. [medeverdachte 3] , die de slaapkamer heeft schoongemaakt, heeft ook bloedspetters op de grond en op een mand of kist gezien. [medeverdachte 3] benoemt daarbij expliciet dat rechts naast het bed bloed op de grond lag. Op de slaapkamervloer rechts naast het bed is later een bloedspoor aangetroffen met een DNA-mengprofiel van [voornaam 1] [slachtoffer] en [medeverdachte 4] . [medeverdachte 1] heeft bloed van [voornaam 1] [slachtoffer] voor het bed gezien.

4.3.2.8.2 De oorzaak van het overlijden van [voornaam 1] [slachtoffer]

Uit het dossier blijkt dat een gezonde [voornaam 1] op zondagavond 2 juni 2019 ongevraagd slaapmedicatie is toegediend, waarna hij met tiewraps is gebonden aan handen en voeten en waarbij een deel van zijn hoofd, waaronder zijn mond, met tape is omwikkeld. In die benarde en kansloze positie is er op maandag 3 juni 2019 veel en fors lichamelijk geweld op hem uitgeoefend dat tot de nodige verwondingen en veel bloedverlies heeft geleid, zowel in de laadruimte van de werkbus als in de slaapkamer [medeverdachte 1] . Ook kan worden vastgesteld dat hem die dag op geen enkel moment de nodige medische hulp is geboden die - gelet op zijn letsel - passend en geboden was. Hoewel het precieze tijdstip van zijn overlijden niet vastgesteld kan worden, is [voornaam 1] in ieder geval overleden op een moment dat het niet anders kan dan dat zijn dood in ieder geval mede is veroorzaakt door het op hem uitgeoefende geweld.

Aan dat causale verband doet niet af dat een andere doodsoorzaak theoretisch niet honderd procent kan worden uitgesloten. De forensisch patholoog heeft immers geen doodsoorzaak kunnen vaststellen, vanwege de manier waarop [medeverdachte 4] , [medeverdachte 1] en [medeverdachte 3] zich van het lichaam van [voornaam 1] [slachtoffer] hebben ontdaan. Een andere (mede)oorzaak voor de dood van [voornaam 1] [slachtoffer] is naar het oordeel van de rechtbank echter niet aannemelijk geworden. Dat geldt ook voor het door de verdediging bepleitte (alternatieve) scenario dat [voornaam 1] [slachtoffer] is overleden door een door [medeverdachte 1] toegediende dodelijke hoeveelheid GBL.

Alternatieve GBL-scenario verdediging

De verdediging volgt met dat alternatieve scenario [medeverdachte 4] verklaring tijdens de eerste dag van de inhoudelijke behandeling. Bij de bespreking van de feiten op 12 juli 2021 heeft [medeverdachte 4] zich grotendeels op zijn zwijgrecht beroepen, maar wel voor de eerste keer verklaard dat [voornaam 1] [slachtoffer] op maandag 3 juni 2019 in Nederland is overleden. [medeverdachte 4] zou [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] meegekregen hebben dat [voornaam 1] [slachtoffer] is gestorven door dodelijke injectie GBL. Bij de tweede verplaatsing van de werkbus in Steenbergen heeft [medeverdachte 1] GBL in zijn anus zijn gespoten. [medeverdachte 4] heeft daarna zelf geconcludeerd dat [voornaam 1] [slachtoffer] dood was door aan zijn nekaders te voelen. Volgens de verdediging sluit het dossier deze doodsoorzaak niet uit.

Allereerst merkt de rechtbank op dat zij geen enkele (bewijs)waarde hecht aan deze verklaring van [medeverdachte 4] op het laatste moment. Hij heeft zes politieverhoren en zeven pro-formazittingen de tijd gehad om dit scenario te benoemen en dat niet gedaan. Sterker nog, toen GBL door de politie ter sprake is gebracht tijdens zijn tweede verhoor op 20 mei 2020 heeft hij expliciet verklaard dat hij niet eens weet dat er GBL is geweest. Tot 12 juli 2021 is [medeverdachte 4] op geen enkel moment teruggekomen op zijn zesde politieverklaring van 15 december 2020. Na al ruim een jaar in voorlopige hechtenis te hebben gezeten, heeft hij toen verklaard dat [voornaam 1] [slachtoffer] al dood was toen [medeverdachte 4] op maandagochtend 3 juni 2019 - na zijn geldzoektocht in [plaatsnaam 3] - terug kwam in de woning [medeverdachte 1] in [plaatsnaam 2] . [medeverdachte 4] zou toen hebben gezien dat [voornaam 1] [slachtoffer] in zijn hart was gestoken en hem nog twee tikken op zijn hoofd hebben gegeven of hij nog leefde, maar hij was al dood. Dat steken had [medeverdachte 3] gedaan volgens [medeverdachte 4] . Op 12 juli 2021 heeft hij in ieder geval bevestigd dat dat “ [voornaam 3] -heeft-hem-doodgestoken-scenario” gelogen was.

Los van de laatste moment-verklaring van [medeverdachte 4] zelf merkt de rechtbank nog het volgende op over het door de verdediging bepleitte GBL-scenario.

Bij het toxicologisch onderzoek door het NFI is in ieder geval geen drugs, en dus ook geen GBL, aangetoond in het onderzochte leverweefsel van [voornaam 1] [slachtoffer] . Op zitting heeft de verdediging van [medeverdachte 4] echter gemotiveerd betoogd dat GBL snel uit het lichaam verdwijnt, zeker als zo’n lichaam wordt blootgesteld aan hoge temperaturen. In raadkamer is de rechtbank tot het definitieve oordeel gekomen dat het door de verdediging verzochte nader deskundigenonderzoek naar de theoretische mogelijkheid dat er wel GBL is toegediend niet noodzakelijk is. In dat nader onderzoek kan immers (juridisch gezien) hooguit geconcludeerd worden dat het inderdaad theoretisch niet kan worden uitgesloten dat GBL een bijdrage heeft geleverd aan het overlijden van [voornaam 1] [slachtoffer] . Daarmee is zo’n bijdrage nog niet aannemelijk gemaakt.

De rechtbank stelt vast dat er aanwijzingen zijn dat er GBL is gehaald. Dat is al gebeurd tijdens de rit naar Nederland waarbij met het door [voornaam 1] [slachtoffer] aan [medeverdachte 1] gegeven ‘huurgeld’ daarnaast eten en drugs is gekocht. Dat was ergens tussen 0.00 en 05.00 uur op maandag 3 juni 2019. Op basis van die aanwijzingen stelt de rechtbank ook vast dat het [medeverdachte 4] is geweest, die die GBL heeft gehaald. Als uitgegaan wordt van een scenario waarin [voornaam 1] [slachtoffer] in [plaatsnaam 2] nog niet was overleden, wat de rechtbank niet uitsluit, dan zijn in het dossier aanwijzingen te lezen dat [medeverdachte 1] mogelijk wat van die GBL aan [voornaam 1] [slachtoffer] heeft toegediend. Die aanwijzingen zijn echter onvoldoende om tot wettig en overtuigend bewijs van die toediening te concluderen en ook onvoldoende om een bijdrage aan de dood van [voornaam 1] [slachtoffer] aannemelijk te achten. Overigens zou het [medeverdachte 4] niet baten als zo’n bijdrage wel aannemelijk zou zijn te achten. Gelet op de gang van zaken op 2 en 3 juni 2019 zou namelijk ook het toedienen van GBL strafrechtelijk voor rekening komen van [medeverdachte 4] als medepleger.

De verdediging heeft in dit verband tijdens de inhoudelijke behandeling op 15 juli 2021 nog een schriftelijke uitleg over GBL/GHB ingebracht van [Naam 3] van 14 juli 2021. Daarin wijst zij (onder andere) expliciet op het feit dat bij het toxicologisch onderzoek wel de aanwezigheid van oxazepam is aangetoond. Zij schrijft dat bij gelijktijdig gebruik van twee zogenaamd centraal werkende stoffen (GBL en oxazepam), de werking van beide stoffen wordt verwerkt. Daarmee zou de kans op toxische bijwerkingen toenemen, zoals ademstilstand.

In het leverweefsel van [voornaam 1] [slachtoffer] is inderdaad oxazepam aangetoond. Gelet op zijn medische voorgeschiedenis kan dat niet anders dan afkomstig zijn van de door [medeverdachte 1] - ongemerkt - toegediende slaapmedicatie van [medeverdachte 3] . Volgens het aanvullend bericht van de forensisch patholoog van 21 mei 2020 kan geen uitspraak worden gedaan over een mogelijke bijdrage van (alleen) oxazepam aan het overlijden, maar een overdosering met alleen oxazepam is zelden dodelijk.

Als het vervolgens gaat om de door [Naam 3] genoemde (mogelijk!) dodelijke combinatie van GBL en oxazepam heeft de rechtbank al geoordeeld dat [medeverdachte 4] medepleger van het toedienen van het slaapmiddel is dat blijkbaar oxazepam bevatte. Hij is bovendien de enige van de drie medeplegers die blijkens zijn eerdergenoemde politieverklaring van 20 mei 2020 bekend was met een mogelijk dodelijk effect van GBL in combinatie met oxazepam. Niet eens wetend of er GBL is geweest, verklaart hij dan al dat (slaap)pillen en GBL hem geen logische combinatie lijkt. “Het ene maakt je heel actief, en het andere wil je laten slapen. Wat gaat er met je hart gebeuren dan? Wat gebeurt er dan met je hart? GBL maakt je helemaal actief, en die, pillen , laten je slapen? Wat gaat er dan gebeuren? Dan stopt je hart ermee.” [medeverdachte 4] had blijkbaar geen uitleg van [Naam 3] nodig om voor zichzelf te concluderen dat de combinatie mogelijk bij kan dragen aan de dood. Mede daarom zou tot slot ook zo’n - niet aannemelijk geworden - combinatie-bijdrage aan de dood strafrechtelijk voor rekening van [medeverdachte 4] komen.

4.3.2.8.3 Strafrechtelijke verantwoordelijkheid [medeverdachte 1] , [medeverdachte 3] en [medeverdachte 4] voor de dood van [voornaam 1] [slachtoffer]

4.3.2.8.3a [medeverdachte 1] en [medeverdachte 3]

Poging diefstal met geweld de dood ten gevolge hebbend

Bij [medeverdachte 1] en [medeverdachte 3] is de verantwoordelijkheid voor de dood van [voornaam 1] [slachtoffer] in de tenlastelegging beperkt tot een strafverzwarend gevolg bij de poging diefstal met geweld. Voor een bewezenverklaring van dat strafverzwarende gevolg is voldoende dat de dood van [voornaam 1] [slachtoffer] in redelijkheid kan worden toegerekend aan de door hen medegepleegde poging diefstal met geweld. De rechtbank is van oordeel dat dat kan en overweegt daarvoor het volgende.

In ieder geval binnen een aantal uren na het vertrek naar Steenbergen is [voornaam 1] [slachtoffer] overleden. De hiervoor onder respectievelijk 4.3.2.5 en 4.3.2.6 genoemde gedragingen en het daar genoemde nalaten [medeverdachte 1] en [medeverdachte 3] maken dat de dood van [voornaam 1] [slachtoffer] in redelijkheid ook voor [medeverdachte 1] en [medeverdachte 3] aan de medegepleegde poging diefstal met geweld kan worden toegerekend.

4.3.2.8.3b [medeverdachte 4]

(Gekwalificeerde) doodslag? (feit 1)

Met de officieren van justitie is de rechtbank van oordeel dat [medeverdachte 4] door het door hem langdurig uitgeoefende geweld op [voornaam 1] [slachtoffer] in ieder geval willens en wetens het risico heeft aanvaard dat [voornaam 1] [slachtoffer] zou overlijden, welk overlijden ook is gevolgd. De rechtbank weegt daarin de eerder beschreven aard en intensiteit van het geweld mee. Bovendien heeft [medeverdachte 4] al die tijd de noodzakelijke medische hulp onthouden aan zijn slachtoffer. Bij [medeverdachte 4] kan de doodslag van [voornaam 1] [slachtoffer] dan ook wettig en overtuigend bewezen worden. Die doodslag vond plaats ten behoeve van de poging om door [voornaam 1] [slachtoffer] verborgen geld van hem te stelen. [medeverdachte 4] wilde daarvoor in ieder geval de ‘juiste’ verbergplaats van dat geld los krijgen uit [voornaam 1] [slachtoffer] . Dat betekent dat er in ieder geval sprake is van een gekwalificeerde doodslag zoals in zijn zaak onder feit 1 subsidiair aan [medeverdachte 4] tenlastegelegd. Als pleegplaats daarvan gelden niet alleen de plaatsen in België waar het geweld op [voornaam 1] [slachtoffer] is uitgeoefend, maar ook de plaats waar de dood zich heeft geopenbaard. Zoals eerder overwogen is dat mogelijk in Nederland geweest.

Voorbedachten rade?
De rechtbank stelt voorop dat voor een bewezenverklaring van het bestanddeel “voorbedachten rade” moet komen vast te staan dat een verdachte zich gedurende enige tijd heeft kunnen beraden op het te nemen of het genomen besluit en hij niet heeft gehandeld in een ogenblikkelijke gemoedsopwelling, zodat hij de gelegenheid heeft gehad na te denken over de betekenis en de gevolgen van zijn voorgenomen daad en zich daarvan rekenschap te geven.

Bij de vraag of sprake is van voorbedachte raad gaat het bij uitstek om een weging en waardering van de omstandigheden van het concrete geval, waarbij de rechter het gewicht moet bepalen van de aanwijzingen die voor of tegen het bewezen verklaren van voorbedachte raad pleiten. De vaststelling dat een verdachte voldoende tijd had om zich te beraden op het te nemen of het genomen besluit vormt weliswaar een belangrijke objectieve aanwijzing, maar behoeft de rechter niet ervan te weerhouden aan contra-indicaties een zwaarder gewicht toe te kennen.

Uit de met name onder 4.3.2.1 vastgestelde feiten en omstandigheden volgt naar het oordeel van de rechtbank niet dat [medeverdachte 4] op enig moment een plan heeft beraamd om het slachtoffer van het leven te beroven. De vraag waarvoor de rechtbank zich vervolgens gesteld ziet, is of de verdachte voorafgaand aan het gewelddadig handelen of tussen de elkaar opvolgende geweldshandelingen voldoende tijd voor beraad en gelegenheid voor bezinning heeft gehad.

In dat verband stelt de rechtbank vast dat [medeverdachte 4] in ieder geval op enig moment tijdens de “Antwerpenrit” op maandag 3 juni 2019 tijd voor beraad en gelegenheid voor bezinning is gaan krijgen. Dat is vanaf het moment dat [medeverdachte 1] volgens [medeverdachte 4] om kon keren, omdat [voornaam 1] [slachtoffer] had gezegd waar het geld lag. Van mishandelingen in de bus is vanaf dat moment niet meer gebleken. Die tijd liep door toen [medeverdachte 4] en [medeverdachte 3] [voornaam 1] [slachtoffer] uit de bus droegen en weer in de slaapkamer [medeverdachte 1] legden. Daar is [medeverdachte 4] op enig moment het laatste geweld uit gaan oefenen op [voornaam 1] [slachtoffer] , waarbij hij hem in ieder geval met een pistool op het hoofd heeft geslagen. Dat (ook) bij dat laatste geweld naar het oordeel van de rechtbank sprake was van voorwaardelijk opzet op de dood hoeft aan het aannemen van voorbedachte rade bij dat geweld niet in de weg te staan. [medeverdachte 4] heeft weliswaar tijd voor beraad gehad, maar de rechtbank kent een zwaarder gewicht toe aan de volgende contra-indicaties.

Na de doorzoeking van de woning van [voornaam 1] [slachtoffer] op maandagochtend 9 juni 2019 keerde [medeverdachte 4] zonder geld, maar woedend terug in de auto bij [medeverdachte 1] . [medeverdachte 4] was volgens haar “pislink” en de hele weg terug naar [plaatsnaam 2] zodanig “opgefokt” dat hij op het stuur bleef slaan en tegen de binnenkant van zijn auto. Hij zou [voornaam 1] [slachtoffer] gaan meenemen en zorgen dat hij zou gaan toegeven waar het geld wel lag. Die opgefokte, agressieve gemoedstoestand van [medeverdachte 4] hield niet op toen hij en [medeverdachte 1] terug waren in haar woning in [plaatsnaam 2] . Integendeel, in de iets meer dan tien minuten dat ze daar waren, heeft [medeverdachte 4] [voornaam 1] [slachtoffer] geslagen met een pistool. Aansluitend is hij in de laadruimte van zijn werkbus gelegd, waar [medeverdachte 4] hem nog voor vertrek tweemaal hard in het gezicht sloeg. Ook tijdens de daaropvolgende rit heeft [medeverdachte 4] uiting gegeven aan zijn opfokte, agressieve gemoedstoestand door [voornaam 1] [slachtoffer] te blijven mishandelen.

De rechtbank gaat er vanuit dat die opgefokte, agressieve gemoedstoestand niet verdween toen [medeverdachte 1] tijdens die rit volgens [medeverdachte 4] om kon keren, omdat [voornaam 1] [slachtoffer] had gezegd waar het geld wel lag. [medeverdachte 4] had het geld op dat moment namelijk nog steeds niet daadwerkelijk in handen, terwijl de uitvoering van zijn plan tot dan toe niet bepaald voorspoedig was verlopen, met alle risico’s van dien. Voor dat uitgangspunt is ook het Pieter Baan Centrum rapport over [medeverdachte 4] van belang.

De deskundigen schrijven daarin op pagina 44 dat op basis van zijn levensloop, waaronder de justitiële voorgeschiedenis, blijkt dat [medeverdachte 4] meerdere keren tot (ernstige) agressie is gekomen. Deze agressie kan volgens hen niet telkens begrepen worden als agressie om een bepaald doel te bereiken, maar lijkt vaker het gevolg te zijn van boosheid die betrokkene onvoldoende onder controle kan houden. [medeverdachte 4] wordt snel boos en weet zich dan nauwelijks te begrenzen. Hij is daarnaast impulsief.

Naar het oordeel van de rechtbank is voor het laatste geweld in de slaapkamer dan ook het scenario aannemelijk van een ogenblikkelijke opwelling van zijn nog steeds boze gemoed; wat de precieze aanleiding ook is geweest. Dus een impulsieve reactie in plaats van een bedachtzame actie. Voorbedachten rade kan daarom niet wettig en overtuigend bewezen worden.

Gelet op het voorgaande zal de rechtbank [medeverdachte 4] dan ook vrijspreken van de onder feit 1 primair tenlastegelegde moord en veroordelen voor de subsidiair tenlastegelegde gekwalificeerde doodslag.

4.3.2.9 Het onttrekken van het lichaam van [voornaam 1] [slachtoffer] aan de

nasporing

[medeverdachte 4] (feit 3), [medeverdachte 1] en [medeverdachte 3]

Het tenlastegelegde medeplegen van het onttrekken van het lichaam van [voornaam 1] [slachtoffer] aan de nasporing is door de verdediging niet ter discussie gesteld. Uit de vastgestelde gang van zaken op dinsdag 4 juni en daarna volgt naar het oordeel van de rechtbank dat voor zowel [medeverdachte 1] , als [medeverdachte 3] en [medeverdachte 4] de rol van medepleger wettig en overtuigend bewezen kan worden. Daarvoor is niet van belang dat de rechtbank niet buiten gerede twijfel heeft kunnen vaststellen wie daarbij daadwerkelijk de kettingzaag heeft/hebben gehanteerd. Wel staat vast dat ook het onttrekken van het lichaam van [voornaam 1] [slachtoffer] op een uiterst gewelddadige wijze heeft plaatsgevonden.

Voor dit feit is de rechtbank tot slot in het voordeel van de verdachten uitgegaan van het scenario dat [voornaam 1] [slachtoffer] pas in Steenbergen is overleden en dat dit bekend werd toen zijn werkbus naar de [adres 3] was verplaatst, waardoor het vervoeren van hem van [plaatsnaam 2] naar Steenbergen en de twee verplaatsingen in Steenbergen niet zijn meegenomen bij de bewezenverklaring van dit feit hierna onder 4.4.

4.4

De bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte

Feit 1 subsidiair:

in de periode van 2 juni 2019 tot en met 4 juni 2019, te [plaatsnaam 2] (België) en in een of meer plaatsen in België en Nederland, opzettelijk [slachtoffer] van het leven heeft beroofd, immers heeft hij, verdachte, die [slachtoffer] met kracht meermalen met een wapen en/of gereedschap en met zijn, verdachtes, gebalde vuisten op/tegen diens hoofd geslagen en gestompt ten gevolge waarvan voornoemde [slachtoffer] is overleden,

welke doodslag werd vergezeld van enig strafbaar feit, te weten

- een wederrechtelijke vrijheidsberoving van die [slachtoffer] in vereniging gepleegd en

- een poging tot diefstal met geweld ten aanzien van die [slachtoffer] in vereniging gepleegd,

en welke doodslag werd gepleegd met het oogmerk om de uitvoering van die feiten gemakkelijk te maken;

Feit 2:

in de periode van 2 juni 2019 tot en met 4 juni 2019 te [plaatsnaam 2] (België) en in een of meer plaatsen in België, tezamen en in vereniging met anderen, opzettelijk [slachtoffer] wederrechtelijk van de vrijheid heeft beroofd en beroofd gehouden immers hebben verdachte en zijn mededaders

- die [slachtoffer] in een woning te [plaatsnaam 2] (België) slaappillen toegediend en vastgebonden en de ogen en mond van die [slachtoffer] met tape afgeplakt en

- vervolgens die vastgebonden [slachtoffer] in de laadruimte van de bus (Peugeot Boxer) vervoerd;

Feit 3:

in de periode van 3 juni 2019 tot en met 30 juni 2020, te Steenbergen en een andere plaats in Nederland, tezamen en in vereniging met anderen, het lijk en/of lijkdelen van [slachtoffer] heeft verbrand en/of vernietigd en/of verborgen en/of weggevoerd en/of weggemaakt, met het oogmerk om het feit en de oorzaak van het overlijden van die [slachtoffer] te verhelen, immers hebben hij, verdachte en zijn mededaders

- het stoffelijk overschot van die [slachtoffer] vervoerd in een bus (Peugeot Boxer) en in die bus en in een garage verborgen gehouden en

- het stoffelijk overschot van voornoemde [slachtoffer] met een elektrische kettingzaag in stukken gezaagd en

- delen van het stoffelijk overschot van die [slachtoffer] in een tas gelegd en

- delen van het stoffelijk overschot van die [slachtoffer] verbrand in een ton met hout en benzine en briketten/houtskool en

- resterende delen van het stoffelijk overschot van die [slachtoffer] gedeponeerd in tassen in een speciekuip en

- die speciekuip, gevuld met cement en de resten van het stoffelijk overschot van die [slachtoffer] , gedumpt in het water.

Voor zover er in de tenlastelegging kennelijke taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn die fouten in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet in zijn verdediging geschaad.

In het dossier is de garage aan de [adres 4] te Steenbergen afwisselend aangeduid met de termen ‘loods’ en ‘garage’. De rechtbank heeft de ten laste gelegde term ‘loods’ vervangen door ‘garage’. Verdachte is daardoor niet in zijn verdediging geschaad.

De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

5 De strafbaarheid

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten. Dit levert de in de beslissing genoemde strafbare feiten op.

Verdachte is strafbaar, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die zijn strafbaarheid uitsluit.

6 De strafoplegging

6.1

De vordering van de officieren van justitie

De officieren van justitie vorderen aan verdachte op te leggen een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 22 jaren en TBS met dwangverpleging.

6.2

Het standpunt van de verdediging

Gelet op de betoogde vrijspraak van feit 1 en de vrijspraak voor het gekwalificeerde gevolg bij feit 2, dient de gevorderde gevangenisstraf volgens de verdediging flink te worden gematigd. Indien de rechtbank wel tot een bewezenverklaring komt van voornoemde feiten is subsidiair betoogd dat de geëiste gevangenisstraf erg hoog is. De vernieuwde regeling van de voorwaardelijke invrijheidstelling valt voor verdachte namelijk zeer ongunstig uit, waardoor hij langer dan voorheen gedetineerd zal blijven. Ook is de lange geëiste gevangenisstraf niet te rijmen met de eveneens geëiste TBS met dwangverpleging. Die gevorderde TBS maatregel is onvoldoende gemotiveerd en dient om die reden niet te worden opgelegd,

6.3

Het oordeel van de rechtbank

Op 3 juni 2019 is [voornaam 1] [slachtoffer] overleden in de uitvoering van een zelfzuchtig en gewelddadig plan om hem geld afhandig te maken.

De feiten en de omstandigheden tot en met het overlijden

Waar verdachte en zijn mededaders op initiatief van verdachte het betreffende weekend aanvankelijk geld wilden opstrijken met het knippen van gestolen wiet, verwordt dit tot een vele malen verderfelijker plan als blijkt dat het knippen niet doorgaat. Geraffineerd stelt verdachte voor om ‘ [voornaam 1] te grazen te nemen’. Hij had al eerder [medeverdachte 1] gehoord dat [slachtoffer] , die [medeverdachte 1] financieel goed onderhield, veel geld bezat en ook was bekend waar het verstopt was.

Nadat [voornaam 1] [slachtoffer] conform plan naar [plaatsnaam 2] is gelokt en hij met slaapmiddelen in slaap is gebracht, heeft verdachte hem vastgebonden met tiewraps. Hij stopt hem een prop in de mond en plakt de mond af met ducttape. In die benarde staat laat verdachte hem achter en vertrekt naar Nederland om met de anderen onder meer eten en drugs te kopen van het door [voornaam 1] [slachtoffer] voor [medeverdachte 1] gebrachte geld.

Toen [voornaam 1] [slachtoffer] de volgende ochtend weer wakker werd, kwam kort daarna een razende verdachte de slaapkamer in waar hij op bed lag en wordt hij door hem mishandeld met een pistool. Verdachtes zoektocht naar geld in de woning van [voornaam 1] [slachtoffer] heeft namelijk geen geld opgeleverd en verdachte is vastberaden om achter de bergplaats te komen. Met medeverdachte [medeverdachte 3] draagt hij [voornaam 1] [slachtoffer] naar diens eigen werkbus, waar hij in de laadruimte wordt geplaatst. Verdachte geeft hem dan meteen twee zulke harde vuistslagen dat zijn knokkels ervan open springen. In een dan volgende bijna twee uur durende rit met [medeverdachte 1] aan het stuur wordt [voornaam 1] [slachtoffer] verder mishandeld door verdachte. Zodanig, dat alle gereedschap door de bus ligt en dat er overal bloed in de bus ligt. Als [voornaam 1] [slachtoffer] hem heeft verteld dat het geld in de bus ligt, besluit verdachte dat ze terug gaan naar de woning in [plaatsnaam 2] . Daar wordt [voornaam 1] [slachtoffer] als een stuk vuil op de grond van de slaapkamer gelegd. Verdachtes razernij gaat weer door en [voornaam 1] [slachtoffer] wordt nog verder door verdachte mishandeld met een pistool. Al die tijd ligt [voornaam 1] [slachtoffer] volstrekt weerloos en kansloos aan handen en voeten gebonden en is op meerdere momenten ook zijn mond met ducttape afgeplakt. Uiteindelijk is [voornaam 1] [slachtoffer] door het door verdachte gebruikte langdurige en intensieve geweld overleden. Het meest kostbare dat een mens bezit, het recht op leven, werd hem op verschrikkelijke wijze ontnomen. Dit kwaadaardig en lafhartig handelen, ingegeven door geldelijk gewin, wordt verdachte door de rechtbank zwaar aangerekend.

[voornaam 1] [slachtoffer] moet zich in de loop van de nacht van zondag op maandag, als hij voor de eerste keer wakker wordt, hebben gerealiseerd in wat voor walgelijke val hij is gelokt en door wie. Ook moet hij hebben geweten dat er meerdere mensen in de woning waren, maar moet hij zich ook hebben gerealiseerd dat niemand hem te hulp wilde komen. Zelfs niet degene voor wie hij altijd heel goed gezorgd had. Daardoor zouden zijn vrouw en kinderen wellicht zonder hem verder moeten. De uren daarna heeft die wetenschap, in combinatie met het fysieke lijden en de mentale doodsangsten, ervoor gezorgd dat hij vlak voor het einde van zijn leven door een hel moet zijn gegaan.

De feiten en de omstandigheden na het overlijden

Als in Steenbergen eenmaal overduidelijk is dat [voornaam 1] [slachtoffer] is overleden, lijkt dat voor verdachte een onbeduidende vaststelling tussen de dagelijkse bedrijven door. Naar eigen zeggen is hij immers weer verder ‘gaan gamen en ballonnen doen en coke gaan gebruiken’. De wetenschap dat hij iemand heeft doodgeslagen, belet verdachte ook niet om nog een schepje bovenop de gruwelijkheden te doen. Hij bedenkt namelijk dat het lichaam van [voornaam 1] [slachtoffer] ‘in stukken moet’. Het komt in hem en zijn medeverdachten kennelijk niet op om zich op een wijze van het lichaam te ontdoen waaruit nog enig respect voor de waardigheid van zijn lichaam en voor zijn nabestaanden blijkt. Verdachte is samen met [medeverdachte 1] en [medeverdachte 3] tot het uiterste gegaan om niet alleen hun eigen strafbare handelen te verhullen, maar ook om het lichaam van [voornaam 1] [slachtoffer] bijna letterlijk van de aardbodem te laten verdwijnen. Met een onvoorstelbare doortastendheid hebben zij in enkele dagen het lichaam met een kettingzaag in stukken gezaagd, de lichaamsdelen in een olievat verbrand en de weinige overgebleven resten daarvan in een speciekuip met beton gestort, om de kuip vervolgens in het Schelde Rijnkanaal te dumpen. De vindplaats van de kuip is niet door toedoen van verdachte, die in ieder geval wist waar de kuip lag, maar pas na informanteninformatie van de politie boven water gekomen.

Dat ook verdachte achteraf heeft gereconstrueerd hoe respectloos en onmenselijk dit handelen was, blijkt wel uit zijn ontkennende opmerking ter zitting toen hem werd gevraagd of hij het lichaam had gezaagd: “Ik ben ook een mens.” Die gestelde menselijkheid heeft verdachte er in ieder geval niet van weerhouden om, naar zijn eigen zeggen, de vastgelopen zaagketting er weer op te leggen toen die er tussendoor afgelopen was. Enig moment voor bezinning was er tijdens het wegmaken alleen al niet, omdat de verdachte en zijn medeverdachten tussen deze gruwelijke activiteiten door druk waren met het regelen en gebruik van lachgasballonnen, alcohol, cocaïne, snacks en shoarma.

De rechtbank acht het tot slot kwalijk dat zelfs de dood en het verzagen en verbranden van het lichaam verdachte en zijn medeverdachten er niet van heeft weerhouden geld aan [voornaam 1] [slachtoffer] te willen verdienen. Nadat eerst een bedrag werd opgestreken door zijn werkbus te verkopen, hebben ze ook de uit de bus gehaalde gereedschappen en ander loodgietersmateriaal verkocht. Maar daar is het niet bij gebleven. Verdachte heeft samen met onder meer [medeverdachte 1] nog tot maar liefst drie keer toe de brutaliteit gehad om in de woning van [voornaam 1] [slachtoffer] in [plaatsnaam 3] naar het verborgen geld te zoeken.

Nabestaanden

Verdachte heeft de nabestaanden onbeschrijflijk en onherstelbaar leed aangedaan. Zij zullen dit de rest van hun leven bij zich dragen. De dood van [voornaam 1] [slachtoffer] heeft bij hen diepe gevoelens van verdriet en woede nagelaten. De rechtbank is onder de indruk van de beheerste en redelijke wijze waarop de nabestaanden op zitting hun emoties hebben geuit. Uit de slachtofferverklaringen, die door zijn vrouw, zonen en broer zijn voorgelezen, blijkt hoe ontzettend zij hun man, vader en broer missen, met wie zij zo’n hechte band hadden, en dat de herinnering aan zijn gewelddadige dood hen ernstig hindert in hun dagelijkse bestaan. Naast het gemis zullen de nabestaanden ook moeten leven met de respectloze manier waarop het lichaam van [voornaam 1] [slachtoffer] is weggemaakt. Zij hebben na een ruim half jaar vrees en wanhoop moeten horen dat een gedeelte van het lichaam van hun dierbare in verminkte, ontbonden staat uit een kanaal is opgedoken. Desondanks beschrijft de oudste zoon de dag waarop deze vondst werd gedaan als een van de gelukkigste van zijn leven en voelde de jongste zoon dankbaarheid om een deel van hun vader terug bij hen te mogen hebben. Het tekent de kwelling en radeloosheid die de nabestaanden hebben moeten doorstaan. De oudste zoon heeft ter zitting de indringende vraag gesteld: “Waarom?” Verdachte heeft echter ook richting de nabestaanden geen verantwoordelijkheid willen nemen voor wat hij heeft gedaan en die vraag niet beantwoord.

De persoon van de verdachte

Over verdachte is door onderzoekers van het Pieter Baan Centrum (PBC) een rapport uitgebracht. De rapporteurs stellen een persoonlijkheidsstoornis met narcistische en antisociale kenmerken vast en vermoeden daarnaast een verstandelijke beperking. Dit rapport komt hierna bij de bespreking van de vraag of er wel of niet TBS moet worden opgelegd verder aan de orde. Bij de vraag welke straf passend is, is van belang wat over het recidiverisico wordt overwogen. Mede nu er sprake is van een verleden met geweldsdelicten, is er volgens het rapport een verhoogd risico op zowel lichte als zwaardere geweldsfeiten aanwezig. Er zijn nagenoeg geen beschermende factoren te benoemen.

De rechtbank stelt verder vast dat verdachte geen openheid heeft gegeven en geen verantwoordelijkheid heeft genomen voor zijn daden. Voor zover hem dat vanwege het recht om te zwijgen niet kan worden aangerekend, geldt dat in ieder geval niet voor de leugenachtige en belastende verklaringen met ernstige verwijten naar anderen die hij met grootste gemak heeft afgelegd en waar hij net zo makkelijk weer op terug kwam. Tot en met de inhoudelijke behandeling van de strafzaak heeft hij nieuwe varianten over de gebeurtenissen, zijn betrokkenheid en de doodsoorzaak op tafel gelegd en met name de schuld op de medeverdachten afgeschoven. Daarnaast houdt de rechtbank ook rekening met de mate waarin, en ten koste van wat en wie, verdachte nadien heeft geprobeerd te ontkomen aan politie en justitie. Maandenlang heeft verdachte het redden van zijn eigen hachje gesteld boven het lichamelijke en geestelijke welzijn van de twee minderjarige zonen [medeverdachte 1] , die hij ook inzette om te zorgen dat de inmiddels in voorarrest zittende [medeverdachte 1] niets belastends over hemzelf naar voren zou brengen.

Tot slot stelt de rechtbank vast dat op het strafblad van verdachte meerdere oudere en recente veroordelingen staan wegens (ernstige) geweldsdelicten, waaronder een poging tot doodslag en meerdere mishandelingen in de huiselijke sfeer. Ook voor die veroordelingen geldt dat verdachte niet in staat is gebleken verantwoordelijkheid te nemen, maar dat hij ook daar de oorzaak en schuld bij anderen neerlegt.

Langdurige gevangenisstraf (feiten 1 en 2)

De rechtbank benadrukt dat zij bij de straftoemeting – op basis van wat zij bewezen acht – gebonden is aan enerzijds de wettelijke bepalingen en de strafmaxima en anderzijds aan wat rechtbanken en gerechtshoven in soortgelijke zaken opleggen. Zelfs als zo goed mogelijk rekening wordt gehouden met de in een zaak aanwezige bijzondere omstandigheden, zoals die ook hier spelen, kan in de ogen van de naasten van een slachtoffer en veel anderen in de samenleving met de strafoplegging nooit volledig recht worden gedaan. Het verlies van een dierbare door toedoen van een ander roept om vergelding en zo een verlies kan ook niet daadwerkelijk worden gecompenseerd door enige in het Wetboek van Strafrecht neergelegde straf.

Gekwalificeerde doodslag is een van de zwaarste delicten die het Nederlandse strafrecht kent. De wetgever heeft de buitengewone ernst van dit feit tot uitdrukking gebracht door daarop levenslange gevangenisstraf als strafmaximum te stellen, hetzelfde strafmaximum als voor moord. In de strekking van de bepaling ligt het ernstige morele verwijt dat het leven van een ander welbewust wordt opgeofferd uit zelfzucht.

Gelet op de aard en de ernst van het bewezenverklaarde is de rechtbank van oordeel dat een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van lange duur dient te worden opgelegd. De rechtbank is daarbij gehouden rekening te houden met de eendaadse samenloop tussen de gekwalificeerde doodslag en de wederrechtelijke vrijheidsberoving. Tot slot houdt de rechtbank ook rekening met het motief voor de mishandelingen. Uit het dossier komt naar voren dat het doel was om de bergplaats van het geld van [voornaam 1] [slachtoffer] en daarmee het geld te verkrijgen. Het was in beginsel niet de bedoeling om [voornaam 1] [slachtoffer] te doden. Dit alles afwegend en rekening houdend met wat in soortgelijke zaken is opgelegd, waarbij de rechtbank onder meer verwijst naar de uitspraak van het Gerechtshof ’s-Hertogenbosch (ECLI:NL:GHSHE:2021:972), acht de rechtbank voor de feiten 1 en 2 een gevangenisstraf van 15 jaren passend en geboden.

Strafmaximum op het onttrekken van een lijk aan nasporing (feit 3)

Op het ‘onttrekken van een lijk aan nasporing’ is in artikel 151 van het Wetboek van Strafrecht een maximale gevangenisstraf van 2 jaren gesteld. Dit artikel is gerubriceerd als misdrijf tegen de openbare orde. De wetgever beoogde met deze strafbaarstelling de betrouwbaarheid van de registers van de burgerlijke stand en “het behoud van lijken als bewijsmateriaal in strafzaken” te garanderen. Naar het oordeel van de rechtbank sluit het gestelde strafmaximum van 2 jaar met name aan bij eerstgenoemd praktisch, administratief belang. Mede afgezet tegen (de aard van) feiten waarvoor eenzelfde strafmaximum geldt, houdt de strafbedreiging weinig rekening met het oogmerk waarmee en de verwerpelijke wijze waarop daders van dit feit kunnen handelen, zoals in deze zaak, en met de gevolgen daarvan voor de rechten en gevoelens van de nabestaanden van de overledene. Voor de rechtbank staat dan ook buiten twijfel dat in deze zaak voor de overtreding van dit feit het maximum van 2 jaar gevangenisstraf moet worden opgelegd. De rechtbank vindt dat eigenlijk te kort gelet op de onmenselijke manier waarop het lichaam van [voornaam 1] [slachtoffer] is weggemaakt, maar is gebonden aan dit strafmaximum.

Conclusie gevangenisstraf

Opgeteld legt de rechtbank aan verdachte op een gevangenisstraf voor de duur van 17 jaren met aftrek van voorarrest.

De tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat verdachte in aanmerking komt voor deelname aan een penitentiair programma, als bedoeld in artikel 4 van de Penitentiaire beginselenwet of tot het moment dat de regeling van voorwaardelijke invrijheidstelling aan de orde is, als bedoeld in artikel 6:2:10 van het Wetboek van Strafvordering.

Wel of geen TBS?

Door de officieren van justitie is gevorderd dat naast deze straf aan verdachte de maatregel van Ter Beschikking Stelling (hierna: TBS) met dwangverpleging zal worden opgelegd. Op basis van de uitgebrachte rapporten, de feiten die kunnen worden bewezen verklaard en hetgeen over verdachte blijkt uit zijn documentatie en voornoemde rapporten, stellen de officieren van justitie dat is voldaan aan de wettelijke voorwaarden, te weten:

• Het aanwezig zijn van rapporten van twee gedragsdeskundigen van verschillende

disciplines, waaronder een psychiater, die verdachte onderzocht hebben;

• Het aanwezig zijn van een stoornis ten tijde van het begaan van het feit;

• Het begaan hebben van een feit waarop een gevangenisstraf van vier jaar of meer is

gesteld;

• De veiligheid van anderen dan wel de algemene veiligheid van personen of

goederen moet het opleggen van de maatregel vereisen.

Over de eerste voorwaarde stelt de rechtbank vast dat verdachte niet heeft willen meewerken aan het psychiatrisch en psychologisch onderzoek dat gedurende zijn verblijf in het Pieter Baan Centrum (PBC) had moeten plaatsvinden. Over de reden van die weigering is in het rapport van het PBC op pagina 43 door de gedragsdeskundigen gerapporteerd. Het rapport vermeldt daarop aansluitend:

“Zijn functioneren op de afdeling biedt ruim zicht op zijn mogelijkheden en beperkingen. De interacties tussen betrokkene en de psycholoog en psychiater leveren eveneens veel gedragskundige observatie op. Ook al is het milieuonderzoek onvolledig, toch wordt een duidelijke lijn in het moeizame maatschappelijk functioneren van betrokkene zichtbaar. In samenhang met het beeld van betrokkene tijdens zijn verblijf in het PBC is het, ondanks zijn weigering om mee te werken, toch mogelijk te komen tot de vaststelling dat er sprake is van ernstige psychopathologie.”

Daarmee is naar het oordeel van de rechtbank voldaan aan het vereiste gesteld in artikel 37 a lid 4, van het Wetboek van Strafrecht (Sr).

Uit de rapporten blijkt dat er sprake is van een stoornis. Deze wordt als volgt omschreven:

“De beschreven intrapsychische beperkingen en de beperkingen om een sociaal maatschappelijk acceptabel bestaan op te bouwen zijn van duurzame aard en passen bij een persoonlijkheidsstoornis met cluster B kenmerken, met name narcistische en antisociale kenmerken.”

Tevens wordt vermeld dat zijn functioneren zou kunnen passen bij dat van iemand met een licht verstandelijke beperking.

De verdediging heeft het verweer gevoerd dat ten onrechte op basis van de geweldsrecidive of op basis van het gedrag van verdachte tegenover justitiële autoriteiten gesteld wordt dat hij nog een keer betrokken zal raken bij een bizar feitencomplex als in deze zaak aan de orde is. Dat verweer miskent dat de rechtbank op grond van artikel 37 a lid 5 Sr behalve de inhoud van overige rapporten en de ernst van de feiten, ook de veelvuldigheid van voorafgaande veroordelingen wegens een misdrijf in aanmerking dient te nemen en dat daarin geen verdere beperking is neergelegd ten aanzien van de feiten waarvoor verdachte is veroordeeld. Volgens vaste jurisprudentie behoeft bovendien geen sprake te zijn van direct fysiek gevaar.

Over het recidiverisico bij verdachte wordt in het PBC rapport op pagina 47 - samengevat - geschreven dat op basis van het gestructureerd risicotaxatie-instrument HCR-20 V3 een verhoogd risico op gewelddadig gedrag wordt gezien bij verdachte. De voorgeschiedenis van verdachte (verdisconteerd in de historische factoren) draagt hier in belangrijke mate aan bij: eerder gepleegd geweld, problemen binnen relaties, problemen met middelengebruik en de geconstateerde persoonlijkheidsstoornis. Het actuele functioneren van verdachte (verdisconteerd in de klinische items) draagt eveneens bij aan een verhoogd risico op gewelddadig gedrag: beperkt zelfinzicht, instabiliteit en zijn houding ten aanzien van toezicht. Beschermende factoren zijn er nauwelijks. In deze taxatie zijn de justitiële documentatie van verdachte en de gemelde incidenten waarbij hij betrokken is geweest, meegewogen.

Tot slot stelt de rechtbank vast dat op twee van de bij verdachte bewezen verklaarde feiten een gevangenisstraf van 4 jaar of meer is gesteld. Deze feiten betreffen twee ernstige, samenvallende misdrijven, te weten een vrijheidsberoving van langere duur en een doodslag ten dienste van een poging geld van het slachtoffer te stelen. Het slachtoffer is daarbij in feite daadwerkelijk doodgeslagen door verdachte. De ernst van deze feiten, in samenhang met de geconstateerde stoornis en het vastgestelde recidiverisico, maakt naar het oordeel van de rechtbank dat de veiligheid van personen of goederen het opleggen van een TBS vereist.

Gelet op vorenstaande is aan alle voorwaarden voor het opleggen van een TBS voldaan.

De vraag is vervolgens of dit risico moet worden afgewend door een TBS met dwangverpleging of door een TBS met voorwaarden.

Naar het oordeel van de rechtbank kan een succesvolle behandeling in het kader van een TBS met voorwaarden alleen voldoende kans van slagen hebben, indien verdachte gemotiveerd is voor een behandeling. Dat aspect is, samen met het wel of niet bestaan van ziekte-inzicht, cruciaal voor de vraag binnen welk kader behandeling moet plaatsvinden.

Verdachte heeft zowel voor als tijdens de plaatsing in het PBC duidelijk aangegeven niet mee te willen werken. Verder toonde hij tijdens het verblijf in het PBC weinig tot geen bereidheid tot het geven van inzicht in zijn persoonlijk functioneren, terwijl zijn zelfinzicht en het vermogen tot reflectie als gering worden omschreven. Dit alles levert naar het oordeel van de rechtbank zodanige beperkingen op dat oplegging van een TBS met voorwaarden bij voorbaat gedoemd is te mislukken.

Vorenstaande leidt de rechtbank tot het oordeel dat een TBS met dwangverpleging noodzakelijk is voor de behandeling van de bij verdachte bestaande stoornis en het terugbrengen van het recidiverisico tot een aanvaardbaar niveau. Deze maatregel zal de rechtbank dan ook opleggen.

De rechtbank overweegt daarbij dat de TBS zal worden opgelegd ter zake van een misdrijf dat gericht is tegen of gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een of meer personen. De totale duur van de maatregel kan daarom een periode van vier jaar te boven gaan.

7 De benadeelde partij

Algemeen

Door alle benadeelde partijen zijn zowel vorderingen gedaan voortvloeiend uit materiële als uit immateriële schade.

De benadeelde partij [naam benadeelde] vordert, na aanpassing op zitting, een bedrag van € 156.136,66 wegens materiële schade en een bedrag van € 90.000,-- wegens immateriële schade.

De benadeelde partij [voornaam 4] [slachtoffer] vordert een bedrag van € 2.515,23 wegens materiële schade en een bedrag van € 57.500,-- wegens immateriële schade.

De benadeelde partij [voornaam 4] [slachtoffer] vordert een bedrag van € 1.623,75 wegens materiële schade en een bedrag van € 60.000,-- wegens immateriële schade.

Het materiële deel is gespecificeerd in de voorafgaand aan de zitting aan alle procesdeelnemers overgelegde bescheiden. Dit deel is (grotendeels) gestaafd door nota’s en, voor zover het de inkomensderving voor [naam benadeelde] betreft, door een rapportage van Laumen Expertise.

Het bedrag aan immateriële schade is, ten aanzien van de shockschade, die door alle benadeelde partijen wordt gevorderd, gebaseerd op een aantal door de raadsvrouw ter vergelijking genoemde uitspraken. Dit zijn zaken die overeenkomen met de onderhavige casus qua omvang en ernst van met name psychische gevolgen die het slachtoffer aan de gebeurtenissen heeft overgehouden. De schade die door [naam benadeelde] namens [voornaam 1] [slachtoffer] wordt gevorderd, is gebaseerd op het uitgangspunt dat hij door de mishandeling schade heeft geleden, terwijl het feit dat hij zijn vordering door zijn dood niet kenbaar heeft kunnen maken, aan verdachte is toe te rekenen. De affectieschade ten slotte, die eveneens door alle benadeelde partijen wordt gevorderd, is gebaseerd op de normbedragen van de Wet affectieschade.

De officieren van justitie hebben voor een klein deel van de vordering ter zake materiële schade gesteld dat deze slechts ten dele toewijsbaar is. Het betreft bij [naam benadeelde] de posten “kosten opname ziekenhuis en psychiater”, “schade aan de woning” en de proceskosten. De niet toewijsbare delen dienen niet-ontvankelijk te worden verklaard. Bij de post “verlies aan inkomen” hebben de officieren van justitie naar voren gebracht dat geen rekening is gehouden met onvoorziene gebeurtenissen in het leven van [naam benadeelde] . Deze standpunten zullen bij de beoordeling worden betrokken.

De gevorderde shockschade en de affectieschade zijn, aldus de officieren van justitie, bij alle benadeelde partijen voor toewijzing vatbaar, maar de namens het slachtoffer gevorderde schade ad € 30.000,-- is onvoldoende onderbouwd en dient niet-ontvankelijk te worden verklaard.

[naam benadeelde]

De verdediging heeft tegen diverse delen van de vordering materiële schade van [naam benadeelde] verweer gevoerd en daarvan de niet-ontvankelijkheid bepleit. Het bij elk onderdeel van de vordering gevoerde verweer zal hierna in de beoordeling van de vordering worden betrokken.

Van de immateriële schade is de shockschade volgens de verdediging niet toewijsbaar omdat aan het confrontatievereiste niet is voldaan en omdat, als daaraan wel zou zijn voldaan, er geen causaal verband is tussen de psychische problematiek bij benadeelde en het misdrijf. De namens het slachtoffer gevorderde schade ad € 30.000,-- is op grond van de wet niet toewijsbaar. Van de affectieschade is slechts € 15.000,-- toewijsbaar omdat het huwelijk, aldus de verdediging, niet meer was wat het geweest is en het slachtoffer een relatie had met een andere vrouw (een van de verdachten).

De materiële schade

Verlies aan inkomen

Deze post omvat een bedrag van € 127.617, is geheel gebaseerd op het door Laumen expertise opgestelde rapport en is als volgt gespecificeerd:

Verschenen behoeftigheid: € 33,224,--

Toekomstige behoeftigheid: € 93.121,--

Fiscale component: € 1.275,--

In deze bedragen zijn ook de kosten voor huishoudelijke hulp en zelfwerkzaamheid opgenomen. Als peildatum voor de kapitalisatie van de schade is in het rapport de te verwachten datum genomen van ontvangst van de bedragen, zijnde 1 januari 2022.

De verdediging heeft bepleit dat deze post in haar geheel niet-ontvankelijk wordt verklaard, waarbij een groot aantal uitgangspunten wordt betwist. Gesteld wordt dat van een onjuist netto inkomen na overlijden wordt uitgegaan. Daarnaast moet getwijfeld worden aan de gegevens gehanteerd voor de pensioendatum en aan de voor [naam benadeelde] gehanteerde inkomens gegevens. Tot slot is geen rekening gehouden met bepaalde toekomstverwachtingen en dat onjuiste uitgangspunten zijn gehanteerd voor de kosten verbonden aan huishoudelijke hulp en zelfwerkzaamheid.

Het feit dat veel bedenkingen worden opgeworpen, maakt op zich niet dat daarom de zaak te ingewikkeld is en niet-ontvankelijk verklaard moet worden. Dat zou het te makkelijk maken om op niet-ontvankelijkheid aan te sturen. Door de verdediging zijn gegevens gebruikt uit het rapport om de onjuistheid van andere gegevens in het rapport aan te tonen. Die gebruikte gegevens worden blijkbaar als juist gezien en hadden daarmee de basis kunnen zijn voor een zelf op te maken berekening. Het rapport biedt ook aanknopingspunten voor een eigen berekening. Dat heeft de verdediging ten onrechte nagelaten. Van de rechtbank mag bovendien in een zaak als deze grotere terughoudendheid worden verwacht dan gemiddeld bij de vraag of niet-ontvankelijk verklaring moet volgen. Door de advocaat van de benadeelde partijen is terecht benadrukt welk belang zij hebben bij een vordering in dit geding, waar vergoeding van de schade via de voorschotregeling te verwachten is. Dit in plaats van verhaal via de civiele rechter waar uiteindelijk verhaal op de verdachten niet mogelijk zal blijken te zijn. Bovendien is de inbreuk van de onrechtmatige daad bij een levensdelict, en daarmee de schade, groter dan bij een gemiddelde strafzaak.

Het rapport van Laumen biedt voor de rechtbank voldoende aanknopingspunten om de omvang van de geleden schade, al dan niet schattenderwijs, vast te stellen en zij doet dat als volgt.

De rechtbank kan in het rapport van Laumen niet de afzonderlijke gekapitaliseerde bedragen ontdekken voor de posten verlies aan inkomen, huishoudelijke hulp en zelfwerkzaamheid.

De basisgegevens voor de berekening van de post huishoudelijke hulp en de zelfwerkzaamheid zijn te vinden op pagina 17. De geboortedatum van [voornaam 1] [slachtoffer] ( [geboortedatum] , de leeftijd ten tijde van het overlijden (56 jaar) en de pensioendatum ( [datum] zijn te vinden op pagina’s 3 en 4. Uitgaande van de aan deze onderdelen ten grondslag gelegde leeftijdsgrens van 75 jaar, berekent de rechtbank vanaf midden 2019 tot en met oktober 2037, afgerond naar halve en driekwart jaren, zonder kapitalisatie, de navolgende totalen voor deze posten :

Zelfwerkzaamheid: (1,5 x 1.975) + (16 x 2.123) + (0,75 x 1.769) = € 38.257,25

Huishoudelijk hulp: (1,5 x 4.344) + (16 x 4.380) + (0,75 x 3.900) = € 79.521 x 50% = € 39.760,50

Totaal derhalve € 78.017,75 niet gekapitaliseerd.

Deze berekening geeft bij benadering aan welke cijfers door de rechtbank ter vergelijking kunnen worden betrokken bij een begroting van de schade voor deze posten.

Zelfwerkzaamheid en huishoudelijke hulp

De post zelfwerkzaamheid aan de eigen woning en de verhuurde woning kan naar het oordeel van de rechtbank niet op goede gronden worden betwist. [voornaam 1] [slachtoffer] was loodgieter en daarom meer dan gemiddeld in staat om niet alleen veel voorkomende klussen in en rond het huis te doen, maar ook meer bijzondere zoals bijvoorbeeld vervangen van dakbedekking en leggen van leidingen. Uit de verklaringen [medeverdachte 1] blijkt ook hoe actief hij bij haar was met onder andere het tuinonderhoud. Het enkele verweer dat niet uit te sluiten is dat [voornaam 1] [slachtoffer] zijn werkzaamheden betalend liet verrichten, dan wel dat de huurder van de woning bepaald onderhoud deed, is in dat licht bezien, onvoldoende. De door Laumen bij deze post gehanteerde bedragen zullen dan ook door de rechtbank tot uitgangspunt worden genomen. Evenals, bij gebreke van betwisting, het daarbij gehanteerde aantal jaren waarover vergoeding wordt gevorderd.

Bij de post huishoudelijke hulp wordt in het rapport van Laumen aangesloten bij

uitgangspunten die lijken te zijn opgesteld voor zorgbijstand of mantelzorg. Daarvan is hier geen sprake. Van de gehanteerde bedragen kan dan ook naar het oordeel van de rechtbank niet worden uitgegaan. Het uitgangspunt dat [voornaam 1] [slachtoffer] voor 50 % zou deelnemen in het huishouden, is niet onderbouwd en dan ook terecht namens de verdachte betwist. De rechtbank stelt vast dat [voornaam 1] [slachtoffer] veel meer werkte dan zijn vrouw en dat hij veel minder thuis was dan zij. De rechtbank acht het redelijk om het aandeel van [slachtoffer] in het huishouden te schatten op 25%. Dat percentage past beter bij de werkzaamheden in het kader van zijn beroep, zijn werk als zelfstandige en de omvang van de zelfwerkzaamheid.

Wanneer de rechtbank schattenderwijs er van uit gaat dat bij een volledige hulp in de huishouding, bijstand voor 6 uur per week nodig is, tegen een thans zeker gebruikelijk (wit) uurtarief van € 15,-- per uur, kan de bijdrage van [voornaam 1] [slachtoffer] per jaar worden gesteld op € 1.170,--. Uitgaande van het hiervoor genoemde aantal, niet betwiste, jaren tot aan 75 jaar, bedraagt de schade niet gekapitaliseerd € 21.352,50

Bij de kapitalisatie van voornoemde twee bedragen, gaat de rechtbank uit van een gemiddelde kapitalisatierente van 1,00 % over alle jaren, een bedrag per jaar voor huishoudelijke hulp van € 1.170,-- en een gemiddeld bedrag per jaar van € 2.096,-- voor zelfwerkzaamheid. De rechtbank zal daarbij de rekentabel hanteren die wordt gebruikt om vast te stellen welk totaalbedrag nodig is om bij een rente van 1% gedurende het hiervoor genoemde aantal jaren de jaarbedragen aan inkomen te ontvangen. De kapitalisatie factor behorende bij de het aantal in de berekening te betrekken aantal jaren van 18 ¼ stelt de rechtbank afgerond op 16.6. Als datum voor de kapitalisatie neemt de rechtbank daarbij de dag van overlijden, op welke dag de schade is geleden. Op basis daarvan kapitaliseert de rechtbank de geschatte bedragen afgerond als volgt:

Zelfwerkzaamheid : € 34.794

Huishoudelijke hulp: € 19.422,--

Overige inkomensschade

Voor de overige inkomensschade staat naar het oordeel van de rechtbank vast dat er tenminste een schade is geleden die bestaat uit het inkomen dat [slachtoffer] zou hebben verdiend tot aan zijn pensioen (31 oktober 2029) minus het pensioen dat [naam benadeelde] tot aan die datum heeft ontvangen en zal ontvangen. Het pensioen voor [naam benadeelde] bedraagt met ingang van 2020 € 15.918,-- bruto / 13.265,-- netto (pagina 15 van het rapport). Het gaat daarbij om standaardbedragen, vergelijkbaar met het nabestaandenpensioen in Nederland en van de juistheid van die bedragen gaat de rechtbank uit.

Het rapport van Laumen gaat uit van een netto inkomen van [voornaam 1] [slachtoffer] over 2018 van € 16.747,-- en is terug te vinden op pagina 10 van het rapport. In tegenstelling tot de verdediging ziet de rechtbank in het rapport op basis van de overgelegde bijlagen geen reden om aan dat bedrag te twijfelen.

Uitgaande van deze twee netto bedragen is er over 2019 een schade geleden van € 8.373,50 (€ 16.747,-- x 0,5) en met ingang van 2020 per jaar een schade van netto € 3.482,00. Deze laatste schade zal in ieder geval gedurende bijna tien jaar worden geleden. Getotaliseerd levert dat een bedrag op van € 43.193,50. De rechtbank dient echter rekening te houden met weggevallen uitgaven en met het gegeven dat het bij de vaststelling van de schade moet gaan om een gekapitaliseerd bedrag. Dat alles kan de rechtbank slechts schattenderwijs in de beoordeling betrekken. Daarvan uitgaande schat de rechtbank deze schade op € 35.000,--. Dat bedrag is toewijsbaar. De door de verdediging geopperde mogelijkheden dat [naam benadeelde] mogelijk een nieuwe partner zou vinden of dat het huwelijk geen stand zou houden, zijn naar het oordeel van de rechtbank te ongewis en niet in te schatten en kunnen daarom geen rol spelen bij de vaststelling van de schade.

Controle of berekening van het deel van de inkomensschade die dit bedrag te boven gaat, is te ingewikkeld en vormt een onevenredige belasting van het strafproces en zal daarom niet ontvankelijk worden verklaard.

Totaal verlies aan inkomen

Op grond van vorenstaande wordt het verlies aan inkomen door de rechtbank vastgesteld op een totaal van € 89.216,-- (€ 34.794,-- + € 19.422,-- + € 35.000,--) . Het overige gedeelte van deze post, groot € 33.642,-- zal niet ontvankelijk worden verklaard.

Kosten samenhangend met de begrafenis.

Het totaal van deze post bedraagt € 7.981,41 (bloemen € 250,-- + begrafenis € 5.270.36 + koffietafel € 2.461,05). Deze kosten zijn niet betwist en komen de rechtbank ook niet onmatig voor. Dit bedrag zal dan ook worden toegewezen.

Kosten medicatie ad € 137,52

Eigen bijdrage ziekenhuis en psychiater ad € 1.247,85

Eigen bijdrage psycholoog ad € 280,--

Bij deze posten stelt de rechtbank voorop dat er een aantal factoren zijn die naar het oordeel van de rechtbank zonder de minste twijfel een sterk negatieve invloed hebben op de psychische gesteldheid van de achterblijvende leden van het gezin van [voornaam 1] [slachtoffer] . Dat begint met de onzekerheid over wat er met [voornaam 1] [slachtoffer] is gebeurd nadat hij niet was thuisgekomen. Daarna volgde de mededeling dat hij dood is en vervolgens zijn zij geconfronteerd met de wijze waarop hij om het leven is gebracht en hoe daarna met zijn lichaam is omgegaan. De sterk negatieve invloed hiervan is voor de rechtbank lijdend bij de beoordeling van de schadeposten waarbij psychische klachten als oorzaak worden aangevoerd. Het is in zo’n geval aan de verdediging om met goede argumenten te komen waarom bepaalde posten niet toerekenbaar zouden zijn en niet alleen met veronderstellingen.

Over de afzonderlijke posten oordeelt de rechtbank als volgt.

Bij de eerste post (kosten medicatie) staat bij het hiervoor weergegeven uitgangspunt naar het oordeel van de rechtbank voldoende vast dat er een oorzakelijk verband is met de dood van [voornaam 1] [slachtoffer] . De overgelegde nota’s dienen niet, zoals de verdediging doet, op zich te worden bezien, maar in samenhang met bij andere posten in het geding gebrachte bescheiden. waaruit van het bestaan van psychische problematiek bij [naam benadeelde] blijkt. Die problematiek vindt zijn oorzaak in het overlijden van [voornaam 1] [slachtoffer] dan wel is daardoor versterkt.

Met betrekking tot de tweede en derde post (eigen bijdrages) geldt het volgende.

In bijlage 13 wordt vermeld dat er hulp is gezocht naar aanleiding van een traumatische gebeurtenis en dat het traject is voortgezet bij een psychiater. Uit de overgelegde bescheiden afkomstig van het Sint-Maarten ziekenhuis blijkt dat de opname plaats vond op de afdeling psychiatrie en dat een psychiater bij de behandeling is betrokken. In de bescheiden bij bijlage 13 van de dienst psychiatrie wordt als trauma genoemd de verdwijning van de echtgenoot, waarbij de mogelijkheid dat hij is overleden reëel wordt genoemd. De daarna volgende behandeling bij de psycholoog vormde een vervolg op de behandeling op de afdeling psychiatrie. Daarmee staat naar het oordeel van de rechtbank het oorzakelijk verband tussen deze schadeposten en de gebeurtenissen rond [voornaam 1] [slachtoffer] vast. Als er al een andere oorzaak mede een rol heeft gespeeld, zoals door de verdediging opgeworpen, dan hebben de gebeurtenissen rond de verdwijning en de dood van [voornaam 1] [slachtoffer] de psychische gevolgen van die andere oorzaak ongetwijfeld versterkt en doet die andere oorzaak daarmee niet af aan het oorzakelijk verband.

Schade woning ad € 253,25

Het onderdeel ad € 145,34 betrekking hebbend op de herstelwerkzaamheden aan de radiator is niet betwist en komt de rechtbank, gelet op de verklaringen van verdachten over het bezoek aan de woning, ook niet ongegrond voor. Voor de lekkende buitenkraan en afsluitkraan ziet de rechtbank met de verdediging geen verband met het bezoek door verdachten aan de woning. Het bedrag van € 145,34 zal worden toegewezen, het overige is niet-ontvankelijk.

Vervanging sloten woning ad € 471,70

Beveiliging tuinhuis ad € 34,49

Kosten alarminstallatie ad € 2.112,53

Deze kosten staan naar het oordeel van de rechtbank in voldoende oorzakelijk verband met het feit dat een van de verdachten op 3 juni 2019 in de woning is geweest op zoek naar geld en later ook in het tuinhuis is geweest. Dat dit was gebeurd en wat daarbij was voorgevallen, werd aan [naam benadeelde] pas op latere momenten bekend. Bij haar kon terecht de vrees bestaan dat anderen op zoek zouden gaan naar het geld dat eerder niet was gevonden. Of dat nou verdachten waren of anderen die mogelijk zouden kunnen gaan zoeken, is daarbij niet relevant. Evenmin dat deze kosten blijkbaar door zoon [voornaam 5] zijn voorgeschoten. Dat in zo’n situatie niet alleen het huis, maar ook het tuinhuis wordt beveiligd, acht de rechtbank begrijpelijk en niet onredelijk. De bij deze posten gevoerde verweren worden daarom verworpen. De gevorderde kosten zullen worden toegewezen.

Waardeverlies Peugeot Boxer ad € 10.000,--

Als niet weersproken staat vast dat de Peugeot twee jaar voor het overlijden is aangeschaft voor € 23.777,08 met een krediet van € 8.000,--. Voor de onderbouwing dat de marktwaarde € 18.000,-- zou zijn, is geen document overgelegd, wat toch op eenvoudige wijze had gekund. Openbaar toegankelijke bronnen zoals het internet geven te weinig aanknopingspunten voor de rechtbank om die waarde objectief vast te stellen. Dat er schade is geleden, is naar het oordeel van de rechtbank echter buiten twijfel. De rechtbank zal daarom de schade schatten.

In het algemeen verliezen auto’s de eerste jaren het meest aan waarde. Voor de eerste twee jaar stelt de rechtbank de waardevermindering schattenderwijs op 30 %. De waarde was toen dus € 16.650,-- De waarde na ongeveer vier jaar schat de rechtbank op ongeveer de helft van de aanschafwaarde ofwel € 11.900,--. De schade die is geleden bedraagt daarmee
€ 4.750,--

Voor vergoeding van de gehele waarde van de Peugeot op moment van overlijden is geen plaats. Met het oog op wat de rechtbank eerder over deze bus in het kader van de strafbare feiten heeft overwogen, is voorstelbaar dat de nabestaanden geen behoefte hebben om deze bus in ontvangst te nemen. Er is echter wettelijk gezien geen grond om over de auto anders te beslissen dan dat die aan de rechthebbende moet worden teruggegeven.

Schade verlies materialen in de werkbus ad € 4.200,--

Deze kosten zijn niet of niet voldoende betwist en komen de rechtbank ook niet onmatig voor. Dit bedrag zal dan ook worden toegewezen.

Reiskosten ad € 997,58

Op grond van heersende jurisprudentie (zie ECLI:NL:GHARL:2020:10689) dient bij de beoordeling van deze posten dezelfde maatstaf te worden gehanteerd als in het civiele recht. Zo al, gelet op het verschil in aard van en de betrokkenheid van slachtoffers bij een strafrechtelijke procedure ten opzichte van een civiele procedure, er reden zou kunnen zijn om daar anders over te denken, dan is het aan de wetgever voorbehouden om dat aan te passen en niet aan de rechtbank.

Toewijsbaar zijn alleen reis-, verlet en verblijfkosten voor het bijwonen van de zitting van de partij die aanspraak heeft op proceskostenvergoeding indien in persoon mag worden geprocedeerd en ook daadwerkelijk in persoon is geprocedeerd. Voor andere reis-, verblijfs- of verletkosten – zoals voor het bezoeken van leden van het openbaar ministerie of de advocaat – kent de civiele proceskostenregeling geen vergoeding.

Op grond hiervan komen alleen de kosten verband houdend met de zittingen die hebben plaats gevonden tot aan het moment dat mr. Verpaalen als advocaat ging optreden (10 juli 2020), voor vergoeding in aanmerking. Voor [naam benadeelde] valt daar alleen de zitting van 20 januari 2020 onder. Daarvoor is aan reiskosten een bedrag van € 59,97 toewijsbaar. Het gevorderde verlies aan inkomen wegens het bijwonen van zittingen ziet bij haar enkel op zittingen na 10 juli 2020. Deze kosten zullen dan ook worden afgewezen.

Verlies inkomen wegens bijwonen zittingen ad € 747,26

Voor deze post geldt eveneens wat hier voor bij de reiskosten is overwogen. Daar geen schade is gevorderd voor de zitting van 20 januari 2020, kan geen van de gevorderde posten worden toegewezen.

Vergoeding proceskosten ad € 3.109,48

Voor zover in deze post reiskosten en parkeerkosten zijn opgenomen, is daarop van toepassing wat hiervoor is overwogen en is daar al aangeven wat van deze gevorderd kon worden en wat zal worden toegewezen. Het daarop betrekking hebbende bedrag ad € 689,48 wordt hier dan ook afgewezen.

De kosten van Laumen Expertise betrekking hebbend op de voorbereiding van de vordering voorafgaand aan de behandeling ter zitting ad € 1.815,-- zijn niet betwist en komen de rechtbank ook niet ongegrond of onmatig voor. Dat bedrag zal worden toegewezen.

Dat geldt niet voor de kosten in verband met de aanwezigheid ter zitting. Terecht is door de verdediging gesteld dat het geen kosten betreft ter vaststelling van schade of aansprakelijkheid. Laumen was ter zitting aanwezig als vraagbaak voor mr. Verpaalen.

Aan mr. Verpaalen komt op grond van artikel 361 lid 6 Sv als vergoeding voor de verleende rechtsbijstand een bedrag toe, vast te stellen op basis van het bij procedures over vorderingen als de onderhavige geldende liquidatietarief. De rechtbank zal aldus een bedrag van € 9.964,-- toekennen (twee punten voor het pleidooi en twee punten voor de aanwezigheid ter zitting, uitgaande van het tarief met betrekking tot zaken van een geldwaarde van € 195.000,= tot € 390.000,= (tarief VI, per punt een bedrag van € 2.491,--).

Samenvattend oordeel materiële schade

Op grond van vorenstaande zullen van het door [naam benadeelde] gevorderde bedrag van

€ 156.136,66 de volgende bedragen worden toegewezen:

Inkomensderving € 89.216,--

Kosten samenhangend met de begrafenis. € 7.981,41

Kosten medicatie € 137,52

Eigen bijdrage ziekenhuis en psychiater € 1.247,85

Eigen bijdrage psycholoog € 280,--

Schade woning € 145,34

Vervanging sloten woning € 471,70

Beveiliging tuinhuis € 34,49

Kosten Alarminstallatie € 2.112,53

Waardeverlies Peugeot Boxer € 4.750,--

Schade verlies materialen in de werkbus € 4.200,--

Reiskosten € 59,97

Verlies inkomen wegens bijwonen zittingen - 0,00

Vergoeding proceskosten € 11.779,--

-----------------

TOTAAL € 122.415,81

De immateriële schade

Shockschade ad € 40.000,--

In het basisarrest van de Hoge Raad over shockschade is overwogen:

“Indien iemand door overtreding van een veiligheids- of verkeersnorm een ernstig ongeval veroorzaakt, handelt hij in een geval als hier bedoeld niet alleen onrechtmatig jegens degene die dientengevolge is gedood of gekwetst, maar ook jegens degene bij wie door het waarnemen van het ongeval of door de directe confrontatie met de ernstige gevolgen ervan, een hevige emotionele schok wordt teweeggebracht, waaruit geestelijk letsel voortvloeit, hetgeen zich met name zal kunnen voordoen indien iemand tot wie de aldus getroffene in een nauwe affectieve relatie staat, bij het ongeval is gedood of gewond. De daardoor ontstane immateriële schade komt op grond van het bepaalde in art. 6:106 lid 1, aanhef en onder b, BW voor vergoeding in aanmerking.”

Deze uitspraak stelt als eerste vereiste de eis van directe confrontatie. Vereisten als “onverhoeds”, “korte tijd na het gebeuren” of enige andere beperking vallen daarin niet te lezen.

De nabestaanden van [voornaam 1] [slachtoffer] zijn op diverse momenten geconfronteerd met hetgeen [voornaam 1] [slachtoffer] bij leven heeft moeten ondergaan dan wel op welke wijze er door verdachten na diens dood met zijn lichaam is omgegaan. Als eerste het moment dat uit bloedsporen aangetroffen in de bus de conclusie werd getrokken van zijn overlijden. Daarna in januari 2020 het vinden van de speciekuip en vervolgens in maart 2020 het vinden van de kettingzaag. Deze feiten en omstandigheden moeten bij de nabestaanden psychisch al een diepe impact hebben gehad, denkend aan wat met [voornaam 1] [slachtoffer] gebeurd zou kunnen zijn. Een impact die alleen maar groter moet zijn geworden bij de directe confrontatie met de foto’s waarop delen van het lichaam van [voornaam 1] [slachtoffer] , losgemaakt uit het beton, waren te zien. Daarmee werd de volle omvang van de vergaande en respectloze schending van de integriteit van het lichaam van [voornaam 1] [slachtoffer] duidelijk. De foto’s zijn zodanig dat die bij een gemiddeld mens al weerzin oproepen. De impact bij de nabestaanden en het verdriet dat daarbij ontstaat, kunnen alleen maar vele malen groter zijn. Tot slot zijn die paar verminkte resten kort voor de inhoudelijke behandeling daadwerkelijk aan hen gegeven om alsnog op een passende manier afscheid van hun echtgenoot/vader te kunnen nemen. Deze confrontaties voldoen naar het oordeel van de rechtbank aan het door de Hoge Raad geformuleerde uitgangspunt van directe confrontatie met de ernstige gevolgen van de gebeurtenissen.

Als tweede wordt door de Hoge Raad een eis gesteld aan het psychisch lijden. Eerst geformuleerd als het bestaan van een in de psychiatrie erkend ziektebeeld, maar later genuanceerd met de aanvulling:

“Ook als geestelijk letsel niet kan worden aangenomen, is niet uitgesloten dat de aard en ernst van de normschending en van de gevolgen daarvan voor de benadeelde partij meebrengen dat van aantasting in zijn persoon ‘op andere wijze’ sprake is.”

Uit de overgelegde stukken, die deels hiervoor al ter sprake zijn gekomen, blijkt naar het oordeel van de rechtbank voor [naam benadeelde] duidelijk en overtuigend dat voldaan is aan de eis die de Hoge Raad stelt.

Er is bij haar PTSS (PostTraumatische StressStoornis) vastgesteld, wat een psychiatrisch ziektebeeld is, en zij is gedurende een aantal weken behandeld op de afdeling psychiatrie van het Sint Maarten Ziekenhuis, waarna nog verdere behandelingen hebben plaats gevonden bij een psycholoog. Ook de inhoud van haar verklaring ter zitting in het kader van het spreekrecht, laat de gevolgen voor haar duidelijk zien. Spanning en stress en lichamelijke klachten als gevolg van de onzekerheid over wat er met haar man was gebeurd. Behandeling in het ziekenhuis en het bezeten zoeken naar wat er met [voornaam 1] [slachtoffer] gebeurd zou kunnen zijn, eindigend met de klap dat slechts een deel van zijn lichaam was terug gevonden.

Deze verklaring bevestigt naar het oordeel van de rechtbank wat uit voornoemde stukken omtrent het psychiatrisch ziektebeeld naar voren komt.

Dat deze psychische klachten niet in direct causaal verband zouden staan met het misdrijf, zoals door de verdediging is betoogd, wordt daardoor weerlegd.

De hoogte van de vordering op zich is door de verdediging niet betwist. Het gevorderde bedrag is gezien de impact van alle elkaar opvolgende gebeurtenissen, echter niet onmatig. Het gevorderde bedrag zal daarom worden toegewezen.

Immateriële schadevergoeding [voornaam 1] [slachtoffer] ad € 30.000,--

Deze post betreft een vergoeding van het leed dat [voornaam 1] [slachtoffer] bij leven heeft ondergaan. Gelet op de mishandelingen die [voornaam 1] [slachtoffer] op meerdere momenten en soms gedurende langere tijd heeft moeten ondergaan, is er bij de rechtbank niet de geringste twijfel dat die psychisch leed bij hem moeten hebben veroorzaakt. Daarin kan echter alleen grond liggen voor toewijzing wanneer is voldaan aan de voorwaarden die de wet stelt. Artikel 6:95 van het Burgerlijk Wetboek, zoals dat van toepassing was op het moment van overlijden van [voornaam 1] [slachtoffer] , bepaalt in lid 2:

“Het recht op een vergoeding voor nadeel dat niet in vermogensschade bestaat, is niet vatbaar voor beslag. Voor overgang onder algemene titel is voldoende dat de gerechtigde aan de wederpartij heeft medegedeeld op de vergoeding aanspraak te maken.”

Een dergelijke mededeling is door [voornaam 1] [slachtoffer] niet gedaan. De rechtbank realiseert zich dat dat ook niet verwacht kon worden, maar de wet kent op dit punt geen uitzondering. Redelijkheid en billijkheid alleen kunnen geen grond zijn om in afwijking hiervan toch tot toewijzing over te gaan. Deze verzochte vergoeding zal dan ook worden afgewezen.

Affectieschade ad € 20.000,--

Het recht op een vergoeding wegens affectieschade is door de verdediging niet betwist. Wel de hoogte op grond van de stelling dat het huwelijk niet meer was wat het geweest was. Blijkbaar betekent dit voor de verdediging dat het verdriet als gevolg van de gebeurtenissen en de dood daardoor minder wordt. Hetgeen gesteld wordt, is onvoldoende om dat aan te nemen en het dossier biedt daarvoor ook geen aanknopingspunt. De door [naam benadeelde] afgelegde verklaring in het kader van het spreekrecht, laat ook zien dat daarvan geen sprake was. De rechtbank verwerpt het verweer. Het gevorderde bedrag ad € 20.000,-- zal worden toegewezen.

Samenvattend oordeel immateriële schade

Op grond van vorenstaande zal aan [naam benadeelde] voor immateriële schade een bedrag van

€ 60.000,-- worden toegewezen.

[voornamen] [slachtoffer]

De verdediging heeft bij deze benadeelde partijen bepleit dat van de materiele schade bij [voornaam 6] respectievelijk [voornamen] alleen de verletkosten ad € 121,61 respectievelijk € 129,90 kunnen worden toegewezen. De shockschade komt volgens de verdediging niet voor vergoeding in aanmerking omdat aan het confrontatievereiste niet is voldaan. In geval van toewijzing zou slechts de helft redelijk zijn gezien de wijze van confrontatie door foto’s. De affectieschade voor [voornaam 7] is toewijsbaar, maar voor [voornamen] zou op grond van de wet affectieschade alleen een bedrag van € 15.000,-- toewijsbaar zijn.

De materiële schade

Verlies aan inkomen [voornaam 6] ad € 2.515,23

Verlies aan inkomen [voornaam 7] ad € 1.623,75

Deze posten omvat het gederfde inkomen terzake opgenomen verlof in verband met aanwezigheid bij rechtbank, politie of advocaat. Op grond van dezelfde overweging als hiervoor weergeven bij [naam benadeelde] zijn alleen de kosten verbonden aan het bijwonen van de zittingen voor 10 juli 2020 toewijsbaar. Dit betreft een bedrag van € 121,61 voor Neil en een bedrag van € 129,90 voor [voornaam 7] .

De immateriële schade

Shockschade ad € 40.000,--

De rechtbank verwijst bij deze post naar al hetgeen hiervoor bij [naam benadeelde] omtrent shockschade is overwogen. Op grond daarvan is naar het oordeel van de rechtbank aan het confrontatievereiste voldaan.

Vervolgens geldt dat bij zowel [voornaam 7] als [voornaam 6] PTSS is vastgesteld. De inhoud van hun verklaringen ter zitting in het kader van het spreekrecht, laat daarnaast de gevolgen voor hen duidelijk zien. [voornaam 6] beschrijft de onzekerheid na het niet thuis komen van zijn vader, het langzaam binnendringende besef dat hij zijn vader niet meer zou zien, de elkaar opvolgende bevindingen uit het onderzoek, de professionele hulp die hij zocht en het pas na twee jaar afscheid kunnen nemen van zijn vader. [voornaam 6] beschrijft het wachten, de zelfverwijten die hij zich maakte, het verdringen van zijn eigen gedachtes in zijn rol naar derden toe als vervangend hoofd van het gezin en het blokkeren van zijn gevoelens daarbij en ten slotte het zien van de foto’s waarin hij een vorm van afsluiting kon vinden.

Deze verklaringen zijn naar het oordeel van de rechtbank een ondersteuning van het door de huisarts geconstateerde ziektebeeld. Op grond hiervan is ook aan de eis van het bestaan van een psychiatrisch ziektebeeld voldaan.

De verdediging werpt op dat de schade, indien toewijsbaar, gehalveerd zou moeten worden, omdat de confrontatie heeft plaatsgevonden via foto’s. Dat verweer miskent dat bij de beoordeling van de shockschade het in dit geval niet alleen gaat om de confrontatie met de foto’s. De rechtbank verwijst naar hetgeen daarover bij de bespreking van de vordering van [naam benadeelde] is overwogen. Er is dan ook naar het oordeel van de rechtbank geen reden tot toewijzing van een lager dan het gevorderde bedrag. Het bedrag van € 40.000,-- zal bij elk worden toegewezen.

Affectieschade ad € 20.000,-- / € 17.500,--

De hoogte van de door [voornaam 6] en [voornaam 6] gevorderde bedragen van respectievelijk € 20.000,-- en € 17.500,-- zijn gebaseerd op de uitgangspunten geldend bij de Wet affectieschade. Deze bedragen zullen worden toegewezen.

Samenvattend oordeel immateriële schade

Aan [voornaam 6] zal een bedrag van € 60.000,-- aan immateriële schade worden toegewezen en aan [voornaam 6] een bedrag van € 57.500,--

Conclusie vorderingen benadeelde partijen :

Aan [naam benadeelde] worden de volgende bedragen toegewezen:

- materiële schadevergoeding: € 122.415,81

- shockschadevergoeding (immateriële schade): € 40.000,--

- affectieschadevergoeding (immateriële schade): € 20.000,--

Aan [initialen] . [slachtoffer] worden de volgende bedragen toegewezen:

- materiële schadevergoeding: € 121,61

- shockschadevergoeding (immateriële schade): € 40.000,--

- affectieschadevergoeding (immateriële schade): € 17.500,--

Aan [initialen] . [slachtoffer] worden de volgende bedragen toegewezen:

-materiële schadevergoeding € 129,90

-shockschadevergoeding (immateriële schade): € 40.000,--

-affectieschadevergoeding (immateriële schade): € 20.000,--

Voor het deel van de vorderingen waarin de benadeelde partijen niet-ontvankelijk worden verklaard, geldt dat zij deze desgewenst bij de burgerlijke rechter kunnen aanbrengen.

Wettelijke rente

De wettelijke rente over het inkomensverlies en over de immateriële schade zal worden toegewezen vanaf de dag waarop [voornaam 1] [slachtoffer] is overleden, namelijk 3 juni 2019. Bij de posten van de materiële schade die niet vallen onder de post inkomensverlies, kan niet één dag worden bepaald met ingang waarvan de wettelijke rente moet worden toegewezen. De rechtbank zal de ingangsdatum daarvoor stellen op de dag van het uitspreken van het vonnis, zijnde 1 september 2021.

Schadevergoedingsmaatregel

Met betrekking tot de toegekende vorderingen zal de rechtbank bij de benadeelde partijen de schadevergoedingsmaatregel opleggen. De schadevergoedingsmaatregel geldt niet voor de post proceskostenvergoeding. Het CJIB zal de inning verzorgen en bij niet betaling kan gijzeling worden toegepast.

8 Het beslag

8.1

De onttrekking aan het verkeer

De hierna in de beslissing genoemde in beslag genomen voorwerpen zijn vatbaar voor onttrekking aan het verkeer. Het gaat om een kettingzaag (goednummer G2170701) en een tas met een bivakmuts/knipschaar/ducttape/handschoenen/plakband (goednummer G_569501). Gebleken is dat het feit is begaan met betrekking tot deze voorwerpen, dan wel dat het voorwerpen betreft die tot het begaan van het feit zijn vervaardigd of bestemd.

8.2

De teruggave

De rechtbank zal de teruggave gelasten aan de vader van verdachte van de in beslag genomen zwarte Samsung telefoon (goednummer G_569490), omdat deze redelijkerwijs als rechthebbende kan worden aangemerkt.

De rechtbank zal de teruggave gelasten aan [eigenaar] van de in beslag genomen bronzen Samsung telefoon (goednummer G_601643), omdat deze redelijkerwijs als rechthebbende kan worden aangemerkt.

De rechtbank zal de teruggave gelasten aan de rechthebbende van de in beslag genomen brieven en het papier (goednummers G_604304 en G_582268).

9 De vordering tot tenuitvoerlegging

De officieren van justitie hebben gevorderd dat de voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 1 maand die aan verdachte is opgelegd bij vonnis van 13 juli 2017 onder parketnummer 02/700220-16 ten uitvoer zal worden gelegd.

De rechtbank stelt vast dat verdachte zich voor het einde van de proeftijd schuldig heeft gemaakt aan een nieuw strafbaar feit en daarmee de algemene voorwaarde heeft overtreden. Gelet hierop kan de vordering tot tenuitvoerlegging worden toegewezen. De rechtbank zal hiertoe niet besluiten, omdat er ter zitting onduidelijkheid is ontstaan over het al dan niet eerder tenuitvoerleggen van deze straf en omdat het gelet op de feiten waarvoor verdachte wordt veroordeeld, niet opportuun is deze straf ook op te leggen.

10 De wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 36b, 36f, 47, 55, 57, 151, 282 en 288 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

11 De beslissing

De rechtbank:

Vrijspraak

- spreekt verdachte vrij van het onder feit 1 primaire tenlastegelegde feit;

Bewezenverklaring

- verklaart het ten laste gelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 4.4 is omschreven;

- spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;

Strafbaarheid

- verklaart dat het bewezen verklaarde de volgende strafbare feiten oplevert:

Eendaadse samenloop van

feit 1 subsidiair: Doodslag, vergezeld van een strafbaar feit en gepleegd met het oogmerk om de uitvoering van dat feit gemakkelijk te maken; en feit 2: Medeplegen van opzettelijk iemand wederrechtelijk van de vrijheid beroven of beroofd houden;

feit 3: Medeplegen van een lijk verbranden, vernietigen, verbergen, wegvoeren en wegmaken met het oogmerk om het feit en de oorzaak van het overlijden te verhelen;

- verklaart verdachte strafbaar;

Strafoplegging

- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 17 jaar;

- bepaalt dat de tijd die verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest heeft doorgebracht in mindering wordt gebracht bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf;

- gelast de terbeschikkingstelling van verdachte, met verpleging van overheidswege;

Beslag

- verklaart onttrokken aan het verkeer de op de aan dit vonnis gehechte beslaglijst genoemde inbeslaggenomen voorwerpen, genummerd: G2170701 en G_569501;

- gelast de teruggave aan rechthebbende van de voorwerpen die op de aan dit vonnis gehechte beslaglijst zijn genummerd: G_604304 G_582268;

- gelast de teruggave aan de vader van verdachte van het voorwerp dat op de aan dit vonnis gehechte beslaglijst is genummerd: G_569490;

- gelast de teruggave aan J. [eigenaar] , [adres 5] van het voorwerp dat op de aan dit vonnis gehechte beslaglijst is genummerd: G_601643.

Vordering tenuitvoerlegging

- wijst de vordering tot tenuitvoerlegging onder parketnummer 02/700220-16 af;

Benadeelde partijen

[naam benadeelde]

- veroordeelt verdachte tot betaling aan de benadeelde partij [initialen] . [naam benadeelde] van € 170.636,81, waarvan € 110.636,81 aan materiële schade en € 60.000 aan immateriële schade. Deze bedragen dienen te worden vermeerderd met de wettelijke rente over een bedrag van € 149.216,-- vanaf 3 juni 2019 tot aan de dag der algehele voldoening en over een bedrag van € 21.420,81 vanaf de datum uitspraak tot aan de dag der algehele voldoening;

- bepaalt dat verdachte met de mededaders [medeverdachte 3] en [medeverdachte 1] hoofdelijk aansprakelijk is voor het gehele bedrag;

- verklaart de benadeelde partij in het overige gedeelte van de vordering niet-ontvankelijk en bepaalt dat de vordering voor dat gedeelte bij de burgerlijke rechter kan worden aangebracht;

- veroordeelt verdachte in de kosten die de benadeelde partij voor rechtsbijstand heeft gemaakt, te weten € 11.779,--;

- veroordeelt verdachte tevens in de kosten van de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken, tot nu toe begroot op nihil;

- legt aan verdachte de verplichting op aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer
[initialen] . [naam benadeelde] € 170.636,81 te betalen, te vermeerderen met de wettelijke rente zoals hiervoor bepaald;

- bepaalt dat bij niet betaling 365 dagen gijzeling kan worden toegepast, met dien verstande dat toepassing van de gijzeling de betalingsverplichting niet opheft;

- bepaalt dat verdachte met de mededaders [medeverdachte 3] en [medeverdachte 1] hoofdelijk aansprakelijk is voor het gehele bedrag;

- bepaalt dat bij voldoening van de schadevergoedingsmaatregel de betalingsverplichting aan de benadeelde partij vervalt en omgekeerd;

[initialen] . [slachtoffer] :

- veroordeelt verdachte tot betaling aan de benadeelde partij [initialen] . [slachtoffer] van € 57.621,61, waarvan € 121,61 aan materiële schade en € 57.500,-- aan immateriële schade. Deze bedragen dienen te worden vermeerderd met de wettelijke rente over een bedrag van € 57.500,-- vanaf 3 juni 2019 tot aan de dag der algehele voldoening en over een bedrag van € 121,61 vanaf de datum uitspraak tot aan de dag der algehele voldoening;

- bepaalt dat verdachte met de mededaders [medeverdachte 3] en [medeverdachte 1] hoofdelijk aansprakelijk is voor het gehele bedrag;

- verklaart de benadeelde partij in het overige gedeelte van de vordering niet-ontvankelijk en bepaalt dat de vordering voor dat gedeelte bij de burgerlijke rechter kan worden aangebracht;

- veroordeelt verdachte tevens in de kosten van de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken, tot nu toe begroot op nihil;

- legt aan verdachte de verplichting op aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer [initialen] . [slachtoffer] € 57.621,61 te betalen, te vermeerderen met de wettelijke rente zoals hiervoor bepaald;

- bepaalt dat bij niet betaling 310 dagen gijzeling kan worden toegepast, met dien verstande dat toepassing van de gijzeling de betalingsverplichting niet opheft;

- bepaalt dat verdachte met de mededaders [medeverdachte 3] en [medeverdachte 1] hoofdelijk aansprakelijk is voor het gehele bedrag;

- bepaalt dat bij voldoening van de schadevergoedingsmaatregel de betalingsverplichting aan de benadeelde partij vervalt en omgekeerd;

[slachtoffer] :

- veroordeelt verdachte tot betaling aan de benadeelde partij [initialen] . [slachtoffer] van
€ 60.129,90, waarvan € 129,90 aan materiële schade en € 60.000,-- aan immateriële schade. Deze bedragen dienen te worden vermeerderd met de wettelijke rente over een bedrag van € 60.000,-- vanaf 3 juni 2019 tot aan de dag der algehele voldoening en over een bedrag van € 129,90 vanaf de datum uitspraak tot aan de dag der algehele voldoening;

- bepaalt dat verdachte met de mededaders [medeverdachte 3] en [medeverdachte 1] hoofdelijk aansprakelijk is voor het gehele bedrag;

- verklaart de benadeelde partij in het overige gedeelte van de vordering niet-ontvankelijk en bepaalt dat de vordering voor dat gedeelte bij de burgerlijke rechter kan worden aangebracht;

- veroordeelt verdachte tevens in de kosten van de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken, tot nu toe begroot op nihil;

- legt aan verdachte de verplichting op aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer [initialen] . [slachtoffer] , € 60.129,90 te betalen, te vermeerderen met de wettelijke rente zoals hiervoor bepaald;

- bepaalt dat bij niet betaling 318 dagen gijzeling kan worden toegepast, met dien verstande dat toepassing van de gijzeling de betalingsverplichting niet opheft;

- bepaalt dat verdachte met de mededaders [medeverdachte 3] en [medeverdachte 1] hoofdelijk aansprakelijk is voor het gehele bedrag;

- bepaalt dat bij voldoening van de schadevergoedingsmaatregel de betalingsverplichting aan de benadeelde partij vervalt en omgekeerd;

Dit vonnis is gewezen door mr. P. Kooijman, voorzitter, mr. R.J.H. de Brouwer en mr. M. Diepenhorst, rechters, in tegenwoordigheid van G.T.A. Schuurmans-Knoop en mr. H.J.E.M. Hoezen, griffiers, en is uitgesproken ter openbare zitting op 1 september 2021.

Mr. G.T.A. Schuurmans-Knoop is niet in de gelegenheid dit vonnis mede te ondertekenen.