Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZWB:2021:4409

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak
01-09-2021
Datum publicatie
01-09-2021
Zaaknummer
02-137738-20
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

Een destijds 18-jarige jongen heeft op 14 mei 2019 te Etten-Leur een verkeersongeval veroorzaakt door met zijn auto (op een gevaarlijk kruispunt) veel harder te rijden dan de maximum toegestane snelheid. Hierbij is het slachtoffer, een fietser, direct ter plaatse te komen overlijden. De verdachte is veroordeeld tot een taakstraf van 240 uur en een voorwaardelijke gevangenisstraf van zes maanden. Ook is aan de verdachte een ontzegging van de rijbevoegdheid voor de duur van 24 maanden waarvan 20 maanden voorwaardelijk opgelegd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Strafrecht

Zittingsplaats: Breda

parketnummer: 02-137738-20

vonnis van de meervoudige kamer van 1 september 2021

in de strafzaak tegen

[Verdachte]

geboren op [Geboortedag] 2001 te [Geboorteplaats]

wonende te [Adres]

raadsman mr. H. van Asselt, advocaat te Roosendaal

1 Onderzoek van de zaak

De zaak is inhoudelijk behandeld op de zitting van 18 augustus 2021, waarbij de officier van justitie, mr. C.F.J. Wiegant, en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt.

2 De tenlastelegging

De tenlastelegging is gewijzigd overeenkomstig artikel 313 van het Wetboek van Strafvordering. De tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht.

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte een verkeersongeval heeft veroorzaakt, waardoor [Slachtoffer] is overleden. Dit is in twee juridische varianten tenlastegelegd.

3 De voorvragen

De dagvaarding is geldig.

De rechtbank is bevoegd.

De officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging.

Er is geen reden voor schorsing van de vervolging.

4 De beoordeling van het bewijs

4.1

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte als bestuurder van een auto roekeloos heeft gereden door te rijden met een snelheid van ongeveer 112 km/per uur, althans met een aanmerkelijk hogere snelheid dan ter plaatse is toegestaan, terwijl hij een gevaarlijke kruising naderde. Hierdoor is hij in botsing gekomen met [Slachtoffer] , die op dat moment op haar fiets de kruising over stak, welke als gevolg van dat ongeval is komen te overlijden. Daarmee is sprake van schuld van verdachte aan het ongeval in de zin van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994 (hierna: WVW). Hij baseert zich daarbij op het proces-verbaal aanrijding misdrijf, de in het dossier aanwezige indicatieve snelheidsberekening, de getuigenverklaring van [Naam] , de foto’s van de situatie ter plaatse, en de verklaring van verdachte afgelegd bij de politie en ter zitting.

De officier van justitie verzoekt hierbij om het gedrag van verdachte als roekeloos te kwalificeren, als bedoeld in de zin van artikel 5a WVW, en om toepassing te geven aan het nieuwe artikel 175 lid 2 WVW. Hoewel deze artikelen nog niet van kracht waren ten tijde van het ongeval op 14 mei 2019 betreft het hier een codificatie van een al langer levende maatschappelijke onrust over de uitleg van het begrip roekeloos.

4.2

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat het primair tenlastegelegde bewezen kan worden verklaard, met dien verstande dat verdachte aanmerkelijk onvoorzichtig heeft gereden door met een aanzienlijk hogere snelheid dan de toegestane 50 km/per uur te rijden waardoor hij met [Slachtoffer] in botsing is gekomen als gevolg waarvan zij is komen te overlijden.

De raadsman verzoekt toepassing van artikel 6 van de WVW, zoals dit ten tijde van het feit gold.

4.3

Het oordeel van de rechtbank

4.3.1

De bewijsmiddelen

De bewijsmiddelen zijn in bijlage II aan dit vonnis gehecht.

4.3.2

De bijzondere overwegingen met betrekking tot het bewijs

Op grond van de bewijsmiddelen stelt de rechtbank vast, dat verdachte op 14 mei 2019 als bestuurder van een auto op het kruispunt van de Penningweg met de Florijnstraat te Etten-Leur een ongeval heeft veroorzaakt. Verdachte heeft rijdend in de richting van de Grauwe Polder, op dit kruispunt, een van links komende fietser rijdend van de Florijnstraat richting de Mon Plaisir, aangereden. De fietser, [Slachtoffer] , is door die aanrijding met de auto meters hoog de lucht in gelanceerd en is hierna op het asfalt terecht gekomen. Zij is als gevolg van de door de botsing opgelopen verwondingen direct komen te overlijden.

De rechtbank stelt vast dat er op basis van camerabeelden een gemiddelde snelheid van de auto van verdachte berekend is over een wegvak van circa 25 meter van circa 67 tot circa 42 meter voor de kruising. De berekende gemiddelde indicatieve snelheid bedraagt 112 km/per uur. Hoe de snelheid zich tussen het moment van het berekenen van deze indicatieve snelheid en het moment van de botsing zich heeft ontwikkeld, bijvoorbeeld door eventueel het loslaten van gas en remmen zoals verdachte heeft verklaard, is niet vast te stellen. Wel lijkt uit de camerabeelden vanaf 42 meter voor de kruising, die niet in de gemiddelde snelheidsberekening zijn meegenomen, te volgen dat er daadwerkelijk snelheid is geminderd. Uit het dossier valt echter niet af te leiden exact hoe snel verdachte reed op het moment van de botsing. Dat verdachte de maximum toegestane snelheid ter plaatse van 50 km/per uur in ernstige mate heeft overschreden staat voor de rechtbank wel vast gelet op de hiervoor genoemde indicatieve snelheid, die verdachte op circa 42 meter voor het kruispunt nog had, en gelet op de impact van de botsing op [Slachtoffer] en haar fiets, die door de botsing meters hoog de lucht in werden gelanceerd. De verklaring van verdachte dat hij bij het naderen van de kruising slechts 60 km/per uur zou hebben gereden wordt ook op verschillende punten in het dossier weersproken.

De rechtbank stelt voorts vast dat het betreffende kruispunt met het waarschuwingsbord J8 is aangeduid als gevaarlijke kruising. In een dergelijke situatie is nadering van het kruispunt met de ter plaatse geldende maximumsnelheid al onvoorzichtig te noemen. Verdachte heeft, doordat hij met een nog veel hogere snelheid dit kruispunt te naderen niet adequaat gereageerd op dit waarschuwingsbord.

Gelet op het primair ten laste gelegde is de vraag die de rechtbank eerst moet behandelen of uit de bewijsmiddelen kan worden afgeleid dat verdachte schuld heeft aan het verkeersongeval in de zin van artikel 6 van de WVW. De rechtbank merkt in dit verband allereerst op dat op grond van artikel 1 van het Wetboek van Strafrecht het recht dient te worden toegepast dat gold ten tijde van het delict, zijnde de gunstigste bepaling voor verdachte. De rechtbank zal dan ook niet, zoals door de Officier van Justitie is bepleit het recht toepassen zoals dat sinds 1 januari 2020 geldt.

Om tot het oordeel te komen dat sprake is van schuld in de zin van artikel 6 van de WVW, is vereist dat het rijgedrag van verdachte roekeloos dan wel zeer of aanmerkelijk onoplettend, onvoorzichtig of onachtzaam was. Daarvoor moet beoordeeld worden of sprake was van een aanmerkelijke mate van verwijtbare onvoorzichtigheid. Daarbij geldt dat in zijn algemeenheid niet valt aan te geven of één verkeersovertreding voldoende kan zijn voor bewezenverklaring van schuld in vorenbedoelde zin. Gekeken moet worden naar het geheel van gedragingen van de verdachte, naar de aard en de concrete ernst van de verkeersovertreding en ook naar de omstandigheden waaronder die overtreding is begaan. Daarnaast geldt dat niet enkel uit de ernst van de gevolgen van het verkeersgedrag kan worden afgeleid dat sprake is van schuld in de zin van artikel 6 van de WVW.

De rechtbank oordeelt hierover als volgt.

Verdachte heeft op 14 mei 2019 te Etten-Leur gereden met een veel te hoge snelheid en heeft (mede hierdoor) niet adequaat gereageerd op het waarschuwingsbord voor het gevaarlijke kruispunt, waarvan hij heeft verklaard dat bord niet te hebben gezien, dat hij naderde. Daarnaast heeft verdachte zich er niet vergewist of hij van de voor hem van links komende fietser voorrang kreeg. Verdachte heeft zijn voertuig niet tot stilstand heeft kunnen brengen binnen de afstand waarover verdachte de weg kon overzien en deze vrij was. Dit zijn ernstige verkeersovertredingen die hebben geleid tot een fatale aanrijding.

De rechtbank is van oordeel dat verdachte, gezien de meerdere verkeersovertredingen, maar met name gezien de combinatie hiervan - het veel te hard rijden direct voorafgaand aan het naderen van een gevaarlijke onoverzichtelijke kruising - zeer onvoorzichtig heeft gereden in de zin van artikel 6 van de WVW. De rechtbank acht de primair tenlastegelegde overtreding van artikel 6 van de WVW derhalve wettig en overtuigend bewezen.

4.4

De bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte

op 14 mei 2019 te Etten-Leur als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorrijtuig, daarmede rijdende over de openbare weg, de Penningweg, zich zodanig heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden door onvoorzichtig en/of onoplettend, te rijden

  • -

    met een snelheid waarbij de wettelijke maximum snelheid ter plaatse van 50 kilometer per uur in ernstige mate werd overschreden,

  • -

    en terwijl hij een gevaarlijke kruising aangegeven door het waarschuwingsbord J8 op reed,

  • -

    en zijn, verdachtes, motorrijtuig niet tot stilstand te brengen binnen de afstand waarover verdachte de weg kon overzien en deze vrij was,

waardoor een ander genaamd [Slachtoffer] werd gedood.

De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

5 De strafbaarheid

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten. Dit levert het in de beslissing genoemde strafbare feit op.

Verdachte is strafbaar, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die zijn strafbaarheid uitsluit.

6 De strafoplegging

6.1

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie verzoekt bij het bepalen van de strafmaat aansluiting te zoeken bij het volwassenenstrafrecht. De officier van justitie vordert aan verdachte op te leggen een gevangenisstraf van tien maanden, waarvan vijf maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar, en ook een ontzegging van de bevoegdheid tot het besturen van motorvoertuigen voor de duur van drie jaren, geheel onvoorwaardelijk.

6.2

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat, rekening houdende met de persoonlijke omstandigheden van verdachte, het adolescentenstrafrecht in aanmerking genomen, bij bewezenverklaring van het primair tenlastegelegde volstaan kan worden met een maximale taakstraf en een geheel voorwaardelijke ontzegging van de rijbevoegdheid.

6.3

Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank overweegt ten eerste dat geen enkele straf het verlies van een mensenleven kan compenseren. Voor de nabestaanden van het slachtoffer betekent het ongeval onvoorstelbaar veel leed, zoals haar broer, haar moeder en haar partner ter zitting op indringende wijze naar voren hebben gebracht. Hun leven is opeens en totaal veranderd door het verlies en dagelijkse gemis van een zus, een dochter en een partner die met haar 43 jaar nog vol in het leven stond.

Verdachte heeft zich als bestuurder van een auto schuldig gemaakt aan zeer aanmerkelijk onoplettend en onvoorzichtig rijgedrag. Verdachte is met een veel te hoge snelheid een gevaarlijk kruispunt genaderd, waar hij een aanrijding heeft veroorzaakt met een fietser, ten gevolge waarvan deze fietser is overleden. Verdachte heeft met zijn rijgedrag een onaanvaardbaar risico genomen en de verkeersveiligheid van medeweggebruikers op ernstige wijze in gevaar gebracht. Dat risico heeft zich verwezenlijkt, doordat er een ongeval heeft plaatsgevonden, waarbij het slachtoffer is komen te overlijden. De verklaringen van de nabestaanden, nu, ruim twee jaar later, maken duidelijk welke ingrijpende gevolgen de dodelijke aanrijding voor hen heeft en daarmee hoe een ernstig feit het betreft. De rechtbank weegt dit mee in haar oordeel.

De rechtbank ziet bij het bepalen van de strafmaat geen aanleiding om het adolescenten strafrecht toe te passen, nu er geen sprake is van een opvoedkundig of gedragsbeïnvloedend strafdoel.

De rechtbank heeft bij het bepalen van de hoogte van de op te leggen straf acht geslagen op de LOVS-oriëntatiepunten. Voor het veroorzaken van een verkeersongeval waarbij sprake is van ernstige mate van schuld en waarbij het slachtoffer is overleden, hoort een oriëntatiepunt van zes maanden gevangenisstraf en een ontzegging van de rijbevoegdheid van twee jaar.

Voorts houdt de rechtbank rekening met de persoonlijke omstandigheden van verdachte, zoals deze ter zitting naar voren zijn gebracht en met het feit dat verdachte is niet eerder is veroordeeld voor strafbare feiten en verkeersovertredingen. De rechtbank weegt dit laatste in het voordeel van verdachte mee.

Ook houdt de rechtbank in voor verdachte positieve zin rekening met de overschrijding van de redelijke termijn.

Tot slot houdt de rechtbank rekening met het feit dat verdachte na het ongeval spijt heeft willen betuigen aan de nabestaanden van [Slachtoffer] en een voorstel heeft gedaan om een mediationtraject met de nabestaanden aan te gaan Dat de nabestaanden daarop niet wilden of konden ingaan is zeer voorstelbaar.

Dat neemt echter niet weg dat de rechtbank uit het kaartje dat verdachte met behulp van zijn moeder heeft opgesteld en verzonden afleidt dat ook verdachte zich zeer wel bewust is van de grote gevolgen van het ongeval dat hij zelf heeft veroorzaakt. Op de zitting heeft verdachte de verklaringen van de nabestaanden aangehoord en hij heeft op die verklaringen gereageerd. Dat hij lijdt en spijt heeft was duidelijk zichtbaar.

Alles afwegend, acht de rechtbank een maximale taakstraf van 240 uur en een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van zes maanden, met een proeftijd van twee jaar, passend en geboden. De rechtbank acht hiernaast een ontzegging van de rijbevoegdheid voor de duur van 24 maanden, waarvan 20 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaar op zijn plaats. De rechtbank realiseert zich dat de oplegging van de rijontzegging gevolgen kan hebben voor de werkzaamheden van verdachte en dat daarmee mogelijk ook zijn baan in gevaar komt. De rechtbank heeft met die omstandigheid zoveel mogelijk rekening gehouden maar het feit is, ondanks het tijdsverloop, te ernstig om met een geheel voorwaardelijke ontzegging af te doen.

7 Het beslag

De officier van justitie heeft verzocht het voertuig te vernietigen, omdat hiermee het misdrijf is begaan.

De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat er geen redenen zijn waarom het voertuig niet aan verdachte kan worden teruggegeven, verzocht wordt om teruggave van het voertuig.

De rechtbank zal de teruggave gelasten van het hierna in de beslissing genoemde in beslag genomen voertuig aan verdachte, aangezien het voertuig niet vatbaar is voor verbeurdverklaring of onttrekking aan het verkeer en onder verdachte in beslag is genomen.

8 De wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 9, 14a, 14b, 14c, 22c, 22d van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 6, 175 en 179 van de Wegenverkeerswet 1994 zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezenverklaarde.

9 De beslissing

De rechtbank:

Bewezenverklaring

- verklaart het tenlastegelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 4.4 is omschreven;

- spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;

Strafbaarheid

- verklaart dat het bewezenverklaarde het volgende strafbare feit oplevert:

Overtreding van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994, terwijl het een ongeval

betreft waardoor een ander wordt gedood;

- verklaart verdachte strafbaar;

Strafoplegging

- veroordeelt verdachte tot een taakstraf van 240 uren;

- Beveelt dat indien verdachte de taakstraf niet naar behoren verricht, vervangende hechtenis zal worden toegepast van 120 dagen;

Bijkomende straffen

- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van zes maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar;

- bepaalt dat de voorwaardelijke straf niet ten uitvoer wordt gelegd, tenzij de rechter tenuitvoerlegging gelast:

- veroordeelt verdachte tot een ontzegging van de bevoegdheid om motorrijtuigen te besturen van 24 maanden, waarvan 20 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar met aftrek van de (één) dag dat het rijbewijs ingehouden is geweest;

- bepaalt dat het voorwaardelijke deel van de rijontzegging niet ten uitvoer wordt gelegd, tenzij de rechter tenuitvoerlegging gelast omdat verdachte zich voor het einde van een proeftijd schuldig maakt aan een strafbaar feit;

Beslag

- gelast de teruggave aan verdachte van het inbeslaggenomen voorwerp, te weten Volkswagen Scirocco met kenteken [Kenteken]

Dit vonnis is gewezen door mr. R.P. Broeders, voorzitter, mr. W. Toekoen en mr. J.C. Gillesse, rechters, in tegenwoordigheid van J.J. van Dijke en T.C.A. Joosen, griffiers, en is uitgesproken ter openbare zitting op 1 september 2021.

Mr. J.C. Gillesse is niet in de gelegenheid dit vonnis mede te ondertekenen.