Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZWB:2021:4375

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak
30-08-2021
Datum publicatie
13-09-2021
Zaaknummer
AWB - 15 _ 3228
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Voor deze uitspraak is geen samenvatting gemaakt.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Viditax (FutD), 13-9-2021
FutD 2021-2918
FutD 2021-2919
NLF 2021/1841
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Belastingrecht, enkelvoudige kamer

Locatie: Breda

Zaaknummers BRE 15/3228 tot en met 15/3230

uitspraak van 30 augustus 2021

Uitspraak als bedoeld in afdeling 8.2.6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in het geding tussen

[belanghebbende] , gevestigd te [plaats] (Spanje),

belanghebbende,

en

de inspecteur van de Belastingdienst,

de inspecteur.

1 Motivering

Zitting

Een zitting is met toepassing van artikel 8:57 van de Awb achterwege gebleven.

Opmerking verdient daarbij dat de (aanvankelijk) betrokken belastingadviseur weliswaar in de brief van 9 oktober 2015 heeft gemeld een zitting te wensen, maar dat deze melding klaarblijkelijk – gelet op de motivering – is gedaan namens de participanten in belanghebbende, kennelijk uitgaande van een tussentijds gewijzigd inzicht over wie aanspraak kan maken op teruggaaf van Nederlandse dividendbelasting. Daarmee wordt echter eraan voorbij gegaan dat (i) de verzoeken om teruggaaf zijn gedaan door belanghebbende en dat de uitspraken op bezwaar zijn gedaan door de inspecteur ten aanzien van belanghebbende, (ii) dat daarom alleen belanghebbende bevoegd is beroep in te stellen en, samenhangend, (iii) dat het Nederlandse fiscale procesrecht niet erin voorziet dat de participanten de procedure om een teruggaaf kunnen voortzetten in plaats van belanghebbende. Bovendien zijn de namen van de participanten niet bekendgemaakt en is geen door de participanten verleende machtiging overgelegd. Op (onder meer) dit een en ander is gewezen bij brief van de griffier van 29 april 2016. Hierop is niet gereageerd binnen de gestelde termijn, en ook niet tot op heden.

Uit de brief van 9 oktober 2015 is niet voldoende duidelijk op te maken dat belanghebbende zelf een zitting wenst. Evenmin heeft belanghebbende, desgevraagd, naar aanleiding van de hierna vermelde brief van 16 juni 2021 kenbaar gemaakt een zitting te wensen.

Inhoudelijk

Belanghebbende heeft een beroepschrift ingediend tegen de uitspraken op bezwaar op de bezwaren van belanghebbende tegen de afwijzing van de verzoeken om teruggaaf van dividendbelasting over de volgende periodes, waaraan de rechtbank de volgende zaaknummers heeft toegekend:

  • -

    het jaar 2010 (zaaknummer 15/3228);

  • -

    het jaar 2011 (zaaknummer 15/3229);

  • -

    het jaar 2012 (zaaknummer 15/3230).

Belanghebbende stelt – kort gezegd – met een beroep op het Unierecht dat recht op teruggaaf van dividendbelasting bestaat omdat belanghebbende vergelijkbaar is met een fiscale beleggingsinstelling (hierna: fbi).

De zaken zijn aangehouden in afwachting van de beantwoording door de Hoge Raad van prejudiciële vragen door deze rechtbank. Bij aangetekende brief van 16 juni 2021, welke volgens gegevens van PostNL is ontvangen op 24 juni 2021, heeft de rechtbank belanghebbende in de gelegenheid gesteld om het beroep binnen vier weken (nader) te motiveren. Op deze brief heeft de rechtbank geen reactie ontvangen.

Gezien het overgangsrecht van artikel XXVI, leden 8 en 9, van de wet Overige fiscale maatregelen 20081, is – kort gezegd – voor teruggaafverzoeken met betrekking tot de boekjaren vanaf het boekjaar dat aanvangt op of na 1 januari 2008 het regime van de afdrachtvermindering2 van belang.

De rechtbank is van oordeel dat de teruggaafverzoeken terecht zijn afgewezen, reeds gelet op het volgende. De Hoge Raad heeft beslist dat het vrije verkeer van kapitaal niet wordt belemmerd door de omstandigheid dat buiten Nederland gevestigde beleggingsinstellingen, in verband met het gegeven dat zij in Nederland niet inhoudingsplichtig zijn voor de dividendbelasting, niet in aanmerking komen voor een tegemoetkoming op grond van de regeling van de afdrachtvermindering.3

Aangezien geen recht bestaat op teruggaaf van dividendbelasting, heeft belanghebbende evenmin recht op vergoeding van rente over de ingehouden dividendbelasting.

De beroepen van belanghebbende zijn daarom ongegrond.

Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

2 Beslissing

De rechtbank verklaart de beroepen ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. M.R.T. Pauwels, rechter, in aanwezigheid van mr. E.A.D. Dockx , griffier, op 30 augustus 2021 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.

.

De griffier, De rechter,

Afschrift aangetekend verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof te ‘s-Hertogenbosch (belastingkamer), Postbus 70583,

5201 CZ ’s-Hertogenbosch.

Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:

1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.
2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:
a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;

d. de gronden van het hoger beroep.

Voor burgers is het mogelijk hoger beroep digitaal in te stellen. Hiervoor kan gebruik worden gemaakt van de formulieren op Rechtspraak.nl / Digitaal loket bestuursrecht.

1 Stb. 2007, 563.

2 Artikel 11a van de Wet op de dividendbelasting 1965.

3 ECLI:NL:HR:2021:506.