Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZWB:2021:4365

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak
02-09-2021
Datum publicatie
02-09-2021
Zaaknummer
02-122903-20
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

“Veroordeling voor vier geweldsincidenten in korte tijd tot een grotendeels voorwaardelijke gevangenisstraf met bijzondere voorwaarden. De rechtbank acht verdachte verminderd toerekeningsvatbaar.”

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Strafrecht

Zittingsplaats: Breda

parketnummer: 02-122903-20

vonnis van de meervoudige kamer van 2 september 2021

in de strafzaak tegen

[Verdachte]

geboren op [Geboortedag] 1990 te [Geboorteplaats]

ingeschreven te [Adres]

raadsman mr. P.J. van den Hoogen, advocaat te Eindhoven

1 Onderzoek van de zaak

De zaak is inhoudelijk behandeld op de zitting van 19 augustus 2021, waarbij de officier van justitie, mr. M. Nieuwenhuis, en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt.

2 De tenlastelegging

De tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht.

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte:

  • -

    op 5 mei 2020 heeft geprobeerd [Slachtoffer] zwaar letsel toe te brengen, dan wel dat zij hem heeft mishandeld;

  • -

    op 4 mei 2020 [Slachtoffer] heeft mishandeld;

  • -

    op 5 mei 2020 verzet heeft gepleegd toen zij werd aangehouden door verbalisanten [Naam 1] en [Naam 2] ;

  • -

    op of rond 5 mei 2020 meerdere goederen van [Slachtoffer] heeft vernield of beschadigd.

3 De voorvragen

De dagvaarding is geldig.

De rechtbank is bevoegd.

De officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging.

Er is geen reden voor schorsing van de vervolging.

4 De beoordeling van het bewijs

4.1

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft verzocht verdachte vrij te spreken van de primair onder feit 1 tenlastegelegde poging tot zware mishandeling. Op basis van de bewijsmiddelen acht hij de subsidiair tenlastegelegde mishandeling wel wettig en overtuigend bewezen.

Ook feit 2 acht hij wettig en overtuigend bewezen voor zover verdachte [Slachtoffer] heeft mishandeld door hem in zijn gezicht te stompen en te krabben. Nu de overige handelingen niet door het letsel worden ondersteund, verzoekt de officier van justitie verdachte hiervan vrij te spreken.

Ook feit 3 acht de officier justitie gelet op de bewijsmiddelen in het procesdossier en de verklaring van verdachte ter zitting wettig en overtuigend bewezen.

Tot slot is de officier van justitie van mening dat op basis van het dossier wettig en overtuigend kan worden bewezen dat verdachte de trapleuning en de bloempot heeft vernield. Voor de overige onderdelen van dit feit verzoekt hij verdachte vrij te spreken.

4.2

Het standpunt van de verdediging

De verdediging is evenals de officier van justitie van mening dat de rechtbank niet tot een bewezenverklaring kan komen van het primair onder 1 tenlastegelegde. Voor het overige heeft de verdediging geen verweer gevoerd ten aanzien van de bewezenverklaring van de feiten.

4.3

Het oordeel van de rechtbank

4.3.1

De bewijsmiddelen

De bewijsmiddelen zijn in bijlage II aan dit vonnis gehecht.

4.3.2

De bijzondere overwegingen met betrekking tot het bewijs

Feit 1

Uit de bewijsmiddelen volgt dat aangever op 5 mei 2021 in zijn bovenarm is gestoken. Hij heeft verklaard dat verdachte dit heeft gedaan. Verdachte is in de badkamer van de woning van aangever aangetroffen. In deze zelfde badkamer is ook een schaar aangetroffen met daarop bloedsporen. Op de foto van het letsel van aangever is een verwonding op de bovenarm te zien, die zou kunnen passen bij het gestoken zijn met een schaar. De rechtbank leidt uit voorgaande af dat verdachte aangever met de schaar in zijn bovenarm heeft gestoken.

Uit de foto valt echter niet af te leiden hoe diep de verwonding in de arm van aangever is. Daarnaast beschikt de rechtbank ook niet over medische gegevens waarin een nadere omschrijving van de verwonding is gegeven, zodat niet kan worden vastgesteld dat is gestoken op een wijze dat aangever daarbij zwaar letsel had kunnen oplopen. Aangever heeft verklaard dat hij zich met zijn arm afweerde toen verdachte hem wilde steken. Het dossier bevat geen aanknopingspunten waar uit afgeleid kan worden dat aangever zonder dit afweren zwaar letsel zou hebben verkregen. Om voornoemde redenen kan de rechtbank aan de hand van het dossier niet vaststellen dat verdachte door het steken met de schaar heeft geprobeerd aangever zwaar lichamelijk letsel toe te brengen. Zij spreekt verdachte daarom vrij van het primair tenlastegelegde.

Gelet op de in de bijlagen genoemde bewijsmiddelen acht de rechtbank de subsidiair tenlastegelegde mishandeling wel wettig en overtuigend bewezen.

Feit 2
In zijn aangifte heeft aangever alle tenlastegelegde handelingen benoemd. De verbalisanten die op 4 mei 2021 ter plaatse zijn gekomen zien op dat moment een verkleuring en een zwelling op het jukbeen van aangever . Het letsel van aangever is op 5 mei 2021 bovendien fotografisch vastgelegd. Het beschreven en gefotografeerde letsel van aangever sluit aan bij de door hem beschreven handelingen. Om die reden acht de rechtbank alle onder feit 2 omschreven handelingen wettig en overtuigend bewezen.

Feit 3
In hun processen-verbaal hebben verbalisanten [Naam 1] en [Naam 2] omschreven hoe verdachte op 5 mei 2021 heeft tegenwerkt, nadat zij was aangehouden. Uit de bewijsmiddelen volgt dat verdachte heeft tegengewerkt door haar armen en spieren aan te spannen, in een andere richting te bewegen dan waar de verbalisanten haar heen wilden brengen en door verbalisant [Naam 1] te bijten. De rechtbank acht deze handelingen dan ook wettig en overtuigend bewezen.

Naast voornoemde handelingen heeft verdachte zich ook losgerukt uit de greep van verbalisant [Naam 3] . Dit losrukken kan echter niet bewezen worden verklaard, omdat verbalisant [Naam 3] niet als opsporingsambtenaar is benoemd in de tenlastelegging. De rechtbank zal verdachte dan ook van dit onderdeel van de tenlastelegging vrijspreken.

Feit 4
Uit de bewijsmiddelen in de bijlage volgt tot slot dat er verschillende goederen van aangever zijn vernield of beschadigd.

Aangever heeft verklaard dat verdachte een bloempot kapot heeft gegooid in de slaapkamer. Verbalisanten hebben verdachte in de slaapkamer aangetroffen en omschreven dat er een kapotte vaas lag. De rechtbank begrijpt dat deze vaas de door verdachte genoemde bloempot is. Uit de verklaring van aangever en de foto’s blijkt dat de trapleuning van de muur is getrokken. Er is door de partner van getuige [Naam 4] gezien dat verdachte deze trapleuning vasthad. Verdachte heeft verklaard dat deze trapleuning al voor de verweten feiten los zat. De rechtbank is van oordeel dat uit de bewijsmiddelen voldoende is gebleken dat de trapleuning voorafgaand aan het feit nog was bevestigd aan de muur. Daarnaast heeft aangever gemeld dat verdachte een ventilator van de trap heeft gegooid en dat die tegen de muur aan is gekomen. Hoewel de rechtbank niet beschikt over een foto van of bevindingen over de desbetreffende ventilator stelt zij vast dat het een feit van algemene bekendheid is dat het van hoogte tegen een muur gooien van een ventilator ertoe leidt dat het voorwerp kapot gaat. Ten aanzien van voornoemde feiten acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat verdachte deze goederen heeft vernield.

Voorts heeft aangever gemeld dat de binnenkant van de badkamerdeur kapot is, omdat er rode krassen op zitten. De rechtbank stelt vast dat het feit dat er krassen op een deur zitten niet maakt dat de gehele deur is vernield. Zij acht daarom wettig en overtuigend bewezen dat de badkamerdeur is beschadigd.

Tot slot is in de tenlastelegging een kastje genoemd. Uit de aangifte van 5 mei 2020 blijkt dat verdachte in de woning van aangever een kastje omver heeft gegooid. Uit deze aangifte blijkt echter niet of het kastje hierbij kapot is gegaan of is beschadigd. Om die reden zal de rechtbank verdachte partieel vrijspreken van dit onderdeel van de tenlastelegging.

4.4

De bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte

1. subsidiair

op 5 mei 2020 te Wouwse Plantage, gemeente Roosendaal

[Slachtoffer] heeft mishandeld door die voornoemde [Slachtoffer] met een schaar, eenmaal, in de arm te steken;

2

op 4 mei 2020 te Wouwse Plantage, gemeente Roosendaal [Slachtoffer] heeft mishandeld door die voornoemde [Slachtoffer] met een vuist op zijn gezicht en slaan en door de haren van die [Slachtoffer] vast te pakken en met kracht aan de haren van die [Slachtoffer] te trekken en meermaals die [Slachtoffer] in het lichaam te bijten en te krabben en tegen het lichaam te schoppen;

3

op 5 mei 2020 te Wouwse Plantage zich met geweld heeft verzet tegen ambtenaren, [Naam 1] en [Naam 2] (beiden hoofdagent van de politie eenheid Zeeland-West-Brabant), werkzaam in de rechtmatige uitoefening van hun bediening, te weten doende met de aanhouding van de verdachte door:

- haar armen en spieren te spannen en

- zich in een andere richting te bewegen dan die waarin de opsporingsambtenaren haar trachtten te bewegen en

- opsporingsambtenaar [Naam 1] te bijten;

4

op of omstreeks 5 mei 2020 te Wouwse Plantage, gemeente Roosendaal opzettelijk en wederrechtelijk een trapleuning en een ventilator en een bloempot die aan [Slachtoffer] toebehoorden, heeft vernield en een badkamerdeur die aan [Slachtoffer] toebehoorde heeft beschadigd;

Voor zover er in de tenlastelegging kennelijke taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn die fouten in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet in zijn verdediging geschaad.

De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

5 De strafbaarheid

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten. Dit levert de in de beslissing genoemde strafbare feiten op.

De verdediging heeft betoogd dat verdachte ten tijde van de feiten verminderd toerekeningsvatbaar was. De raadsman heeft hierbij gewezen op het rapport van [Naam 5] van 9 april 2020. Dit rapport is opgemaakt naar aanleiding van een verdenking van wederspannigheid en het plegen van vernielingen, tenlastegelegd en beoordeeldonder parketnummer 01/256353-19.

De rechtbank stelt vast dat [Naam 5] verdachte kort voor onderhavige feiten heeft onderzocht en heeft geconcludeerd dat er bij verdachte sprake is van een posttraumatische stressstoornis, een borderline persoonlijkheidsstoornis, een stoornis in het gebruik van alcohol en cannabis en laag begaafd functioneren op meerdere gebieden. Gelet op de complexiteit van de problematiek door de stoornissen en gebrekkige ontwikkeling, heeft de deskundige in de zaak 01/256353-19 geconcludeerd dat die feiten verminderd aan verdachte toe te rekenen zijn.

In onderhavige zaak is over verdachte geen rapport opgesteld door een psycholoog. Het is echter een feit van algemene bekendheid dat de beschreven stoornissen en gebrekkige ontwikkeling niet op korte termijn volledig verdwijnen. Gelet op de korte periode tussen het onderzoek door de psycholoog en onderhavige feiten kunnen de bevindingen van de psycholoog naar het oordeel van de rechtbank ook in onderhavige zaak worden meegewogen. De rechtbank is van oordeel dat onderhavige feiten grote overeenkomsten vertonen met de feiten waarvoor het rapport is opgesteld. Uit de processen-verbaal van bevindingen van de verbalisanten blijkt dat verdachte tot tweemaal toe in zeer emotionele toestand is aangetroffen en dat er nauwelijks contact met haar was te krijgen. Om die reden neemt de rechtbank aan dat ook onderhavige feiten zijn gepleegd onder invloed van de door de deskundige genoemde stoornissen en gebrekkige ontwikkeling. Alles overwegende is de rechtbank van oordeel dat de aan verdachte verweten feiten in verminderde mate aan haar toe te rekenen zijn. De rechtbank zal hiermee rekening houden bij de bepaling van de strafmaat.

6 De strafoplegging

6.1

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie vordert aan verdachte op te leggen een gevangenisstraf voor de duur van 94 dagen waarvan 90 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren en met aftrek van de tijd die verdachte in voorlopige hechtenis heeft verbleven. De officier van justitie heeft gevorderd hierbij als bijzondere voorwaarden op te leggen: een meldplicht, een ambulante behandeling en begeleid wonen.

6.2

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft geen bezwaar tegen de vordering als geformuleerd door de officier van justitie.

6.3

Het oordeel van de rechtbank

In een kort tijdsbestek heeft verdachte zich schuldig gemaakt aan vier strafbare feiten. Door deze feiten heeft aangever [Slachtoffer] letsel opgelopen en is er schade ontstaan aan zijn goederen. Op het moment dat verbalisanten ter plaatse kwamen en probeerden hulp te bieden, heeft verdachte zich bovendien tegen hen verzet. Dit zijn ernstige feiten.

Bij de bepaling van de strafmaat houdt de rechtbank rekening met de oriëntatiepunten voor ieder van de feiten. Uit de justitiële documentatie van verdachte blijkt dat er sprake is van recidive. Dit weegt in het nadeel van verdachte mee. Aan de andere kant zal er in het voordeel van verdachte rekening mee worden gehouden dat artikel 63 van het Wetboek van Strafrecht aan de orde is. Zoals onder punt 5 overwogen zal de rechtbank er ook rekening mee houden dat de feiten in verminderde mate aan verdachte kunnen worden toegerekend.

Alles afwegende is de rechtbank van oordeel dat een gevangenisstraf voor de duur van 94 dagen noodzakelijk is. De rechtbank ziet geen ruimte voor een andere of lichtere sanctie.

Echter, gelet op de persoonlijke omstandigheden en de psychische toestand van verdachte is de rechtbank van oordeel dat verdachte hulp en ondersteuning nodig heeft. Deze hulp en ondersteuning moeten in de vorm van bijzondere voorwaarden verbonden aan een voorwaardelijke straf aan verdachte worden opgelegd zodat er een stok achter de deur is indien zij niet meewerkt. Om die reden zal de rechtbank 90 dagen van voornoemde gevangenisstraf voorwaardelijk opleggen met een proeftijd van 2 jaren. Aan de voorwaardelijke straf verbindt zij de voorwaarden zoals hieronder in de beslissing genoemd.

De rechtbank bepaalt dat de tijd die verdachte voor de tenuitvoerlegging van dit vonnis in voorarrest heeft doorgebracht in mindering wordt gebracht bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf. Dit betekent dat verdachte een kans krijgt om haar leven op orde te krijgen. Zij hoeft niet naar de gevangenis, tenzij zij de voorwaarden overtreedt.

7 De wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 14a, 14b, 14c, 57, 63, 180, 300 en 350 van het Wetboek van Strafrecht zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezenverklaarde.

8 De beslissing

De rechtbank:

Vrijspraak

- spreekt verdachte vrij van het primair onder 1 tenlastegelegde feit;

Bewezenverklaring

- verklaart het tenlastegelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 4.4 is omschreven;

- spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;

Strafbaarheid

- verklaart dat het bewezenverklaarde de volgende strafbare feiten oplevert:

Feit 1 subsidiair: mishandeling;

Feit 2: mishandeling;

Feit 3: wederspannigheid, meermalen gepleegd;

Feit 4: opzettelijk en wederrechtelijk enig goed dat aan een ander toebehoort,
vernielen, meermalen gepleegd
en

opzettelijk en wederrechtelijk enig goed dat aan een ander toebehoort,
beschadigen;

- verklaart verdachte strafbaar;

Strafoplegging

- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 94 dagen, waarvan 90 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren;

- bepaalt dat het voorwaardelijke deel van de straf niet ten uitvoer wordt gelegd, tenzij de rechter tenuitvoerlegging gelast, omdat verdachte voor het einde van de proeftijd de hierna vermelde voorwaarden niet heeft nageleefd;

- stelt als algemene voorwaarde dat verdachte zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;

- stelt als bijzondere voorwaarden:

* dat verdachte zich uiterlijk binnen drie dagen nadat dit vonnis onherroepelijk is geworden zal melden bij de reclassering van Novadic Kentron op het adres Dr. Poletlaan 74-76, 5626 ND Eindhoven en zich daarna gedurende een door de reclassering te bepalen periode (die loopt tot maximaal het einde van de proeftijd) zal blijven melden, zo lang en zo frequent als de reclassering nodig vindt;

* dat verdachte zich laat behandelen bij GGzE de Omslag of een soortgelijke zorgverlener, te bepalen door de reclassering. De behandeling duurt de gehele proeftijd of zoveel korter als de reclassering nodig vindt. Verdachte houdt zich hierbij aan de huisregels en de aanwijzingen die de zorgverlener geeft voor de behandeling. Het innemen van medicijnen kan onderdeel zijn van de behandeling. Bij overmatig middelengebruik of ernstige zorgen over het psychiatrische toestandsbeeld kan de reclassering een indicatiestelling aanvragen voor een kortdurende klinische opname voor crisisbehandeling, detoxificatie en/ of stabilisatie. Als de voor indicatie verantwoordelijke instantie een kortdurende klinische opname indiceert, laat verdachte zich opnemen in een zorginstelling, te bepalen door de justitiële instantie die verantwoordelijk is voor plaatsing. De kortdurende klinische opname duurt maximaal zeven weken of zoveel korter als de reclassering nodig vindt;

* dat verdachte gedurende de proeftijd, zal verblijven in een instelling voor begeleid wonen of maatschappelijke opvang te weten De Woningen afdeling van GGzE of een andere instelling voor beschermd wonen of maatschappelijke opvang, te bepalen door de reclassering. Het verblijft duurt de gehele proeftijd of zoveel korter als de reclassering nodig vindt. Verdachte zal zich houden aan de huisregels en het (dag-)programma dat deze instelling in overleg met de reclassering heeft opgesteld.

* dat verdachte ten behoeve van het vaststellen van haar identiteit, medewerking verleent aan het nemen van vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage biedt;

* dat verdachte medewerking verleent aan het reclasseringstoezicht, de medewerking aan huisbezoeken en het zich melden bij de reclassering zo vaak en zolang als de reclassering dit noodzakelijk acht, daaronder begrepen;

- geeft opdracht aan de reclassering tot het houden van toezicht op de nalevering van voormelde bijzondere voorwaarden en verdachte ten behoeve daarvan te begeleiden;

- bepaalt dat de tijd die verdachte voor de tenuitvoerlegging van dit vonnis in voorarrest heeft doorgebracht in mindering wordt gebracht bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf;

Voorlopige hechtenis
- heft het geschorste bevel voorlopige hechtenis op.

Dit vonnis is gewezen door mr. D. van Kralingen, voorzitter, mr. R.J.H. van der Linden en mr. A.L. Hoekstra, rechters, in tegenwoordigheid van mr. J. van Eekelen, griffier, en is uitgesproken ter openbare zitting op 2 september 2021.